<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2001:AB0693</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T15:26:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB0693</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AG3895</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2001-03-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C99/048HR</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_insolventierecht">Civiel recht; Insolventierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2001:AB0693" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AB0693</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2001, 187</rdf:li>
          <rdf:li>TvI 2001, p. 131 met annotatie van J.B. Huizink</rdf:li>
          <rdf:li>JWB 2001/84</rdf:li>
          <rdf:li>JOR 2001/117</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2001:AB0693">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2001:AB0693</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:23:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2001:AB0693 Parket bij de Hoge Raad , 23-03-2001 / C99/048HR</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2001:AB0693:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2001:AB0693:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
  <parablock>
    <para>&amp;lt;</para>
    <para>1</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>Rolnr. C 99.048</para>
    <para>Zitting d.d. 11 augustus 2000 (bij vervroeging)</para>
    <para>Conclusie mr Spier</para>
    <para>inzake</para>
    <para>1. Leyland DAF Ltd.</para>
    <para>2. Leyland DAF International Ltd.</para>
    <para>(hierna: Leyland-vennootschappen)</para>
    <para>tegen</para>
    <para>1. Nederlandsche Trust-Maatschappij B.V.</para>
    <para>(hierna: NTM)</para>
    <para>2. Stichting Ofasec</para>
    <para>(hierna: Ofasec)</para>
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para>1. Feiten en procesverloop</para>
    <para>1.1 Voor de relevante feiten zij verwezen naar par. 1 van mijn</para>
    <para>conclusie in de zaak met rolnr. C 99/054 (Ofasec/NTM).</para>
    <para>1.2 Het procesverloop is in overwegende mate hetzelfde als in</para>
    <para>de onder 1.1 bedoelde zaak, hierna ook aangeduid als de</para>
    <para>parallel zaak. Voorzover in de onderhavige procedure</para>
    <para>specifieke kwesties aan de orde komen, wordt daaraan aandacht</para>
    <para>geschonken bij de bespreking van de desbetreffende klachten.</para>
    <para>2. Opmerkingen ter vereenvoudiging van de afdoening</para>
    <para>2.1 De onderhavige zaak vertoont in zoverre een kenmerkend</para>
    <para>&amp;lt;</para>
    <para>1</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>verschil met de parallel zaak dat het hier gaat om Engelse</para>
    <para>dochterondernemingen en om een in de Engelse taal gestelde</para>
    <para>prospectus. De geëerde steller van het middel heeft er op</para>
    <para>gewezen dat 's Hofs arrest op zijn "Britse opdrachtgevers"</para>
    <para>"geheel onbegrijpelijk is overgekomen" (s.t. onder 1.1).</para>
    <para>2.2 De Leyland-vennootschappen hebben er in cassatie aandacht</para>
    <para>voor gevraagd dat hun crediteuren het gelag betalen (s.t.</para>
    <para>onder 1.5). Die stelling is niet zonder meer duidelijk. In de</para>
    <para>procedure in feitelijke aanleg is niet uit de verf gekomen of</para>
    <para>de Leyland-vennootschappen in staat van faillissement zijn</para>
    <para>verklaard dan wel of het Engelse equivalent van de Nederlandse</para>
    <para>surséance van betaling is verleend. Daarmee is vooralsnog</para>
    <para>zeker niet ondenkbaar dat degenen die, om de terminologie van</para>
    <para>mr Van Staden ten Brink aan te houden, het gelag betalen</para>
    <para>veeleer de aandeelhouders van de Leyland-vennootschappen zijn.</para>
    <para>Waarom zou dat onrechtvaardig zijn? Het ging destijds immers</para>
    <para>om zekerheden ten behoeve van leningen die voor het gehele</para>
    <para>DAF-concern waren bestemd.</para>
    <para>2.3 De Leyland-vennootschappen hameren er voorts, gepafraseerd</para>
    <para>weergegeven, op dat hun crediteuren er niet op bedacht waren</para>
    <para>dat de zekerheden waren uitgehold (s.t. onder 1.6). Ik wil dat</para>
    <para>best aannemen, maar is zulks beslissend? Naar Nederlands recht</para>
    <para>zeker niet. Het komt zo vaak voor dat debiteuren alle denkbare</para>
    <para>activa aan banken en andere financiers tot zekerheid hebben</para>
    <para>gegeven (of eenvoudigweg door mismanagement of anderszins</para>
    <para>hebben verkwist). Dat een specifieke groep crediteuren er met</para>
    <para>de zekerheden vandoor gaat, is voor anderen inderdaad niet erg</para>
    <para>aantrekkelijk, maar per saldo beschouwt zowel onze wetgeving</para>
    <para>als onze rechtspraak dat - schaarse uitzonderingen daargelaten</para>
    <para>- niet als onaanvaardbaar. Ook in andere landen is zo'n</para>
    <para>benadering, naar ik meen, allerminst onbekend.</para>
