<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2000:AA7957</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T20:00:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA7957</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2000-10-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">01916/00</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2000:AA7957" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA7957</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2000, 543</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2001, 239 met annotatie van A.C. &amp;apos, t Hart</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA7957">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA7957</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:12:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2000:AA7957 Parket bij de Hoge Raad , 31-10-2000 / 01916/00</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA7957:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA7957:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Mr Wortel</para>
      <para>Nr. 01916/00</para>
      <para>Zitting 6 juni 2000</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Conclusie inzake:</para>
      <para>[Verdachte]</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft het openbaar ministerie niet-ontvankelijk</para>
      <para>verklaard in de vervolging van [verdachte], hierna aan te duiden als ‘de verdachte’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Tegen die uitspraak heeft de advocaat-generaal beroep in cassatie ingesteld. </para>
      <para>Hij heeft  een schriftuur aan de Hoge Raad doen toekomen waarin één </para>
      <para>cassatiemiddel wordt voorgesteld dat in drie nadere klachten uiteenvalt. Te </para>
      <para>begrijpen valt dat ieder onderdeel uit zowel een rechts- als een motiveringsklacht </para>
      <para>bestaat. Namens verdachte heeft Mr M. Veldman, advocaat te </para>
      <para>Amsterdam, het middel bij schriftuur weersproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Het gaat hier om een strafzaak die mede het karakter van een proefprocedure </para>
      <para>heeft.1</para>
      <para>Het openbaar ministerie experimenteert met hetgeen men aanduidt als</para>
      <para>‘supersnelrecht’. Die hoge snelheid in strafrechtelijke afdoening wordt nagestreefd </para>
      <para>door verdachten te dagvaarden voor een zitting van een politierechter die zowel </para>
      <para>binnen de termijn van de inverzekeringstelling als binnen de in art. 59a Sv </para>
      <para>bedoelde termijn voor toetsing van de rechtmatigheid daarvan door de rechter-</para>
      <para>commissaris valt. De dagvaarding voor die zitting wordt reeds op het politiebureau </para>
      <para>aan de verdachte uitgereikt. Uiteraard zal de verdachte 'afstand' moeten doen van </para>
      <para>de in art. 370 lid 1 Sv gestelde termijn voor dagvaarding. Daarnaast stelt het </para>
      <para>openbaar ministerie de voorwaarde dat de verdachte bereid is afstand te doen van </para>
      <para>voorgeleiding aan de rechter-commissaris als bedoeld in art. 59a Sv. Voor de </para>
      <para>hand liggende verdere voorwaarden zijn dat de feiten eenvoudig vast te stellen </para>
      <para>moeten zijn, en dat er ook ‘in de sfeer van de hulpverlening’ (waarbij klaarblijkelijk </para>
      <para>wordt gedoeld op reclasseringscontacten, hulp bij afkicken, et cetera) niets </para>
      <para>behoeft te gebeuren.</para>
      <para>Het openbaar ministerie ziet in dit ‘supersnelrecht’ het voordeel - </para>
      <para>vanzelfsprekend naast de winst die prompte bestraffing van delicten </para>
      <para>oplevert uit een oogpunt van effectieve normhandhaving, mede omdat de </para>
      <para>vrijheidsbeneming niet wordt onderbroken zodat de op te leggen straf </para>
      <para>dadelijk kan worden tenuitvoergelegd - dat bij de rechtbank (het kabinet </para>
      <para>van de rechters-commissaris), het parket, de verdediging en (in verband </para>
      <para>met transport van de verdachte) de politie de tijd wordt bespaard die </para>
      <para>anders gemoeid zou zijn met een voorgeleiding aan de rechter-</para>
      <para>commissaris (met het oog op art. 59a Sv én om het bevel tot bewaring </para>
      <para>uit te lokken), korte tijd later gevolgd door de gang naar de politierechter.2</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. In deze gang van zaken, in het bijzonder de wijze waarop gebruik is </para>
      <para>gemaakt van de inverzekeringstelling, zag het Hof aanleiding het </para>
      <para>openbaar ministerie in de vervolging van verdachte niet-ontvankelijk te </para>
      <para>verklaren.</para>
      <para>Daartoe is in de bestreden uitspraak het volgende overwogen: </para>
      <para>“Ter terechtzitting van het hof is door de verdediging (...) aangevoerd, dat </para>
      <para>het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging moet worden </para>
      <para>verklaard omdat - zakelijk weergegeven - de officier van justitie met de </para>
      <para>door haar gevolgde procedure het in de artikelen 57 tot en met 88 van het </para>
      <para>Wetboek van Strafvordering vervatte stelsel van waarborgen buiten </para>
      <para>werking heeft gesteld en aldus aan verdachte de hem op grond van die </para>
      <para>bepalingen toekomende rechtsbescherming heeft onthouden. Daartoe is, </para>
      <para>samengevat, het volgende gesteld.</para>
      <para>De wettelijke regeling en het daarin besloten liggende systeem schrijven </para>
      <para>uitdrukkelijk voor, dat de toetsing van de rechtmatigheid van de </para>
      <para>inverzekeringstelling aan de rechter-commissaris is voorbehouden en </para>
      <para>derhalve niet aan de zittingsrechter. Daarbij komt, dat in het geval dat aan </para>
      <para>de zittingsrechter achtereenvolgens de rechtmatigheidstoetsing van de </para>
      <para>inverzekeringstelling wordt overgelaten, een bewijsbeslissing ten aanzien </para>
      <para>van de tenlastelegging wordt gevraagd en vervolgens bij hem een </para>
      <para>vordering tot gevangenneming/gevangenhouding wordt gedaan, de </para>
      <para>inhoud van de ene beslissing die van de andere bepaalt. In die situatie </para>
      <para>kan de zittingsrechter niet meer als onpartijdig worden aangemerkt, </para>
      <para>omdat de schijn van zijn vooringenomenheid is gewekt.</para>
      <para>De verdediging heeft voorts betoogd dat de officier van justitie niet-</para>
      <para>ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering tot </para>
      <para>gevangenneming subsidiair dat die vordering behoorde te worden </para>
      <para>afgewezen, omdat op het tijdstip waarop die vordering werd gedaan de </para>
      <para>verdachte in verzekering was gesteld.</para>
      <para>Voor een bevel gevangenhouding is evenmin plaats -aldus de </para>
      <para>verdediging-, reeds omdat verdachte zich niet krachtens een bevel </para>
      <para>bewaring in voorlopige hechtenis bevond.</para>
      <para>Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de stukken in het </para>
      <para>dossier is ten aanzien van het thans voorliggende geval het volgende </para>
      <para>gebleken.</para>
      <para>Verdachte is op heterdaad aangehouden, in verzekering gesteld en - </para>
      <para>zonder aan de officier van justitie te zijn voorgeleid - gedagvaard ter </para>
      <para>terechtzitting van de politierechter. Het onderzoek ter terechtzitting, </para>
      <para>waarheen de officier van justitie verdachte heeft doen leiden, is </para>
      <para>aangevangen binnen de in artikel 59 (bedoeld zal zijn 59a, JW) van het </para>
      <para>Wetboek van Strafvordering vermelde termijn van drie dagen en vijftien </para>
      <para>uren. Voorgeleiding aan de rechter-commissaris ter toetsing van de </para>
      <para>rechtmatigheid van de inverzekeringstelling heeft niet plaatsgevonden. </para>
      <para>Ter terechtzitting heeft de politierechter de rechtmatigheid van de </para>
