<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2001:AB0202</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T12:10:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB0202</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2001-02-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">R00/078HR</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2001:AB0202" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AB0202</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=81&amp;g=2001-02-23">Algemene bijstandswet 81</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2001, 146</rdf:li>
          <rdf:li>JWB 2001/69</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2001:AB0202">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2001:AB0202</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:21:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2004-03-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2001:AB0202 Parket bij de Hoge Raad , 23-02-2001 / R00/078HR</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2001:AB0202:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2001:AB0202:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
  <parablock>
    <para>&amp;lt;</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>Rek. nr. R00/078</para>
    <para>Parket 22 december 2000</para>
    <para>Conclusie mr Spier</para>
    <para>inzake</para>
    <para>1. Chr.A. Pepplinkhuizen</para>
    <para>2. A. van Laar</para>
    <para>(hierna: Pepplinkhuizen en Van Laar)</para>
    <para>tegen</para>
    <para>De gemeente Wageningen</para>
    <para>(hierna: de gemeente)</para>
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para>1. Feiten</para>
    <para>1.1 In cassatie kan van de feiten worden uitgegaan zoals deze</para>
    <para>in de beschikking van de Rechtbank Arnhem onder 2.1 tot en met</para>
    <para>2.6 zijn vastgesteld.</para>
    <para>1.2 De gemeente heeft aan Pepplinkhuizen in de periode van 1</para>
    <para>oktober 1985 tot 22 januari 1997 bijstand verstrekt in de</para>
    <para>algemeen noodzakelijke kosten van bestaan naar de norm van een</para>
    <para>één-oudergezin, een en ander ingevolge de Rijksgroepsregeling</para>
    <para>Werkloze Werknemers (RWW) die steunt op de Algemene Bijstands</para>
    <para>wet (ABW).</para>
    <para>1.3 De Sociale Recherche van de gemeente heeft begin 1997 een</para>
    <para>onderzoek ingesteld om na te gaan of Pepplinkhuizen buiten</para>
    <para>Wageningen een gemeenschappelijke huishouding voerde met Van</para>
    <para>Laar. Pepplinkhuizen en Van Laar zijn in het kader van dit</para>
    <para>onderzoek gehoord, evenals de dochter van Pepplinkhuizen. Op</para>
    <para>10 februari 1997 heeft de Sociale Recherche over het verrichte</para>
    <para>onderzoek rapport uitgebracht.</para>
    <para>&amp;lt;</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>1.4 De gemeente heeft bij beschikking van 27 februari 1997 de</para>
    <para>uitkering aan Pepplinkhuizen beëindigd per 22 januari 1997 en</para>
    <para>vervolgens bij beschikking van 27 maart 1997 de uitkering over</para>
    <para>de periode van 1 juli 1991 tot 22 januari 1997 herzien. Af</para>
    <para>schriften van deze beschikkingen zijn verzonden aan Van Laar.</para>
    <para>De gemeente heeft bij beschikking van 4 april 1997 (verzonden</para>
    <para>op 8 april 1997) een bedrag van fl. 74.478,41 over de periode</para>
    <para>van 1 mei 1992 tot en met 31 december 1996 van Pepplinkhuizen</para>
    <para>teruggevorderd op grond van artikel 57, aanhef en sub a/d ABW</para>
    <para>(oud) en artikel 81, eerste lid ABW.</para>
    <para>1.5 De gemeente heeft bij beschikking van 4 april 1997 (ver</para>
    <para>zonden op 8 april 1997) een bedrag van fl. 70.221,17 over de</para>
