<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2000:AA7792</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T23:35:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA7792</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2000-10-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">00082/00</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2000:AA7792" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA7792</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002320&amp;artikel=67&amp;g=2000-10-24">Algemene wet inzake rijksbelastingen 67</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2000, 520</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2001, 33</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA7792">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA7792</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:11:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2000:AA7792 Parket bij de Hoge Raad , 24-10-2000 / 00082/00</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA7792:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA7792:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Mr Wortel</para>
      <para>Nr. 00082/00</para>
      <para>Zitting 27 juni 2000</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Conclusie inzake: [Verzoeker=verdachte]</para>
    <para />
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Verzoeker is door het Gerechtshof te ’s-Gravenhage wegens valsheid in </para>
      <para>geschrift, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien </para>
      <para>maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Namens verzoeker heeft mr G. Meijers, advocaat te Amsterdam, drie middelen </para>
      <para>van cassatie voorgesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Het eerste middel is in voorwaardelijke vorm voorgesteld en zal, nu de </para>
      <para>voorwaarde (dat alsnog een gewaarmerkt afschrift van de bestreden </para>
      <para>uitspraak in het dossier wordt gevoegd)  in vervulling is gegaan, als </para>
      <para>ingetrokken kunnen worden aangemerkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. Het tweede middel betreft de verwerping van een in hoger beroep </para>
      <para>gevoerd verweer dat ik meen aldus te kunnen samenvatten: art. 67 AWR </para>
      <para>bevat voor ambtenaren van de belastingdienst een </para>
      <para>geheimhoudingsplicht. Ingevolge het tweede lid van die bepaling kan </para>
      <para>daarvan ontheffing worden verleend. Tot het regelen van de </para>
      <para>omstandigheden waaronder die ontheffing in algemene zin is, of per </para>
      <para>geval kan worden, verleend strekt het Voorschrift Informatieverstrekking </para>
      <para>1993 (VIV 1993). Dat Voorschrift, zoals het luidde ten tijde van de </para>
      <para>informatieverstrekking door ambtenaren van de belastingdienst in deze </para>
      <para>zaak, onderscheidt tussen het aan derden verstrekken van gegevens die </para>
      <para>zijn opgeslagen in door de Belastingdienst aangehouden </para>
      <para>persoonsregistraties - als omschreven in de Wet Persoonsregistraties - </para>
      <para>enerzijds, en gegevens die zijn opgenomen in een legger of dossier </para>
      <para>anderzijds. Ten aanzien van de verstrekking van gegevens uit een bij de </para>
      <para>Belastingdienst berustende persoonsregistratie in de zin van de Wet </para>
      <para>Persoonsregistraties is in het VIV 1993 onder meer bepaald dat zij </para>
      <para>slechts op verzoek kan plaatsvinden; spontane verstrekking van zulke </para>
      <para>gegevens is niet toegestaan. De verdediging heeft aannemelijk gemaakt </para>
      <para>dat de Belastingdienst in dit geval eigener beweging gegevens heeft </para>
      <para>verstrekt uit een persoonsregistratie. Bovendien blijkt uit het dossier niet dat </para>
      <para>een voorstel tot verstrekking van gegevens ter beslissing is voorgelegd aan het </para>
      <para>hoofd van de eenheid van de Belastingdienst, zoals in het VIV 1993 </para>
      <para>voorgeschreven.</para>
      <para>Dientengevolge is het bewijsmateriaal slechts door onrechtmatig handelen - in de </para>
      <para>kern beschouwd: schending van art. 67 AWR - vergaard kunnen worden; daardoor </para>
      <para>is een norm geschonden die beoogde belangen van verzoeker te beschermen en </para>
      <para>is verzoeker daadwerkelijk in zijn belangen getroffen, terwijl de begane </para>
      <para>onrechtmatigheden van dien aard zijn dat al het vergaarde materiaal van gebruik </para>
      <para>tot bewijs moet worden uitgesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. Ook het middel, waarin verschillende klachten te onderkennen zijn, vat ik </para>
      <para>samen: het Hof heeft zijn oordeel dat niet is gebleken dat de verstrekte gegevens </para>
      <para>uit een persoonsregistratie afkomstig waren, en zijn oordeel dat geen betekenis </para>
      <para>toekomt aan het niet gebleken zijn van toestemming van het hoofd van de eenheid </para>
      <para>van de Belastingdienst tot het verstrekken van gegevens aan de </para>
      <para>opsporingsfunctionarissen van GAK Nederland B.V. (hierna: ‘het GAK’), telkens </para>
      <para>op ontoereikende gronden doen steunen (de toelichting op het middel onder a tot </para>
      <para>en met c),  de bestreden uitspraak vertoont hetzelfde manco ten aanzien van het </para>
      <para>oordeel dat geen sprake kan zijn geweest van een zodanig ernstig verzuim dat </para>
      <para>bewijsuitsluiting daarvan het gevolg zou moeten zijn (toelichting onder d en e), en </para>
      <para>de overweging dat het verstrekken van informatie door de Belastingdienst ook kon </para>