      <para>inverzekeringstelling getoetst en de (voortgezette) toepassing van dit </para>
      <para>dwangmiddel rechtmatig geoordeeld. Voorts is de politierechter tot een </para>
      <para>bewezenverklaring gekomen en is verdachte ter zake tot gevangenisstraf </para>
      <para>veroordeeld. Op de (subsidiaire) vordering van de officier van justitie is </para>
      <para>bovendien verdachtes gevangenhouding bevolen.</para>
      <para>Daartoe uitgenodigd vanwege de officier van justitie had verdachte - die </para>
      <para>door zijn raadsman werd bijgestaan -afstand gedaan van de termijn van </para>
      <para>dagvaarding, van zijn - in de visie van de officier van justitie - aan artikel </para>
      <para>59a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering te ontlenen recht op </para>
      <para>voorgeleiding aan de rechter-commissaris en zich accoord verklaard met </para>
      <para>deze rechtsgang, die door het openbaar ministerie is voorzien van de </para>
      <para>kwalificatie "supersnelrecht".</para>
      <para>Bij wet van 15 januari 1998, Stb. 1998, 35 heeft de wetgever in artikel 375 </para>
      <para>e.v. van het Wetboek van Strafvordering voorzien in een procedure, die </para>
      <para>de officier van justitie de mogelijkheid biedt om verdachten die aan hem </para>
      <para>zijn voorgeleid te dagvaarden voor de politierechter en hen nog dezelfde </para>
      <para>dag ter terechtzitting te (doen) geleiden. De officier van justitie heeft van </para>
      <para>deze bijzondere mogelijkheid in dit geval geen gebruik gemaakt.</para>
      <para>Dit betekent dat onderzocht dient te worden of de door de officier van </para>
      <para>justitie gevolgde weg niettemin in overeenstemming is met de daaraan </para>
      <para>op grond van de wet te stellen eisen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 61, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering beperkt de </para>
      <para>duur van het verhoor van verdachte; in het eerste lid van dit artikel wordt </para>
      <para>bepaald dat hij na het verhoor dadelijk in vrijheid wordt gesteld, tenzij hij in </para>
      <para>verzekering wordt gesteld of in het kader van een vordering bewaring </para>
      <para>voor de rechter-commissaris wordt geleid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 57, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt voor </para>
      <para>zover hier van belang, dat verdachte in het belang van het onderzoek in </para>
      <para>verzekering kan worden gesteld. Artikel 58 bepaalt dat het bevel tot </para>
      <para>inverzekeringstelling slechts wordt verleend in geval van een strafbaar </para>
      <para>feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In aanmerking genomen de ten aanzien van verdachte gerezen </para>
      <para>verdenking van overtreding van artikel 310 van het Wetboek van </para>
      <para>Strafrecht, is voldaan aan het bepaalde in het eerste lid van het </para>
      <para>evenvermelde artikel 58.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verdachte is na verhoor, in welk verhoor hij een gave bekentenis heeft </para>
      <para>gedaan, in verzekering gesteld. Deze inverzekeringstelling had geen voor </para>
      <para>het hof kenbaar onderzoeksbelang in enge zin.</para>
      <para>Ook indien wordt aangenomen dat het belang van het onderzoek gelegen </para>
      <para>was in een onderzoek van de officier van justitie naar de aanwezigheid </para>
      <para>van gronden waarop de voorlopige hechtenis kon worden gevorderd en/of </para>
      <para>naar de opportuniteit van toepassing daarvan, dan kon dat belang in elk </para>
      <para>geval na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting niet meer </para>
      <para>aanwezig worden verondersteld.</para>
      <para>Immers, verdachte is niet overeenkomstig artikel 60 van het Wetboek van </para>
      <para>Strafvordering voor de rechter-commissaris geleid, zodat de officier van </para>
      <para>justitie op grond van artikel 61, eerste lid, van het Wetboek van </para>
      <para>Strafvordering was gehouden de invrijheidstelling van verdachte te </para>
      <para>gelasten. De enkele omstandigheid dat verdachte heeft ingestemd met </para>
      <para>verkorting van de dagvaardingstermijn kan aan deze gehoudenheid niet </para>
      <para>afdoen.</para>
      <para>Evenmin kan het feit, dat verdachte (in aanwezigheid van zijn raadsman) </para>
      <para>met toepassing van "supersnelrecht" accoord is gegaan, meebrengen </para>
      <para>dat vrijheidsbeneming buiten de gevallen als in de wet voorzien alsnog </para>
      <para>wordt gelegitimeerd.</para>
      <para>Aldus kan niet worden gezegd dat de inverzekeringstelling van verdachte </para>
      <para>na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting berustte op enig </para>
      <para>wetsartikel.</para>
      <para>Aan de officier van justitie komt weliswaar de wettelijke bevoegdheid toe </para>
      <para>ter terechtzitting de gevangenneming van verdachte te vorderen, in het </para>
      <para>onderhavige geval komt tegen de achtergrond van het hiervoor </para>
      <para>vastgestelde en aan de officier van justitie toe te rekenen verzuim het </para>
      <para>gebruik maken van die bevoegdheid haar niet toe.</para>
      <para>De vordering tot gevangenneming kan immers geen andere strekking </para>
      <para>hebben gehad dan het verkrijgen van een titel op grond waarvan </para>
      <para>verdachtes vrijheidsbeneming feitelijk kon worden voortgezet, terwijl </para>
      <para>nieuwe feiten of omstandigheden waarop de officier van justitie die </para>
      <para>vordering mogelijk had kunnen doen steunen haar blijkens het </para>
      <para>verhandelde ter terechtzitting, in het geheel niet voor ogen hebben </para>
      <para>gestaan, en ook anderszins van nova niet is gebleken.</para>
      <para>Aldus heeft de officier van justitie een vordering gedaan, die niet alleen </para>
      <para>een schending oplevert van een beginsel van behoorlijk strafprocesrecht, </para>
      <para>te weten het beginsel van "nemo debet bis vexari", maar die ook - en </para>
      <para>vooral -getuigt van het hanteren van een bevoegdheid voor een ander </para>
      <para>doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven.</para>
      <para>Ten aanzien van de op subsidiaire vordering van de officier van justitie </para>
      <para>bevolen gevangenhouding overweegt het hof dat, gelet op hetgeen is </para>
      <para>bepaald in artikel 65, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, het </para>
      <para>doen van die vordering niet in de rede lag. Verdachte bevond zich </para>
      <para>immers niet in bewaring.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de officier van justitie heeft beoogd verdachte zo snel mogelijk te doen </para>
      <para>berechten, heeft zij echter niet de daarvoor door de wet voorgeschreven </para>
      <para>procedure gevolgd, maar met gebruikmaking van het dwangmiddel van </para>
      <para>inverzekeringstelling verdachte voor de politierechter gedagvaard en </para>
      <para>doen verschijnen, voor welk doel deze inverzekeringstelling niet is </para>
      <para>gegeven.</para>
      <para>Aldus handelend heeft het openbaar ministerie de in artikel 61, eerste lid, </para>
      <para>van het Wetboek van Strafvordering vervatte instructienorm genegeerd, </para>
      <para>alsmede inbreuk gemaakt op beginselen van een behoorlijk </para>
      <para>strafprocesrecht waarvan de betekenis dermate elementair is, dat dit tot </para>
      <para>gevolg moet hebben dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te </para>
      <para>worden verklaard.</para>
      <para>Dit betekent dat de door de verdediging overigens nog betrokken </para>
      <para>stellingen die tot deze conclusie strekken geen bespreking behoeven.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. De eerste klacht in het middel is dat het Hof aan het begrip “belang van het </para>
      <para>onderzoek” als voorwaarde voor het doen voortduren van de inverzekeringstelling </para>