    <para>periode van 1 augustus 1992 tot en met 31 december 1996 van</para>
    <para>Van Laar teruggevorderd op grond van artikel 59a, tweede lid</para>
    <para>ABW (oud) aanhef en artikel 84, tweede lid ABW.</para>
    <para>1.6 Pepplinkhuizen heeft tegen de beschikkingen van 27 februa</para>
    <para>ri 1997 en 27 maart 1997 bezwaar aangetekend. Burgermeester en</para>
    <para>wethouders van de Gemeente hebben in de vergadering van 5</para>
    <para>augustus 1997 de beschikkingen gewijzigd met betrekking tot de</para>
    <para>gronden voor de beëindiging, respectievelijk herziening van de</para>
    <para>uitkering en de bezwaarschriften voor het overige ongegrond</para>
    <para>verklaard. Dit besluit is op 12 augustus 1997 aan Pepplinkhui</para>
    <para>zen verzonden.</para>
    <para>1.7 Pepplinkhuizen is van dit besluit in beroep gekomen. Dit</para>
    <para>beroep heeft zij vervolgens ingetrokken.</para>
    <para>2. Procesverloop</para>
    <para>2.1 De gemeente heeft in deze zaak de Kantonrechter te Wage</para>
    <para>ningen verzocht te bepalen dat zij van Pepplinkhuizen een</para>
    <para>bedrag van fl. 74.478,41 kan invorderen terzake van ten on</para>
    <para>rechte verstrekte bijstand. Voorts heeft de gemeente de Kan</para>
    <para>tonrechter verzocht te bepalen dat zij een bedrag van fl.</para>
    <para>70.221,17 mede kan terugvorderen van Van Laar, die daarvoor</para>
    <para>hoofdelijk aansprakelijk is.</para>
    <para>2.2.1 De gemeente heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd</para>
    <para>dat zij Pepplinkhuizen over de periode van 1 oktober 1985 tot</para>
    <para>22 januari 1997 bijstand heeft verleend op grond van door haar</para>
    <para>verstrekte onjuiste en/of onvolledige inlichtingen. De gemeen</para>
    <para>te heeft in dit verband aangevoerd dat Pepplinkhuizen in die</para>
    <para>periode voldoende middelen van bestaan had doordat zij in</para>
    <para>Ochten een gemeenschappelijke huishouding voerde met Van Laar,</para>
    <para>die inkomsten had uit een dienstbetrekking uitgaande boven de</para>
    <para>voor een gezin geldende bijstandsnorm.</para>
    <para>2.2.2 In het door de gemeente in geding gebrachte rapport is</para>
    <para>onder meer te lezen dat Pepplinkhuizen heeft verklaard 7 dagen</para>
    <para>en vier nachten per week te verblijven op bedoeld adres in</para>
    <para>Ochten. Aangehecht is een p.v. waarin Van Laar verklaart dat</para>
    <para>Pepplinkhuizen in (ongeveer) 1991/1992 "permanent bij mij</para>
    <para>verbleef". Pepplinkhuizen heeft, blijkens het p.v., verklaard</para>
    <para>in de zomer van 1991 permanent bij Van Laar te zijn gaan</para>
    <para>wonen.</para>
    <para>2.3 Pepplinkhuizen en Van Laar hebben geen verweerschrift</para>
    <para>ingediend. Bij de mondelinge behandeling in prima hebben zij,</para>
    <para>naar blijkt uit de beschikking van de Kantonrechter Wagenin</para>
    <para>gen, als verweer aangevoerd dat zij in de bewuste periode niet</para>
    <para>met elkaar hebben samengewoond maar dat Pepplinkhuizen slechts</para>
    <para>af en toe bij Van Laar verbleef. Zij hebben voorts de juist</para>
    <para>heid van het door de gemeente overgelegde rapport van de</para>
    <para>sociaal rechercheur betwist. Pepplinkhuizen heeft in dat</para>
    <para>verband gesteld dat zij slechts de bladzijde van haar verkla</para>
    <para>ring heeft gezien die zij heeft ondertekend en Van Laar dat</para>
    <para>hij niet in staat was zijn verklaring na te lezen omdat hij</para>
    <para>zijn bril niet bij zich had.</para>
    <para>2.4 De Kantonrechter heeft het verzoek van de gemeente in zijn</para>
    <para>beschikking van 26 augustus 1999 toegewezen. Hij heeft daartoe</para>
