<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2000:AA7955</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T08:52:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA7955</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2000-10-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">00751/99</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2000:AA7955" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA7955</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001854&amp;artikel=302&amp;g=2000-10-31">Wetboek van Strafrecht 302</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2000, 540</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2000, 737</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA7955">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA7955</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:12:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2000:AA7955 Parket bij de Hoge Raad , 31-10-2000 / 00751/99</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA7955:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA7955:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Mr Fokkens</para>
      <para>Nr. 00751/99</para>
      <para>Zitting 5 september 2000</para>
      <para>Conclusie inzake</para>
      <para>[verdachte]</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Verdachte is door het gerechtshof te Arnhem wegens mishandeling zwaar </para>
      <para>lichamelijk letsel ten gevolge hebbend veroordeeld tot een geldboete van f 10.000,-</para>
      <para>-, subsidiair 100 dagen hechtenis.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Namens verdachte heeft mr D.R. Doorenbos, advocaat te Amsterdam, drie </para>
      <para>middelen van cassatie voorgesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Het eerste middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring innerlijk </para>
      <para>tegenstrijdig, althans onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. Aan de verdachte is, voor zover voor de beoordeling van het middel </para>
      <para>van belang, tenlastegelegd dat hij “(…) als bestuurder van een personenauto </para>
      <para>opzettelijk mishandelend een persoon te weten [het slachtoffer], die op dat </para>
      <para>moment op een fiets reed, met zijn personenauto heeft gesneden waardoor [het </para>
      <para>slachtoffer] tegen de auto van verdachte is gereden en/of rijdende naast [het </para>
      <para>slachtoffer] tegen deze [het slachtoffer] is aangereden, tengevolge waarvan deze </para>
      <para>zwaar lichamelijk letsel (een gebroken heupgewricht), althans enig lichamelijk </para>
      <para>letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;”  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. Daarvan heeft het gerechtshof bewezenverklaard dat verdachte “ (…) </para>
      <para>als bestuurder van een personenauto opzettelijk mishandelend een persoon te </para>
      <para>weten [het slachtoffer], die op dat moment op een fiets reed, met zijn </para>
      <para>personenauto heeft gesneden tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel </para>
      <para>(een gebroken heupgewricht), heeft bekomen en pijn heeft ondervonden”  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. In een nadere bewijsoverweging heeft het hof gesteld: “Het hof acht </para>
      <para>bewezen dat verdachte [het slachtoffer] heeft gesneden, immers zo dicht naast </para>
      <para>hem is gaan rijden dat deze - een ongewijzigde koers rijdend- de normale </para>
      <para>doorgang is belet en dat verdachte dusdoende welbewust de aanmerkelijke kans </para>
      <para>heeft aanvaard dat [het slachtoffer] hierdoor ten val zou komen en daardoor (mede </para>
      <para>gelet op de snelheid van [het slachtoffer] van circa 30 kilometer per uur) zwaar </para>
      <para>lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.”    </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>7. In het middel wordt betoogd dat deze bewezenverklaring om de volgende reden </para>
      <para>onbegrijpelijk is. In het eerste deel van de bewezenverklaring wordt de </para>
      <para>mishandeling omschreven - verdachte heeft het slachtoffer met zijn auto </para>
      <para>gesneden - en daarop volgt de omschrijving van het strafverzwarend gevolg van </para>