      <para>een onjuiste betekenis heeft toegekend. </para>
      <para>Terecht wijst de steller van het middel erop dat zowel in de literatuur als </para>
      <para>in de (feitelijke) rechtspraak algemeen wordt aangenomen dat dit </para>
      <para>‘onderzoeksbelang’ niet beperkt is tot de eigenlijke waarheidsvinding (de </para>
      <para>reconstructie van hetgeen vermoedelijk aan strafbaars heeft </para>
      <para>plaatsgevonden en het vastleggen of zekerstellen van het bewijs </para>
      <para>daarvan), maar dat daaronder ook moet worden begrepen de </para>
      <para>voorbereiding van het oordeel of er gronden zijn voor aansluitende </para>
      <para>voorlopige hechtenis, ook in die - in de praktijk veelvuldig voorkomende - </para>
      <para>gevallen waarin aan deze voorbereiding van dat oordeel in wezen geen </para>
      <para>element van werkelijk onderzoek te onderkennen valt, omdat aanstonds </para>
      <para>duidelijk is dat er sprake is van recidive, vluchtgevaar of een feit waardoor </para>
      <para>de rechtsorde ernstig verstoord moet worden geacht te zijn.3 </para>
      <para>Aanvaard zal moeten worden (als passend in het systeem van de op </para>
      <para>elkaar aansluitende vormen van vrijheidsberoving ten dienste van het </para>
      <para>onderzoek) dat “het belang van het onderzoek” als toereikende reden om </para>
      <para>de inverzekeringstelling te laten voortduren aanwezig blijft zolang duidelijk </para>
      <para>is dat het openbaar ministerie een titel voor aansluitende </para>
      <para>vrijheidsberoving beoogt te verkrijgen, en er zwaarwegende aanwijzingen </para>
      <para>zijn dat de rechter die over toepassing van de voorlopige hechtenis moet </para>
      <para>oordelen een of meer van de in art. 67a Sv omschreven gronden </para>
      <para>aanwezig zal achten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. In de aangehaalde overwegingen heeft het Hof niet miskend dat het “belang van </para>
      <para>het onderzoek” zich mede uitstrekt tot de voorbereiding van het oordeel of de </para>
      <para>verdachte na de inverzekeringstelling langer van zijn vrijheid beroofd moet blijven. </para>
      <para>Het heeft immers een “onderzoeksbelang in enge zin” gesteld naast “een </para>
      <para>onderzoek van de officier van justitie naar de aanwezigheid van gronden waarop </para>
      <para>de voorlopige hechtenis kon worden gevorderd en/of naar de opportuniteit van </para>
      <para>toepassing daarvan”.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>7. Het Hof heeft evenwel geoordeeld dat, in ieder geval na de aanvang van het </para>
      <para>onderzoek ter terechtzitting, ook in deze ruime zin geen ‘onderzoeksbelang’ meer </para>
      <para>aan de inverzekeringstelling ten grondslag kan hebben gelegen, en dat niet </para>
      <para>gezegd kan worden dat de inverzekeringstelling vanaf dat moment berustte op </para>
      <para>enig wetsartikel, omdat de verdachte niet overeenkomstig art. 60 Sv voor de </para>
      <para>rechter-commissaris is geleid, waaruit naar het inzicht van het Hof voortvloeide dat </para>
      <para>de officier van justitie op grond van het eerste lid van art. 61 Sv gehouden was de </para>
      <para>verdachte in vrijheid te doen stellen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>8. Art. 60 Sv ziet op de voorgeleiding in verband met het vorderen van de bewaring. </para>
      <para>Art. 61 Sv bevat een instructie aan de officier van justitie ten aanzien van de </para>
      <para>verdachte die noch in verzekering wordt gesteld, noch op de voet van art. 60 Sv - </para>
      <para>derhalve met het oog op de bewaring - aan de rechter-commissaris wordt </para>
      <para>voorgeleid. Het door het Hof beoordeelde geval kenmerkt zich juist hierdoor dat de </para>
      <para>verdachte reeds in verzekering was gesteld, en dat de officier van justitie niet </para>
      <para>beoogde de bewaring te doen bevelen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>9. De gedachtegang waarin aan de art. 60 en 61 Sv inderdaad betekenis toekomt </para>
      <para>ter beantwoording van de vraag of de verdachte rechtmatig op grond van een bevel </para>
      <para>tot inverzekeringstelling voor de zittingsrechter is geleid laat zich, dunkt mij, </para>
      <para>slechts op één manier reconstrueren. De door het Hof gevolgde redenering moet </para>
      <para>berusten op het uitgangspunt dat in de wettelijke systematiek een titel voor </para>
      <para>voortgezette vrijheidsberoving, indien het noodzakelijk wordt geoordeeld dat de </para>
      <para>verdachte in afwachting van de beslissingen van de zittingsrechter gedetineerd </para>
      <para>blijft, alleen gevonden kan worden in de door de rechter-commissaris te bevelen </para>
      <para>bewaring. Wenst - zo moet het Hof hebben geredeneerd - de officier van justitie </para>
      <para>een verdachte ook na de inverzekeringstelling vast te houden, dan kan hij dat </para>
      <para>alleen bereiken door de bewaring te vorderen. Daartoe dient de verdachte</para>
      <para>ingevolge art. 60 Sv zo snel mogelijk aan de rechter-commissaris te worden </para>
      <para>voorgeleid. Ziet de officier van justitie van die voorgeleiding af (en is overigens </para>
      <para>duidelijk geworden dat ook de bewijsverzameling door de politie - het </para>
      <para>onderzoeksbelang in engere zin - niet langer vergt dat de inverzekeringstelling </para>
      <para>voortduurt), dan is hij ingevolge art. 61, eerste lid, Sv gehouden de verdachte </para>
      <para>dadelijk in vrijheid te stellen.</para>
      <para>Door te dagvaarden ter zitting van de politierechter, met het voornemen </para>
      <para>aldaar de gevangenneming of gevangenhouding te vorderen naast het </para>
      <para>opleggen van straf, heeft de officier van justitie kenbaar gemaakt dat het </para>
      <para>oordeel over voortgezette vrijheidsbeneming niet aan de rechter-</para>
      <para>commissaris zou worden gelaten. Nu vaststond dat de rechter-</para>
      <para>commissaris niet om die beslissing zou worden gevraagd stond ook vast </para>
      <para>dat de inverzekeringstelling niet meer kon dienen ter voorbereiding van </para>
      <para>door de (in deze gedachtegang) enige daartoe aangewezen rechterlijke </para>
      <para>autoriteit te nemen beslissingen omtrent gronden en andere voorwaarden </para>
      <para>om de verdachte nog langer vast te houden, en daar vloeit uit voort dat </para>
      <para>het ‘onderzoeksbelang’ in ruime zin aan de inverzekeringstelling was </para>
      <para>komen te ontvallen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>10. Alleen aldus gereconstrueerd is ’s Hofs oordeel dat in verband met het </para>
      <para>bepaalde in de art. 60 en 61 Sv niet kan worden gezegd “dat de </para>
      <para>inverzekeringstelling van verdachte na aanvang van het onderzoek ter </para>
      <para>terechtzitting berustte op enig wetsartikel” te volgen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>11. Blijkens de toelichting op dit eerste middelonderdeel heeft ook de steller van </para>
      <para>het middel de overwegingen van het Hof aldus begrepen.    </para>
      <para>In de klacht wordt de juistheid van dit, aldus gereconstrueerde, oordeel </para>
      <para>vervolgens aangevallen door er op te wijzen dat de zittingsrechter </para>
      <para>(politierechter) niet minder goed in staat is noodzaak en rechtmatigheid </para>
      <para>van - kort gezegd - het voorarrest te beoordelen dan een rechter-</para>
      <para>commissaris.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>12. De vraag doet zich nu voor of het Hof aan het bepaalde in de art. 60 en 61 Sv </para>
      <para>een ruimere strekking heeft toegekend dan waartoe wetsgeschiedenis of </para>
      <para>wettelijke systematiek aanknopingspunten bieden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>13. De wijze waarop art. 60 Sv is geredigeerd brengt voor de officier van </para>
