<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2000:AA7956</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T02:17:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA7956</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2000-10-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">00342/00</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2000:AA7956" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA7956</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2000, 544</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA7956">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA7956</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:12:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2000:AA7956 Parket bij de Hoge Raad , 31-10-2000 / 00342/00</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA7956:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA7956:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Nr. 342/00						</para>
      <para>Mr Machielse</para>
      <para>Zitting  13 juni 2000</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Conclusie inzake:</para>
      <para>[verdachte=verzoeker]</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Het gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft verzoeker op 25 januari 2000 wegens - </para>
      <para>kort gezegd - poging tot het uitvoeren van amfetamine, het medeplegen van het </para>
      <para>vervoeren van hashish en het deelnemen aan een criminele organisatie, </para>
      <para>veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar. Voorts heeft het hof een </para>
      <para>vacuummachine en een personenauto verbeurd verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Deze zaak hangt samen met die tegen [medeverdachte A] (341/00) en </para>
      <para>[medeverdachte B] (470/00) waarin ik heden eveneens conclusie neem.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Mr. J.Y. Taekema, advocaat te Rotterdam, heeft beroep in cassatie ingesteld. </para>
      <para>Mr. S.T. van Berge Henegouwen, advocaat te Maastricht, heeft een schriftuur </para>
      <para>ingediend houdende twee middelen van cassatie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Het eerste middel klaagt over de bewijsconstructie en valt in drie onderdelen </para>
      <para>uiteen. Alle onderdelen richten zich tegen de bewijsredenering van het hof zoals </para>
      <para>die is weergegeven in de toelichting op het middel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.1. Het eerste onderdeel bevat de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen </para>
      <para>niet kan volgen dat er hashish is vervoerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.1.1. Het hof heeft in zijn arrest een uitgebreide bewijsoverweging opgenomen die </para>
      <para>uit twee gedeelten bestaat. Het eerste deel geeft een beeld van de gebeurtenissen </para>
      <para>en handelingen zoals die volgens het hof uit de inhoud der bewijsmiddelen blijken, </para>
      <para>het tweede deel bevat een conclusie die is gerelateerd aan de proceshouding van </para>
      <para>verdachte:</para>
      <para>‘Nu de verdachten [verdachte] en [medeverdachte A] geen redelijke verklaring </para>
      <para>hebben willen afleggen over de door hen gevoerde telefoongesprekken en de </para>
      <para>daarbij gebezigde verhullende taal waar het het vervoerde materiaal betrof, acht </para>
      <para>het hof, in aanmerking nemende dat het een feit van algemene bekendheid is dat </para>
      <para>Marokko waar het de productie van verdovende middelen betreft vooral een hasj-</para>
      <para>producerend land is en gelet op de hiervoor onder 4.22, 5 en 6 vermelde </para>
      <para>bewijsmiddelen, bewezen dat hasj is vervoerd en dat het opzettelijk naar </para>
      <para>Nederland brengen door de in het onder 2 tenlastegelegde feit bedoelde criminele </para>
      <para>organisatie hasj betrof.’</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.1.2. Het eerste onderdeel van het middel gaat voorbij aan de verklaring van </para>
      <para>[getuige 1] (nr.5), inhoudend dat een zekere [betrokkene C] (= waarschijnlijk </para>