      <para>deze mishandeling: het zwaar lichamelijk letsel. Het enkele ‘snijden’ met een auto </para>
      <para>van een fietser levert echter, aldus de steller van het middel, nog geen </para>
      <para>mishandeling op omdat men daardoor nog geen pijn of letsel toebrengt. Dat is pas </para>
      <para>het geval indien, zoals ook is tenlastegelegd, er door het  snijden een aanrijding </para>
      <para>heeft plaatsgevonden.  Nu dat deel van de tenlastelegging door het hof kennelijk </para>
      <para>niet bewezen werd geacht, had het hof niet tot een bewezenverklaring kunnen </para>
      <para>komen.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>8. Over het begrip mishandeling en de tenlastelegging daarvan wordt in NLR, Het </para>
      <para>Wetboek van Strafrecht, in aantek. 3 bij art. 300 het volgende opgemerkt :  </para>
      <para>“Mishandeling bestaat (..) materieel in het toebrengen van lichaamspijn of </para>
      <para>lichamelijk letsel. Dat er pijn of letsel is dient dus in de eerste plaats vast te staan </para>
      <para>(..) Hun bestaan is niet een gevolg van het mishandeling, dat in art. 300 niet </para>
      <para>genoemd en daarom niet vereist zou zijn. Het is een bestanddeel van het misdrijf </para>
      <para>dat ook bij de tenlastelegging niet mag worden verwaarloosd (…) Zulks behoeft </para>
      <para>niet altijd door de vermelding van pijn of letsel te worden uitgedrukt, maar kan ook </para>
      <para>opgesloten liggen in de aard der handeling die er aanleiding toe heeft gegeven. Er </para>
      <para>zijn lichamelijke aanrakingen die uit zich zelf pijn of letsel moeten medebrengen: </para>
      <para>slagen, schoppen, krabben, steken of sneden met scherpe werktuigen, alle </para>
      <para>verwondingen. Andere daarentegen, als aangrijpen, omverwerpen, kunnen zonder </para>
      <para>de bedoelde uitwerking blijven en vallen wat betreft het materiële delict eerst onder </para>
      <para>mishandeling, wanneer die uitwerking aanwezig is”. In het laatste geval zal in de </para>
      <para>tenlastelegging moeten worden opgenomen dat door de betreffende gedraging </para>
      <para>opzettelijk pijn of letsel is veroorzaakt, al kan dat gevolg soms ook tot uitdrukking </para>
      <para>worden gebracht door in de tenlastelegging de woorden mishandelend op te </para>
      <para>nemen, aldus dit commentaar.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>9. In de rechtspraak van de Hoge Raad ben ik twee zaken tegengekomen waarin </para>
      <para>het probleem dat het middel aan de orde stelt, speelt. In HR NJ 1931, p. 282 e.v. </para>
      <para>was bewezenverklaard dat de verdachte opzettelijk gewelddadig ene Spijker bij de </para>
      <para>keel had gegrepen en op een brandende kachel had geduwd, tengevolge waarvan </para>
      <para>de kachel omviel en Spijker op de grond viel en in aanraking kwam met de </para>
      <para>brandende kachel en de rechterzijde van zijn gezicht werd verbrand en hij </para>
      <para>bloedend werd gewond. De Hoge Raad overwoog: “ dat het gewelddadig bij de </para>
      <para>keel grijpen en op een brandende kachel duwen zonder meer niet noodzakelijk </para>
      <para>voor getuige Spijker lichamelijk leed ten gevolge behoefde te hebben, en zeker </para>
      <para>niet het leed, zoals dit ten laste gelegd en bewezen verklaard is, - te weten het </para>
      <para>verbrand zijn van het gezicht en bloedend verwond zijn van Spijker, - zodat dit leed </para>
      <para>alleen dan aan requirant’s handelingen het karakter van mishandeling kan geven, </para>
      <para>als requirant’s opzet die gevolgen mede omvat zou hebben.”  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>10. In NJ 1932, p. 279 e.v. was bewezenverklaard dat verdachte ter uitvoering van </para>
      <para>zijn voornemen om Van Oeveren te mishandelen, opzettelijk deze persoon had </para>
      <para>geduwd, tengevolge waarvan deze met de locomotief van een voorbijrijdende </para>
      <para>stoomtram in aanraking was gekomen en dientengevolge een schedelbreuk had </para>
      <para>bekomen. De Hoge Raad overwoog:“dat, zal ten deze sprake kunnen zijn van </para>
      <para>mishandeling, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbende, het duwen door </para>