    <para>2.4 Het voert te ver - en zou bovendien een onderzoek van</para>
    <para>feitelijke aard vergen - uit te zoeken of het Engelse recht op</para>
    <para>dit punt wezenlijk anders is, in dier voege dat de</para>
    <para>mogelijkheden om zekerheden te verschaffen beperkter zijn.&amp;lt;(1)     Vermoedelijk is de situatie in Engeland niet</para>
    <para>wezenlijk anders; zie bijv. Penningston's Company Law</para>
    <para>(7e dr. 1995) blz. 555 e.v.&amp;gt;</para>
    <para>Het had op de weg van Leyland-vennootschappen gelegen om</para>
    <para>daaromtrent concrete gegevens aan te dragen. Zij hebben dat</para>
    <para>nagelaten, naar mag worden aangenomen omdat de situatie in</para>
    <para>Engeland niet essentieel verschilt.</para>
    <para>2.5 Tussen de (talloze) klachten in de zaken C 99/054 en de</para>
    <para>onderhavige zaak bestaan weinig verschillen&amp;lt;(2)     Zie de s.t. van mr Van Staden ten Brink onder 1.1.&amp;gt;, zij het dan ook</para>
    <para>dat de klachtenregen in deze zaak nog wat groter is.&amp;lt;(3)     Mr Snijders wijst daar in zijn s.t. in de zaak met</para>
    <para>rolnr. C 99/051 met juistheid op; onder 1.8.&amp;gt; Uit</para>
    <para>praktische overwegingen meen ik daarom goeddeels naar bedoelde</para>
    <para>parallel conclusie te kunnen verwijzen.</para>
    <para>2.6.1 Voorzover nodig - dat is slechts op beperkte schaal het</para>
    <para>geval - wordt tevens aandacht geschonken aan betrekkelijk</para>
    <para>ondergeschikte punten van verschil.</para>
    <para>2.6.2 In het bijzonder met betrekking tot het derde middel is</para>
    <para>in de zaak met rolnr.</para>
    <para>C 99/054 aandacht besteed aan de rol van Ofasec en de</para>
    <para>betekenis van de in dat middel aan de orde gestelde</para>
    <para>rechtsvragen voor financieringstransacties in meer algemene</para>
    <para>zin. Bij de bespreking van het derde middel in de onderhavige</para>
    <para>zaak moet onder ogen worden gezien of de uiteenzettingen in de</para>
    <para>zaak Ofasec/NTM  zonder meer naar de onderhavige zaak kunnen</para>
    <para>worden getransponeerd.</para>
    <para>2.7 Opmerking verdient nog dat de gevolgen van een andere</para>
    <para>uitkomst van deze zaak en de zaak met rolnr. C 99/054 moeilijk</para>
    <para>kunnen worden overzien. In een lawyer's paradise zou dat een</para>
    <para>aantrekkelijk vooruitzicht zijn; in het rauwe leven van</para>
    <para>alledag is het een weinig bekoorlijk perspectief. Er moeten</para>
    <para>daarom klemmende redenen zijn daartoe te geraken. Die zijn er</para>
    <para>m.i. niet.</para>
    <para>2.8 In deze procedure is ervoor gekozen om één middel te</para>
    <para>formuleren dat uiteenvalt in een lange reeks onderdelen,</para>
    <para>subonderdelen en verdere onderverdelingen. Uit praktische</para>
    <para>overwegingen houd ik het ervoor dat sprake is van zes middelen</para>
    <para>(I-VI).</para>
    <para>3. Bespreking van middel I</para>
    <para>3.1.1 De klachten van het eerste middel falen in essentie op</para>
    <para>de gronden vermeld in de parallel conclusie (C 99/054) onder</para>
    <para>4. Hieronder wordt slechts ingegaan op die klachten die</para>
    <para>inhoudelijk iets toevoegen of die in relevant opzicht</para>
    <para>afwijken.</para>
    <para>3.1.2 Voorzover in de klachten slechts de formulering</para>
    <para>enigszins anders is zonder dat zij in materieel opzicht een</para>
    <para>nieuw gezichtspunt aan de orde stellen, ga ik er niet op in.</para>
    <para>3.2 Onderdeel 1d strekt ten betoge dat 's Hofs</para>
    <para>interpretatiemethode in rov. 5.5-5.7 conflicteert met zijn</para>
    <para>oordeel in rov. 5.9 dat de inhoud van rechten en</para>
    <para>verplichtingen uit obligaties uit het toonderpapier kenbaar</para>
    <para>moeten zijn.</para>
    <para>3.3 Het onderdeel faalt omdat het feitelijke grondslag</para>
    <para>ontbeert. In rov. 5.9 brengt het Hof tot uitdrukking dat uit</para>
    <para>het toonderpapier had moeten blijken van eventuele verschillen</para>
    <para>in behandeling van de Engelse en de Nederlandse</para>
    <para>obligatiehouders. Daarmee wil niet gezegd zijn dat, in 's Hofs</para>
    <para>visie, deze toonderstukken bij uitsluiting van andere stukken</para>
    <para>de rechten van de obligatiehouders bepalen. Een dergelijke</para>
    <para>stelling zou trouwens onjuist zijn, zoals in de parallel</para>
    <para>conclusie onder 4.4 aangegeven.</para>
    <para>3.4 De onderdelen 2a-2e wijken af van de onderdelen 2a-2c van</para>
    <para>die in de zaak met rolnr. C99/054. Zij zijn evenwel geen beter</para>
    <para>lot beschoren.</para>
    <para>3.5 Onderdeel 2a klaagt erover dat het Hof heeft miskend dat</para>
    <para>het slechts aankomt op de vraag hoe de contracterende partijen</para>
    <para>de voorwaarden hebben begrepen. Deze klacht faalt omdat in</para>
    <para>deze benadering kennelijk zonder belang wordt geacht hoe</para>
    <para>degenen die het geld daadwerkelijk ter beschikking stellen</para>