      <para>justitie alleen dan de verplichting tot het onverwijld aan de rechter-</para>
      <para>commissaris voorgeleiden mee indien hij de bewaring nodig acht. In de </para>
      <para>literatuur is opgemerkt dat de wetgever bij het formuleren van dit </para>
      <para>voorschrift blijkbaar alleen de gevallen voor ogen heeft gehad waarin de </para>
      <para>officier van justitie het niet noodzakelijk acht de verdachte in verzekering </para>
      <para>te stellen.4 </para>
      <para>De in het eerste lid van art. 61 Sv opgenomen verplichting de verdachte </para>
      <para>zo spoedig mogelijk in vrijheid te stellen ontstaat, indien ook die bepaling </para>
      <para>naar de letter wordt genomen, alleen in de gevallen waarin de officier van </para>
      <para>justitie geen redenen vindt de verdachte hetzij in verzekering te stellen, </para>
      <para>hetzij hem overeenkomstig art. 60 Sv - en dus ter fine van een bevel tot </para>
      <para>bewaring - aan de rechter-commissaris voor te geleiden. In die gevallen </para>
      <para>moet de verdachte in vrijheid worden gesteld “na te zijn verhoord”, </para>
      <para>waarbij, om te voorkomen dat aan laatstbedoelde woorden de betekenis </para>
      <para>zou worden toegekend dat er (met het oog op dat verhoor) een soort </para>
      <para>‘politiebewaring’ naast de inverzekeringstelling kan zijn, in het tweede lid </para>
      <para>is opgenomen dat het ophouden voor verhoor niet langer dan zes uur </para>
      <para>(behoudens de nachtelijke uren) zal mogen nemen.5</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>14. Er zijn wettelijke bepalingen die in het bijzonder zijn toegesneden op </para>
      <para>het beperken van de duur van de inverzekeringstelling. Binnen de in art. </para>
      <para>58 lid 2 Sv gestelde termijn van ten hoogste drie dagen, met de </para>
      <para>mogelijkheid van een eenmalige verlenging, is de officier van justitie op </para>
      <para>grond van art. 57 lid 5 Sv gehouden de invrijheidstelling te gelasten zodra </para>
      <para>het belang van het onderzoek dat toelaat. Die aanwijzing is ten aanzien </para>
      <para>van de hulpofficier van justitie ook opgenomen in art. 58 lid 3 Sv. Juist in </para>
      <para>verband met dit voorschrift krijgt praktische betekenis dat “het belang van </para>
      <para>het onderzoek” zal moeten worden opgevat in de bovengenoemde ruime </para>
      <para>zin.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>15. Reeds het bestaan van het in art. 57 lid 5 Sv opgenomen voorschrift brengt </para>
      <para>naar mijn inzicht met zich mee dat aan de art. 60 en 61 Sv niet een zodanig ruime </para>
      <para>uitleg mag worden gegeven dat zij betrekking gaan hebben op gevallen die de </para>
      <para>wetgever blijkens hun bewoordingen niet voor ogen heeft gehad. In een geval als </para>
      <para>het onderhavige, waarin een eventuele onrechtmatigheid gevonden zou moeten </para>
      <para>worden in de omstandigheid dat de officier van justitie heeft nagelaten de </para>
      <para>inverzekeringstelling te beëindigen zodra het belang van het onderzoek dat </para>
      <para>toestond, zal alleen een schending van de art. 57 lid 5 Sv kunnen worden </para>
      <para>vastgesteld. Ik meen derhalve dat ’s Hofs oordeel op een onjuiste toepassing van </para>
      <para>de art. 60 en 61 Sv berust.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>16. Wellicht zou nog denkbaar zou zijn dat cassatie en verwijzing op deze grond </para>
      <para>achterwege zouden kunnen blijven indien de Hoge Raad aanstonds kan </para>
      <para>vaststellen dat uit het te dezen toepasselijke art. 57 lid 5 Sv dwingend voortvloeit </para>
      <para>dat ’s Hofs oordeel dat “niet (kan) worden gezegd dat de inverzekeringstelling van </para>
      <para>verdachte na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting berustte op enig </para>
      <para>wetsartikel” niettemin terecht is bereikt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>17. Men zou, wat deze eerste klacht betreft, aan die uitkomst kunnen denken </para>
      <para>indien moet worden vastgesteld dat een zittingsrechter, in het bijzonder een </para>
      <para>politierechter, niet de mogelijkheid zou hebben de voorlopige hechtenis te bevelen </para>
      <para>ten aanzien van een verdachte die, in verband met de te beoordelen strafzaak </para>
      <para>maar anders dan krachtens een bevel tot bewaring, van zijn vrijheid is beroofd. Dat </para>
      <para>zou in het nu te beoordelen geval immers meebrengen dat het voortduren van de </para>
      <para>inverzekeringstelling onmogelijk kan hebben gediend ter voorbereiding van een </para>
      <para>oordeel omtrent de voor voorlopige hechtenis vereiste gronden, zodat ook in de </para>
      <para>hiervoor bedoelde ruime zin geen 'onderzoeksbelang' aanwezig kan zijn geweest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>18. Er is op gewezen dat er bezwaren zijn aan te voeren tegen het bevelen van de </para>
      <para>gevangenhouding of de gevangenneming door een politierechter. Dan wordt met </para>
      <para>betrekking tot deze langduriger ingreep in de vrijheid van een verdachte een </para>
      <para>waarborg die in het vooronderzoek zou gelden (beslissing door een meervoudige </para>
      <para>kamer, in ieder geval indien voor het eerst over de gevangenhouding moet worden </para>
      <para>beslist) in het eindonderzoek niet gerealiseerd, hetgeen temeer klemt omdat het </para>
      <para>ter zitting gegeven bevel thans zelfs gedurende zestig dagen na de einduitspraak </para>
      <para>zijn geldigheid kan behouden. 6</para>
      <para>Dit neemt niet weg dat de Hoge Raad al eens heeft beslist dat een politierechter </para>
      <para>ter zitting de voorlopige hechtenis mag bevelen.7 Voor zover mij bekend worden </para>
      <para>alom zogenaamde ‘snelrechtzittingen’ gehouden; zittingen van politierechters </para>
      <para>waarop verdachten binnen de termijn van een eerder verleend bevel tot bewaring </para>
      <para>worden aangevoerd, waarbij de politierechter, indien het tot een veroordeling komt </para>
      <para>en de opgelegde straf daartoe aanleiding geeft, ter zitting de gevangenhouding </para>
      <para>beveelt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>19. Voorts kan naar mijn oordeel niet op grond van de wettelijke regeling van de </para>
      <para>voorlopige hechtenis in haar drie verschijningsvormen worden gezegd dat de </para>
      <para>zittingsrechter de voorlopige hechtenis niet kan bevelen ten aanzien van een </para>
      <para>verdachte die (in verband met de aan het oordeel van de rechter onderworpen </para>
      <para>strafzaak) wel in verzekering, maar niet in bewaring is gesteld. Overigens leid ik </para>
      <para>uit die wettelijke regeling af (evenals, gelet op zijn overwegingen, het Hof maar </para>
      <para>anders dan de politierechter in deze zaak oordeelde) dat in dat geval de </para>
      <para>gevangenneming zal moeten worden bevolen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>20. De politierechter heeft uit de structuur van art. 65 Sv opgemaakt dat de </para>
      <para>gevangenhouding de aangewezen vorm van voorlopige hechtenis is ten aanzien </para>
      <para>van een verdachte die 'rechtens' reeds van zijn vrijheid is beroofd, terwijl de </para>
      <para>gevangenneming bestemd is voor die gevallen waarin de verdachte in vrijheid is, al </para>
      <para>dan niet omdat een eerder bestaande titel voor vrijheidsberoving verloren is </para>
      <para>gegaan. </para>
      <para>Ook in de literatuur wordt er wel van uit gegaan dat het bevel tot </para>
      <para>gevangenneming de verdachte betreft die zich in vrijheid bevindt.8 Een </para>
      <para>aanwijzing dat de wetgever inderdaad voor ogen heeft gehad dat het in </para>
      <para>vrijheid verkeren van de verdachte van wezenlijk belang zou zijn voor het </para>
      <para>geven van zo een bevel vond ik echter niet. Daarom zie ik geen reden </para>