      <para>requirant van Van Oeveren, zonder meer, mishandeling moet opleveren; dat echter </para>
      <para>duwen op zichzelf, - ook al geschiedt dit ter uitvoering van des daders voornemen </para>
      <para>een ander te mishandelen, - zonder dat het de geduwde leed heeft veroorzaakt, </para>
      <para>niet is mishandeling; dat van een dergelijk leed uit het telastegelegde, voorzoverre </para>
      <para>dit bewezen verklaard is, niet blijkt, zodat dit niet oplevert het misdrijf van art. 300 </para>
      <para>Sr., zoals het in het bevestigde vonnis is gequalificeerd;”. Van belang voor de </para>
      <para>beoordeling van dit arrest is nog dat de rechtbank had vrijgesproken van het </para>
      <para>gedeelte van de tenlastelegging waarin de verdachte werd verweten dat hij Van </para>
      <para>Oeveren “opzettelijk voor of tegen  de locomotief van de stoomtram” had geduwd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>11. Zijn die twee zaken geheel vergelijkbaar met de onderhavige en moet worden </para>
      <para>aangenomen dat de Hoge Raad anno 2000 op dezelfde wijze zou redeneren als </para>
      <para>omstreeks 1930 in bovengenoemde arresten is geschied? De eerste vraag moet </para>
      <para>mijns inziens ontkennend worden beantwoord. De onderhavige zaak is niet goed </para>
      <para>vergelijkbaar met de eerste casus, omdat de Hoge Raad daar de </para>
      <para>bewezenverklaring aldus uitlegt dat de bewezenverklaarde mishandeling pas </para>
      <para>voltooid was toen Spijker met de omgevallen kachel in aanraking kwam, zijn </para>
      <para>gezicht verbrandde en bloeden werd gewond, zodat deze gevolgen opzettelijk </para>
      <para>teweeggebracht moesten zijn door de verdachte om tot een bewezenverklaring te </para>
      <para>kunnen komen. Dat laatste kon volgens de Hoge Raad niet uit de gebezigde </para>
      <para>bewijsmiddelen volgen. Ook de tweede casus (NJ ’32, 279) is niet vergelijkbaar, </para>
      <para>omdat niet goed valt in te zien dat het duwen hier mishandeling kon opleveren, nu </para>
      <para>dat duwen niet op zodanige wijze was geschied dat de dader daarmee het </para>
      <para>slachtoffer opzettelijk voor of tegen de tram had geduwd waar Van Oeveren tegen </para>
      <para>aan kwam. Dat is anders bij het met een auto opzettelijk snijden van een rijdende </para>
      <para>fietser, omdat men daarmee bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de </para>
      <para>fietser zal vallen en letsel op zal lopen, zoals het hof in de onderhavige zaak heeft </para>
      <para>overwogen. Ik merk in dit verband ter zijde op dat beoordeling van NJ ’32, 279 in </para>
      <para>zoverre beperkt mogelijk is, dat niet blijkt welke bewijsmiddelen de rechtbank </para>
      <para>heeft gehanteerd en waarop de rechtbank haar oordeel heeft gebaseerd dat </para>
      <para>verdachte ter uitvoering van zijn voornemen om Van Oeveren te mishandelen heeft </para>
      <para>gehandeld. In het bijzonder valt niet uit te sluiten dat het beperktere opzetbegrip </para>
      <para>uit die tijd - voorwaardelijk opzet is pas na de oorlog in de rechtspraak aanvaard, </para>
      <para>vgl. Hazewinkel-Suringa- Remmelink, 15e dr. P. 207 e.v. - ertoe heeft geleid dat </para>
      <para>de rechtbank vrijgesproken heeft van het opzettelijk voor of tegen de tram duwen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>12. Voordat ik aan de tweede vraag toekom, wil ik nog op een ander, in dit </para>
      <para>verband relevant arrest wijzen. In HR NJ 1934,402 was sprake van een enigszins </para>
      <para>vergelijkbare casus. Bewezenverklaard was dat verdachte rijdend met een </para>
      <para>snelheid van ongeveer 30 kilometer opzettelijk gewelddadig een op de treeplank </para>
      <para>van zijn auto staande veldwachter van zijn auto had geslingerd door een scherpe </para>
      <para>bocht naar rechts te maken, waardoor die persoon met zo’n geweld tegen de </para>
      <para>grond werd geslingerd dat hij een schedelbasisfractuur opliep. De Hoge Raad </para>
      <para>overwoog dat het bewezenverklaarde aldus een handeling insloot, die </para>
      <para>noodzakelijkerwijs, althans met grote waarschijnlijkheid aan de veldwachter </para>
      <para>lichamelijk leed moest toebrengen en dat dit voldoende was voor mishandeling. </para>