    <para>deze voorwaarden hebben begrepen (naar met name de</para>
    <para>debiteur/uitgevende instelling heeft moeten begrijpen).</para>
    <para>3.6 Het lijkt mij duidelijk dat deze opvatting niet juist kán</para>
    <para>zijn. In extremis: de contractpartijen zijn het eens over iets</para>
    <para>wat onmiskenbaar (en voor de beleggers zeer nadelig) afwijkt</para>
    <para>van de voorwaarden in onder meer de prospectus. De door de</para>
    <para>Leyland-vennootschappen gepropageerde stelling zou er dan -</para>
    <para>doorgedacht - toe leiden dat de beleggers zijn gebonden aan de</para>
    <para>voor hen niet kenbare bedoeling van de contractpartijen. Dat</para>
    <para>is uiteraard niet het geval.</para>
    <para>3.7 De onderdelen 2b en 2c voegen - voorzover zij al iets</para>
    <para>behelzen wat niet in onderdeel 2a besloten ligt - niets</para>
    <para>wezenlijks toe aan die besproken in de parallel zaak.</para>
    <para>3.8.1 Onderdeel 2d beklemtoont het "abstracte karakter" van</para>
    <para>het toonderpapier. Wat het onderdeel daarmee nauwkeurig wil</para>
    <para>zeggen is niet ten volle duidelijk. Zie ik het goed, dan menen</para>
    <para>eiseressen tot cassatie dat onjuist is de opvatting dat de</para>
    <para>latere verkrijgers anders zouden worden behandeld dan hun</para>
    <para>voorgangers. Die opvatting onderschrijf ik in haar</para>
    <para>algemeenheid. Ik moge verwijzen naar hetgeen ik daaromtrent in</para>
    <para>de parallel conclusie onder 4.4 heb opgemerkt.&amp;lt;(4)     Ter ondersteuning van hun stellingen doen de</para>
    <para>Leyland vennootschappen beroep op een bijdrage van</para>
    <para>S.C.J.J. Kortmann in Converteerbare obligaties en</para>
    <para>aandelen (blz. 25). Ik vraag mij af of daaruit wel</para>
    <para>steun voor hun standpunt kan worden geput.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>3.8.2 Volgens mr Van Staden ten Brink zou een obligatie een</para>
    <para>"hazardeus papier" worden wanneer de koper van een ter beurze</para>
    <para>verhandelde obligatie "volledig in de schoenen van zijn</para>
    <para>voorganger treedt". Dan zou, nog steeds volgens de s.t.,</para>
    <para>iedere afzonderlijke verkrijger "gehaviltext" moeten worden</para>
    <para>(s.t. onder 2.13).</para>
    <para>3.8.3 Dat klinkt inderdaad verschrikkelijk. Maar enerzijds</para>
    <para>wordt de soep niet zo heet gegeten als zij wordt opgediend en</para>
    <para>anderzijds kleven aan de door de Leyland-vennootschappen</para>
    <para>voorgestane benadering eveneens aanzienlijke nadelen. In hun</para>
    <para>visie is kennelijk zonder belang wat in de prospectus staat en</para>
    <para>doen eventuele verschillen tussen een trustakte en de</para>
    <para>prospectus niet ter zake. Ik kan geen goede reden bedenken</para>
    <para>waarom deze stukken, die met recht en reden worden vervaardigd</para>
    <para>en die de basis vormen voor de eerste beleggers om op de</para>
    <para>stukken in te tekenen zonder belang zouden zijn. De</para>
    <para>interpretatie die de eerste beleggers aan deze stukken geven</para>
    <para>bepaalt mitsdien ten minste mede het succes van de lening en</para>
    <para>daarmee ook de prijs van de obligaties.</para>
    <para>3.8.4 De opvatting van de Leyland-vennootschappen ten einde</para>
    <para>doorgedacht, lijkt het er zelfs op dat een foutieve vermelding</para>
    <para>van de trustakte op de achterzijde van het "hazardeuze papier"</para>
    <para>beslissend zou worden.</para>
    <para>3.8.5 De onder 3.8.2 verwoorde benadering ziet er voorts aan</para>
    <para>voorbij dat degene die een obligatie ter beurze koopt in het</para>
    <para>gunstigste geval de obligatie in fysieke zin eerst geruime</para>
    <para>tijd later krijgt. Zou hij van de op de achterzijde afgedrukte</para>
    <para>tekst al willen kennisnemen, dan kan hij dat eerst na de</para>
    <para>transactie. Reeds deze omstandigheid bestempelt de opvatting</para>
    <para>die de Leyland-vennootschappen ingang willen doen vinden tot</para>
    <para>onaantrekkelijk. Dat geldt a fortiori wanneer wordt bedacht</para>
    <para>dat, bij mijn weten, van obligaties en soortgelijke</para>
    <para>waardepapieren zelden evenzovele stukken worden gedrukt als er</para>
    <para>worden uitgegeven. In de huidige tijd ligt dat in de rede.</para>
    <para>Bewaring van de fysieke stukken is in onbruik geraakt, vergt</para>
    <para>teveel onnodige rompslomp (zoals het feitelijk knippen van</para>
    <para>coupons!) en is volstrekt overbodig geworden. Dat het, bij</para>
    <para>deze stand van zaken, aan zou komen op het "abstracte karakter</para>
    <para>van het toonderpapier" roept een papieren tijger in het leven.</para>
    <para>In fysieke zin is deze - om aan te sluiten bij de beeldspraak</para>
    <para>van mr Van Staden ten Brink - niet gevaarlijk; het is wel een</para>
    <para>fantoom dat ware te bestrijden.</para>
    <para>3.9 Onderdeel 2e komt overeen met onderdeel 2c in de parallel</para>
