<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2001:AB0199</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T12:55:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB0199</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2001-02-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C99/176HR</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2001:AB0199" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AB0199</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2001, 153</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2001, 431 met annotatie van J.B.M. Vranken, Th.M. de Boer</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2001, 59</rdf:li>
          <rdf:li>JWB 2001/66</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2001:AB0199">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2001:AB0199</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:21:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-02-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2001:AB0199 Parket bij de Hoge Raad , 23-02-2001 / C99/176HR</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2001:AB0199:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2001:AB0199:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
  <parablock>
    <para>Rolnr. C99/176HR            Mr Strikwerda</para>
    <para>Zt. 8 dec. 2000             conclusie inzake</para>
    <para>de maatschap</para>
    <para>Pels Rijcken &amp; Drooglever Fortuijn</para>
    <para>tegen</para>
    <para>Mr H.J. Overes q.q.</para>
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para>1. Het gaat in deze zaak om de vraag of en, zo ja, in welke</para>
    <para>mate de cliënt van een advocaat schade heeft geleden als</para>
    <para>gevolg van het feit dat deze laatste heeft verzuimd tijdig</para>
    <para>beroep in cassatie in te stellen tegen een arrest waarbij die</para>
    <para>cliënt in het ongelijk is gesteld.</para>
    <para>2. De feiten liggen als volgt (zie r.o. 1.2 en 1.3 van het</para>
    <para>bestreden arrest).</para>
    <para>In 1983 is door thans verweerder in cassatie, hierna te noemen</para>
    <para>de curator, een procedure aangespannen voor de Rechtbank te</para>
    <para>Groningen tegen Nederlandse Scheepshypotheekbank N.V., geves</para>
    <para>tigd te Rotterdam, en tegen Nederlandse Middenstandsbank N.V.,</para>
    <para>later genaamd Internationale Nederlanden Bank N.V., gevestigd</para>
    <para>te Amsterdam, hierna te noemen resp. de SHB en de NMB. Deze</para>
    <para>procedure heeft geleid tot een vonnis van die Rechtbank van 24</para>
    <para>april 1987 waarbij de vordering van de curator gedeeltelijk is</para>
    <para>toegewezen en in hoger beroep tot een arrest van het Gerechts</para>
    <para>hof te Leeuwarden van 13 mei 1992 waarbij, met vernietiging</para>
    <para>van dat vonnis, de vordering is afgewezen. De curator heeft</para>
    <para>aan (een lid van) eiseres tot cassatie, hierna te noemen de</para>
    <para>maatschap, opdracht gegeven tegen dit arrest beroep in cassa</para>
    <para>tie in te stellen. De maatschap heeft deze opdracht aanvaard</para>
    <para>en een cassatiedagvaarding opgesteld, doch heeft verzuimd deze</para>
    <para>tijdig te doen uitgaan. Dit verzuim levert een beroepsfout van</para>
    <para>de maatschap op.</para>
    <para>3. Krachtens akte van prorogatie van 3 augustus 1995 heeft de</para>
    <para>curator bij exploit van 11 september 1995 de maatschap gedag</para>
    <para>vaard voor het Gerechtshof te 's-Gravenhage en gevorderd dat</para>
    <para>de maatschap zal worden veroordeeld tot betaling aan de cura</para>
    <para>tor van, primair, f 2.000.000,- en, subsidiair, een ex aequo</para>
    <para>et bono vast te stellen bedrag, met nevenvorderingen. Daartoe</para>
    <para>heeft de curator gesteld dat de maatschap door voormelde</para>
    <para>beroepsfout toerekenbaar tekort is geschoten in haar verplich</para>
    <para>tingen jegens hem en/of jegens hem onrechtmatig heeft gehan</para>
    <para>deld en dat hij ten gevolge hiervan schade heeft geleden ten</para>
    <para>belope van f 2.000.000,-, althans een ex aequo et bono vast te</para>
    <para>stellen bedrag.</para>
    <para>4. De maatschap heeft op verschillende gronden verweer gevoerd</para>