    <para>overwogen dat - ondanks de (summier) gemotiveerde betwisting</para>
    <para>van de vordering door Pepplinkhuizen en Van Laar - uit de door</para>
    <para>de gemeente overgelegde producties genoegzaam blijkt dat zij</para>
    <para>in de bewuste periode een gemeenschappelijke huishouding (in</para>
    <para>Ochten) hebben gevoerd.</para>
    <para>2.5 Pepplinkhuizen en Van Laar hebben van de beschikking van</para>
    <para>de Kantonrechter hoger beroep ingesteld. Het zich in het</para>
    <para>dossier bevindende appèlschrift is niet ondertekend; navraag</para>
    <para>bij de griffie van de Rechtbank wijst uit dat het griffie-</para>
    <para>exemplaar wél getekend is. De grieven richten zich tegen</para>
    <para>bovenstaande overweging van de Kantonrechter. Pepplinkhuizen</para>
    <para>heeft aangevoerd dat zij om nader uitgewerkte redenen "regel</para>
    <para>matig elders haar toevlucht moest nemen", zulks "meestentijds</para>
    <para>in een achter de woning geplaatste caravan". Aan het p.v. zou</para>
    <para>geen waarde kunnen worden gehecht omdat appellanten door de</para>
    <para>rechercheurs onder druk zouden zijn gezet. Van Laar voert nog</para>
    <para>aan dat Pepplinkhuizen slechts "af en toe" bij hem verbleef.</para>
    <para>Hij is door het Hof Arnhem vrijgesproken.</para>
    <para>2.6 De gemeente heeft zich beroepen op de formele rechtskracht</para>
    <para>van het besluit op het door Pepplinkhuizen ingediende bezwaar</para>
    <para>schrift. Zij wijst er voorts op dat Pepplinkhuizen strafrech</para>
    <para>telijk is veroordeeld ter zake van valsheid in geschrifte</para>
    <para>(verweerschrift blz. 3) en dat zij het p.v. per pagina afzon</para>
    <para>derlijk heeft ondertekend (pleitnotitie mr Van der Hoeven).</para>
    <para>2.7 De Rechtbank te Arnhem heeft in haar beschikking van 13</para>
    <para>april 2000 de beschikking van de Kantonrechter bekrachtigd.</para>
    <para>Zij heeft daartoe het volgende overwogen:</para>
    <para>"3. Nu Pepplinkhuizen tegen de aan haar</para>
    <para>gerichte beschikkingen van 27 februari en 27 maart</para>
    <para>1997</para>
    <para>weliswaar bezwaar heeft aangetekend, maar</para>
    <para>vervolgens haar beroep tegen de op het bezwaar</para>
    <para>gegeven beslissing van de Gemeente van 5 augustus</para>
    <para>1997 heeft ingetrokken, en aldus niet ten volle</para>
    <para>gebruik heeft gemaakt van de voor haar openstaande</para>
    <para>met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke</para>
    <para>rechtsgang, moeten deze beschikkingen in beginsel</para>
    <para>zowel wat betreft hun inhoud als hun wijze van</para>
    <para>totstandkomen als rechtmatig worden beschouwd</para>
    <para>(beginsel van formele rechtskracht van de</para>
    <para>beschikking).</para>
    <para>4. Vast staat dat afschriften van de</para>
    <para>beschikkingen van 27 februari en 27 maart 1997 zijn</para>
    <para>verzonden aan Van Laar, die door de Gemeente wordt</para>
    <para>aangemerkt als derde-belanghebbende. Van Laar heeft</para>
    <para>tegen deze beschikkingen geen bezwaar aangetekend,</para>
    <para>en aldus geen gebruik gemaakt van de ook voor hem</para>
    <para>openstaande met voldoende waarborgen omklede</para>
    <para>bestuurlijke</para>
    <para>rechtsgang. Ook ten aanzien van hem moeten deze</para>
    <para>beschikkingen derhalve in beginsel zowel wat betreft</para>
    <para>hun inhoud als hun wijze van totstandkomen als</para>
    <para>rechtmatig worden beschouwd.</para>
    <para>5. Van de zijde van Pepplinkhuizen en Van Laar</para>
    <para>zijn geen zwaarwegende argumenten naar voren</para>
    <para>gebracht die ertoe zouden kunnen leiden van het</para>
    <para>onder 3. en 4. weergegeven beginsel af te wijken.</para>