      <para>voor een andere uitleg dan uit de tekst van de eerste twee leden van art. </para>
      <para>65 Sv lijkt te moeten volgen: het onderscheidend criterium is gelegen in </para>
      <para>de procesfase. In het vooronderzoek, derhalve voordat de behandeling </para>
      <para>ter zitting een aanvang neemt, kan alleen de gevangenhouding worden </para>
      <para>bevolen. De wetgever is ervan uitgegaan dat dit bevel alleen mag worden </para>
      <para>gegeven indien eerder reeds de bewaring werd gelast. Na de aanvang </para>
      <para>van het onderzoek ter terechtzitting staat het bevel tot gevangenneming </para>
      <para>ten dienste. Dat neemt niet weg dat de zittingsrechter de vrijheid heeft, </para>
      <para>indien de verdachte reeds in bewaring werd gesteld, ook na de aanvang </para>
      <para>van het onderzoek ter terechtzitting de gevangenhouding te bevelen. Het </para>
      <para>bevel tot gevangenneming is in de wettelijke systematiek bestemd voor </para>
      <para>die gevallen waarin de verdachte zich ten tijde van de behandeling ter </para>
      <para>zitting niet reeds - ter zake van het feit of de feiten die aan het oordeel </para>
      <para>van de rechter zijn onderworpen - in voorlopige hechtenis bevindt.9 Of de </para>
      <para>verdachte zich op vrije voeten bevindt is niet doorslaggevend.10</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>21. Het stelsel van de wet laat toe dat na aanvang van het onderzoek ter </para>
      <para>terechtzitting de gevangenneming wordt bevolen van een verdachte die op dat </para>
      <para>moment in verzekering is gesteld.</para>
      <para>Daar moet uit volgen dat in het geval waarin de officier van justitie een in </para>
      <para>verzekering gestelde verdachte dagvaardt en ter zitting doet geleiden, </para>
      <para>met het voornemen aldaar te vorderen dat voorlopige hechtenis wordt </para>
      <para>toegepast, de inverzekeringstelling kan blijven berusten op </para>
      <para>‘onderzoeksbelang’. De zittingsrechter moet bevoegd worden geacht de </para>
      <para>gevangenneming te bevelen, en het voortduren van de </para>
      <para>inverzekeringstelling kan dienen ter voorbereiding op het vaststellen van </para>
      <para>toereikende gronden als bedoeld in art. 67a, leden 1 en 2, Sv (mits, </para>
      <para>uiteraard, er voldoende aanwijzingen zijn dat die gronden zich inderdaad </para>
      <para>voordoen), op gelijke wijze als zou gelden indien een vordering tot </para>
      <para>bewaring zou worden gedaan bij de rechter-commissaris.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>22. In dit verband merk ik op dat de in de schriftuur, waarin het middel </para>
      <para>van de advocaat-generaal is weersproken, betrokken stelling dat het </para>
      <para>handelen van de officier van justitie in strijd komt met art. 5 EVRM, in </para>
      <para>zoverre daarin is bepaald dat vrijheidsbeneming nimmer anders zal </para>
      <para>mogen plaatsvinden dan “in accordance with a procedure prescribed by </para>
      <para>law” mij niet houdbaar lijkt. De in de Nederlandse wetgeving beschreven </para>
      <para>procedure voor vrijheidsbeneming in verband met de verdenking van </para>
      <para>betrokkenheid bij een strafbaar feit houdt, kort samengevat, een </para>
      <para>bevoegdheidstoedeling in ten aanzien van de aanhouding buiten </para>
      <para>heterdaad en de bepaling dat in dat geval slechts ter zake van bepaalde </para>
      <para>feiten mag worden aangehouden, behelst voorts dat na iedere </para>
      <para>aanhouding, ook die bij heterdaad, voorgeleiding dient plaats te vinden </para>
      <para>aan een officier van justitie of (hetgeen in de praktijk plaatsvindt) een </para>
      <para>opsporingsambtenaar die hulpofficier van justitie is - op welk moment de </para>
      <para>rechtmatigheid van de aanhouding dient te worden getoetst - en </para>
      <para>daarnaast (afgezien van in deze context niet primaire zaken zoals het </para>
      <para>inschakelen van een raadsman bij inverzekeringstelling en het zo snel </para>
      <para>mogelijk inzenden van het proces-verbaal) de wettelijke bepalingen </para>
      <para>omtrent de maximale duur voor het ophouden voor verhoor (eventueel </para>
      <para>met inachtneming van de periode voor vaststellen van de identiteit van de </para>
      <para>aangehoudende), de maximale termijn en de noodzakelijke grond voor </para>
      <para>inverzekeringstelling, alsmede de bevoegdheidstoekenning in verband </para>
      <para>met dat dwangmiddel. De reeds genoemde art. 57 lid 5 en 58 lid 3 maken </para>
      <para>hiervan deel uit. </para>
      <para>Met betrekking tot langduriger vrijheidsbeneming behelst de ‘procedure </para>
      <para>prescribed by law’ dat een rechter moet beslissen, die de verdachte wat </para>
      <para>de bewaring en de gevangenneming betreft zo veel mogelijk, en in geval </para>
      <para>van gevangenhouding in ieder geval moet horen alvorens te beslissen. In </para>
      <para>deze wettelijke bepalingen ligt niet besloten dat een op </para>
      <para>inverzekeringstelling aansluitende vrijheidsbeneming alleen bereikt zal </para>
      <para>kunnen worden door een aan het oordeel van de zittingsrechter </para>
      <para>voorafgaande beslissing van de rechter-commissaris. Daarom kan de </para>
      <para>omstandigheid dat de officier van justitie de inverzekeringstelling laat </para>
      <para>voortduren in afwachting van een beslissing van een rechter ter </para>
      <para>terechtzitting niet meebrengen dat die vrijheidsbeneming in de zin van </para>
      <para>art. 5 EVRM niet meer overeenstemt met de de wettelijk voorgeschreven </para>
      <para>procedure.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para> 23. In dit verband veroorloof ik mij nog een terzijde. Het Hof heeft, onderzoekende </para>
      <para>of de gevolgde handelwijze in overeenstemming is met de wettelijke voorschriften, </para>
      <para>ook vastgesteld dat de officier van justitie de in art. 375 Sv geboden mogelijkheid </para>
      <para>de verdachte nog voor dezelfde dag te dagvaarden en hem naar die zitting te doen </para>
      <para>geleiden ongebruikt heeft gelaten. Deze wettelijk voorziene vorm van snelrecht kan </para>
      <para>vragen oproepen van gelijke aard als door het Hof onder ogen zijn gezien. </para>
      <para>Aanvankelijk was deze wettelijk voorziene snelrechtprocedure opgenomen in art. </para>
      <para>370 Sv, en opende zij de mogelijkheid de op heterdaad aangehouden en voor de </para>
      <para>officier van justitie geleide verdachte nog op dezelfde dag of ter eerstkomende </para>
      <para>terechtzitting voor de politierechter te dagvaarden.</para>
      <para>Men nam aan dat de wetgever met deze bepaling niet alleen een </para>
      <para>uitzondering op de overigens geldende termijn voor dagvaarding tot stand </para>
      <para>heeft willen brengen, maar hiermee ook een bevoegdheid heeft willen </para>
      <para>creëren de verdachte tot en met de zitting vast te houden.11 Met </para>
      <para>betrekking tot de voormalige regeling is wel betoogd dat, indien de op </para>
      <para>heterdaad aangehouden verdachte op grond van art. 53 Sv voor de </para>
      <para>officier van justitie was geleid, de toepassing van het vroegere art. 370 Sv </para>
      <para>een zelfstandige grond voor vrijheidsbeneming kon opleveren, met gevolg </para>
      <para>dat ook zonder inverzekeringstelling die vrijheidsbeneming langer kon </para>
      <para>gaan duren dan de in art. 61 lid 2 Sv bedoelde termijn van zes uur, die </para>
      <para>immers alleen betrekking had op het ‘ophouden voor verhoor’. Zie ik het </para>
      <para>goed dan is uit het voormalige art. 370 zelfs afgeleid dat de hulpofficier </para>
      <para>van justitie binnen de in het tweede lid van art. 61 Sv bedoelde termijn de </para>
      <para>mogelijkheid zou hebben de verdachte met het oog op ‘snelrecht’ aan de </para>
      <para>officier van justitie voor te geleiden, die vervolgens aan art. 370 Sv de </para>