    <para>tegen de vordering van de curator. Voor zover thans in cassa</para>
    <para>tie van belang heeft de maatschap onder meer betwist dat als</para>
    <para>gevolg van de gemaakte fout schade is ontstaan voor de cura</para>
    <para>tor. De maatschap stelt dat, ware het beroep in cassatie tegen</para>
    <para>het arrest van het Hof Leeuwarden tijdig ingesteld, dit beroep</para>
    <para>niet tot cassatie zou hebben geleid.</para>
    <para>5. Bij arrest van 24 februari 1999 heeft het Hof op voetspoor</para>
    <para>van HR 24 oktober 1997, NJ 1998, 257 nt. PAS tot uitgangspunt</para>
    <para>genomen dat het lot van de vordering van de curator afhanke</para>
    <para>lijk is van het antwoord op de vraag hoe de Hoge Raad op het</para>
    <para>cassatieberoep tegen het arrest van het Hof Leeuwarden had</para>
    <para>behoren te beslissen, indien de cassatiedagvaarding tijdig was</para>
    <para>uitgegaan. Onder dit uitgangspunt heeft het Hof onderzocht of</para>
    <para>het tegen het arrest van het Hof Leeuwarden gerichte cassa</para>
    <para>tiemiddel, dat was opgenomen in de niet tijdig uitgebrachte</para>
    <para>cassatiedagvaarding, door de Hoge Raad gegrond bevonden had</para>
    <para>behoren te worden en, zo ja, wat ingeval van vernietiging en</para>
    <para>verwijzing, de verwijzingsrechter had behoren te beslissen</para>
    <para>(r.o. 8).</para>
    <para>6. Met betrekking tot het geding waarin het Hof Leeuwarden</para>
    <para>arrest wees, heeft het Hof - kort samengevat - het volgende</para>
    <para>vastgesteld (r.o. 11.2 t/m 11.9 en r.o. 12).</para>
    <para>Carebeka B.V., gevestigd te Groningen, hierna te</para>
    <para>noemen Carebeka, is bij vonnis van de Rechtbank te</para>
    <para>Groningen van 28 januari 1983 in staat van faillissement</para>
    <para>verklaard, met benoeming van mr. Overes tot curator.</para>
    <para>Carebeka was eigenaar van een aantal schepen,</para>
    <para>waaronder de "Carebeka VIII". Op dit schip was een eerste</para>
    <para>hypotheek gevestigd ten behoeve van de SHB voor een</para>
    <para>vordering van f 4.000.000,- en een tweede hypotheek ten</para>
    <para>behoeve van de NMB voor een vordering van f 13.500.000,-.</para>
    <para>Deze hypotheken werden op resp. 15 en 16 april 1980</para>
    <para>ingeschreven in het hypotheekregister.</para>
    <para>Voor de periode van 22 januari 1982 tot en met 31</para>
    <para>december 1982 was het schip via NASK B.V. te Groningen</para>
    <para>verzekerd op basis van de Standard Dutch Hull Form tot</para>
    <para>een bedrag van f 8.000.000,- ter zake van casco- en</para>
    <para>machineschade, tot een bedrag van f 1.600.000,- ter zake</para>
    <para>van behouden varen, en tot een bedrag van f 400.000,- ter</para>
    <para>zake van vracht.</para>
    <para>De SHB heeft ten aanzien van haar hypotheek het</para>
    <para>beding van art. 297 K gemaakt. Het beding is neergelegd</para>
    <para>in de hypotheekakte en in het Reglement voor het ter leen</para>
    <para>verstrekken van geld, waarvan de inhoud in deze akte is</para>
    <para>opgenomen. Het Reglement bevat tevens een cessiebeding.</para>
    <para>Ook de NMB heeft ten aanzien van haar hypotheek het</para>
    <para>beding bedoeld in art. 297 K gemaakt, welk beding is</para>
    <para>neergelegd in de hypotheekakte.</para>
    <para>Op 23 december 1982 is het schip vergaan. Door</para>
    <para>verzekeraars is meegedeeld dat tot uitkering van f 10.00</para>
    <para>0.000,- zou worden overgegaan.</para>
    <para>De SHB en de NMB hebben op grond van voormelde</para>
    <para>bedingen aanspraak gemaakt op de assurantiepenningen.</para>
    <para>De curator heeft deze aanspraken betwist en heeft in</para>
    <para>de in 1983 voor de Rechtbank te Groningen tegen de SHB en</para>
    <para>de NMB aangespannen procedure - na wijziging van eis -</para>
    <para>gevorderd een verklaring voor recht dat</para>
    <para>1. buiten verhaal van de SHB en de NMB blijft een</para>
    <para>bedrag van f 2.000.000,- ter zake van de polissen</para>
    <para>behouden-varen (f 1.600.000,-) en vracht (f 400.000,-),</para>
    <para>2. dat de SHB en de NMB zich op de uitgekeerde</para>
    <para>cascoschade van f 8.000.000,- slechts mogen verhalen met</para>
    <para>inachtneming van art. 298 K.</para>
