<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2000:AA7960</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T15:12:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA7960</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2000-10-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">01997/99</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2000:AA7960" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA7960</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001854&amp;artikel=41&amp;g=2000-10-31">Wetboek van Strafrecht 41</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001854&amp;artikel=41&amp;g=2000-10-31">Wetboek van Strafrecht 41</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2000, 542</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2001, 11 met annotatie van J. de Hullu</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA7960">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA7960</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:12:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2000:AA7960 Parket bij de Hoge Raad , 31-10-2000 / 01997/99</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA7960:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA7960:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Mr Fokkens</para>
      <para>Nr. 01997/99</para>
      <para>Zitting 20  juni 2000</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Conclusie inzake:</para>
      <para>[Verdachte]</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Het gaat in deze zaak om feiten die tot grote opschudding hebben geleid. Op 1 </para>
      <para>juli 1998 kwam verdachte in Amsterdam bij de rijwielhandel van [slachtoffer 1] met </para>
      <para>de vraag of zijn band kon worden gerepareerd. Omdat hij naar zijn mening niet </para>
      <para>geholpen werd, kreeg hij onenigheid met [slachtoffer 1] en stak vervolgens </para>
      <para>[slachtoffer 1] met een mes in de buik. Het slachtoffer riep daarop zijn </para>
      <para>medewerkers te hulp. Drie medewerkers kwamen uit de winkel en renden op </para>
      <para>verdachte af. Eén van de medewerkers, [slachtoffer 2],  had daarbij een "drievoet" </para>
      <para>(fietsenstandaard, JWF) in de hand en een andere medewerker een vlaggenstok. </para>
      <para>Op het moment dat [slachtoffer 2] met de drievoet voor de verdachte stond, stak  </para>
      <para>verdachte ook hem, tengevolge waarvan [slachtoffer 2] is overleden. Wegens deze </para>
      <para>feiten (opleverend poging tot doodslag en  doodslag) en een autodiefstal is </para>
      <para>verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Namens verdachte heeft mr M. Moszkowicz, advocaat te Maastricht, vier </para>
      <para>middelen van cassatie voorgesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Het eerste middel behelst klachten over de wijze waarop het hof het beroep op </para>
      <para>noodweer(-exces) heeft verworpen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. De eerste klacht richt zich tegen volgende de overweging van het hof ter </para>
      <para>verwerping van het beroep op noodweer:  </para>
      <para>"Verdachte heeft verklaard dat de dood van [slachtoffer 2] het gevolg was van een </para>
      <para>ongeluk: [slachtoffer 2] liep zelf in het mes. Nu dit kennelijk de beleving van </para>
      <para>verdachte is geweest omtrent de gang van zaken, kan hij niet tevens de intentie </para>
      <para>gehad hebben uit noodweer te handelen. De bij noodweer behorende psychische </para>
      <para>gesteldheid is immers onverenigbaar met een ongeluk. Dat voormelde verklaring </para>
      <para>van verdachte geen geloof verdient, doet aan het voorgaande niet af. Reeds op </para>
      <para>deze grond dient het beroep op noodweer te worden verworpen". </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. De opvatting dat het ontkennen van opzet niet verenigbaar is met een beroep op </para>
      <para>noodweer, berust op het befaamde palingfuikenarrest (HR 25 juni 1934, NJ 1934, </para>
      <para>1261). Zie in de litteratuur: Strijards, Facetten van dwaling in het strafrecht, p. </para>
      <para>315; Kelk, Studieboek materieel strafrecht, p. 278, Remmelink, D. Hazewinkel-</para>
      <para>Suringa’s Inleiding tot de studie van het Nederlandse strafrecht, 15e druk, p. 317 </para>