      <para>Weliswaar was de bewezenverklaring in die zaak veel concreter en gedetailleerder </para>
      <para>dan in deze zaak, maar strikt genomen was de bewezenverklaring op dezelfde </para>
      <para>wijze als hier geconstrueerd: in het eerste deel wordt een handeling omschreven </para>
      <para>die niet noodzakelijk mishandeling behoeft op te leveren (van een auto slingeren, </para>
      <para>al is daarbij de kans op pijn of letsel nog groter dan bij het met de auto snijden </para>
      <para>van een rijdende fietser) en wordt vervolgens het ten gevolge daarvan opgetreden </para>
      <para>zwaar lichamelijk letsel vermeld.  Ook in die zaak ging het om mishandeling </para>
      <para>zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>13. Terugkerend naar de tweede vraag is duidelijk dat de Hoge Raad tegenwoordig </para>
      <para>veel minder strikte eisen aan de tenlastelegging stelt dan destijds het geval was. </para>
      <para>De rechter heeft veel meer speelruimte bij de interpretatie daarvan. Dat betekent </para>
      <para>voor deze zaak het volgende. Het valt op dat de officier van justitie achter </para>
      <para>“tengevolge waarvan” niet alleen heeft opgenomen dat [het slachtoffer] zwaar </para>
      <para>lichamelijk letsel heeft bekomen, maar ook dat hij enig lichamelijk letsel heeft </para>
      <para>bekomen en /of pijn heeft ondervonden. Verder zijn als toepasselijke wetsartikelen </para>
      <para>genoemd art. 300 lid 1 en art. 300 lid 2 Sr. Dit betekent dat de tenlastelegging </para>
      <para>aldus kan worden gelezen dat verdachte door de fietser [het slachtoffer] met de </para>
      <para>auto te snijden aan [het slachtoffer] opzettelijk lichamelijk letsel en pijn heeft </para>
      <para>toegebracht, welk letsel zo ernstig was dat het als zwaar lichamelijk letsel kan </para>
      <para>worden gekwalificeerd. Uitgaande van die lezing bevat de bewezenverklaring ook </para>
      <para>een volledige omschrijving van mishandeling en is zij niet onbegrijpelijk. Het </para>
      <para>middel kan daarom niet slagen.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>14. Het tweede middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring innerlijk </para>
      <para>tegenstrijdig is. Het hof heeft bewezenverklaard dat verdachte [het slachtoffer] </para>
      <para>heeft ‘gesneden’ en tegelijkertijd overwogen dat verdachte “dicht naast” [het </para>
      <para>slachtoffer] is gaan rijden.  De indiener stelt dat dit innerlijk tegenstrijdig is, nu </para>
      <para>‘snijden’ vereist dat de koers van de gesnedene wordt gekruist.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>15. Het middel faalt. Het hof heeft overwogen dat verdachte “zo dicht naast hem </para>
      <para>([het slachtoffer], JWF) is gaan rijden” dat [het slachtoffer] “een ongewijzigde </para>
      <para>koers rijdend de normale doorgang is belet.”  In het licht van de bewijsmiddelen 1, </para>
      <para>2 en 3 moet deze overweging aldus worden verstaan dat verdachte Verhaak heeft </para>
      <para>gesneden door hem zo dicht te passeren dat de normale doorgang voor Verhaak </para>
      <para>werd belet. Van een tegenstrijdigheid als gesteld is dan geen sprake.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>16. Het derde middel behelst de klacht dat het hof, kort gezegd, geen aandacht </para>
      <para>heeft besteed aan de vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek. Aan het </para>
      <para>kennelijk beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dan wel </para>
      <para>op de onrechtmatigheid van de bewijsgaring zou het hof ten onrechte voorbij zijn </para>
      <para>gegaan , althans zou het hof ten onrechte hebben nagelaten ambtshalve een </para>
      <para>onderzoek naar de door de verdediging aangeduide vormverzuimen in te stellen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>17. Om het middel te kunnen beoordelen geeft ik hieronder eerst weer wat er ter </para>
      <para>terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>18. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van verdachte in zijn </para>
      <para>pleitnota een paragraaf gewijd aan “onduidelijkheden met betrekking tot het </para>
      <para>politieonderzoek.” Daarbij heeft de raadsman verwezen naar een op schrift </para>