    <para>7. Met betrekking tot de inhoud van het door het Hof Leeuwar</para>
    <para>den gewezen arrest, waarbij, met vernietiging van het gedeel</para>
    <para>telijk toewijzende vonnis van de Rechtbank Groningen, de vorde</para>
    <para>ring van de curator werd afgewezen, heeft het Hof 's-</para>
    <para>Gravenhage - kort samengevat - het volgende vastgesteld (r.o.</para>
    <para>14 t/m 16).</para>
    <para>Het Hof Leeuwarden heeft in r.o. 9 het verweer van</para>
    <para>de SHB en de NMB, dat de in geschil zijnde assuran</para>
    <para>tiepenningen rechtsgeldig waren gecedeerd, gehonoreerd.</para>
    <para>Daartoe heeft het Hof overwogen dat in de gegeven omstan</para>
    <para>digheden (ten tijde van de cessie liepen reeds verzeke</para>
    <para>ringsovereenkomsten met betrekking tot de Carebeka VIII;</para>
    <para>de contractanten kwamen in beginsel hersluiting van de</para>
    <para>lopende overeenkomsten overeen; hersluiting heeft telken</para>
    <para>male plaats gevonden; slechts op ondergeschikte punten</para>
    <para>werden wijzigingen in de opvolgende overeenkomsten aange</para>
    <para>bracht) de onderhavige vordering ten tijde van de cessie</para>
    <para>voldoende was bepaald. Daarmee heeft het Hof Leeuwarden</para>
    <para>kennelijk mede tot uitdrukking gebracht, dat voldaan is</para>
    <para>aan de eis dat deze vordering haar onmiddellijke</para>
    <para>grondslag vond in een ten tijde van de cessie bestaande</para>
    <para>rechtsverhouding.</para>
    <para>8. Het Hof heeft vastgesteld dat het tegen het arrest van het</para>
    <para>Hof Leeuwarden gerichte cassatiemiddel, opgenomen in de niet</para>
    <para>tijdig uitgebrachte cassatiedagvaarding, in zijn eerste onder</para>
    <para>deel motiverings- en rechtsklachten bevat tegen r.o. 9 van dat</para>
    <para>arrest (r.o. 17). Naar het oordeel van het Hof had de Hoge</para>
    <para>Raad dit eerste onderdeel van het voorgestelde cassatiemiddel</para>
    <para>gegrond behoren te bevinden. Daartoe overwoog het Hof:</para>
    <para>"18. Voor zover het Hof te Leeuwarden, in het</para>
    <para>bijzonder waar het spreekt van hersluiting van de ten</para>
    <para>tijde van de cessie lopende overeenkomsten, heeft</para>
    <para>geoordeeld dat de verzekeringsovereenkomsten welke ten</para>
    <para>tijde van de cessie op 14 april 1980 bestonden zijn</para>
    <para>verlengd of voortgezet door de verzekeringsovereenkomsten</para>
    <para>van januari 1982 waarop de vordering van Carebeka resp.</para>
    <para>de curator tot uitkering van de assurantiepenningen</para>
    <para>berustte, met als gevolg dat die vordering haar</para>
    <para>onmiddellijke grondslag vond in de eerstgenoemde</para>
    <para>overeenkomsten, is dit oordeel onvoldoende duidelijk.</para>
    <para>Immers, de door het Hof gereleveerde omstandigheden zijn</para>
    <para>wel van belang doch zijn niet beslissend voor het</para>
    <para>antwoord op de vraag of de ten tijde van de cessie</para>
    <para>bestaande overeenkomsten zijn verlengd of voortgezet door</para>
    <para>de verzekeringsovereenkomsten van januari 1982.</para>
    <para>19. Voorts is niet duidelijk, of het Hof te</para>
    <para>Leeuwarden de na te noemen stellingen van partijen, welke</para>
    <para>met dit oordeel bezwaarlijk zijn te verenigen, heeft</para>
    <para>meegewogen.</para>
    <para>De curator had gesteld, dat ten tijde van de cessie</para>
    <para>de Carebeka VIII was verzekerd voor de periode van een</para>
    <para>jaar, zulks overeenkomstig het Engelse recht dat slechts</para>
    <para>verzekering voor maximaal een jaar toestaat; dat de in</para>
    <para>1980 geldende verzekering niet is verlengd; dat de voor</para>
    <para>de Carebeka VIII ieder jaar opnieuw onder verschillende</para>
    <para>condities en bij wisselende verzekeraars verzekerings</para>
    <para>overeenkomsten werden afgesloten.</para>
    <para>De SHB en de NMB hadden gesteld, dat de polis voor</para>
    <para>de Carebeka VIII, welke voor een jaar was gesloten,</para>
    <para>telkenmale met een jaar werd verlengd; dat die</para>
    <para>voortzetting tot stand kwam na onderhandelingen; dat</para>
    <para>daarbij kleine verschuivingen in de (percentages van de)</para>
    <para>betrokken verzekeraars en/of verzekerde bedragen en</para>