      <para>nt. 4.  In die zaak had de verdachte, wiens palingfuiken geregeld werden geleegd </para>
      <para>door onbevoegden, een geweer opgesteld dat zodanig was verbonden met de  </para>
      <para>stok waaraan de palingfuik was verbonden, dat het geweer af zou gaan als aan die </para>
      <para>stok werd getrokken. Toen iemand aan die stok trok, ging het geweer af en werd </para>
      <para>deze persoon zodanig getroffen dat hij aan een oog blind en aan een oog bijna </para>
      <para>blind was. Verdachte, vervolgd wegens mishandeling met voorbedachten rade </para>
      <para>zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend, voerde aan dat hij niet de bedoeling </para>
      <para>had gehad iemand te treffen en dat hij het geweer zo had opgesteld dat iemand </para>
      <para>die de fuik probeerde te lichten niet kon worden geraakt. Het slachtoffer zou </para>
      <para>slechts zijn getroffen omdat hij op een abnormale, voor verdachte niet </para>
      <para>voorzienbare wijze, te werk was gegaan. Verder voerde de raadsman aan dat </para>
      <para>verdachte in noodweer had gehandeld. Dit laatste verweer werd verworpen met de </para>
      <para>overweging dat het beroep niet kon slagen omdat het geen steun vond in de door </para>
      <para>de verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring, daar hij ontkend had het opzet </para>
      <para>te hebben gehad het slachtoffer te treffen. De Hoge Raad legde deze overweging </para>
      <para>aldus uit dat volgens het hof het beroep op noodweer geen betrekking had op het </para>
      <para>bewezenverklaarde feit, maar op de handelingen die verdachte volgens eigen </para>
      <para>zeggen zou hebben verricht en dat het hof om die reden het verweer als niet ter </para>
      <para>zake dienende kon verwerpen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. Het is echter de vraag of die opvatting steun vindt in dat arrest. Van Bemmelen </para>
      <para>stelde in zijn noot in het Weekblad voor het Recht (W. 12794) destijds al dat een </para>
      <para>ontkenning van het opzet ten aanzien van het tenlastegelegde feit niet hoeft uit te </para>
      <para>sluiten dat de verdachte een subsidiair verweer voert inhoudende dat hij, als hij </para>
      <para>opzet mocht hebben gehad, in ieder geval in noodweer heeft gehandeld. Taverne </para>
      <para>reageerde in zijn noot in de NJ op deze opmerking van Van Bemmelen aldus:  </para>
      <para>“dan moet toch blijken, dat inderdaad zulk een subsidiair verweer is gevoerd. </para>
      <para>Wanneer een verdachte niets anders zegt dan dat “het feit” geboden was door </para>
      <para>noodzakelijke verdediging van eigen goed tegen een ogenblikkelijke aanranding en </para>
      <para>hij heeft juist tevoren gezegd dat dat feit hierin bestond, dat hij een palingdief  </para>
      <para>schrik wilde aanjagen, doch dat hij dezen in geen geval wilde treffen, dan is het </para>
      <para>toch niet onredelijk, wanneer de rechter zegt, dat dit verweer niet slaat op het </para>
      <para>opzettelijk mishandelen, wat het Hof, tegen verdachtes bewering in, als bewezen </para>
      <para>heeft aangenomen. Het spreekt vanzelf, dat, wanneer de rechter ’s mans </para>
      <para>handeling gerechtvaardigd had gevonden, de rechter eventueel ambtshalve tot niet-</para>
      <para>strafbaarheid zoude zijn gekomen. Aldus terecht ook de Adv.-Gen., Mr. Besier. </para>
      <para>Wanneer echter de beslissing toch uitvalt in die zin, dat geen noodweer aanwezig </para>
      <para>wordt geacht, zie ik niet in, waarom de rechter dan van de daartoe geleide </para>
      <para>overwegingen rekenschap zou moeten geven, in plaats van zich strikt aan het </para>
      <para>gevoerde verweer te houden.”  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>7. De uitleg van Taverne lijkt mij de juiste. Door het opzet te ontkennen had het </para>
      <para>verweer van de verdachte volgens het hof geen betrekking op het </para>
      <para>bewezenverklaarde feit, met als gevolg dat de in artikel 358 lid 3 Sv neergelegde </para>
      <para>verplichting om  op een strafuitsluitend verweer te reageren niet (meer) van </para>
      <para>toepassing was en een inhoudelijke reactie achterwege kon blijven. Met andere </para>