      <para>bevoegdheid ontleende de verdachte nog langer vast te houden, hetzij tot </para>
      <para>en met een zitting op dezelfde dag, hetzij tot en met de ‘eerstkomende </para>
      <para>zitting’ die op een latere dag zou worden gehouden.12</para>
      <para>Met ingang van 2 februari 1998 is de wettelijk voorziene </para>
      <para>snelrechtprocedure opgenomen  in art. 375 Sv. Daarin is de </para>
      <para>‘eerstkomende zitting’ geschrapt, zodat het dagvaarden en naar de zitting </para>
      <para>voeren van de verdachte alleen nog betrekking kan hebben op een zitting </para>
      <para>die dezelfde dag wordt gehouden. Bij de behandeling van het tot deze </para>
      <para>wetswijziging strekkende voorstel is de door leden van de Tweede </para>
      <para>Kamer gestelde vraag of de bedoeling van de nieuwe regeling van het ter </para>
      <para>zitting geleiden is dat die “inderdaad beperkt blijft tot die gevallen dat dit </para>
      <para>lukt binnen de termijn van artikel 61 tweede lid of na inverzekeringstelling” </para>
      <para>aldus beantwoord dat “(a)lleen in de gevallen waarin de verdachte nog </para>
      <para>dezelfde dag voor de politierechter wordt geleid (…) een aanvullende titel </para>
      <para>voor vrijheidsbeneming nodig (is) als tussen het tijdstip van de </para>
      <para>aanhouding en dat voor het ophouden voor verhoor meer dan zes uur zijn </para>
      <para>verstreken”.13 Kennelijk is de minister ten tijde van de behandeling van dit </para>
      <para>wetsvoorstel van oordeel geweest dat (thans) art. 375 Sv niet gezien </para>
      <para>moet worden als een zelfstandige, in duur het tweede lid van art. 61 Sv </para>
      <para>eventueel te buiten gaande, grond voor vrijheidsbeneming. Ik wijs er </para>
      <para>evenwel op dat uit dit antwoord op de gestelde vraag, ofschoon het niet </para>
      <para>bijzonder helder is geformuleerd,14 zou kunnen worden afgeleid dat naar </para>
      <para>het inzicht van de minister de inverzekeringstelling een toelaatbare basis </para>
      <para>voor vrijheidsberoving kan vormen bij het naar de zitting van een </para>
      <para>politierechter voeren van een verdachte in verband met art. 375 Sv, </para>
      <para>indien de zes uren van art. 61 lid 2 Sv overschreden worden.15</para>
      <para>Daarnaast wijs ik er op dat ook bij deze wettelijk voorziene </para>
      <para>snelrechtprocedure de vraag aan de orde kan komen of de aldus </para>
      <para>voorgeleide verdachte door de zittingsrechter in voorlopige hechtenis </para>
      <para>gesteld kan worden. Op die vraag is wel een bevestigend antwoord </para>
      <para>gegeven, waarbij, ook in dat verband, de gevangenneming is genoemd.16 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>24. Het bovenstaande voert tot de slotsom dat niet alleen het middel, wat deze </para>
      <para>klacht betreft, terecht is voorgesteld, maar bovendien uit het dossier niet valt op te </para>
      <para>maken dat de officier van justitie heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in art. </para>
      <para>57 lid 5 Sv, zodat niet gezegd kan worden dat het Hof terecht, zij het met </para>
      <para>aanhaling van de verkeerde bepalingen, tot het oordeel is gekomen dat de </para>
      <para>inverzekeringstelling van verdachte na aanvang van het onderzoek ter </para>
      <para>terechtzitting niet op enige wettelijke bepaling heeft berust.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>25. De tweede klacht vat ik aldus samen dat het Hof op onjuiste, althans </para>
      <para>onbegrijpelijke, gronden heeft geoordeeld dat de officier van justitie haar </para>
      <para>bevoegdheid tot het vorderen van de gevangenneming heeft misbruikt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>26. Het Hof heeft het beginsel ‘nemo debet bis vexari’ door de handelswijze van de </para>
      <para>officier van justitie geschonden geacht. Van schending van dat rechtsbeginsel kan </para>
      <para>evenwel geen sprake zijn geweest. In de wettelijke systematiek dienen op elkaar </para>
      <para>aansluitende dwangmiddelen te worden toegepast indien een verdachte van zijn </para>
      <para>vrijheid beroofd moet blijven. Na de inverzekeringstelling kan alleen de voorlopige </para>
      <para>hechtenis daartoe grondslag bieden. De officier van justitie heeft de verdachte </para>
      <para>éénmaal in verzekering doen stellen, en vervolgens éénmaal gevorderd dat </para>
      <para>aansluitend de voorlopige hechtenis zou worden toegepast. Dat is geen herhaling </para>
      <para>van een inbreuk op rechten of belangen van de verdachte door hernieuwde </para>
      <para>toepassing van één bepaalde onderzoeksbevoegdheid (die inderdaad niet </para>
      <para>rechtmatig zou zijn indien niet zou blijken van nieuwe feiten of omstandigheden), </para>
      <para>maar het gebruik maken van  bevoegdheden die elkaar in het systeem van de wet </para>
      <para>moeten opvolgen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>27. Voor zover het Hof voor ogen zou hebben gehad dat de situatie vergelijkbaar is </para>
      <para>met het geval waarin een vordering tot toepassen van de voorlopige hechtenis te </para>
      <para>laat (na het verstrijken van de termijn van de inverzekeringstelling) wordt gedaan, </para>
      <para>met betrekking tot welk geval inderdaad wel is betoogd dat het beginsel 'nemo </para>
      <para>debet bis vexari', als bijzondere verschijningsvorm van het vertrouwensbeginsel, </para>
      <para>wordt geschonden indien aan de vordering geen nieuwe bezwarende </para>
      <para>omstandigheden ten grondslag kunnen worden gelegd,17 zou zijn miskend dat in </para>
      <para>het door het Hof beoordeelde geval geen sprake is van het laten verlopen van de </para>
      <para>termijn van inverzekeringstelling zonder tijdig een vordering tot het toepassen van </para>
      <para>de voorlopige hechtenis te doen, zodat ook bij de verdachte niet het vertrouwen </para>
      <para>kan zijn gewekt dat die voorlopige hechtenis (behoudens nieuwe, onvoorziene, </para>
      <para>omstandigheden) niet zou worden gevorderd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>28. Daarnaast heeft het Hof gewag gemaakt van het hanteren van een </para>
      <para>bevoegdheid voor een ander doel dan waarvoor die is gegeven. Zie ik goed dan </para>
      <para>berust dit verwijt op de voorafgaande stelling dat de bevoegdheid tot het ter zitting </para>
      <para>vorderen van de gevangenneming de officier van justitie in dit geval niet toekwam in </para>
      <para>verband met het, in de zienswijze van het Hof bestaande, verzuim de verdachte </para>
      <para>overeenkomstig art. 60 Sv aan de rechter-commissaris voor te geleiden teneinde </para>
      <para>diens bewaring te doen bevelen. Uit art. 60 Sv kan in dit geval evenwel, zoals </para>
      <para>hiervoor werd betoogd, niet volgen dat de officier van justitie gehouden was de </para>
      <para>bewaring te vorderen, en dus evenmin dat zij verplicht was de verdachte daartoe </para>
      <para>onverwijld aan de rechter-commissaris te presenteren, terwijl uit art. 61 lid 1 Sv </para>
      <para>niet kan worden afgeleid dat een verplichting is verzaakt tot het zo snel mogelijk in </para>
      <para>vrijheid te stellen van de verdachte. Aangezien overigens met de wettelijke </para>
      <para>omschrijving van de voorlopige hechtenis in haar drie gedaanten, als evenzeer </para>
      <para>reeds betoogd, te verenigen is dat de rechter ter zitting de gevangenneming </para>
      <para>beveelt van de verdachte die niet in bewaring, maar wèl in verzekering is gesteld </para>
      <para>(en op basis van dat laatste dwangmiddel nog van zijn vrijheid wordt beroofd) kan </para>
      <para>niet worden gezegd dat de officier van justitie bevoegdheden heeft gebruikt voor </para>
      <para>een ander doel dan waarvoor die zijn gegeven door de gevangenneming te </para>