    <para>premies plaats vonden.</para>
    <para>20. Voor zover het Hof te Leeuwarden op andere dan</para>
    <para>de hiervoor onder 16 vermelde gronden tot zijn oordeel is</para>
    <para>gekomen dat de vordering tot uitkering van de assurantie</para>
    <para>penningen haar onmiddellijke grondslag vond in de ten</para>
    <para>tijde van de cessie bestaande overeenkomsten, heeft het</para>
    <para>in het licht van het voorgaande onvoldoende inzicht in</para>
    <para>zijn gedachtengang gegeven."</para>
    <para>9. De Hoge Raad had, aldus het Hof, het arrest van het Hof</para>
    <para>Leeuwarden derhalve behoren te vernietigen en de zaak ter</para>
    <para>verdere behandeling en beslissing behoren te verwijzen (r.o.</para>
    <para>21). Naar het oordeel van het Hof had de verwijzingsrechter</para>
    <para>reeds op grond van het feit dat, blijkens de stellingen van</para>
    <para>partijen, de ten tijde van het evenement geldende verzeke</para>
    <para>ringsovereenkomsten na afloop van de geldende termijn van een</para>
    <para>jaar zijn opgevolgd door overeenkomsten die ten dele met</para>
    <para>andere assuradeuren zijn gesloten, alsmede dat deze op hun</para>
    <para>beurt zijn opgevolgd door overeenkomsten - die waarop de</para>
    <para>vordering tot uitkering van de assurantiepenningen berustte -</para>
    <para>die ten dele met andere assuradeuren zijn gesloten, de vraag</para>
    <para>of de vordering tot uitkering van de verzekeringspenningen</para>
    <para>haar onmiddellijke grondslag vond in de ten tijde van de</para>
    <para>cessie bestaande verzekeringsovereenkomsten ontkennend behoren</para>
    <para>te beantwoorden (r.o. 22) en deswege de (gewijzigde) vordering</para>
    <para>van de curator sub 1 behoren toe te wijzen. Hieraan heeft het</para>
    <para>Hof het volgende toegevoegd:</para>
    <para>"26. De maatschap heeft nog aangevoerd, dat de verze</para>
    <para>keringsovereenkomsten werden beheerst door Engels recht,</para>
    <para>zodat naar dat recht beoordeeld moet worden of cessie van</para>
    <para>de vorderingen mogelijk was; dat in cassatie niet over</para>
    <para>schending van Engels recht kan worden geklaagd; dat het</para>
    <para>cassatieberoep daarop zou hebben moeten stranden.</para>
    <para>27. Indien een betoog van deze strekking door de SHB</para>
    <para>en de NMB zou zijn gevoerd, zou de Hoge Raad dit hebben</para>
    <para>behoren te verwerpen. Immers, het gaat er kennelijk doch</para>
    <para>ten onrechte van uit, dat het Hof te Leeuwarden niet</para>
    <para>Nederlands doch Engels recht heeft toegepast."</para>
    <para>10. Op grond van dit een en ander heeft het Hof geconcludeerd</para>
    <para>dat de (primaire) vordering van de curator tegen de maatschap</para>
    <para>toegewezen kan worden, en dienovereenkomstig beslist.</para>
    <para>11. De maatschap is tegen het arrest van het Hof (tijdig) in</para>
    <para>cassatie gekomen met een uit verscheidene onderdelen opgebouwd</para>
    <para>middel, dat door de curator is bestreden met conclusie tot</para>
    <para>verwerping van het cassatieberoep.</para>
    <para>12. Alvorens het middel te bespreken, stel ik vast dat het</para>
    <para>middel niet opkomt tegen de door het Hof aangelegde, aan HR 24</para>
    <para>oktober 1997, NJ 1998, 257 nt. PAS ontleende maatstaf bij de</para>
    <para>beoordeling van de vraag of de curator als gevolg van het</para>
    <para>verzuim van de maatschap schade heeft geleden. Die maatstaf</para>
    <para>houdt in dat voor het antwoord op de vraag of de curator</para>
    <para>schade heeft geleden als gevolg van het feit dat de maatschap</para>
    <para>heeft verzuimd tijdig beroep in cassatie in te stellen in</para>
    <para>beginsel moet worden beoordeeld hoe de Hoge Raad op dat beroep</para>
    <para>had behoren te beslissen. Bij de toepassing van deze maatstaf</para>
    <para>ontstaat, wat wel genoemd is (zie de conclusie van A-G Bakels</para>
    <para>onder 3.4 voor genoemd arrest van de Hoge Raad), een "trial</para>
    <para>within a trial". Deze beeldspraak, hoe treffend ook, mag</para>
    <para>ogen er niet voor doen sluiten dat thans in cassatie de Hoge</para>
    <para>Raad niet tot taak heeft om te onderzoeken of het door de</para>