      <para>[betrokkene D], door [betrokkene C] gestuurd) een boot zocht om vanaf Marokko </para>
      <para>hasj mee naar Europa te transporteren. [Getuige 1] noemt ook [betrokkene F] als </para>
      <para>betrokkene, welke [betrokkene F] ook in de afgeluisterde telefoongesprekken </para>
      <para>meedoet (4.18). Voorts heeft [getuige 1] het over aanhoudingen, waarover ook </para>
      <para>(met hem; 4.23. Het gebelde telefoonnummer was van [getuige 1]. Zie weer zijn </para>
      <para>verklaring onder 5) getelefoneerd wordt. De aanhoudingen zouden betrekking </para>
      <para>hebben op een boot waarin “800 van dattem” (4.20) zou zijn gevonden. Voorts wijs </para>
      <para>ik op de wijze waarop onderling telefonisch wordt gecommuniceerd onder andere </para>
      <para>door verdachte (nr.4.2, 4.3, 4.4, 4.5, 4.7). De mate waarin de gespreksdeelnemers </para>
      <para>proberen te verhullen waarover zij spreken is - zo leert de ervaring die ieder die </para>
      <para>grote drugszaken onder ogen krijgt opdoet - juist onthullend in die zin, dat dit </para>
      <para>soort non-communicatie typisch is voor de drugshandel. Aan die gesprekken nam </para>
      <para>genoemde [betrokkene C] die in Marokko was, deel. Duidelijk is in die </para>
      <para>gesprekken sprake van 500 kg (4.5), van een half miljoen gulden schade als het </para>
      <para>niet doorgaat (4.2), welk bedrag past bij hasjprijzen op de internationale markt </para>
      <para>voor grote partijen en zeker niet bij prijzen voor andere drugs als cocaïne. Voorts </para>
      <para>is sprake van transport in Marokko van de 500 kg (4.5), van beloftes van </para>
      <para>[betrokkene C] om “die 5” weg te leggen (4.9), van een vriend die “het” naar de </para>
      <para>motorboot moet brengen (4.4). Daarmee is de bewezenverklaring van de </para>
      <para>hoedanigheid van de substantie, te weten hasj, voldoende ondersteund. </para>
      <para>De steller van het middel probeert de bal terug te kaatsen door te stellen dat het </para>
      <para>hof had moeten aangeven welk taalgebruik verhullend was en in welke gesprekken </para>
      <para>zulke verhullende termen werden gebezigd. Aldus wordt een te zware eis aan de </para>
      <para>bewijsmotivering gesteld. Reeds oppervlakkige kennisneming van de inhoud der </para>
      <para>telefoongesprekken wekt de indruk van een mistig schimmenspel tussen </para>
      <para>“vrienden” die spreken over andere “vrienden” en over “het van 500”. Verzoeker had </para>
      <para>gemakkelijk opheldering kunnen geven als het bijvoorbeeld was gegaan om </para>
      <para>volbloedpaarden, tapijten, mobiele telefoons. Hij heeft ervoor gekozen dat niet te </para>
      <para>doen, daarmee aan het hof de ruimte biedend die inhoud van de </para>
      <para>telefoongesprekken overeenkomstig algemene ervarings-regels uit te leggen. </para>
      <para>Daarmee ben ik bij het tweede onderdeel beland.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2. Het tweede onderdeel bevat de klacht dat het hof ten onrechte verzoeker </para>
      <para>tegenwerpt dat hij van zijn zwijgrecht gebruik maakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2.1. In de genoemde bewijsredenering wijst het hof er onder meer op dat ‘de </para>
      <para>verdachten [verdachte] en [medeverdachte A] geen redelijke verklaring hebben </para>
      <para>willen afleggen over de door hen gevoerde telefoongesprekken en de daarbij </para>
      <para>gebezigde verhullende taal’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2.2. Hoewel het weigeren om een verklaring af te leggen of om een bepaalde </para>
      <para>vraag te beantwoorden op zichzelf niet tot het bewijs kan bijdragen, mag de </para>
      <para>rechter dit wel betrekken in zijn overwegingen omtrent het gebezigde </para>
      <para>bewijsmateriaal.1 In de onderhavige zaak draagt niet het zwijgen als zodanig bij tot </para>
      <para>het bewijs, maar betrekt het hof dit in zijn bewijsredenering, in relatie tot hetgeen </para>
      <para>de algemene ervaring aan het hof leert over het door verdachten gebezigde </para>