      <para>gestelde verklaring van verdachte, die als bijlage 4  bij zijn pleitnota is gevoegd. </para>
      <para>Vervolgens heeft de raadsman, onder andere op grond van die vermeende </para>
      <para>onduidelijkheden, geconcludeerd dat “over de feiten geen zekerheid (is) te </para>
      <para>verkrijgen zodat het (…) niet zo kan zijn dat wettig en overtuigend bewezen </para>
      <para>verklaard kan worden dat (..) cliënt de hem ten laste gelegde feiten heeft begaan.”   </para>
      <para>Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat in de ogen van zijn cliënt grote fouten in </para>
      <para>het politieonderzoek zijn gemaakt, die tot strafvermindering zouden moeten </para>
      <para>leiden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>19. De raadsman heeft aldus weliswaar van onduidelijkheden en fouten in het </para>
      <para>politieonderzoek gesproken, maar een beroep op de niet-ontvankelijkheid van het </para>
      <para>openbaar ministerie of onrechtmatige bewijsgaring valt in dit betoog niet te lezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>20. Verdachte heeft in zijn laatste woord onder meer gezegd dat hij ‘om de tuin is </para>
      <para>geleid,’ en dat hem de cautie niet is verleend. Voorts heeft hij een aantal vragen </para>
      <para>over de gang van zaken bij de opsporing opgeworpen. Ook dit betoog behoefde </para>
      <para>het hof niet op te vatten als een beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar </para>
      <para>ministerie of onrechtmatige bewijsgaring. De steller van het middel beroept zich in </para>
      <para>dit verband nog op de conclusies van de verdachte zoals die in de als bijlage 4 bij </para>
      <para>de pleitnota overgelegde brief zouden zijn neergelegd, maar deze bijlage is a) niet </para>
      <para>voorgedragen ter terechtzitting zodat de inhoud van die bijlage reeds om die reden </para>
      <para>niet als een ter terechtzitting voorgedragen verweer kan worden beschouwd, terwijl </para>
      <para>b) de raadsman in zijn pleitnota aan onder meer de inhoud van die brief, zoals ik </para>
      <para>hierboven al opmerkte, slechts de conclusie heeft verbonden dat het </para>
      <para>tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen verklaard kan worden. De </para>
      <para>primaire klacht is niet gegrond.   </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>21. Ook de subsidiaire klacht faalt. De rechter is - buiten het geval dat een </para>
      <para>verweer is gevoerd - slechts gehouden blijk te geven van zijn onderzoek naar de </para>
      <para>ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en/of de rechtmatigheid van de </para>
      <para>bewijsgaring, indien uit de stukken van het geding rechtstreeks een ernstig </para>
      <para>vermoeden rijst dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is dan wel het </para>
      <para>gebezigde bewijsmateriaal  onrechtmatig is verkregen (zie A.J.A. van Dorst, </para>
      <para>Cassatie in strafzaken, vierde druk, p.181-186 en p.222 en NJ 1976, 533, noot </para>
      <para>ThWvV).  Anders dan de steller van het middel betoogt, rijst een dergelijk </para>
      <para>rechtstreeks en ernstig vermoeden niet uit de stukken. De omstandigheid dat een </para>
      <para>politieman in Leeuwarden mogelijk onbevoegd enig onderzoek heeft verricht, </para>
      <para>betekent - daargelaten welke gevolgen en dergelijke onbevoegdheid zou kunnen </para>
      <para>hebben - immers niet dat het later door de politie te Arnhem verrichte onderzoek </para>
      <para>ook onrechtmatig is geweest. Een rechtstreeks en ernstig vermoeden dat bij dat </para>
      <para>laatste onderzoek  ernstige onregelmatigheden hebben plaatsgevonden, volgt niet </para>
      <para>uit de stukken van het geding. Ook in dit opzicht faalt het middel dus.  Nu de </para>
      <para>drie middelen falen en ik ambtshalve geen reden voor vernietiging van de </para>
      <para>bestreden uitspraak hen aangetroffen, concludeer ik dat het beroep wordt </para>
      <para>verworpen, waarbij de Hoge Raad het tweede en derde middel kan afdoen met de </para>
      <para>in art. 101a RO bedoelde motivering. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
    </parablock>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>