      <para>vorderen terwijl zij de inverzekeringstelling deed voortduren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>29. 's Hofs in deze klacht bestreden oordeel dat aan de officier van justitie het </para>
      <para>verwijt van misbruik van bevoegdheden moet worden gemaakt is, gelet op het </para>
      <para>daartoe overwogene, onbegrijpelijk. </para>
      <para>Ook deze klacht is terecht voorgesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>30. De derde klacht betreft ’s Hofs oordeel dat de door hem aanwezig geachte </para>
      <para>rechtsschendingen ertoe moeten voeren dat het openbaar ministerie in de </para>
      <para>vervolging van de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>31. Terecht is in de toelichting op deze klacht naar voren gebracht dat bij de </para>
      <para>huidige stand van de rechtspraak een ernstige schending van de beginselen van </para>
      <para>een behoorlijke procesorde in verband met de opsporing van strafbare feiten, of </para>
      <para>anderszins in verband met door of onder verantwoordelijkheid van het openbaar </para>
      <para>ministerie genomen beslissingen, in principe slechts tot de niet-ontvankelijkheid </para>
      <para>van het openbaar ministerie kan leiden indien daardoor doelbewust of met grove </para>
      <para>veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een </para>
      <para>eerlijke behandeling is tekortgedaan, maar dat die einduitspraak ook aangewezen </para>
      <para>kan worden geacht indien zich een zó fundamentele inbreuk op zulke </para>
      <para>rechtsbeginselen heeft voorgedaan dat geen doorslaggevend gewicht meer </para>
      <para>toekomt aan de vraag of de verdachte al dan niet (daadwerkelijk) in zijn belangen </para>
      <para>is geschaad.18   </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>32. Het slot van de bestreden overwegingen, waarin gewag wordt gemaakt van </para>
      <para>handelen in strijd met een instructienorm en een inbreuk op rechtsbeginselen van </para>
      <para>elementair belang, doen vermoeden dat het Hof laatstbedoeld geval aanwezig </para>
      <para>heeft geacht. De verwijzing naar een instructienorm wekt de indruk dat het Hof </para>
      <para>zich ontslagen heeft geacht van de noodzaak te onderzoeken of de verdachte door </para>
      <para>de gang van zaken daadwerkelijk in enig hem toekomend processueel belang is </para>
      <para>getroffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>33. Reeds omdat de in deze overwegingen aangehaalde instructienorm (art. 61 lid </para>
      <para>1 Sv) in dit geval niet op het handelen van de officier van justitie toepasselijk kon </para>
      <para>zijn, en de inbreuk op rechtsbeginselen van elementair belang - waarmee </para>
      <para>klaarblijkelijk is gedoeld op het beginsel dat bevoegdheden niet voor een ander </para>
      <para>doel gebruikt mogen worden dan waarvoor zij zijn gegeven - zich niet heeft </para>
      <para>voorgedaan, is ook het uiteindelijk oordeel dat de officier van justitie in de </para>
      <para>vervolging van de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard op </para>
      <para>ontoereikende gronden bereikt. </para>
      <para>Ook de derde klacht treft derhalve doel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>34. Ten slotte veroorloof ik mij nog enkele opmerkingen met betrekking tot </para>
      <para>kwesties die het Hof niet in zijn overwegingen heeft betrokken, en daarom voor de </para>
      <para>uitkomst van dit cassatieberoep niet rechtstreeks van belang kunnen zijn.</para>
      <para>Het 'supersnelrecht' dat de officier van justitie beoogt te bereiken kan </para>
      <para>voordelen hebben. Niet alleen - om voor de hand liggende redenen - uit </para>
      <para>een oogpunt van doeltreffende rechtshandhaving, maar in een enkel </para>
      <para>aspect wellicht ook vanuit de positie van de verdachte bezien. In het op </para>
      <para>schrift gestelde requisitoir van de officier van justitie is vermeld dat de </para>
      <para>verdachte in de gekozen opzet, indien het tot een veroordeling komt en </para>
      <para>de politierechter de voorlopige hechtenis beveelt, terstond in een Huis </para>
      <para>van Bewaring zal worden geplaatst. Dat lijkt ook aangewezen te zijn, en </para>
      <para>het betekent voor de verdachte een aanzienlijk korter verblijf in een cel op </para>
      <para>een politiebureau. Voor eenieder die weet hoe een politiecel er uit ziet </para>
      <para>behoeft geen verder betoog dat het tenuitvoerleggen van de bewaring op </para>
      <para>een politiebureau een uit nood geboren, maar tamelijk afzichtelijke, </para>
      <para>misstand in de Nederlandse strafrechtspleging vormt. Een verdachte kan </para>
      <para>het als een voordeel zien dat hij na de inverzekeringstelling terstond in </para>
      <para>een Huis van Bewaring wordt geplaatst.</para>
      <para>Dat neemt niet weg dat dit 'supersnelrecht' ook vragen oproept. In </para>
      <para>feitelijke aanleg heeft de verdediging betoogd dat het bij de politierechter </para>
      <para>samenvallen van een oordeel over de 'hoofdvragen' van art. 350 Sv </para>
      <para>enerzijds met de toetsing van de rechtmatigheid van de </para>
      <para>inverzekeringstelling èn het oordeel over de voorlopige hechtenis </para>
      <para>anderzijds zich niet goed verdraagt met het vereiste dat al deze kwesties </para>
      <para>onbevangen en onbevooroordeeld moeten worden benaderd.19 </para>
      <para>Daartegenover heeft de advocaat-generaal in zijn schriftuur (de </para>
      <para>toelichting op de tweede klacht) gesteld dat de politierechter, omdat hij </para>
      <para>het volledige overzicht heeft over hetgeen ten bezware van de verdachte </para>
      <para>bijeen is gebracht, juist in een goede positie verkeert om zich over de </para>
      <para>rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming tot dat moment en over de </para>
      <para>noodzaak van aansluitende voorlopige hechtenis uit te laten.</para>
      <para>Mijnerzijds neem ik de vrijheid dienaangaande op te merken dat er </para>
      <para>inderdaad veel voor te zeggen is, zoals de politierechter in deze zaak </para>
      <para>heeft overwogen, dat art. 59a Sv, evenals art. 5 EVRM en hetgeen daaruit </para>
      <para>in de rechtspraak van het EHRM is afgeleid (tot uitvoering waarvan art. </para>
      <para>59a Sv strekt), op de keper beschouwd alleen vergt dat een van zijn </para>
      <para>vrijheid beroofde verdachte binnen de termijn van ruim drie en een half </para>
      <para>etmaal wordt gepresenteerd aan een rechter die zich uit kan laten over </para>
      <para>de rechtmatigheid van de detentie, en dat hieraan ook wordt voldaan </para>
      <para>indien dat oordeel aan een politierechter wordt gelaten.</para>
      <para>Daar zal men niet met vrucht tegenin kunnen brengen dat in het Wetboek </para>
      <para>van Strafvordering niet met zoveel woorden aan de politierechter de </para>
      <para>bevoegdheid is toegekend de onmiddellijke invrijheidstelling van de in </para>
      <para>verzekering gestelde verdachte te bevelen, zoals een rechter-</para>
      <para>commissaris op grond van het vijfde lid van art. 59a Sv zou kunnen doen, </para>
      <para>aangezien de politierechter die bevoegdheid zeker zal kunnen ontlenen </para>
      <para>aan art. 15 lid 2 Gr, terwijl, dunkt mij, het openbaar ministerie </para>
      <para>buitengewoon onbehoorlijk optreden verweten zou moeten worden indien </para>
      <para>het in deze door hemzelf gekozen opzet niet terstond gehoor zou geven - </para>
      <para>behoudens eventuele, voor tenuitvoerlegging vatbare, straffen in andere </para>
      <para>zaken - aan het oordeel van de politierechter dat de verdachte terstond </para>
      <para>zijn vrijheid moet herkrijgen.</para>
      <para>Zijdelings signalerend dat zowel bij dit 'supersnelrecht', waarbij ter zitting </para>
      <para>gevangenneming wordt gevorderd, als bij de 'klassieke' voorgeleiding aan </para>
      <para>de rechter-commissaris, waarbij in afwachting van de zitting de bewaring </para>
