<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2001:AB0201</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T12:55:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB0201</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2001-02-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">R00/069HR</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2001:AB0201" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AB0201</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001827&amp;artikel=827&amp;g=2001-02-23">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 827</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001827&amp;artikel=429h&amp;g=2001-02-23">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 429h</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001827&amp;artikel=429q&amp;g=2001-02-23">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 429q</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2001, 145</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2001, 237</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2001, 57</rdf:li>
          <rdf:li>JWB 2001/68</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2001:AB0201">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2001:AB0201</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:21:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-12-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2001:AB0201 Parket bij de Hoge Raad , 23-02-2001 / R00/069HR</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2001:AB0201:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2001:AB0201:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
  <parablock>
    <para>Nr. R 00/069                            mr. Wesseling-van Gent</para>
    <para>Parket, 22 december 2000                 Conclusie inzake:</para>
    <para>Touil</para>
    <para>tegen</para>
    <para>M. Fizazi</para>
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para>1    Feiten en procesverloop</para>
    <para>1.1  Verzoekster tot cassatie, de moeder, en verweerder in cassatie,</para>
    <para>de vader, zijn in 1981 te Marokko met elkaar gehuwd. Uit dit</para>
    <para>huwelijk zijn zes kinderen geboren.</para>
    <para>1.2  Bij beschikking van 4 augustus 1999 heeft de rechtbank te</para>
    <para>Utrecht de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Voorts heeft</para>
    <para>zij beslist dat de moeder huurster zal zijn van de echtelijke</para>
    <para>woning. De moeder is in eerste aanleg niet verschenen.</para>
    <para>1.3       Van voornoemde beschikking is de moeder in hoger beroep gekomen</para>
    <para>bij het Gerechtshof te Amsterdam. De moeder heeft het hof verzocht</para>
    <para>haar te belasten met het ouderlijk gezag over de minderjarige</para>
    <para>kinderen van partijen, de bijdrage in de kosten van opvoeding en</para>
    <para>verzorging van de minderjarige kinderen van partijen te bepalen op</para>
    <para>ƒ 250,- per kind per maand, alsmede de verdeling van de tussen</para>
    <para>partijen bestaande huwelijksgemeenschap te bevelen. De vader heeft</para>
    <para>een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel appel</para>
    <para>ingesteld. De moeder heeft een verweerschrift ingediend in het</para>
    <para>incidenteel appel.</para>
    <para>1.4  Het hof heeft bij beschikking van 17 april 2000 zowel de moeder</para>
    <para>als de vader niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep. Tegen</para>
    <para>deze beschikking heeft de moeder tijdig cassatieberoep ingesteld.</para>
    <para>Het cassatiemidel bevat één klacht. De vader heeft geen</para>
    <para>verweerschrift ingediend.</para>
    <para>2    Bespreking van het cassatiemiddel</para>
    <para>2.1       Het hof heeft in rechtsoverweging 2.1.2 als volgt overwogen:</para>
    <para>"Het thans in appèl door de moeder gedane verzoek strekt er niet toe</para>
    <para>een uitspraak van de appèlrechter te verkrijgen omtrent een punt dat</para>
    <para>aan de rechter in eerste aanleg voorgelegd was en waarover deze zich</para>
    <para>heeft uitgesproken. Het in appèl gedane verzoek van de moeder dient</para>
    <para>dan ook te worden aangemerkt als een zelfstandig verzoek in de zin</para>
    <para>van artikel 429h, vierde lid, Rv, welke mogelijkheid niet voor het</para>
    <para>eerst in hoger beroep openstaat. Ten aanzien van dit voor het eerst</para>
    <para>in appèl gedane verzoek van de moeder geldt dat artikel 429h, vierde</para>
    <para>lid, Rv, dat de mogelijkheid biedt om in een rekestprocedure bij</para>
    <para>verweerschrift in eerste aanleg een zelfstandig tegenverzoek te</para>
    <para>doen, niet van overeenkomstige toepassing is op het geding in hoger</para>
    <para>beroep (artikel 429q, zesde lid, Rv). Hoewel artikel 827 Rv in 1995</para>
    <para>bij wet is gewijzigd teneinde de mogelijkheden in hoger beroep te</para>
    <para>&amp;lt;</para>
    <para>?</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>vergroten, moet in een geval als dit, waarin in wezen over geen</para>