      <para>verhullend taalgebruik.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2.3. Een vergelijkbare kwestie speelde in de Britse zaak tegen Murray die leidde </para>
      <para>tot een bekende uitspraak van het EHRM. Ook naar Brits recht is het toegelaten </para>
      <para>aan zwijgen van een verdachte bepaalde gevolgtrekkingen (inference) te maken. </para>
      <para>Daarbij gaat het om de gevolgtrekking dat, aldus Lord Slynn of Hadley in de zaak </para>
      <para>tegen Murray, ‘if aspects of the evidence taken alone or in combination with other </para>
      <para>facts clearly call for an explanation which the accused ought to be in a position to </para>
      <para>give, if an explanation exists, then a failure to give any explanation may as a </para>
      <para>matter of common sense allow the drawing of an inference that there is no </para>
      <para>explanation and that the accused is guilty.’2</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze zaak oordeelde vervolgens het EHRM;</para>
      <para>“47. On the one hand, it is self-evident that it is incompatible with the immunities </para>
      <para>under consideration to base a conviction solely or mainly on the accused's </para>
      <para>silence or on a refusal to answer questions or to give evidence himself. On the </para>
      <para>other hand, the Court deems it equally obvious that these immunities cannot and </para>
      <para>should not prevent that the accused's silence, in situaties which clearly call for an </para>
      <para>explanation from him, be taken into account in assessing the persuasiveness of </para>
      <para>the evidence adduced by the prosecution.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en dat een gevolgtrekking als door de Engelse rechter gemaakt,</para>
    <para />
    <para>‘cannot be regarded as unfair or unreasonable in the circumstances.’3</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor de onderhavige zaak zou dit betekenen dat de telefoongesprekken met </para>
      <para>verhullende taal in combinatie met andere feiten zoals die uit de bewijsmiddelen </para>
      <para>blijken, om uitleg vragen die verzoeker als deelnemer aan die gesprekken zou </para>
      <para>moeten kunnen geven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2.4. Hoewel verzoeker ter terechtzitting van het hof niet specifiek is gevraagd </para>
      <para>naar een verklaring over de telefoongesprekken, is hij er wel op gewezen dat hij </para>
      <para>door te blijven zwijgen geen ontlastende verklaring heeft afgelegd. Dat blijkt uit het </para>
      <para>proces-verbaal van de terechtzitting van 11 januari 2000 (blz. 9):</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>‘De voorzitter deelt mede dat de verdachte, nu hij zich heeft beroepen op zijn </para>
      <para>zwijgrecht, daardoor eveneens geen ontlastende verklaring met betrekking tot het </para>
      <para>zich in het dossier bevindende bewijsmateriaal heeft afgelegd. Hij stelt de </para>
      <para>verdachte in de gelegenheid alsnog een ontlastende verklaring af te leggen.</para>
      <para>De verdachte deelt mede van deze gelegenheid geen gebruik te willen </para>
      <para>maken.’</para>
      <para>Als deelnemer aan die gesprekken zou verzoeker bij uitstek een ontlastende </para>
      <para>verklaring kunnen geven over de betekenis van die gesprekken. Nu hij dit nalaat is </para>
      <para>het niet onredelijk dat de rechter daar in voor verzoeker nadelige zin conclusies uit </para>
      <para>trekt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2.5. Aangezien niet alleen verzoeker maar ook diens medeverdachte </para>
      <para>[medeverdachte A] bij de feiten zou zijn betrokken, had ook [medeverdachte A] </para>
      <para>een (ontlastende) verklaring voor de gesprekken kunnen geven. Anders dan de </para>
      <para>steller van het middel veronderstelt wordt verzoeker niet tegengeworpen dat diens </para>
      <para>medeverdachte zweeg, maar dat in het dossier van de strafzaak tegen verzoeker </para>
      <para>een verklaring van het verhullend taalgebruik ontbreekt die behalve verzoeker ook </para>
      <para>[medeverdachte A] had kunnen geven en dat verzoeker evenmin ter terechtzitting </para>