    <para>zaak en faalt op gelijke grond.</para>
    <para>3.10.1 Onderdeel 3b (in verband daarmee vernummeren de</para>
    <para>onderdelen 3b en 3c uit C99/054 in deze zaak tot 3c en 3d)</para>
    <para>heeft betrekking op een pretense tegenstrijdigheid in 's Hofs</para>
    <para>gedachtegang. Zie ik het goed, dan verwijt het onderdeel het</para>
    <para>Hof dat het naast elkaar heeft geplaatst dat:</para>
    <para>a) het onaanvaardbaar zou zijn wanneer de voorwaarden van de</para>
    <para>obligatielening ten opzichte van de onderscheiden betrokkenen</para>
    <para>verschillend zouden worden uitgelegd;</para>
    <para>b) op grond van de Engelse tekst (meer in het bijzonder het</para>
    <para>woord Company) een afwijkend resultaat kan worden bereikt.</para>
    <para>3.10.2 Volgens de Leyland-vennootschappen is de onder a</para>
    <para>verwoorde opvatting in beginsel juist.</para>
    <para>3.11 Tegen de achtergrond van het onder 3.10.2 gekozen</para>
    <para>uitgangspunt van de Leyland-vennootschappen ontvalt het belang</para>
    <para>aan de klacht. Het ligt in de rede - en de Engelse beleggers</para>
    <para>moeten dat ook hebben begrepen - dat als voor de uitleg een</para>
    <para>keuze moet worden gemaakt tussen de Nederlandse en de Engelse</para>
    <para>tekst de Nederlandse prevaleert; het gaat immers om een</para>
    <para>Nederlandse debiteur die op de Nederlandse en gedeeltelijk ook</para>
    <para>buitenlandse markt geld leent.&amp;lt;(5)     De s.t. van mr Van Staden ten Brink ziet dat m.i.</para>
    <para>over het hoofd (zie met name onder 3.3).&amp;gt; De Nederlandse tekst brengt</para>
    <para>mee - zoals in de parallel zaak onder 4 uiteengezet - dat moet</para>
    <para>worden uitgegaan van een ruim pari passu-recht in de optiek</para>
    <para>van beleggers. Dat ligt, ook in de redenering van de Leyland-</para>
    <para>vennootschappen, niet anders voor de Engelse tekst (en de</para>
    <para>Engelstalige beleggers). Dit blijkt uit verschillende passages</para>
    <para>in de tekst van de prospectus.</para>
    <para>3.12.1 Naar ik begrijp voert het onderdeel voorts aan dat de</para>
    <para>term "company" in de Engelstalige prospectus het Hof ertoe had</para>
    <para>moeten aanzetten te onderzoeken of "de perceptie van het</para>
    <para>begrip Company niet tot de enge uitleg van [het pari passu-</para>
    <para>recht] moet leiden".</para>
    <para>3.12.2 In de s.t. (sub 3.1) stelt mr. Van Staden ten Brink dat</para>
    <para>"vriend en vijand (...) het erover eens [zijn], dat alleen het</para>
    <para>Nederlandse woord "onderneming" mogelijk aanleiding tot</para>
    <para>dispuut kan geven (...). Bij het Engelse woord "Company" is</para>
    <para>die onzekerheid er niet. [Daarmee] kan nooit het hele concern</para>
    <para>bedoeld zijn."</para>
    <para>3.13 De klacht miskent 's Hofs gedachtegang. Zijns inziens</para>
    <para>valt uit het geheel van de in rov. 5.7 opgesomde</para>
    <para>omstandigheden af te leiden dat sprake is van een ruim pari</para>
    <para>passu-recht, ook wanneer de enkele term Company in andere</para>
    <para>richting zou wijzen. Volgens het Hof is er immers geen reden</para>
    <para>om doorslaggevende betekenis aan deze term te hechten, wat er</para>
    <para>ook zij van de vraag of deze - geïsoleerd bezien - wijst op</para>
    <para>een eng of een ruim pari passu-recht. Deze gedachtegang is</para>
    <para>zeker niet onbegrijpelijk en geeft evenmin blijk van een</para>
    <para>onjuiste rechtsopvatting; waarom dat anders zou zijn wordt in</para>
    <para>het onderdeel niet (op een wijze die voldoet aan de eisen van</para>
    <para>art. 407 lid 2 Rv.) uit de doeken gedaan.</para>
    <para>3.14.1 Te allen overvloede wijs ik nog op het volgende. Niet</para>
    <para>ten onrechte wijzen de Leyland-vennootschappen er op dat het</para>
    <para>bij de Engelstalige prospectus niet slechts gaat om - wat</para>
    <para>wordt aangeduid als - "Britse beleggers" (sub 3.3). Zij laten</para>
    <para>evenwel na om daaruit de voor de hand liggende consequentie te</para>
    <para>trekken.</para>
    <para>3.14.2 Een eventueel onderzoek naar de vraag wat een lezer van</para>
    <para>de Engelse tekst onder "Company" verstaat, hangt allicht</para>
    <para>(mede) af van zijn eigen rechtsstelsel. Dat behoeft geen</para>
    <para>Engels recht te zijn; bovendien is aan twijfel onderhevig -</para>
    <para>het had op de weg van Leyland-vennootschappen gelegen om</para>
    <para>daarover concrete gegevens te verschaffen - of onder Company</para>
    <para>hetzelfde wordt verstaan in bijvoorbeeld het Engelse en het</para>
    <para>"Amerikaanse" recht, waarbij nog zij aangestipt dat het</para>
    <para>Engelse recht slechts in een deel van het Verenigd Koninkrijk</para>
    <para>geldt.</para>
    <para>3.14.3 Volledigheidshalve: het is m.i. onduidelijk of</para>
    <para>werkelijk gezegd kan worden dat het begrip "company",</para>
