<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2001:AA9966</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T12:55:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA9966</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2001-02-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">R00/054HR</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2001:AA9966" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AA9966</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=1&amp;g=2001-02-09">Algemene bijstandswet 1</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2001, 104</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2001, 235</rdf:li>
          <rdf:li>JWB 2001/56</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2001:AA9966">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2001:AA9966</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:20:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2001:AA9966 Parket bij de Hoge Raad , 09-02-2001 / R00/054HR</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2001:AA9966:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2001:AA9966:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
  <parablock>
    <para>Nr. R 00/54 H                              Mr. Mok</para>
    <para>(terugvordering bijstand)                   Conclusie inzake</para>
    <para>Parket, 1 december 2000                     1. A. LOUALI</para>
    <para>2. S. EL BARAKA</para>
    <para>tegen</para>
    <para>gemeente DEN HAAG</para>
    <para>Edelhoogachtbaar college,</para>
    <para>1. Korte beschrijving van de zaak</para>
    <para>1.1.      De gemeente Den Haag, verweerster in cassatie, heeft verzoekers van</para>
    <para>cassatie, Louali c.s,  in de periode van 16 december 1991 tot 17 juni 1993</para>
    <para>en van 2 september 1993 tot 1 augustus 1996 een uitkering verstrekt</para>
    <para>ingevolge de - op de Algemene Bijstandswet (ABW) berustende - Rijks</para>
    <para>groepsregeling werkloze werknemers (RWW) ter hoogte van de norm voor een</para>
    <para>echtpaar.</para>
    <para>1.2.   Louali heeft van zijn voormalige werkgever (PTT Post) een nabetaling</para>
    <para>van salaris van | 22.934 ontvangen over de periode 22 november 1991 tot en</para>
    <para>met 14 september 1992, alsmede een vergoeding ter hoogte van |11.548,-</para>
    <para>bruto in het kader van een ontbindingsprocedure van zijn</para>
    <para>arbeidsovereenkomst&amp;lt;(1).   De ontbindingsbeschikking van de ktr. van 14 september 1994 is gehecht aan de brief van 19</para>
    <para>februari 1997 namens Louali c.s. aan de ktr. , alsmede als prod. 1 aan het verweerschrift</para>
    <para>in appèl van de gemeente.</para>
    <para>&amp;gt;. Die vergoeding was gelijk aan vier bruto</para>
    <para>maandsalarissen.</para>
    <para>In de beschikking tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft de</para>
    <para>kantonrechter overwogen:</para>
    <para>"De arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden per heden onder</para>
    <para>toekenning van een vergoeding van |11.548,- bruto uit te keren ineens</para>
    <para>als aanvulling op de door gerekestreerde ingevolge de sociale</para>
    <para>verzekeringswetten te genieten uitkeringen c.q. het door hem elders</para>
    <para>te verdienen lagere salaris (¼)."</para>
    <para>1.3.   Louali c.s. hebben verzuimd mededeling te doen van de ontvangen</para>
    <para>bedragen&amp;lt;(2).   Beschikking ktr. van 27 augustus 1997, onder 2; beschikking rb. van 20 maart 2000, onder</para>
    <para>3.2</para>
    <para>&amp;gt;.  Door een melding van de belastingdienst is de gemeente hiervan</para>
    <para>op de hoogte gekomen&amp;lt;(3).   Vgl. verzoekschrift van de gemeente van 21 augustus 1996, p. 2.</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>Op 14 maart 1996 hebben Louali c.s. een schuldbekentenis getekend ter</para>
    <para>hoogte van | 22.934,45. Louali c.s. hebben toestemming gegeven om met</para>
    <para>ingang van 1 april 1996 maandelijks |150,- op de uitkering in te houden</para>
    <para>ter aflossing&amp;lt;(4).   Bijlage 12 en 13 bij de reactie van de gemeente van 11 februari 1997; p-v van de</para>
    <para>mondelinge behandeling van 19 februari 1997; vgl. beschikking van de ktr. van 27 augustus</para>
    <para>1997, onder 4.</para>
    <para>&amp;gt;    .</para>
    <para>1.4.   De gemeente heeft zich bij een op 12 september 1996 ingekomen</para>
    <para>verzoekschrift tot de kantonrechter in Den Haag gewend en verzocht - kort</para>
    <para>weergegeven - dat de kantonrechter zou bepalen dat Louali c.s. een bedrag</para>
    <para>van |30.912,22 (netto) schuldig waren, zijnde de verstrekte bijstand over</para>
    <para>de periode van 22 november 1991 tot 14 januari 1993.</para>
    <para>Bij beschikking van  27 augustus 1997 heeft de kantonrechter beslist</para>
    <para>dat Louali c.s. het genoemde bedrag terzake van kosten van bijstand aan de</para>
    <para>gemeente verschuldigd waren.</para>
    <para>&amp;lt;</para>
    <para>-? -</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>1.5.   Tegen de beschikking van de kantonrechter heeft Louali c.s. op 30</para>