      <para>woorden: uit het arrest kan niet worden afgeleid dat het verweer inhoudelijk niet op </para>
      <para>kon gaan omdat de verdachte het tenlastegelegde opzet ontkende. Uit het arrest </para>
      <para>volgt slechts dat het hof in hetgeen de verdachte had aangevoerd geen grond zag </para>
      <para>om ambtshalve noodweer aan te nemen. Dat is gelet op onder meer de vraag of </para>
      <para>het handelen van verdachte aan de eisen van proportionaliteit (Remmelink, a.w. p.</para>
      <para>317)  en subsidiariteit (Kelk, a.w. p. 278-279) beantwoordde, geen wonder. Dat </para>
      <para>neemt overigens niet weg dat ik anders dan Taverne destijds meen dat de wijze </para>
      <para>waarop in de zaak van de Palingfuiken met het verweer werd omgegaan niet </para>
      <para>redelijk was. Ik kan mij geheel aansluiten bij de kritiek  van mijn ambtgenoot </para>
      <para>Machielse in zijn studie Noodweer in het strafrecht, p. 599: “Het gaat m.i. niet aan </para>
      <para>de verdachte die zegt een geweer te hebben geïnstalleerd om zijn goederen te </para>
      <para>beschermen het beroep op noodweer te ontnemen door verwijzing naar een ander </para>
      <para>verweer waarin verdachte het opzet heeft ontkend”. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>8.  Het standpunt dat het ontkennen van opzet onverenigbaar is met een beroep </para>
      <para>op noodweer, wordt - als ik het goed zie - in Nederland alleen door Strijards </para>
      <para>verdedigd. Ik kan die opvatting niet delen. Weliswaar zal in veel gevallen, zoals het </para>
      <para>hof in de zaak die onder nummer 111014 aan het oordeel van de Hoge Raad was </para>
      <para>onderworpen, overwoog de omstandigheid dat verdachte het feit ontkent een </para>
      <para>beroep op noodweer ongeloofwaardig maken, maar dat is iets anders dan een </para>
      <para>beroep op noodweer als de verdachte het feit ontkent bij voorbaat uitgesloten </para>
      <para>achten, zoals het hof hier heeft overwogen. Zeker gelet op het ruime opzet-begrip </para>
      <para>dat in het Nederlandse strafrecht wordt gehanteerd, is een combinatie van </para>
      <para>dergelijke verweren  - de verdachte ontkent opzet op het toebrengen van </para>
      <para>lichamelijk letsel (terwijl de rechter voorwaardelijk opzet aanwezig acht) en </para>
      <para>beroept zich daarnaast op noodweer -  zeer wel denkbaar zonder dat men zichzelf </para>
      <para>tegenspreekt.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>9. Daarmee kom ik bij de overweging van het hof. Ik meen dat de klachten over </para>
      <para>deze overweging van het hof gegrond zijn. Het hof begint met vast te stellen dat </para>
      <para>het kennelijk de beleving van verdachte is geweest dat er sprake was van een </para>
      <para>ongeluk en dat dit uitsluit dat hij de intentie heeft gehad uit noodweer te handelen. </para>
      <para>Uit hetgeen ik hierboven heb geschreven volgt dat ik meen, dat de omstandigheid </para>
      <para>dat verdachte het gebeurde heeft beleefd als een ongeluk niet uitsluit dat hetgeen </para>
      <para>hij volgens zijn zeggen wel heeft gedaan in een noodweersituatie plaats vond. </para>
      <para>Daar komt bij dat de overweging in zoverre niet begrijpelijk is, dat het hof enerzijds </para>
      <para>overweegt dat het kennelijk de beleving van de verdachte was dat het hier om een </para>
      <para>ongeluk ging om vervolgens vast te stellen dat dit volgens het hof niet zijn beleving </para>
      <para>was. Dat lijkt mij niet alleen tegenstrijdig, maar bovendien is niet duidelijk hoe het </para>
      <para>hof tot het oordeel is gekomen dat de omstandigheid dat verdachtes verklaring </para>
      <para>over het gebeurde geen geloof verdient, in dit verband niet van belang is. Het is </para>
      <para>volgens het hof immers juist de omstandigheid dat verdachte in zijn beleving niet </para>
      <para>opzettelijk heeft gestoken die meebrengt dat hij niet in noodweer kan hebben </para>
      <para>gehandeld. Door vast te stellen dat hij wel opzettelijk heeft gestoken - dat wil </para>
      <para>zeggen ook in zijn beleving opzettelijk heeft gestoken - heeft het hof mijns inziens </para>