    <para>Engels recht, eenduidig is.&amp;lt;(6)     Vgl. Charlesworth &amp; Morse, Company Law (14e dr.</para>
    <para>1991) blz. 5 e.v.; Palmer's Company Law, Volume 1</para>
    <para>(1982) blz. 3 e.v.&amp;gt; Dat is intussen, naar het mij</para>
    <para>toeschijnt, een vraag naar de uitleg van buitenlands recht</para>
    <para>waartoe de Hoge Raad niet geroepen is (art. 99 lid 1 onder 2</para>
    <para>Wet RO).</para>
    <para>4. Bespreking van middel II</para>
    <para>4.1 De klachten van het tweede middel kunnen - schoon ten dele</para>
    <para>gegrond - niet tot cassatie leiden. Ik moge daarvoor verwijzen</para>
    <para>naar de parallel conclusie onder 5.6 en 8.2.</para>
    <para>4.2 De slotklacht van onderdeel 2.1 is nieuw. Deze klacht</para>
    <para>strekt ten betoge dat het Hof nader had moeten motiveren</para>
    <para>waarom voor de DAF-dochters niet zou gelden hetgeen voor NTM</para>
    <para>en DAF geldt, namelijk dat deze partijen tot kort voor de</para>
    <para>aanvang van deze procedure zijn uitgegaan van een eng pari</para>
    <para>passu-recht.</para>
    <para>4.3 In het licht van hetgeen in de parallel conclusie onder</para>
    <para>5.14 is opgemerkt behoeft deze klacht - die gegrond is - geen</para>
    <para>afzonderlijke bespreking.</para>
    <para>4.4 Onderdeel 3.2 komt in essentie overeen met onderdeel 3.1</para>
    <para>vanaf "Bovendien" in de parallel zaak (tweede alinea).</para>
    <para>klacht hield ik voor gegrond (zie de parallel conclusie onder</para>
    <para>5.19 - 5.21). Hetzelfde geldt voor de in deze zaak</para>
    <para>geformuleerde klacht. Het kan de Leyland-vennootschappen</para>
    <para>evenwel niet baten omdat de tweede pijler van 's Hofs arrest</para>
    <para>vruchteloos wordt bestreden; zie onder 4.1.</para>
    <para>5. Bespreking van middel III</para>
    <para>5.1 Het middel faalt op de gronden in de parallel conclusie</para>
    <para>vermeld onder 6, voor partijen als de Leyland-vennootschappen</para>
    <para>nader uitgewerkt in mijn conclusie in de zaak met rolnr. C</para>
    <para>99/051 onder 6.5. De aanvullende klachten treffen hetzelfde</para>
    <para>lot.</para>
    <para>5.2 Onderdeel 1.6.a behelst een nieuwe klacht: het verwijt het</para>
    <para>Hof in rov. 5.40 te kort te zijn geschoten in zijn motivering</para>
    <para>indien het van oordeel zou zijn dat op bepaalde zekerheden</para>
    <para>buitenlands recht toepasselijk is.</para>
    <para>5.3 Ook deze klacht ziet er aan voorbij dat rov. 5.40</para>
    <para>betrekking heeft op een verweer van de curatoren. De Leyland-</para>
    <para>vennootschappen hebben hierbij geen belang.</para>
    <para>5.4 Onderdeel 2.2 behelst eveneens een nieuwe klacht; in</para>
    <para>verband daarmee vernummert onderdeel 2.2 uit zaak C99/054 naar</para>
    <para>onderdeel 2.3.</para>
    <para>5.5 Alvorens de klacht te kunnen bespreken, lijkt het goed</para>
    <para>terug te grijpen op de parallel conclusie (het daarin genoemde</para>
    <para>onderdeel 2.1 komt in essentie overeen met hetzelfde onderdeel</para>
    <para>in de onderhavige zaak). Onderdeel IIIB.2.1 in die zaak strekt</para>
    <para>ten betoge dat het Hof niet (in voldoende mate) duidelijk</para>
    <para>maakt wat het bedoelt met de "gekozen opzet" en met het van</para>
    <para>"administratieve en procedurele aard" en slechts "instrument"</para>
    <para>zijn van de Administration Conditions (rov. 5.34, 5.36, 5.38</para>
    <para>en 5.40). Het onderdeel voert verder aan dat 's Hofs</para>
    <para>overwegingen in ieder geval tegenstrijdig zijn.</para>
    <para>5.6 Zoals aangegeven in de parallel conclusie faalt deze</para>
    <para>klacht. Onder 6.2 - 6.8 werd daarin betoogd dat 's Hofs</para>
    <para>oordeel wel degelijk begrijpelijk is en voldoende inzicht</para>
    <para>biedt in zijn gedachtegang.</para>
    <para>5.7 Hier komt bij dat, volgens het Hof, de oprichting van</para>
    <para>Ofasec en de totstandkoming van de Administration Conditions</para>
    <para>en de borgtochtovereenkomsten zijn te beschouwen als een</para>
    <para>middel om uitvoering te geven aan de in de DSA neergelegde</para>
    <para>verplichting tot zekerheidstelling. Het is dan ook alleszins</para>
    <para>begrijpelijk dat het Hof de Administration Conditions en de</para>
    <para>borgtochtovereenkomsten aanmerkt als een "instrument om tot</para>
    <para>verwezenlijking van de gekozen opzet te geraken"; zij roepen</para>
    <para>geen nieuwe (materiële) rechten voor de DAF-crediteuren in het</para>
    <para>leven. De enige taak van Ofasec was om aan iedere crediteur</para>
    <para>van DAF te geven waarop hij recht had. Het Hof benadrukt bij</para>
    <para>dit alles dat deze constructie is gekozen met het oog op het</para>
    <para>feit dat niet duidelijk was welke crediteur welke</para>
    <para>(zekerheids)rechten kon uitoefenen (rov. 5.38 en 5.40).</para>
    <para>5.8 Het Hof heeft kennelijk bedoeld te zeggen dat de</para>
    <para>borgtochtovereenkomsten en de Administration Conditions</para>