    <para>maatschap tegen het arrest van het Hof Leeuwarden geconci</para>
    <para>pieerde cassatiemiddel gegrond is. De Hoge Raad kan in het</para>
    <para>onderhavige cassatiegeding slechts een onderzoek in stellen</para>
    <para>naar de gegrondheid van de tegen het arrest van het Hof 's-</para>
    <para>Gravenhage aangevoerde cassatieklachten en is daarbij, wat de</para>
    <para>omvang en de grondslag van het cassatieberoep betreft, gebon</para>
    <para>den aan het voorschrift van art. 419 lid 3 Rv. Dit brengt mee</para>
    <para>dat de Hoge Raad gebonden is aan hetgeen in de bestreden</para>
    <para>uitspraak van het Hof 's-Gravenhage is vastgesteld omtrent het</para>
    <para>verloop van de eerdere procedure, de inhoud van het arrest van</para>
    <para>het Hof Leeuwarden en de inhoud van de daartegen door de</para>
    <para>maatschap geconcipieerde cassatieklachten. Dit betekent niet</para>
    <para>dat het oordeel van het Hof 's-Gravenhage met betrekking tot</para>
    <para>de vraag of de Hoge Raad de door de maatschap tegen het arrest</para>
    <para>van het Hof Leeuwarden geformuleerde cassatieklachten gegrond</para>
    <para>had behoren te bevinden zich aan cassatietoetsing onttrekt,</para>
    <para>maar wel dat de Hoge Raad bij de beoordeling van die vraag</para>
    <para>gebonden is aan hetgeen het Hof 's-Gravenhage heeft vastge</para>
    <para>steld met betrekking tot de omvang en de grondslag van het</para>
    <para>(hypothetische) cassatieberoep tegen het arrest van het Hof</para>
    <para>Leeuwarden en dat thans in cassatie voor het eerst aangevoerde</para>
    <para>stellingen met betrekking tot de omvang en de grondslag van</para>
    <para>dat cassatieberoep als ongeoorloofd feitelijk novum buiten</para>
    <para>beschouwing dienen te blijven.</para>
    <para>13. Onderdeel 1 van het middel komt vanuit een internationaal</para>
    <para>privaatrechtelijke invalshoek op tegen het oordeel van het Hof</para>
    <para>dat de Hoge Raad onderdeel 1 van het door de maatschap tegen</para>
    <para>het arrest van het Hof Leeuwarden geconcipieerde cassatiemid</para>
    <para>del gegrond had behoren te vinden. Centraal in het onderdeel</para>
    <para>staat de klacht dat het Hof 's-Gravenhage heeft miskend dat</para>
    <para>het Hof Leeuwarden, zo nodig ambtshalve, had moeten beslissen</para>
    <para>dat de vatbaarheid voor cessie van de vorderingen op de verze</para>
    <para>keraars naar Nederlands internationaal privaatrecht wordt</para>
    <para>beheerst door Engels recht als het recht dat op die vorderin</para>
    <para>gen van toepassing is, en dat de Hoge Raad, zo nodig ook</para>
    <para>ambtshalve, had behoren vast te stellen dat onderdeel 1 van</para>
    <para>het tegen het Hof Leeuwarden geconcipieerde cassatiemiddel</para>
    <para>derhalve klaagt over schending van niet toepasselijke regels</para>
    <para>en daarom reeds wegens gebrek aan belang faalt.</para>
    <para>14. Het onderdeel is naar mijn oordeel tevergeefs voorgesteld.</para>
    <para>Ik licht dit als volgt toe.</para>
    <para>15. Conflictregels, althans conflictregels op het terrein van</para>
    <para>het vermogensrecht, zijn processueel niet van openbare orde</para>
    <para>(zie P.P.M. Mostermans, De processuele behandeling van het</para>
    <para>conflictenrecht, 1996, blz. 95 e.v.). Het Hof Leeuwarden was</para>
    <para>derhalve niet gehouden of bevoegd het vonnis van de Rechtbank</para>
    <para>Groningen te toetsen aan de thans door de maatschap ingeroepen</para>
    <para>regel van conflictenrecht, tenzij (a) de vraag naar het toe</para>
    <para>passelijke recht op de vatbaarheid voor cessie van de vorde</para>
    <para>ringen op de verzekeraars binnen het door de grieven tegen het</para>
    <para>vonnis van de Rechtbank Groningen ontsloten gebied van de</para>
    <para>rechtsstrijd in hoger beroep voor het Hof Leeuwarden lag, of</para>
    <para>(b) de SHB en de NMB in de eerste aanleg voor de Rechtbank te</para>
    <para>Groningen zich ter afwering van de vordering van de curator op</para>
    <para>de toepasselijkheid van Engels recht op de vraag naar de</para>
    <para>vatbaarheid voor cessie van de vorderingen op de verzekeraars</para>
    <para>hebben beroepen en dit verweer door de Rechtbank Groningen is</para>