      <para>zijn eigen argument om het verweer te verwerpen ondergraven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>10. Dit betekent overigens niet dat de bestreden uitspraak niet in stand kan </para>
      <para>blijven. Het hof heeft immers nog een tweede overweging gebezigd bij de </para>
      <para>verwerping van het door de raadsman gevoerde verweer. Tegen die overweging is </para>
      <para>het middel eveneens gericht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>11. De betreffende overweging luidt:</para>
      <para>"Maar ook overigens faalt het verweer. Na de eerste gewelddadige gedraging had </para>
      <para>verdachte rekening kunnen en moeten houden met een reactie, mogelijk zelfs één </para>
      <para>van dreigende of gewelddadige aard, van de zijde van het personeel in de </para>
      <para>werkplaats of van eventuele omstanders. Door met het mes in zijn hand voor de </para>
      <para>winkel te blijven staan met zijn gezicht in de richting van de toegangsdeur van de </para>
      <para>werkplaats, heeft verdachte bevorderd dat de reactie van de monteurs uit de </para>
      <para>werkplaats daadwerkelijk dreigend van aard zou worden. Aldus heeft verdachte </para>
      <para>een zelfstandige en aanzienlijke bijdrage geleverd aan de toen ontstane dreiging, </para>
      <para>terwijl voor verdachte mogelijkheden bestonden om de dreiging te keren".  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>12. Aldus heeft het hof het verweer op toereikende gronden verworpen. De </para>
      <para>verdachte heeft zich door [slachtoffer 1] te steken willens en wetens in een </para>
      <para>situatie gebracht waarin een reactie te verwachten was. Dat is op zich reeds een </para>
      <para>omstandigheid die in beginsel een succesvol beroep op noodweer uitsluit (vgl. HR </para>
      <para>23 maart 1999, NJ 1999, 402). Het oordeel dat verdachte door zijn verdere </para>
      <para>handelwijze vervolgens nog een aanzienlijke bijdrage heeft geleverd aan het </para>
      <para>ontstaan van een voor hem dreigende situatie, is niet onbegrijpelijk en kan in </para>
      <para>cassatie voor het overige niet op zijn juistheid worden beoordeeld. Anders dan de </para>
      <para>steller van het middel meent, is hetgeen de door hem geciteerde getuigen </para>
      <para>daarover verklaren (afgezien van de omstandigheid of het hof die verklaringen in </para>
      <para>alle opzichten juist heeft geoordeeld) niet onverenigbaar met dit oordeel van het </para>
      <para>hof, omdat deze verklaringen niet wegnemen dat verdachte door anders te </para>
      <para>handelen de situatie had kunnen  deëscaleren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>13. Het eerste middel faalt.  </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>14. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof niet althans onvoldoende </para>
      <para>heeft gereageerd op het verweer dat verdachte heeft gehandeld in een situatie van </para>
      <para>noodweerexces, dan wel putatief noodweer, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>15. Het hof heeft dit verweer als volgt verworpen: </para>
      <para>"Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van het verweer tot noodweer is </para>
      <para>overwogen, behoeven de verweren ten aanzien van noodweerexces en putatief </para>
      <para>noodweer geen bespreking".  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>16. Dit middel faalt. De omstandigheid dat verdachte zelf de situatie waarin hij ter </para>
      <para>verdediging zou hebben gehandeld heeft geschapen, impliceert dat de verdediging </para>
      <para>niet noodzakelijk was. Van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen </para>
      <para>van de noodzakelijke verdediging kan dan geen sprake zijn (HR 23 maart 1993, </para>
      <para>DD 93.377). Ook kan in die omstandigheden de verdachte niet verontschuldigbaar </para>
      <para>menen in een noodweersituatie te verkeren, zodat ook een beroep op putatief </para>
      <para>noodweer niet kan slagen (vgl. HR NJ 1999, 402). </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>17. Het tweede middel kan derhalve niet slagen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>18. Het derde middel keert zich tegen het feit dat het hof het onder 2. </para>
      <para>bewezenverklaarde feit heeft gekwalificeerd als poging tot doodslag omdat in de </para>