    <para>noodzakelijke instrumenten waren om Ofasec tussen de DAF-</para>
    <para>crediteuren en de DAF-vennootschappen te kunnen schuiven. Dit</para>
    <para>verklaart tevens dat het Hof de borgtochtovereenkomsten en de</para>
    <para>Administration Conditions betitelt als instrumenten van</para>
    <para>administratieve en procedurele aard. Zij zijn slechts bedoeld</para>
    <para>om er voor te zorgen dat de DAF-vennootschappen zekerheden aan</para>
    <para>Ofasec zouden kunnen verschaffen, waarna de DAF-crediteuren</para>
    <para>zich tot Ofasec zouden kunnen wenden voor de nakoming van de</para>
    <para>verplichtingen van DAF. Dit is ook wat het Hof bedoelt met de</para>
    <para>"gekozen opzet".</para>
    <para>5.9 Onderdeel 2.2 in de onderhavige zaak vergt van het Hof dat</para>
    <para>het "minstgenomen nadere uitleg (geeft) of, in hoeverre</para>
    <para>waarom, NTM/obligatiehouders volgens het Hof reeds op grond</para>
    <para>van een (volgens het Hof juiste [...]) interpretatie van de</para>
    <para>Administration Conditions en/of de borgtochtacte(n) in de</para>
    <para>opbrengst van de andere funds zouden mogen meedelen, dan wel</para>
    <para>of daartoe "herstel van een fout", wijziging van het</para>
    <para>overeengekomene resp. nadere wilsovereenstemming noodzakelijk</para>
    <para>zou zijn". Volgens het onderdeel is het onderscheid alleszins</para>
    <para>relevant, in welk verband worden genoemd: 1) het oogpunt van</para>
    <para>een genoegzame motivering, 2) de onderscheiden juridische</para>
    <para>criteria en 3) de gevolgen, zoals de toepasselijkheid voor de</para>
    <para>pauliana.</para>
    <para>5.10 Voorzover het onderdeel erover bedoelt te klagen dat het</para>
    <para>Hof zijn oordeel baseert op zijn interpretatie is de klacht</para>
    <para>mij niet goed duidelijk. Rechters bouwen veelal voort op hun</para>
    <para>interpretatie; dat geldt voor overeenkomsten, wetten en zoveel</para>
    <para>anders. Vervolgens nemen zij (veelal) aan dat deze</para>
    <para>interpretatie juist is en dat partijen daar ook van uitgingen.</para>
    <para>Waarom deze gebruikelijke gang van zaken onjuist zou zijn</para>
    <para>wordt niet aangegeven. Het valt ook niet in te zien. Bezwaren</para>
    <para>dienen tegen de interpretatie als zodanig te worden</para>
    <para>ingebracht.</para>
    <para>5.11 Voor het overige zien de Leyland-vennootschappen eraan</para>
    <para>voorbij dat 's Hofs gedachtegang, zoals weergegeven onder 5.7</para>
    <para>en 5.8, allerminst onbegrijpelijk is. De klacht stuit daarop</para>
    <para>af. De onder 5.9 onder 2 en 3 genoemde gezichtspunten moeten</para>
    <para>blijven rusten; de klacht voldoet in zoverre niet aan de eisen</para>
    <para>van art. 407 lid 2 Rv.</para>
    <para>5.12 Onderdeel 3.1 is opgesplitst in een a) en een b)</para>
    <para>onderdeel. Onderdeel 3.1a is nieuw. Onderdeel 3.1b komt</para>
    <para>overeen met onderdeel 3.1 uit zaak C99/054, onder toevoeging</para>
    <para>van een m.i. onbeduidend slotklachtje.</para>
    <para>5.13 Onderdeel 3.1a neemt tot uitgangspunt dat sprake zou zijn</para>
    <para>van "een onverplicht honoreren van een betreffend verzoek",</para>
    <para>d.i. het verzoek om een fout te herstellen. Deze opvatting</para>
    <para>wordt door het Hof niet gehuldigd; daarop loopt het onderdeel</para>
    <para>stuk. Ik veroorloof mij te verwijzen naar de parallel</para>
    <para>conclusie onder 6.2 - 6.8.</para>
    <para>5.14 Onderdeel 3.6a en 3.6b behelst twee nieuwe (en</para>
    <para>uitvoerige) klachten tegen rov. 5.51 en rov. 5.52. Onderdeel</para>
    <para>3.6a verwijt het Hof te hebben miskend dat overeenkomsten</para>
    <para>partijen nu eenmaal tot wet strekken en dat dit dus ook geldt</para>
    <para>voor "de Ofasec-structuur". Deze zou een afstand van recht</para>
    <para>inhouden waarop niet kan worden teruggekomen.</para>
    <para>5.15 Het onderdeel faalt. Het Hof heeft - samengevat -</para>
    <para>overwogen dat alle partijen (waaronder DAF en de banken) op de</para>
    <para>hoogte waren van het (ruime) pari passu-recht. Bij die stand</para>
    <para>van zaken is volstrekt begrijpelijk dat het college niet licht</para>
    <para>heeft willen weten  van een afstand door NTM van rechten van</para>
    <para>de obligatiehouders. Nog geheel daargelaten dat niet valt in</para>
    <para>te zien (en door het onderdeel dan ook niet wordt betoogd)</para>
    <para>waarom NTM een zodanige bevoegdheid zou hebben en (of) de</para>
    <para>andere betrokkenen redelijkerwijs hebben kunnen denken dat zij</para>
    <para>deze had; zie nader de parallel conclusie onder 6.44, 6.57 en</para>
    <para>6.72.</para>
    <para>5.16 Onderdeel 3.6b verwijt het Hof te veel nadruk op het</para>
    <para>nadeelvereiste te hebben gelegd. Volgens de Leyland-</para>
    <para>vennootschappen hebben Ofasec c.s. er op vertrouwd althans</para>
    <para>kunnen vertrouwen dat NTM haar eventuele rechten op "het</para>
    <para>andere of meerdere met de acceptatie van de Ofasec-structuur</para>
