<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2000:AA8201</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T15:34:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA8201</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AJ6670</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2000-11-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">01490/99</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2000:AA8201" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA8201</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001854&amp;artikel=36c&amp;g=2000-11-07">Wetboek van Strafrecht 36c</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2000, 560</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2001, 15</rdf:li>
          <rdf:li>VR 2001, 40</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA8201">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA8201</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:12:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2000:AA8201 Parket bij de Hoge Raad , 07-11-2000 / 01490/99</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA8201:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA8201:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Mr Jörg</para>
      <para>Nr. 01490/99                            </para>
      <para>Zitting 19 september 2000               </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Conclusie inzake:</para>
      <para>[Verzoeker=verdachte]</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Verzoeker is door de arrondissementsrechtbank te Alkmaar bij uitspraak van </para>
      <para>26 mei 1999 schuldig verklaard zonder oplegging van straf wegens "overtreding </para>
      <para>van het bepaalde krachtens artikel 177 van de Wegenverkeerswet 1994." De </para>
      <para>rechtbank heeft voorts de inbeslaggenomen motorstep van het merk Blatino </para>
      <para>onttrokken aan het verkeer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Namens verzoeker heeft mr J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, twee </para>
      <para>middelen van cassatie voorgesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Het eerste middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring niet op een juiste </para>
      <para>wijze met redenen is omkleed, omdat de rechtbank tot het bewijs heeft gebezigd </para>
      <para>de conclusie van de verbalisanten Lang en Ruiter dat het voertuig voldeed aan de </para>
      <para>definitie als bedoeld in hoofdstuk 1, art. 1.1 onder m van het Voertuigreglement. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. Het betreft de volgende verklaring van de opsporingsambtenaren Lang en Ruiter, </para>
      <para>beiden deel uitmakend van de groep Technische Ondersteuning van de politie </para>
      <para>NHN, zoals neergelegd in het proces-verbaal technisch onderzoek verkeer, </para>
      <para>nummer PL1010/97-026883:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>“Bij het onderzoek hebben wij vastgesteld dat dit voertuig voldeed aan de definitie </para>
      <para>bromfiets als bedoeld in Hoofdstuk 1, artikel 1.1 onder m van het </para>
      <para>Voertuigreglement 1994."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. De rechtbank heeft deze verklaring kennelijk opgevat - en ook kunnen opvatten </para>
      <para>- als een verklaring van de verbalisanten dat dezen daarin tot uitdrukking hebben </para>
      <para>gebracht dat zij als opsporingsbeambten met specifieke technische kennis bij </para>
      <para>onderzoek van de motorstep op grond van eigen waarneming en ondervinding </para>
      <para>hebben geconstateerd dat de step voldeed aan de in art. 1.1. onder m van het </para>
      <para>Voertuigreglement genoemde kenmerken van een bromfiets (vgl. HR NJ 1987, </para>
      <para>643). Voor zover deze redenering U niet zou bevallen, is een alternatieve </para>
      <para>redenering dat het hier weliswaar een conclusie betreft die aan de rechter die over </para>
      <para>de feiten oordeelt is voorbehouden, maar dat de door de deskundige verbalisanten </para>
      <para>getrokken conclusie terecht is gemaakt. Dat zulks het geval is blijkt grotendeels </para>
      <para>uit de inhoud van het door hen opgemaakte proces-verbaal. Daarin staat vermeld </para>
      <para>dat het gaat om een tweewielig motorvoertuig met een verbrandingsmotor waarvan </para>
      <para>de inhoud 27 cc was. Voorts geven de in het dossier opgenomen technische </para>
      <para>specificaties van de motorstep aan dat de maximumsnelheid door de constructie </para>
      <para>(`transmission ratio’) 35 km/h bedraagt. Daarmee wordt aan de eisen voor het </para>
      <para>begrip bromfiets in art. 1.1 onder m Voertuigreglement voldaan (vgl. HR 12 mei </para>
      <para>1998, 1998, 650). </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Het middel faalt derhalve.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>8. Het tweede middel bevat de klacht dat de rechtbank ten onrechte de maatregel </para>
      <para>van onttrekking aan het verkeer heeft opgelegd, althans de oplegging niet </para>
      <para>toereikend heeft gemotiveerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>9. De rechtbank heeft de onttrekking aan het verkeer van de motorstep als volgt </para>
      <para>gemotiveerd:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>“Het bewezenverklaarde feit is met betrekking tot de motorstep begaan en het </para>
      <para>ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet en het algemeen belang.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>10. Met de opsteller van het middel meen ik dat het ongecontroleerde bezit van de </para>
      <para>motorstep in strijd is met de wet noch met het algemeen belang. De wet noch het </para>
      <para>algemeen belang verzetten zich, om maar een paar mogelijkheden te noemen, </para>
      <para>tegen de aanschaf van een motorstep, de verkoop ervan, het gebruik ervan op </para>
      <para>particulier terrein zoals campings, hallen, parkeerterreinen, corridors etc., het </para>
      <para>stallen in de schuur in afwachting van een eventuele goedkeuring voor gebruik op </para>
      <para>de openbare weg, of het aan de muur hangen van een motorstep (als herinnering </para>
      <para>aan een boeiende aanvaring met justitie), zoals verzoeker suggereerde. De </para>
      <para>kantonrechter was mijns inziens dan ook een stuk wijzer door wel een (deels </para>
      <para>voorwaardelijke) boete op te leggen, maar de motorped (met een waarde van ca. </para>
      <para>3000 gulden) terug te geven. Dat het gebruik door verzoeker van de motorped </para>
      <para>nauwelijks kan worden gecontroleerd, zoals de officier in zijn appèlmemorie </para>
      <para>stelde, komt mij, zacht gezegd, overdreven voor. Het is op de openbare weg nogal </para>
      <para>een opvallend geval.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>11. Hoewel ik eerder van oordeel ben dat in casu de maatregel van onttrekking </para>
      <para>aan het verkeer ten onrechte is opgelegd, ben ik minstgenomen met de opsteller </para>
      <para>van het middel eens dat de onttrekking onvoldoende is gemotiveerd, nu verzoeker </para>
      <para>zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft aangegeven niet meer met de </para>
      <para>motorped op de openbare weg te zullen rijden (vgl. HR DD 95.423). Ik acht het </para>
      <para>middel derhalve gegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>12. Ambtshalve wil ik nog de aandacht vestigen op het volgende. De kwalificatie </para>
      <para>die de rechtbank heeft gegeven lijkt mij niet juist. De kwalificatie dient te luiden: </para>
      <para>“overtreding van artikel 5.1.1. eerste lid onder c juncto artikel 5.6.1. eerste lid </para>
      <para>onder b sub 1 van het Voertuigreglement.” </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch </para>
      <para>uitsluitend ten aanzien van de kwalificatie en de onttrekking aan het verkeer met </para>
      <para>verwijzing der zaak naar het gerechtshof te Amsterdam, teneinde in zoverre op het </para>
      <para>bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan met verwerping </para>
      <para>van het beroep voor het overige.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>AG</para>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>