    <para>(...)</para>
    <para>6. De grieven kunnen dan ook niet tot</para>
    <para>vernietiging van de beschikking van de kantonrechter</para>
    <para>leiden."</para>
    <para>2.8 Pepplinkhuizen en Van Laar hebben tijdig cassatieberoep</para>
    <para>ingesteld. De gemeente is bij brief van de Griffier van de</para>
    <para>Hoge Raad een copie van het verzoekschrift toegezonden met de</para>
    <para>mededeling dat dit "namens Chr. Pepplinkhuizen" is ingesteld</para>
    <para>en dat de Gemeente verweer kan voeren. Hoewel de aanduiding</para>
    <para>van de partijen die beroep in cassatie hebben ingesteld onvol</para>
    <para>ledig is (ook Van Laar heeft cassatieberoep ingesteld) moet de</para>
    <para>Gemeente zulks uit het haar toegezonden verzoekschrift hebben</para>
    <para>kunnen afleiden. Te allen overvloede heb ik dit bij de Gemeen</para>
    <para>te laten verifiëren; de voor de hand liggende veronderstelling</para>
    <para>is door dat telefoongesprek bevestigd. De gemeente is in cassa</para>
    <para>tie niet verschenen.</para>
    <para>3. Bespreking van het cassatiemiddel</para>
    <para>3.1 Het cassatiemiddel bevat vier onderdelen. Het  eerste</para>
    <para>onderdeel klaagt erover dat de Rechtbank heeft miskend dat aan</para>
    <para>het verzoek tot terugvordering van de gemeente de terugvorde</para>
    <para>ringsbesluiten van 4 april 1997 ten grondslag liggen en niet</para>
    <para>het beëindigingsbesluit van 27 februari 1997 en het intrek</para>
    <para>kingsbesluit van 27 maart 1997.</para>
    <para>3.2 Het onderdeel is gegrond. Bedoelde brieven behelzen inder</para>
    <para>daad geen beslissing over de terugvordering. Integendeel: in</para>
    <para>de brief van 27 februari 1997 is te lezen dat "indien" zal</para>
    <para>worden overgegaan tot terugvordering daaromtrent nader zal</para>
    <para>worden bericht. De brief van 27 maart 1997 behelst hetzelfde</para>
    <para>met weglating van "indien"; wel wordt het volgende voorbehoud</para>
    <para>gemaakt: "voorzover de Algemene bijstandswet in terugvorde</para>
    <para>ringsmogelijkheden voorziet".</para>
    <para>3.3 De onderdelen 2 en 3 veronderstellen dat de Rechtbank mede</para>
    <para>het oog heeft gehad op de brief van 4 april. De onderdelen</para>
    <para>missen feitelijke grondslag. Immers blijkt uit niets dat de</para>
    <para>Rechtbank haar beschikking mede op (het niet opkomen tegen)</para>
    <para>deze brief heeft gebaseerd.</para>
    <para>3.4 Ten overvloede: de procedure inzake terugvordering/verhaal</para>
    <para>(hierna: terugvordering) van verleende bijstand was tot 1 juli</para>
    <para>1997 ondergebracht bij de burgerlijke rechter. Indien een</para>
    <para>betrokkene niet vrijwillig tot betaling overging, diende de</para>
    <para>gemeente zich te wenden tot de Kantonrechter. Vervolgens</para>
    <para>bestond de mogelijkheid van hoger beroep en cassatie.&amp;lt;(1)     Losbladige ABW/Verhaal, I (Algemeen) 1-1 tot en</para>
    <para>met 3 en 23 en ABW/Verhaal IV, aant. bij art. X</para>
    <para>(overgangsbepalingen).&amp;gt; Dat</para>
    <para>brengt mee dat van formele rechtskracht van de besluiten tot</para>
    <para>terugvordering geen sprake kan zijn. Zie voorts HR 18 april</para>
    <para>1997, NJ 1997, 499 en HR 7 april 2000, NJ 2000, 378.</para>
    <para>3.5 Onderdeel 4 klaagt erover dat de besluiten tot intrekking</para>
    <para>en beëindiging van de uitkering van Pepplinkhuizen hoe dan ook</para>
    <para>geen formele rechtskracht van het ten opzichte van Van Laar</para>
    <para>genomen terugvorderingsbesluit kunnen meebrengen. Dit terug</para>
    <para>vorderingsbesluit is immers gebaseerd op de artt. 59a, tweede</para>