    <para>enkele beslissing van de eerste rechter tussen partijen</para>
    <para>meningsverschil bestaat leidraad zijn de hoofdlijn zoals neergelegd</para>
    <para>in de artikelen 429h jo. 429q Rv (vgl. HR 4 april 1997, NJ 1997,</para>
    <para>402). (?..). De moeder kan derhalve niet in haar verzoek ? worden</para>
    <para>ontvangen."</para>
    <para>Volgens het middel heeft het hof aldus miskend dat verzoeken</para>
    <para>tot het treffen van</para>
    <para>nevenvoorzieningen in de zin van art. 827 Rv. ook eerst in hoger</para>
    <para>beroep kunnen worden gedaan. Door te oordelen dat de moeder niet-</para>
    <para>ontvankelijk moet worden verklaard, geeft het hof blijk van een</para>
    <para>onjuiste rechtsopvatting.</para>
    <para>2.3  Het middel treft doel.</para>
    <para>Het hof heeft in rechtsoverweging 2.1.1 vastgesteld dat het in deze</para>
    <para>zaak gaat om verzoeken tot het treffen van nevenvoorzieningen in de</para>
    <para>zin van art. 827 lid 1 Rv. Uw Raad heeft beslist (7 april 2000, NJ</para>
    <para>2000, 377) dat dergelijke verzoeken ook in de loop van de procedure</para>
    <para>en zelfs voor het eerst in hoger beroep kunnen worden gedaan.</para>
    <para>Vóór 1 april 1995 kon een verzoek tot het treffen van</para>
    <para>nevenvoorzieningen ingevolge</para>
    <para>het tweede lid van art. 827 (oud) Rv. slechts in eerste aanleg</para>
    <para>worden gedaan. Bij Wet van 7 juli 1994, Stb. 1994, 570 is deze</para>
    <para>bepaling geschrapt "om tegemoet te komen aan de behoeften die</para>
    <para>bestaan in de praktijk&amp;lt;(1)  Zie ook het beleid van de hoven om - uit praktisch oogpunt - het tweede</para>
    <para>lid van art. 827 (oud) Rv. te omzeilen en verzoeken in hoger beroep tot het</para>
    <para>treffen van nevenvoorzieningen toe te staan, Signalement, Trema 1993, blz.</para>
    <para>329.</para>
    <para>&amp;gt;. Het wordt als belemmerend ervaren dat de</para>
    <para>nevenvoorzieningen, genoemd in artikel 827 tegelijk met de indiening</para>
    <para>van het verzoekschrift of verweerschrift inzake scheiding moeten</para>
    <para>worden gevraagd"&amp;lt;(2) Nota van toelichting bij de tweede nota van wijziging, TK, vergaderjaar</para>
    <para>1993-1994, 22 487, nr. 10, blz. 4.</para>
    <para>&amp;gt;. Daarbij werd verwezen naar een artikel van W.</para>
    <para>Dijkers in NJB 1993 (blz. 927 e.v.) die kritiek had geuit op de oude</para>
    <para>regeling. Hij signaleerde dat de beperkingen van art. 827 lid 2</para>
    <para>(oud) Rv. niet te rijmen waren met de doelstelling van het</para>
    <para>scheidingsprocesrecht. De consequentie van deze bepaling, namelijk</para>
    <para>het voeren van een tweede procedure, leverde volgens Dijkers</para>
    <para>allerminst de beoogde geconcentreerde behandeling op.</para>
    <para>Het hof heeft voor zijn oordeel met name relevant geacht dat de</para>
    <para>moeder in hoger beroep niet tegen de inhoudelijke beslissing van de</para>
    <para>rechtbank is opgekomen en als het ware een zelfstandig tegenverzoek</para>
    <para>heeft gedaan. Nog afgezien van het feit dat de vrouw in haar</para>
    <para>beroepschrift heeft vermeld dat zij in beroep&amp;lt;(3) Zie over het onderscheid tussen vol en beperkt appel: P.A.J.Th. van</para>
    <para>Teeffelen, EchtscheidingBulletin 1993, nr. 2, blz. 1-4 en nr. 3, blz. 1-4.</para>
    <para>&amp;gt; komt tegen de</para>
    <para>echtscheiding "om reden van formele aard", valt uit de</para>
    <para>wetsgeschiedenis niet af te leiden dat een verzoek tot het treffen</para>
    <para>van nevenvoorzieningen in hoger beroep uitsluitend kan worden gedaan</para>
    <para>indien tevens inhoudelijk wordt opgekomen tegen de beslissing in</para>
    <para>eerste aanleg. Een dergelijk vereiste werkt m.i. belemmerend,</para>
    <para>hetgeen in ieder geval niet de bedoeling van de wetgever was. Het</para>
    <para>belang bij hoger beroep in een geval als dit is gelegen in het feit</para>
    <para>dat daar (alsnog) verzoeken tot nevenvoorzieningen kunnen worden</para>
    <para>gedaan.</para>
    <para>Overigens handelde het in het door het hof genoemde geval</para>
    <para>berecht in HR 4 april</para>
    <para>1997, NJ 1997, 402 over een - niet in het kader van een</para>
    <para>echtscheidingsprocedure gedaan - verzoek van de vader tot het</para>
    <para>vaststellen van een omgangsregeling in een procedure waarbij de</para>
    <para>moeder had verzocht haar te ontheffen van de informatieplicht ex</para>
    <para>art. 1:377b lid 2 BW.</para>
    <para>3    Conclusie</para>
    <para>De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het</para>
    <para>Gerechtshof te Amsterdam van 17 april 2000 en tot verwijzing ter</para>
    <para>verdere behandeling.</para>
    <para>De Procureur-Generaal bij de</para>
    <para>Hoge Raad der Nederlanden,</para>
    <para>A-G</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>