    <para>verworpen of buiten behandeling is gelaten, zodat het Hof</para>
    <para>Leeuwarden, bij vernietiging van het vonnis van de Rechtbank</para>
    <para>Groningen op het (principaal) hoger beroep van de curator, dit</para>
    <para>verweer opnieuw resp. alsnog had behoren te onderzoeken.</para>
    <para>16. Het onder (a) bedoelde geval heeft zich niet voorgedaan.</para>
    <para>Blijkens de gedingstukken heeft de maatschap niet gesteld - en</para>
    <para>heeft het Hof 's-Gravenhage ook niet vastgesteld - dat de</para>
    <para>Rechtbank Groningen de vraag naar het toepasselijke recht op</para>
    <para>de vatbaarheid voor cessie van de vorderingen op de verzeke</para>
    <para>raars in het midden heeft gelaten. De maatschap is er, integen</para>
    <para>deel, evenals de curator, van uitgegaan dat de Rechtbank</para>
    <para>Groningen op die vraag, zij het implicite, het Nederlandse</para>
    <para>recht toepasselijk heeft geoordeeld. Evenmin heeft de maat</para>
    <para>schap in de procedure voor het Hof 's-Gravenhage aangevoerd -</para>
    <para>of is door het Hof 's-Gravenhage vastgesteld - dat tegen dit</para>
    <para>oordeel van de Rechtbank Groningen in het hoger beroep voor</para>
    <para>het Hof Leeuwarden grieven zijn aangevoerd. Voor zover de</para>
    <para>maatschap thans in cassatie het standpunt wil innemen dat de</para>
    <para>vraag naar het toepasselijke recht op de vatbaarheid voor</para>
    <para>cessie van de vorderingen op de verzekeraars wèl tot het door</para>
    <para>de grieven tegen het vonnis van de Rechtbank Groningen ontslo</para>
    <para>ten gebied van de rechtsstrijd in hoger beroep voor het Hof</para>
    <para>Leeuwarden behoorde, is er derhalve sprake van een ontoelaat</para>
    <para>baar novum in cassatie. Weliswaar heeft de maatschap in de</para>
    <para>procedure voor het Hof 's-Gravenhage aangevoerd dat, nu de</para>
    <para>verzekeringsovereenkomsten werden beheerst door Engels recht,</para>
    <para>naar dit recht beoordeeld moet worden of cessie van de vorde</para>
    <para>ringen op de verzekeraars mogelijk was, maar deze stelling,</para>
    <para>juist of niet, kan aan het oordeel van het Hof 's-Gravenhage</para>
    <para>omtrent de gegrondheid van het eerste onderdeel van het tegen</para>
    <para>het arrest van het Hof Leeuwarden geconcipieerde cassatiemid</para>
    <para>del niet afdoen. De stelling is voor de vraag of het Hof Leeu</para>
    <para>warden de beslissing van de Rechtbank Groningen omtrent het</para>
    <para>toepasselijke recht had te eerbiedigen immers niet van belang,</para>
    <para>aangezien de door de maatschap ingeroepen conflictregel niet</para>
    <para>van openbare orde is.</para>
    <para>17. Ook het onder (b) bedoelde geval heeft zich niet voorge</para>
    <para>daan. De maatschap heeft in de procedure voor het Hof 's-</para>
    <para>Gravenhage niet gesteld - en het Hof 's-Gravenhage heeft ook</para>
    <para>niet vastgesteld - dat de SHB en de NMB, gedaagden de in</para>
    <para>eerste aanleg, geïntimeerden in het (principaal) hoger beroep,</para>
    <para>zich voor de Rechtbank Groningen ter afwering van de vordering</para>
    <para>van de curator hebben beroepen op de toepasselijkheid van</para>
    <para>Engels recht op de vraag naar de vatbaarheid voor cessie van</para>
    <para>de vorderingen op de verzekeraars. Ook de regel, dat de appel</para>
    <para>rechter bij gegrondbevinding van een of meer grieven de in</para>
    <para>eerste aanleg aangevoerde en niet prijsgegeven stellingen van</para>
    <para>thans-geïntimeerde, welke door de rechter in eerste aanleg</para>
    <para>buiten behandeling zijn gelaten of zijn verworpen, alsnog</para>
    <para>resp. opnieuw moet onderzoeken, voor zover het hoger beroep de</para>
    <para>toewijsbaarheid van de vordering opnieuw aan de orde stelt,</para>
    <para>verplichtte het Hof Leeuwarden derhalve niet zich te begeven</para>
    <para>in de vraag naar het toepasselijke recht.</para>
    <para>18. Uit het vorenstaande volgt dat het Hof Leeuwarden niet</para>
    <para>bevoegd en ook niet gehouden was het oordeel van de Rechtbank</para>
    <para>Groningen met betrekking tot de vraag naar het toepasselijke</para>
    <para>recht op de vatbaarheid voor cessie van de vorderingen op de</para>