      <para>opheldering wenste te verschaffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2.6. Dat het hof het zwijgen van verzoeker betrekt in zijn bewijsredenering geeft </para>
      <para>geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.3. Tenslotte richt de steller van het middel zich tegen de overweging van het hof </para>
      <para>dat Marokko een hashish-producerend land is. De steller van het middel geeft in </para>
      <para>zijn toelichting op het middel zelf aan dat Marokko ook een doorvoerland is van </para>
      <para>allerlei andere soorten verdovende middelen. Dat ondermijnt overigens bepaald </para>
      <para>niet de overweging van het hof dat Marokko vooral een hashish-producerend land </para>
      <para>is. Maar ook de gedachtegang dat er hasj via Marokko is verscheept - welke hasj </para>
      <para>elders zou zijn betrokken - staat niet aan een bewezenverklaring van het onder 2 </para>
      <para>en 3 telastegelegde in de weg. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.4. Het middel faalt in alle onderdelen en kan worden afgedaan op de voet van </para>
      <para>art. 101a RO.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. Het tweede middel klaagt erover dat het hof zich ten onrechte niet bevoegd </para>
      <para>achtte om te oordelen over de geldigheid van het onderzoek in eerste aanleg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.1. Ter terechtzitting van het hof van 21 september 1999 heeft de raadsman van </para>
      <para>verzoeker gewezen op het in eerste aanleg voorgevallen wrakingsincident. De </para>
      <para>raadsman voert aan dat de wrakingskamer destijds ten onrechte het </para>
      <para>wrakingsverzoek heeft afgewezen waardoor (a) de zaak door een ander college </para>
      <para>had moeten worden behandeld en (b) verzoeker een objectieve feitelijke instantie </para>
      <para>is onthouden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.2. Het hof heeft dit verweer verworpen en daarbij als volgt overwogen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>‘De verdediging heeft op 25 maart 1999 wraking van twee leden van de </para>
      <para>meervoudige strafkamer van de rechtbank die de zaak in eerste aanleg heeft </para>
      <para>behandeld verzocht. Het Wetboek van Strafvordering geeft voorschriften over de </para>
      <para>behandeling van een dergelijk verzoek. Overeenkomstig die voorschriften heeft een </para>
      <para>wrakingskamer van genoemde rechtbank op 25 maart 1999 bij afzonderlijke </para>
      <para>beslissing het verzoek gemotiveerd afgewezen. Krachtens het bepaalde in artikel </para>
      <para>515, lid 5, van het Wetboek van Strafvordering staat tegen de beslissing geen </para>
      <para>rechtsmiddel open.</para>
      <para>De beoordeling van de onpartijdigheid van rechters die in eerste aanleg vonnis </para>
      <para>hebben gewezen is ten gevolge van de bijzondere wrakingsprocedure aan het </para>
      <para>oordeel van de rechter in hoger beroep onttrokken. Het hof acht zich derhalve niet </para>
      <para>bevoegd een oordeel uit te spreken over de genomen beslissing in het </para>
      <para>wrakingsincident.</para>
      <para>Het preliminaire verweer strekkende tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep </para>
      <para>en terugverwijzing naar meergenoemde rechtbank wordt derhalve verworpen.</para>
      <para>Ten overvloede voegt het hof daar nog aan toe dat in hoger beroep een geheel </para>
      <para>nieuwe en onpartijdige behandeling plaatsvindt.’</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.3. Bij de beoordeling van dit middel moet voorop staan dat art. 423, tweede lid, </para>
      <para>Sv de gevallen aangeeft waarin het hof een zaak moet terugwijzen naar de </para>
      <para>rechtbank. Niet is aangevoerd, en evenmin is aannemelijk dat zich in de </para>
      <para>onderhavige zaak een van de daar genoemde situaties voordoet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.4. Voor de onderhavige zaak is wel van belang dat Uw Raad heeft uitgemaakt </para>
      <para>dat terugwijzing ook moet volgen indien zich ‘een zodanig gebrek heeft </para>