      <para>wordt gevorderd, aan de orde kan komen dat er weliswaar gebreken aan </para>
      <para>de inverzekeringstelling kleven, maar niet zodanige dat daarom de </para>
      <para>voorlopige hechtenis achterwege zou moeten blijven,20 merk ik voorts op </para>
      <para>dat niet goed valt in te zien waarom een politierechter niet langer </para>
      <para>onbevangen en onbevooroordeeld over het voorarrest zou kunnen </para>
      <para>oordelen indien hij op de in de art. 348 en 350 Sv bedoelde punten reeds </para>
      <para>een uitspraak heeft bereikt. Tot dusverre is in de omstandigheid dat aan </para>
      <para>de berechting een rechter deelneemt die gedurende het vooronderzoek </para>
      <para>reeds over de voorlopige hechtenis heeft meebeslist geen aanwijzing </para>
      <para>gezien dat diens onbevangenheid en onbevooroordeeldheid in gevaar </para>
      <para>komen.21 Die zullen a fortiori niet in het gedrang kunnen komen indien de </para>
      <para>rechter eerst over de bewijsbaarheid en strafbaarheid van feit en dader </para>
      <para>beslist en vervolgens een oordeel geeft over de voorlopige hechtenis. </para>
      <para>Ook is reeds uitgemaakt (ik denk nu ook aan het geval waarin een </para>
      <para>politierechter in een ‘supersnelrechtzaak’ de gevangenneming beveelt </para>
      <para>maar redenen vindt om de behandeling ter zitting aan te houden) dat een </para>
      <para>ter zitting gegeven bevel tot gevangenneming geen aanwijzing oplevert </para>
      <para>dat de daaropvolgende einduitspraak niet onbevangen en </para>
      <para>onbevooroordeeld is bereikt.22 Dat er in het 'supersnelrecht' nog een </para>
      <para>(impliciet) oordeel over de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling bij </para>
      <para>kan komen maakt, dunkt mij, geen verschil. In geval de </para>
      <para>inverzekeringstelling onrechtmatig zou zijn omdat voldoende </para>
      <para>aanwijzingen van schuld ontbraken zal reeds vrijspraak zijn bereikt (met </para>
      <para>afwijzing van de vordering tot gevangenneming). Indien de </para>
      <para>inverzekeringstelling onrechtmatig zou worden bevonden omdat op het </para>
      <para>feit geen voorlopige hechtenis is toegelaten zal ook de gevangenneming </para>
      <para>niet volgen. De overige mogelijke bronnen van onrechtmatigheid leiden </para>
      <para>niet zonder meer tot invrijheidsstelling (en behoeven ook niet noodzakelijk </para>
      <para>aan voorlopige hechtenis in de weg te staan), doch vergen een afweging </para>
      <para>van belangen die ook de rechter-commissaris zou moeten maken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze - in het licht van de door het middel bestreden overwegingen ten </para>
      <para>overvloede geplaatste - kanttekeningen rond ik af door er op te wijzen dat </para>
      <para>deze vorm van ‘supersnelrecht’ weliswaar kwetsbaar lijkt te zijn, maar </para>
      <para>om een andere reden dan de zo-even genoemden. Die kwetsbaarheid </para>
      <para>lijkt mij er met name in gelegen te zijn dat deze procedure (in niet veel </para>
      <para>mindere mate dan de in art. 375 Sr geregelde wijze van dagvaarden) </para>
      <para>spoedig onverenigbaar met een behoorlijke voorbereiding zal worden </para>
      <para>bevonden, niet alleen door de verdediging, maar ook door de rechter. </para>
      <para>Ook in de gevallen waarin de verdachte, geadviseerd door de hem bij </para>
      <para>inverzekeringstelling toegevoegde raadsman, bereid is afstand te doen </para>
      <para>van de termijn van dagvaarding is voorzienbaar dat de politierechter zich </para>
      <para>met enige regelmaat genoodzaakt zal zien de behandeling aan de </para>
      <para>houden, bijvoorbeeld voor het verkrijgen van reclasseringsrapportage. </para>
      <para>Optimaal gebruik van kostbare zittingsruimte is derhalve allerminst </para>
      <para>verzekerd. In ieder geval zal het openbaar ministerie niet in de verleiding </para>
      <para>mogen komen om na aanhouding van het onderzoek ter zitting de </para>
      <para>gevangengenomen verdachte voorshands terug te plaatsen in een </para>
      <para>politiecel. Dat zou, dunkt mij, onaanvaardbaar zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>35. Het middel acht ik in alle onderdelen terecht voorgesteld. Daaraan </para>
      <para>kan niet afdoen dat ’s  Hofs, uit zijn overwegingen sprekende, </para>
      <para>uitgangspunt dat een creatief gebruik van vervolgingsbevoegdheden </para>
      <para>ertoe noopt met bijzondere nauwgezetheid te onderzoeken of rechtens te </para>
      <para>beschermen belangen niet in het gedrang kunnen komen mij alleszins </para>
      <para>juist voorkomt. </para>
      <para>Deze conclusie strekt ertoe dat de bestreden uitspraak zal worden </para>
      <para>vernietigd, met verwijzing der zaak naar een aangrenzend Gerechtshof </para>
      <para>teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en </para>
      <para>afgedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para> Vgl. de ter zitting in eerste aanleg door de officier van justitie overgelegde, aan </para>
      <para>het proces-verbaal van de zitting gehechte, aantekeningen betreffende haar </para>
      <para>requisitoir.</para>
      <para>2 Ik verwijs wederom naar de requisitoir-aantekeningen van de officier van justitie.</para>
      <para>3 Vgl. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, 3de druk, p. 364.</para>
      <para>4 Blok/Besier, Het Nederlandsche strafproces (1925), Deel I, p. 203.</para>
      <para>5 Blok/Besier, a.w., p. 204</para>
      <para>6 Vgl. Corstens, a.w., p. 375. Het ter zitting gegeven bevel kan zelfs nog een </para>
      <para>langere geldigheidsduur krijgen indien het onderzoek ter zitting moet worden </para>
      <para>aangehouden.</para>
      <para>7 HR NJ 1941, 112, impliciet ook HR NJ 1992, 317.</para>
      <para>8 Vgl. de losbladige Melai, Het Wetboek van Strafvordering, aant. 2 op art. 65.</para>
      <para>9 Zo ook Blok/Besier, a.w., p. 15.</para>
      <para>10 Overigens is ook wel betoogd dat de zittingsrechter bevoegd zal zijn de </para>
      <para>gevangenneming te bevelen ongeacht of de verdachte reeds in bewaring is </para>
      <para>gesteld, Minkenhof/Reijntjes, De Nederlandse strafvordering, 8ste druk, p. 147.</para>
      <para>11 Blok/Besier, a.w., p. 238.</para>
      <para>12 Blok/Besier, a.w.,  p. 206 en 238. </para>
      <para>13 Kamerstukken II, 1995-1996, 24 510, nr 4, p. 4 en nr 5, p. 3.</para>
      <para>14 “tussen het tijdstip van de aanhouding en dat voor ophouden voor verhoor” zal </para>
      <para>vermoedelijk moeten worden gelezen als “tussen het tijdstip van de aanhouding en </para>
      <para>het einde van de in art. 61 lid 2 gestelde termijn voor verhoor”. </para>
      <para>15 Zo ook Corstens, a.w., p. 769, die er echter op wijst dat het ook thans nog </para>
      <para>mogelijk, en wellicht zelfs aannemelijker, is dat art. 375 Sv een zelfstandige grond </para>
      <para>voor vrijheidsbeneming bevat.</para>
      <para>16 Blok/Besier, a.w., p. 239.</para>
      <para>17 Vgl. Wedzinga in Tekst en Commentaar Strafvordering, 3de druk, aant. 1 op art. </para>
      <para>63 Sv.</para>
      <para>18 HR NJ 1996, 249 in verband met HR NJ 1999, 567.</para>
      <para>19 Pleitnotities van Mr Veldman. In het dossier bevinden zich drie, kennelijk ter </para>
      <para>zitting in hoger beroep overgelegde pleitnota's, waaronder twee met de naam van </para>
      <para>Mr Veldman. Ik doel hier op zijn pleitnota die 5 bladzijden kent.</para>
      <para>20 Vgl. HR NJ 1989, 510, en Wedzinga, Tekst en Commentaar Strafvordering, 3de </para>
      <para>druk, aant. 5 bij art. 59a Sv.</para>
      <para>21 O.a.. HR NJ 1993, 692 en Corstens, a.w., p. 119, alsmede EHRM NJ 1993, 650 </para>
      <para>en dienaangaande M.I. Veldt, Het EVRM en de onpartijdige strafrechter, diss. </para>
      <para>Tilburg, 1997, p. 97 en 111.</para>
      <para>22 HR NJ 1998, 244.</para>
    </parablock>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>