    <para>verzekeraars te toetsen, doch gehouden was dat oordeel te</para>
    <para>eerbiedigen. Bij gevolg zou ook de Hoge Raad niet bevoegd of</para>
    <para>gehouden zijn geweest om bij de beoordeling van het door het</para>
    <para>eerste onderdeel van het door de maatschap geconcipieerde</para>
    <para>cassatiemiddel aangevallen oordeel van het Hof Leeuwarden</para>
    <para>ambtshalve de vraag naar het toepasselijke recht te betrekken.</para>
    <para>Hieraan doet niet af de in HR 5 mei 1978, NJ 1979, 218 nt. WHH</para>
    <para>geformuleerde regel dat "de Hoge Raad - binnen de grenzen van</para>
    <para>art. 99 Wet RO - zelf (dient) vast te stellen welke rechtsre</para>
    <para>gels in het gegeven geval toepasselijk zijn". De woorden</para>
    <para>"binnen de grenzen van art. 99 Wet RO" sluiten immers het</para>
    <para>de Hoge Raad vaststellen van toepasselijke rechtsregels uit in</para>
    <para>gevallen waarin de Hoge Raad niet zou mogen casseren wegens</para>
    <para>schending van die regels, bijv. regels van buitenlands recht</para>
    <para>(vgl. de noot van Heemskerk onder genoemd arrest). Het verwijt</para>
    <para>dat het Hof 's-Gravenhage, bij de beoordeling van de vraag of</para>
    <para>de Hoge Raad het eerste onderdeel van het door de maatschap</para>
    <para>geconcipieerde cassatiemiddel gegrond had behoren te vinden,</para>
    <para>heeft miskend dat de Hoge Raad dat onderdeel had moeten ver</para>
    <para>werpen, reeds omdat het klaagt over schending van niet toepas</para>
    <para>selijke regels, is derhalve ongegrond.</para>
    <para>19. Onderdeel 2 van het middel, dat kennelijk tot uitgangspunt</para>
    <para>neemt dat, anders dan door onderdeel 1 is betoogd, in het</para>
    <para>cassatieberoep tegen het arrest van het Hof Leeuwarden de Hoge</para>
    <para>Raad gebonden zou zijn geweest aan het oordeel dat Nederlands</para>
    <para>recht van toepassing is op de vraag naar de vatbaarheid voor</para>
    <para>cessie van de vorderingen op de verzekeraars, klaagt dat het</para>
    <para>Hof 's-Gravenhage ten onrechte, althans zonder toereikende</para>
    <para>motivering, heeft geoordeeld dat de Hoge Raad het eerste</para>
    <para>onderdeel van het door de maatschap tegen het arrest van het</para>
    <para>Hof Leeuwarden geconcipieerde middel in zijn motiveringsklach</para>
    <para>ten gegrond had behoren te bevinden. Daartoe voert de maat</para>
    <para>schap - kort gezegd - aan dat het Hof 's-Gravenhage heeft</para>
    <para>miskend dat het bewuste middelonderdeel niet gericht was tegen</para>
    <para>de eigenlijke grond waarop de beslissing van het Hof Leeuwar</para>
    <para>den berustte. Volgens de maatschap was die eigenlijke grond</para>
    <para>gelegen in het oordeel van het Hof Leeuwarden dat de onmiddel</para>
    <para>lijke grondslag van de gecedeerde vorderingen lag in de over</para>
    <para>eenkomst waarbij hersluiting van de lopende verzekeringen werd</para>
    <para>overeengekomen, en niet, zoals het bewuste onderdeel kennelijk</para>
    <para>doch verkeerd het arrest van het Hof Leeuwarden heeft gelezen,</para>
    <para>in de na de datum van de cessie hersloten verzekeringsovereen</para>
    <para>komsten. Het onderdeel miste daarom feitelijke grondslag, kon</para>
    <para>althans niet gegrond bevonden worden zonder buiten de grenzen</para>
    <para>van het middel te treden, aldus de maatschap.</para>
    <para>20. Het onderdeel acht ik niet aannemelijk. Ook indien juist</para>
    <para>zou zijn dat het Hof Leeuwarden heeft beslist dat de reeds</para>
    <para>bestaande rechtsverhouding, waarin de door Carebeka gecedeerde</para>
    <para>toekomstige vorderingen hun onmiddellijke grondslag vonden,</para>
    <para>gelegen was in de hersluitingsovereenkomst, is niet onbegrij</para>
    <para>pelijk dat het Hof 's-Gravenhage heeft beslist dat de Hoge</para>
    <para>Raad de motiveringsklachten van onderdeel 1 van het concept</para>
    <para>middel tegen het arrest van het Hof Leeuwarden gegrond had</para>
    <para>behoren te bevinden.</para>
    <para>21. Blijkens de overgelegde conceptdagvaarding tegen het</para>
    <para>arrest van het Hof Leeuwarden strekte de motiveringsklachten</para>
    <para>ten betoge dat de toepassing door het Hof Leeuwarden van het</para>