      <para>voorgedaan in de samenstelling van het gerecht dat de behandeling van de zaak </para>
      <para>niet heeft plaatsgevonden door een onpartijdige instantie als bedoeld in art. 6, </para>
      <para>eerste lid, EVRM’.4</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.5. Het hof wijst terecht op art. 515, vijfde lid, Sv dat bepaalt dat tegen de </para>
      <para>beslissing op het wrakingsverzoek geen rechtsmiddel open staat. Maar het </para>
      <para>verweer van de raadsman hield ook met zoveel woorden in dat verzoeker een </para>
      <para>‘onbevoorooreelde Rechtbank en derhalve een objectieve feitelijke instantie [is] </para>
      <para>onthouden.’ Dit verweer resulteerde in het verzoek aan het hof om de zaak terug </para>
      <para>te wijzen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.6. Anders dan de onvoorwaardelijk gestelde tekst van art. 515, vijfde lid, Sv doet </para>
      <para>vermoeden en anders dan het hof aanneemt, onttrekt de in eerste aanleg gegeven </para>
      <para>beslissing op een wrakingsverzoek zich niet geheel aan een oordeel van de </para>
      <para>appèlrechter. Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsontwerp waarmee </para>
      <para>het bestaande art. 515, vijfde lid, Sv werd ingevoegd, is aangegeven dat de </para>
      <para>beslissing op het wrakingsverzoek in appèl ter discussie kan worden gesteld. Dat </para>
      <para>tegen de beslissing op een wrakingsverzoek geen rechtsmiddel open staat,</para>
      <para>‘betekent overigens niet dat de verzoeker geen enkele mogelijkheid meer heeft om </para>
      <para>zich teweer te stellen tegen de beslissing inzake de wraking. Hij kan in het kader </para>
      <para>van het hoger beroep tegen de rechterlijke uitspraak ook de beslissing op het </para>
      <para>wrakingsverzoek ter discussie stellen.'5</para>
      <para>Daarvan is de onderhavige zaak een voorbeeld. De raadsman stelt in feite de </para>
      <para>beslissing op het wrakingsverzoek ter discussie door een beroep te doen op de </para>
      <para>partijdigheid van de rechterlijke instantie in eerste aanleg. Daarmee sluit hij aan bij </para>
      <para>de hierboven gememoreerde jurisprudentiële uitbreiding die aan art. 423, tweede </para>
      <para>lid, Sv is gegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.7. Het hof laat zich niet expliciet uit over de door de raadsman opgeworpen </para>
      <para>vraag of de behandeling in eerste aanleg al dan niet heeft plaatsgevonden door </para>
      <para>een onpartijdige instantie als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM. In zoverre is de </para>
      <para>in het middel vervatte klacht gegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.8. Tot cassatie kan dit euvel niet leiden omdat het hof het verweer slechts kon </para>
      <para>verwerpen. Aan het wrakingsverzoek lag ten grondslag dat twee rechters die deel </para>
      <para>uitmaakten van de kamer van de rechtbank waarvoor verzoeker terechtstond, ook </para>
      <para>deel hadden uitgemaakt van de kamer die een medeverdachte had veroordeeld. In </para>
      <para>de zaak van die medeverdachte was een bewijsverweer gevoerd dat was </para>
      <para>verworpen. In het kader van de bespreking van het bewijsverweer was ook de </para>
      <para>naam van verzoeker genoemd. Dat zou - aldus de steller van het middel - een </para>
      <para>impliciete veroordeling van verzoeker inhouden zodat beide rechters </para>
      <para>vooringenomen zouden zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.9. De rechtbank heeft dit wrakingsverzoek afgewezen en daarbij onder meer het </para>
      <para>volgende overwogen:</para>
      <para>‘Uitgangspunt bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van </para>
      <para>onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6 eerste lid EVRM is dat een </para>
      <para>rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn. Dat </para>
      <para>is alleen anders als zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die </para>
      <para>zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens </para>