    <para>opgaf".</para>
    <para>5.17 Aldus raakt het onderdeel m.i. de kern van de kwestie.</para>
    <para>Zoals onder 5.15 reeds vermeld (en in de parallel conclusie</para>
    <para>t.a.p. nader uitgewerkt) vind ik het allerminst aannemelijk</para>
    <para>dat Ofasec en de haren zouden hebben gemeend dat NTM de</para>
    <para>rechten van de obligatiehouders prijsgaf; noch ook is</para>
    <para>plausibel dat zij zulks hebben kunnen (en zo voeg ik toe:</para>
    <para>mogen) denken. Het minste wat Ofasec c.s. in dit verband</para>
    <para>hadden moeten doen is uiteenzetten dat en waarom zij hebben</para>
    <para>gedacht dat NTM een dergelijke vergaande - en gezien haar taak</para>
    <para>a prima vista volstrekt onjuiste en ongerechtvaardigde - stap</para>
    <para>zou hebben gezet. Nu te dezer zake (zeker ook in het middel)</para>
    <para>een (overtuigend) exposé geheel ontbreekt&amp;lt;(7)     Al was het maar door een verwijzing naar de</para>
    <para>stukken in feitelijke aanleg.&amp;gt;, is het onderdeel</para>
    <para>gedoemd te stranden.</para>
    <para>5.18 Onderdeel 3.7 aanhef en onder a wijkt af van onderdeel</para>
    <para>3.6 in de parallel zaak. Het kan niet tot een voor de Leyland-</para>
    <para>vennootschappen gunstiger resultaat leiden. Het onderdeel</para>
    <para>onder a grijpt terug op de klacht III.3.2.b. Deze faalt op de</para>
    <para>gronden vermeld in de parallel conclusie onder 6.55 - 6.58.</para>
    <para>5.19 Volledigheidshalve zij nog aangestipt dat de Leyland-</para>
    <para>vennootschappen (in laatst bedoeld onderdeel) als uitgangspunt</para>
    <para>kiezen dat de situatie niet duidelijk was voor alle betrokken</para>
    <para>partijen (zie met name onder (a)). Zij hielden er</para>
    <para>klaarblijkelijk rekening mee dat sprake was van een ruim pari</para>
    <para>passu-recht. Dat zo zijnde behoeft veel toelichting dat en</para>
    <para>waarom NTM - die slechts een der partijen was en op wier</para>
    <para>inzichten het niet alleen aankwam - een standpunt zou kunnen</para>
    <para>innemen dat a) nadelig was (kon zijn) voor de</para>
    <para>obligatiehouders, terwijl b) daar niets tegenover stond van de</para>
    <para>zijde van de andere partijen. Ofasec c.s. hebben zich te dezer</para>
    <para>zake in een veelzeggend stilzwijgen gehuld. Dat breekt hen</para>
    <para>thans op, als sterke argumenten al voorhanden waren.</para>
    <para>6. Bespreking van middel IV</para>
    <para>6.1 Het vierde middel is gericht tegen rov. 5.54. en 5.55.</para>
    <para>Deze overwegingen hebben betrekking op een verweer van de</para>
    <para>curatoren.</para>
    <para>6.2 Het Hof heeft er, naar mag worden aangenomen uit</para>
    <para>praktische overwegingen, voor gekozen om een verzamelarrest te</para>
    <para>wijzen tussen alle betrokken partijen. Deze opzet kan er</para>
    <para>uiteraard niet toe leiden dat specifieke overwegingen met</para>
    <para>betrekking tot bepaalde partijen door andere partijen kunnen</para>
    <para>worden bestreden. Het middel stuit daarop af. Daarbij legt</para>
    <para>geen gewicht in de schaal of Ofasec bij het verweer al dan</para>
    <para>niet belang heeft. Cassatie is niet de geëigende plaats om</para>
    <para>zulks in stelling te brengen.</para>
    <para>6.3 Ten overvloede: de pauliana-klachten heb ik besproken en</para>
    <para>ongegrond bevonden in de zaak met rolnr. 99/051</para>
    <para>(curatoren/NTM) onder 7.</para>
    <para>7. Bespreking van middel V</para>
    <para>7.1 Het vijfde middel heeft betrekking op de rov. 5.47-5.50</para>
    <para>waarin het Hof het beroep van de Leyland-vennootschappen op</para>
    <para>een "andere behandeling" verwerpt.</para>
    <para>7.2 Onderdeel 1 bevat een inleiding; onderdeel 2 klaagt er,</para>
    <para>naar ik begrijp, allereerst over dat het Hof niet duidelijk</para>
    <para>heeft gemaakt of het Engels dan wel Nederlands recht (dan wel</para>
    <para>beide) heeft toegepast.</para>
    <para>7.3 De klacht richt zich klaarblijkelijk tegen rov. 5.50.</para>
    <para>Voorzover deze overweging al niet is te beschouwen als een</para>
    <para>overweging ten overvloede, is zij geenszins onbegrijpelijk.</para>
    <para>Het Hof heeft in navolging van de door de Leyland-</para>
    <para>vennootschappen overgelegde Legal Opinion (rov. 5.47) - in</para>
    <para>cassatie begrijpelijkerwijs niet bestreden - geoordeeld dat op</para>
    <para>de Mortgage Debentures Engels recht toepasselijk is (rov.</para>
    <para>5.50). Daarnaast heeft het Hof in rov. 5.50 vastgesteld dat in</para>
    <para>de Administration Conditions een rechtskeuze voor het</para>
    <para>Nederlandse recht is uitgebracht. Ook deze rechtskeuze is in</para>
    <para>cassatie niet als zodanig bestreden. Onduidelijk of</para>
    <para>onvoldoende gemotiveerd zijn deze constateringen allerminst.</para>
    <para>7.4 Mogelijk acht het onderdeel het ongerijmd dat op het</para>
    <para>complex van rechtsverhoudingen zowel Nederlands als Engels</para>