    <para>september 1997 appèl ingesteld bij de rechtbank in Den Haag.</para>
    <para>In hoger beroep zijn zij uitsluitend opgekomen tegen de</para>
    <para>terugvordering van |11.548,- bruto over de periode 14 september 1992 tot</para>
    <para>14 januari 1993.</para>
    <para>Bij beschikking van 20 maart 2000 heeft de rechtbank de uitspraak van</para>
    <para>de kantonrechter bekrachtigd.</para>
    <para>1.6.   Louali c.s. zijn (tijdig&amp;lt;(5).   Ongeacht het toepasselijke recht, nl. binnen een termijn van acht weken, de kortste die</para>
    <para>gegolden heeft.</para>
    <para>&amp;gt;) in cassatie gekomen onder aanvoering van</para>
    <para>één middel.</para>
    <para>2. Bespreking van het cassatiemiddel</para>
    <para>2.1.  Het middel is gericht tegen de laatste alinea van ro. 3.2. van de</para>
    <para>beschikking van de rechtbank, waar deze laatste de (in de</para>
    <para>ontbindingsbeschikking vastgestelde) vergoeding die Louali van zijn</para>
    <para>voormalige werkgever heeft ontvangen, heeft aangemerkt als inkomsten.</para>
    <para>De rechtbank heeft zich in de aangevallen overweging gebaseerd op de</para>
    <para>ontbindingsbeschikking van de kantonrechter&amp;lt;(6).   Zie hiervóór, § 1.2.</para>
    <para>&amp;gt;    , waarin deze de bestemming van</para>
    <para>het bedrag heeft omschreven.</para>
    <para>2.2.  Het middel werpt op dat de vergoeding strekt ter aanvulling op een</para>
    <para>uitkering of een lager salaris en niet ter vervanging van een uitkering of</para>
    <para>salaris.</para>
    <para>Deze stelling is, wat hiervan zij, niet relevant omdat bijstand op</para>
    <para>grond van of krachtens de</para>
    <para>ABW rekening houdt met de aanwezige bestaansmiddelen&amp;lt;(7).   Vgl. de thans geldende versie van de Abw, artt. 7 en 13. Op deze zaak is de vóór 1 januari</para>
    <para>1996 geldende versie van de ABW van toepassing. Daarin was het niet anders (art. 1 ABW)</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>2.3.1.   Voorts wijst het middel erop dat een "afkoopsom" (waarmee het</para>
    <para>doelt op een vergoeding in de zin van - thans - art. 7:685, lid 8, BW)</para>
    <para>voor de toepassing van de Werkloosheidswet en de Wet inkomensvoorziening</para>
    <para>oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers niet als inkomsten</para>
    <para>wordt beschouwd.</para>
    <para>Ter adstructie wijst het middel op een uitvoeringsbesluit van</para>
    <para>laatstgenoemde wet&amp;lt;(8).   Besluit van de staatssecretaris van SZW van 24 december 1986, Stb. 1986, 568 (sedertdien</para>
    <para>gewijzigd).</para>
    <para>&amp;gt;    , inhoudend dat "een eenmalige uitkering welke</para>
    <para>beëindiging van de dienstbetrekking aan een werknemer in verband met die</para>
    <para>beëindiging wordt betaald" niet als inkomen in verband met de arbeid wordt</para>
    <para>beschouwd.</para>
    <para>2.3.2.   Deze klacht verliest uit het oog dat het er voor de toepassing</para>
    <para>van de ABW niet om gaat of er sprake is van inkomsten uit arbeid, maar om</para>
    <para>inkomsten die kunnen dienen als bestaansmiddelen.</para>
    <para>2.4.  Dat het, zoals het middel nog aanvoert, in de praktijk niet</para>
    <para>ongebruikelijk is dat een ontbindingsvergoeding wordt gebruikt voor de</para>
    <para>aankoop van een lijfrente of stamrecht, is reeds daarom zonder belang</para>
    <para>omdat niet is vastgesteld of anderszins gebleken dat zulks in dit geval is</para>
    <para>gebeurd.</para>
    <para>De vergoeding is ook niet tot dit doel toegekend, maar - in de</para>
    <para>woorden van de bestreden beschikking - "om het ná de beëindiging van het</para>
    <para>dienstverband elders te ontvangen geringere inkomen - uit dienstverband of</para>
    <para>uitkering - aan te vullen."</para>
    <para>2.5.  De opvatting van de rechtbank stemt overeen met een uitspraak van de</para>
    <para>Centrale Raad van Beroep, die heeft beslist dat een door een werknemer</para>
    <para>ontvangen vergoeding wegens ontbinding van diens arbeidsovereenkomst</para>
    <para>"als inkomsten dient te worden beschouwd bestemd om te voorzien</para>
    <para>noodzakelijke kosten van het bestaan voor de periode na de ontbinding</para>
    <para>van de arbeidsovereenkomst, tenzij voldoende en ondubbelzinnig blijkt</para>
    <para>dat deze vergoeding een andere bestemming heeft."&amp;lt;(9).   CRvB 17 januari 1995, JABW 1995, 192, ook door de gemeente in haar verweerschrift</para>
    <para>cassatie (nr. 8, p. 5) genoemd.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>2.7.  Het middel is vergeefs voorgesteld, zodat ik zal concluderen tot</para>
    <para>verwerping van het beroep.</para>
    <para>3. Conclusie</para>
    <para>Ik concludeer tot verwerping van het beroep, met compensatie van</para>
    <para>kosten.</para>
    <para>De procureur-generaal</para>
    <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
    <para>plv.</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>