    <para>vereiste, dat de gecedeerde toekomstige vordering haar onmid</para>
    <para>dellijke grondslag moet vinden in een reeds bestaande rechts</para>
    <para>verhouding, onvoldoende begrijpelijk is, nu in cassatie onder</para>
    <para>meer als uitgangspunt heeft te gelden dat niet bekend was wie</para>
    <para>de verzekeraars zouden zijn na het verstrijken van de looptijd</para>
    <para>(een jaar) van de ten tijde van de cessie geldende verzeke</para>
    <para>ringsovereenkomsten.</para>
    <para>22. Het Hof 's-Gravenhage heeft kennelijk en niet onbegrij</para>
    <para>pelijk deze motiveringsklacht zó gelezen, dat het Hof Leeuwar</para>
    <para>den met name verweten wordt onvoldoende duidelijk te hebben</para>
    <para>gemaakt hoe de vorderingen op de ten tijde van het evenement</para>
    <para>gebonden verzekeraars hun onmiddellijke grondslag hebben</para>
    <para>kunnen vinden in de rechtsverhouding tussen Carebeka en de ten</para>
    <para>tijde van de cessie gebonden verzekeraars, nu de ten tijde van</para>
    <para>de cessie (april 1980) gebonden verzekeraars niet dezelfde</para>
    <para>waren als de ten tijde van het evenement (december 1982)</para>
    <para>gebonden verzekeraars. In deze lezing richtte de motiverings</para>
    <para>klacht zich niet zozeer tegen het oordeel van het Hof Leeuwar</para>
    <para>den met betrekking tot de vraag of de cessie aan de SHB van</para>
    <para>Carebeka's toekomstige vorderingen voldeed aan de vereisten</para>
    <para>voor overdracht van toekomstige vorderingen, maar veeleer</para>
    <para>tegen het oordeel van het Hof dat die cessie ook betrekking</para>
    <para>kon hebben op vorderingen op andere verzekeraars dan de verze</para>
    <para>keraars die partij waren bij de rechtsverhouding die volgens</para>
    <para>het Hof Leeuwarden de onmiddellijke grondslag vormde van de</para>
    <para>gecedeerde toekomstige vorderingen. Bij deze lezing is niet</para>
    <para>onbegrijpelijk dat het Hof 's-Gravenhage de motiveringsklacht</para>
    <para>ontvankelijk heeft geacht en - op grond van de in r.o. 18 en</para>
    <para>19 ontwikkelde gronden - doeltreffend heeft geoordeeld.</para>
    <para>23. Onderdeel 3 van het middel verwijt het Hof 's-Gravenhage</para>
    <para>in strijd met de eisen van een goede procesorde te hebben</para>
    <para>gehandeld door "rauwelijks" over te gaan tot behandeling en</para>
    <para>beslissing van de vraag hoe de verwijzingsrechter, na vernie</para>
    <para>tiging van het arrest van het Hof Leeuwarden, zou hebben</para>
    <para>beslist, zonder partijen eerst de gelegenheid te geven zich</para>
    <para>nader uit te laten.</para>
    <para>24. Ook dit onderdeel is naar mijn oordeel tevergeefs voorge</para>
    <para>steld. Het verliest uit het oog dat de inzet van de onderhavi</para>
    <para>ge procedure de vraag was of en, zo ja, in welke mate de</para>
    <para>curator schade heeft geleden als gevolg van het feit dat de</para>
    <para>maatschap heeft verzuimd tijdig beroep in cassatie in te</para>
    <para>stellen tegen het arrest van het Hof Leeuwarden. Aangezien ter</para>
    <para>de beantwoording van deze vraag beoordeeld moest worden hoe op</para>
    <para>het cassatieberoep, zo dit ware ingesteld, had behoren te</para>
    <para>worden beslist, is het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk</para>
    <para>ervan uitgegaan dat de maatschap erop bedacht had moeten zijn</para>
    <para>dat, indien het hypothetische cassatieberoep gegrond zou</para>
    <para>worden bevonden, vervolgens, ter begroting van de schade, de</para>
    <para>vraag aan de orde zou komen welke gevolgen dit zou hebben</para>
    <para>gehad voor de oorspronkelijk vordering van de curator tegen de</para>
    <para>SHB en de NMB. Het Hof heeft de eisen van een goede procesorde</para>
    <para>dan ook niet geschonden door een oordeel te geven over de</para>
    <para>vraag hoe de verwijzingsrechter zou hebben beslist, zonder</para>
    <para>eerst partijen alsnog de gelegenheid te bieden hun visie op</para>
    <para>die vraag naar voren te brengen.</para>
    <para>De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.</para>
    <para>De Procureur-Generaal</para>
    <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>