    <para>lid (oud) ABW en 84, tweede lid (oud) Abw, welke bepalingen</para>
    <para>geen voorwerp van toets kunnen hebben gevormd in de bezwaar-</para>
    <para>(en eventueel beroeps) procedure naar aanleiding van het</para>
    <para>intrekkings- en beëindigingsbesluit.</para>
    <para>3.6 Ook deze klacht snijdt hout op de daarin ontwikkelde</para>
    <para>grond. Het lijkt mij duidelijk dat Van Laar zich niet met</para>
    <para>vrucht had kunnen keren tegen beëindiging van een bijstands</para>
    <para>uitkering aan Peppinkhuizen. Reeds daarom gaat de redenering</para>
    <para>van de Rechtbank te zijnen aanzien niet op.</para>
    <para>3.7 Of ten aanzien van Van Laar is voldaan aan de voorwaarden</para>
    <para>van bedoelde artikelen kan thans blijven rusten.</para>
    <para>4. Is verwijzing noodzakelijk in de zaak van Pepplinkhuizen?</para>
    <para>4.1 Ik heb mij nog de vraag gesteld of verwijzing noodzakelijk</para>
    <para>is in de zaak tussen de gemeente en Pepplinkhuizen. Pepplink</para>
    <para>huizen heeft in appèl betoogd dat zij niet samenwoonde met Van</para>
    <para>Laar en dat zij slechts "af en toe" bij hem verbleef. Zij</para>
    <para>heeft bewijs van haar stellingen aangeboden.</para>
    <para>4.2 Om de navolgende redenen verdient haar relaas m.i. geen</para>
    <para>geloof:</para>
    <para>a. zij heeft de door haar betwiste verklaring op elke pagina</para>
    <para>ondertekend; dat - zoals zij bij de Kantonrechter heeft aange</para>
    <para>dragen - zij slechts één pagina heeft gezien, is dus niet</para>
    <para>juist.</para>
    <para>b. deze verklaring wordt onder meer ondersteund door die van</para>
    <para>Van Laar;</para>
    <para>c. zij is strafrechtelijk veroordeeld, naar de gemeente on</para>
    <para>weersproken heeft aangevoerd;</para>
    <para>d. volgens het beroepschrift verbleef ze "regelmatig" in de</para>
    <para>woning in Wageningen. Zij zou "meestentijds in een achter</para>
    <para>woning" - kennelijk: van Van Laar - staande caravan hebben</para>
    <para>vertoefd;</para>
    <para>e. de op het politiebureau afgelegde verklaringen zijn zo</para>
    <para>gedetailleerd dat reeds daarom nogal onwaarschijnlijk is dat</para>
    <para>ze geheel door de verbalisanten zijn verzonnen; evenmin is</para>
    <para>plausibel dat de door Pepplinkhuizen genoemde druk een verkla</para>
    <para>ring is voor zo gedetailleerde verklaringen;</para>
    <para>f. bij de mondelinge behandeling is door de Rechtbank gevraagd</para>
    <para>hoe vaak zij in Ochten zat; daarop antwoordde Pepplinkhuizen,</para>
    <para>blijkens het p.v.: "(...) dat was vaak zat".&amp;lt;(2)     De geciteerde passage geeft m.i. de kern van het</para>
    <para>antwoord weer. Hoewel het niet glashelder is, zie ik</para>
    <para>niet hoe het anders zou kunnen worden gelezen.&amp;gt;</para>
    <para>4.3 Tegen de achtergrond van hetgeen onder 4.2 is vermeld kon</para>
    <para>Pepplinkhuizen m.i. niet volstaan met een in algemene termen</para>
    <para>gesteld bewijsaanbod.</para>
    <para>4.4 Nu na verwijzing uitsluitend de onder 2.5 en 4.1 bedoelde</para>
    <para>kwestie aan de orde zou komen en de verwijzingsrechter m.i.</para>
    <para>tot geen andere slotsom kan komen dan dat de grief van Pep</para>
    <para>plinkhuizen faalt, mist zij belang bij haar cassatieberoep.</para>
    <para>Conclusie</para>
    <para>De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschik</para>
    <para>king voorzover gewezen tussen Van Laar en de gemeente;</para>
    <para>tot verwerping van het beroep voorzover ingesteld door Pep</para>
    <para>plinkhuizen.</para>
    <para>De Procureur-Generaal bij de</para>
    <para>Hoge Raad der Nederlanden,</para>
    <para>Advocaat-Generaal</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>