      <para>tenlastelegging niet was opgenomen dat het misdrijf niet was voltooid. Daarmee </para>
      <para>zou het hof de grondslag van de tenlastelegging hebben verlaten omdat een </para>
      <para>dergelijk gebrek aan de tenlastelegging niet reparabel is zoals bijvoorbeeld een </para>
      <para>kennelijke schrijffout. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>19. In het bestreden arrest heeft het hof als volgt overwogen: </para>
      <para>"Het hof overweegt hierbij nog dat in de tenlastelegging niet is opgenomen de </para>
      <para>feitelijke omstandigheid dat het voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Niettemin </para>
      <para>kan het bewezenverklaarde worden gekwalificeerd als poging tot doodslag, omdat </para>
      <para>de tenlastelegging zowel in het licht van de zich in het dossier bevindende </para>
      <para>stukken als in het licht van het verhandelde ter terechtzitting (…) onmiskenbaar </para>
      <para>die strekking had." </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>20. Ook dit middel faalt. Artikel 45 Sr. Luidt sinds de wijziging van 1994: </para>
      <para>'Poging tot misdrijf is strafbaar, wanneer het voornemen van de dader zich door </para>
      <para>een begin van uitvoering heeft geopenbaard'. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>21. Het al dan niet voltooid zijn van het delict is derhalve, anders dan de indiener </para>
      <para>betoogt, geen bestanddeel meer. Dit betekent dat het niet voltooid zijn van het </para>
      <para>misdrijf niet tenlastegelegd behoeft te worden (al verdient het wel de voorkeur dit in </para>
      <para>de tenlastelegging tot uitdrukking te doen komen hetzij door dit uitdrukkelijk te </para>
      <para>vermelden, hetzij door in de tenlastelegging op te nemen dat verdachte heeft </para>
      <para>gepoogd opzettelijke etc.).Vgl. TK 22 268, MvT p. 20 en 21). In de betreffende </para>
      <para>overweging heeft het hof derhalve voldoende gemotiveerd waarom het </para>
      <para>bewezenverklaarde poging tot doodslag oplevert. Van een verlating van de </para>
      <para>grondslag van de tenlastelegging is geen sprake.   </para>
      <para>Het middel faalt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>22. Het vierde middel klaagt over de door het hof gebezigde strafmotivering. </para>
      <para>Volgens de indiener van het middel heeft het hof de strafoplegging ontoereikend </para>
      <para>althans onbegrijpelijk heeft gemotiveerd. De verdachte zou wel ter terechtzitting </para>
      <para>hebben gesteld de gang van zaken te hebben betreurd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>23. Het hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd:</para>
      <para>"Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep er nauwelijks blijk van gegeven </para>
      <para>het laakbare van zijn handelen in te zien: [slachtoffer 1] zou slechts zijn 'geprikt' </para>
      <para>en de dood van [slachtoffer 2] zou een ongeluk zijn geweest, dat iedereen zou </para>
      <para>overkomen." </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>24. Anders dan wordt betoogd is dit oordeel niet onbegrijpelijk. De omstandigheid </para>
      <para>dat verdachte te kennen heeft gegeven dat het een straf is te moeten leven met de </para>
      <para>gedachte dat hij iemand heeft gedood, sluit niet uit dat verdachte zijn rol daarin </para>
      <para>bagatelliseert, zoals het hof heeft vastgesteld. Ook de omstandigheid dat het </para>
      <para>onvoldoende besef van het laakbare van zijn handelen wellicht samenhangt met de </para>
      <para>persoonlijkheid van de verdachte, neemt niet weg dat hij het laakbare onvoldoende </para>
      <para>beseft en dat dit een relevante factor is bij de straftoemeting, onder meer omdat </para>
      <para>dat gegeven de kans op recidive groter kan doen zijn.</para>
      <para>Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 101a RO bedoelde </para>
      <para>motivering.   Nu de middelen falen en ik ook overigens geen reden voor vernietiging </para>
      <para>heb aangetroffen, concludeer ik, dat het beroep wordt verworpen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
    </parablock>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>