      <para>een verdachte een vooringenomenheid koesters, althans dat bij de verdachte </para>
      <para>dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.</para>
      <para>De enkele omstandigheid dat twee leden van de rechtbank zitting hebben gehad </para>
      <para>in de kamer die een medeverdachte heeft veroordeeld is niet een dergelijke </para>
      <para>uitzonderlijke omstandigheid.</para>
      <para>Dit zou anders zijn indien de kamer die de medeverdachte heeft veroordeeld zich </para>
      <para>daarbij tevens zou hebben uitgelaten over de betrouwbaarheid van de verklaring </para>
      <para>van verdachte en/of zijn schuld.</para>
      <para>Daarvan is hier geen sprake geweest: in de door de raadsman genoemde </para>
      <para>bespreking van het bewijsverweer wordt de naam van verdachte genoemd in de </para>
      <para>samenvatting van het destijds door de raadsman gevoerde verweer en niet in de </para>
      <para>overweging van de rechtbank naar aanleiding van dat verweer.</para>
      <para>Voorts geldt dat verdachte nog geen verklaring heeft afgelegd zodat de rechtbank</para>
      <para>zich hierover zelfs niet heeft kunnen uitlaten.</para>
      <para>De enkele omstandigheid dat verdachte de rechtbank niet in staat acht zijn zaak </para>
      <para>zonder vooringenomenheid te beoordelen is geen grond voor wraking.</para>
      <para>Nu niet is gebleken dat sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de </para>
      <para>rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, noch dat de bij verdachte </para>
      <para>dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is, zal het verzoek tot </para>
      <para>wraking worden verworpen.’</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.10. De kamer van de rechtbank die over het wrakingsincident heeft geoordeeld </para>
      <para>heeft niet onbegrijpelijk vastgesteld dat van (een) partijdige rechter(s) geen sprake </para>
      <para>was.6</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.11. In het licht van de wrakingsprocedure, van hetgeen daarbij door de raadsman </para>
      <para>van verzoeker in eerste aanleg en in appèl is aangevoerd, en van het oordeel van </para>
      <para>de wrakingskamer, kan niet worden gezegd dat zich een zodanig gebrek heeft </para>
      <para>voorgedaan in de samenstelling van het gerecht dat de behandeling van de zaak </para>
      <para>niet heeft plaatsgevonden door een onpartijdige instantie als bedoeld in art. 6, </para>
      <para>eerste lid, EVRM. Het hof had het betreffende verweer dan ook moeten verwerpen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.12. Het middel faalt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. Ambtshalve merk ik nog op dat de kwalificatie niet geheel juist is. Het onder 1 </para>
      <para>primair bewezenverklaarde feit levert niet op poging tot medeplegen maar moet </para>
      <para>worden gekwalificeerd als het medeplegen van poging van opzettelijk handelen in </para>
      <para>strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A van de Opiumwet gegeven verbod. </para>
      <para>Uw Raad kan de kwalificatie verbeteren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. Deze conclusie strekt ertoe de aangevallen beslissing te vernietigen voor wat </para>
      <para>betreft de kwalificatie van het onder 1 primair bewezenverklaarde, de kwalificatie te </para>
      <para>verbeteren en het beroep voor het overige te verwerpen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1 HR 3 juni 1997, NJ 1997, 584 rov. 6.2. (Strippenkaart)</para>
      <para>2 House of Lords 20 oktober 1993, [1994] 1 The Weekly Law Reports, blz. 11</para>
      <para>(Murray).</para>
      <para>3 EHRM 8 februari 1996, NJ 1996, 725 m.nt. Kn par. 54 en 56 (Murray).</para>
      <para>4 HR 29 april 1997, NJ 1998, 189; 17 maart 1998, NJ 1998, 516 rov. 5.7. Zie voorts </para>
      <para>de beschikking  van de civiele kamer HR 22 januari 1999, NJ 1999, 243.</para>
      <para>5 Kamerstukken II 1991-1992, 22 495, nr. 3 MvT, blz. 114.</para>
      <para>6 HR 6 mei 1997, NJ 1998, 186; 14 oktober 1997, NJ 1998, 187 m.nt. Kn.</para>
    </parablock>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>