    <para>recht toepasselijk is. Niet valt in te zien waarom dat het</para>
    <para>geval is. Zelfs op één rechtsverhouding kunnen partijen door</para>
    <para>middel van een rechtskeuze meer dan één rechtsstelsel van</para>
    <para>toepassing verklaren. Dit blijkt bijvoorbeeld voor</para>
    <para>internationale overeenkomsten uit art. 3 lid 1 EVO, volgens</para>
    <para>welke bepaling het partijen vrijstaat een rechtskeuze uit te</para>
    <para>brengen die slechts betrekking heeft op een onderdeel van de</para>
    <para>overeenkomst; hetzelfde geldt voor de rechtskeuze ten aanzien</para>
    <para>van een trust (art. 9 Trustverdrag). Niet valt in te zien</para>
    <para>waarom zulks in het onderhavige geval - dat zich kenmerkt door</para>
    <para>diverse onderling samenhangende overeenkomsten en</para>
    <para>zekerheidverstrek-kingen - anders zou liggen.</para>
    <para>7.5 Daar komt bij dat het onderdeel 's Hofs gedachtegang</para>
    <para>miskent. Het college oordeelt dat de verplichtingen uit de</para>
    <para>Administration Conditions vallen onder de Mortgage Debenture.</para>
    <para>De inhoud van de Administration Conditions wordt door</para>
    <para>Nederlands recht beheerst; datzelfde geldt daarmee voor de</para>
    <para>betekenis die zij onder de vigeur van de Mortgage Debenture</para>
    <para>hebben. Daarmee zegt het Hof - terecht - niet dat de Mortgage</para>
    <para>Debenture zelf mede door Nederlands recht wordt geregeerd.</para>
    <para>7.6 Onderdeel 3 heeft betrekking op 's Hofs oordeel in rov.</para>
    <para>5.48 dat NTM/de obligatiehouders "carry an entitlement", dan</para>
    <para>wel "are entitled" "to participate under the Administration</para>
    <para>Conditions" in de fondsen van de Leyland-vennootschappen. Het</para>
    <para>Hof zou hebben miskend dat het voor een dergelijk oordeel -</para>
    <para>naar Nederlands recht - aankomt op de bedoeling van partijen</para>
    <para>en op hetgeen zij redelijkerwijze aan het overeengekomene</para>
    <para>mochten toekennen. Daarom komt het niet aan op een "met de DSA</para>
    <para>conforme interpretatie van de Administration Conditions". Het</para>
    <para>is, volgens het onderdeel, onvoldoende duidelijk of het Hof</para>
    <para>deze maatstaf heeft aangelegd en of het een onderzoek naar de</para>
    <para>partijbedoelingen heeft ingesteld.</para>
    <para>7.7 Geklaagd wordt, naar ik begrijp, over de uitleg van de</para>
    <para>Mortgage Debentures. Het onderdeel gaat uit van een onjuiste</para>
    <para>rechtsopvatting voorzover het aanneemt dat hierop de</para>
    <para>Nederlandse Haviltex-formule dient te worden losgelaten.</para>
    <para>Immers, het betreft hier een document betreffende</para>
    <para>zekerheidstelling waarop Engels recht toepasselijk is. Over de</para>
    <para>vraag of het Hof naar Engels recht een juiste maatstaf voor de</para>
    <para>uitleg heeft aangehouden, kan in cassatie niet met vrucht</para>
    <para>worden geklaagd. Voorzover het onderdeel klaagt over een</para>
    <para>onbegrijpelijke motivering en deze klachten betrekking hebben</para>
    <para>op vragen van feitelijke aard, wordt verzuimd aan te geven</para>
    <para>waarom 's Hofs oordeel onvoldoende gemotiveerd zou zijn.</para>
    <para>7.8 Voorzover het onderdeel nog wil voortbouwen op de</para>
    <para>"generale klachten" moet het het lot daarvan delen. Dat</para>
    <para>behoeft geen afzonderlijke bespreking.</para>
    <para>8. Bespreking van cassatiemiddel VI</para>
    <para>8.1 Onderdeel VI.1 strekt ten betoge dat de rov. 8.2, 8.3, 8.4</para>
    <para>en 10 geen stand kunnen houden op grond van de hiervoor</para>
    <para>aangevoerde klachten. Het onderdeel faalt ten aanzien van rov.</para>
    <para>8.2 omdat de middelen I-V tevergeefs worden voorgedragen.</para>
    <para>8.2 De goede zin van de klacht tegen rov. 8.3 (de vordering</para>
    <para>van NTM tegen ABN AMRO) en 8.4 (de vordering van Thunnissen)</para>
    <para>ontgaat mij. De klacht mist in zoverre belang.</para>
    <para>8.3 Onderdeel VI.2 behelst geen klacht.</para>
    <para>8.4 Onderdeel VI.3 bevat slechts een klacht ter bewaring van</para>
    <para>rechten. De klacht bouwt voort op de hiervoor in essentie</para>
    <para>ongegrond bevonden klachten. Het onderdeel faalt daarom</para>
    <para>eveneens.</para>
    <para>8.5 Onderdeel VI.4 kant zich ten dele tegen de verwerping van</para>
    <para>een verweer van ABN AMRO (rov. 10.3) en is daarom zonder</para>
    <para>belang. Voor het overige is het onderdeel ongegrond op de</para>
    <para>onder 8.4 genoemde grond.</para>
    <para>8.6 Onderdeel VI.5 borduurt voort op de klachten van onderdeel</para>
    <para>V en is hetzelfde lot beschoren.</para>
    <para>Conclusie</para>
    <para>Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.</para>
    <para>De Procureur-Generaal bij de</para>
    <para>Hoge Raad der Nederlanden,</para>
    <para>Advocaat-Generaal</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>