      <para>worden gebaseerd op art. 162 Sv getuigt van een onjuiste wetsuitleg (toelichting </para>
      <para>onder f).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. Bij beoordeling van dit middel komt belang toe aan de vraag onder </para>
      <para>welke omstandigheden een verzameling van gegevens aangemerkt moet </para>
      <para>worden als een ‘persoonsregistratie’ in de zin van de Wet </para>
      <para>Persoonsregistraties.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>7. In de toelichting onder a. wordt het bezwaar opgeworpen dat het Hof </para>
      <para>heeft overwogen dat nergens uit blijkt dat de door de Belastingdienst </para>
      <para>verstrekte startinformatie uit een persoonsregistratie afkomstig is </para>
      <para>geweest, hetgeen van een onjuiste rechtsopvatting zou getuigen omdat </para>
      <para>met betrekking tot de feitelijke grondslag van een gevoerd verweer niet </para>
      <para>méér mag worden verlangd dan dat het gestelde aannemelijk is </para>
      <para>geworden. Dit laatste is zeker juist. Dat het Hof blijk zou hebben gegeven </para>
      <para>van miskenning van deze processuele maatstaf lijkt mij uit zijn </para>
      <para>overweging evenwel niet te mogen worden afgeleid.</para>
      <para>Die overweging luidt:</para>
      <para>“Anders dan de raadsman kennelijk veronderstelt, blijkt nergens uit dat de </para>
      <para>door de Belastingdienst verstrekte startinformatie, inhoudende “dat de </para>
      <para>inkomsten hoger waren dan door [verzoeker] werd aangegeven op zijn </para>
      <para>aangiftebiljet IB” afkomstig was uit een persoonsregistratie. Veeleer is </para>
      <para>aannemelijk dat deze startinformatie afkomstig was uit een inmiddels </para>
      <para>met betrekking tot de verdachte aan de hand van zijn aangifte IB gevormd </para>
      <para>belastingdossier (pagina’s 8 en 9). Een dossier valt niet onder het begrip </para>
      <para>“persoonsregistratie” in de zin van de Wet persoonsregistraties </para>
      <para>(paragraaf 5.1 VIV 1993).”</para>
      <para>Dit laat zich aldus verstaan dat het Hof, anders dan de verdediging, in de stukken </para>
      <para>van het dossier geen aanknopingspunten heeft gevonden dat de verstrekte </para>
      <para>gegevens afkomstig waren uit een persoonsregistratie, maar wèl aanwijzingen dat </para>
      <para>die gegevens afkomstig waren uit een met betrekking tot verzoeker gevormd </para>
      <para>dossier. Daarmee is tot uitdrukking gebracht dat een aan het verweer ten </para>
      <para>grondslag gelegde feitelijke stelling niet aannemelijk is geworden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>8. Vervolgens wordt er over geklaagd (toelichting op dit middel onder b) dat het </para>
      <para>Hof niet inhoudelijk is ingegaan op de redenen die de verdediging heeft opgegeven </para>
      <para>ten betoge dat de door de Belastingdienst verstrekte informatie wel afkomstig </para>
      <para>moet zijn geweest, of deel uitgemaakt moet hebben, van een persoonsregistratie.</para>
      <para>Die door de verdediging aangevoerde argumenten, waarnaar in de toelichting wordt </para>
      <para>verwezen, waren de volgende. Uit een door de verdediging geproduceerde brief van </para>
      <para>de voorzitter van de Registratiekamer blijkt dat naar het inzicht van dat College </para>
      <para>onder het begrip ‘persoonsregistratie’ een gegevensverzameling valt die een </para>
      <para>duidelijke, vooraf bepaalde structuur heeft en die is aangelegd met het oog op </para>
      <para>doeltreffende raadpleging van de gegevens. In bijlagen bij het proces-verbaal van </para>
      <para>opsporingsonderzoek zijn gegevens van de Belastingdienst  opgenomen </para>
      <para>waaronder overzichten van opgaven van inkomsten, overzichten van resultaten, </para>
      <para>loonopgaven, jaarrekeningen en controlerapporten. Daarnaast blijkt uit een bijlage </para>
      <para>bij de genoemde brief van de voorzitter van de Registratiekamer dat de </para>
      <para>Belastingdienst een aantal persoonsregistraties heeft aangemeld.</para>
      <para>Daarmee achtte de verdediging haar stelling dat er sprake is geweest van het </para>
      <para>verstrekken van gegevens uit een persoonsregistratie voldoende onderbouwd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>9. In de bestreden overwegingen is vastgesteld dat door de Belastingdienst te </para>
      <para>Gorinchem op 29 mei 1995 mededeling is gedaan (aan functionarissen van het </para>
      <para>GAK) van de omstandigheid dat verzoeker naast zijn arbeidsongeschikt-</para>
      <para>heidsuitkering (andere) inkomsten had ontvangen, en dat een door de </para>
      <para>Belastingdienst ingesteld onderzoek had uitgewezen dat de inkomsten hoger </para>
      <para>waren dan door verzoeker opgegeven in een aangiftebiljet betreffende de </para>
      <para>inkomstenbelasting. Ook is daarin vastgesteld dat op 22 mei 1996 door een aan </para>
      <para>het GAK verbonden verbalisant een onderzoek is ingesteld in hem door de </para>
      <para>Belastingdienst ter beschikking gestelde belastingdossiers betreffende verzoeker, </para>
      <para>waarbij een belastinginspecteur het door de Belastingdienst ingestelde onderzoek </para>
      <para>heeft toegelicht. In dit verband verwees het Hof naar het in het arrest opgenomen </para>
      <para>bewijsmiddel 3, inhoudende de resultaten van dat onderzoek.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>10. In deze overwegingen kan besloten worden geacht dat het Hof inhoud en </para>
      <para>structuur van de door de Belastingdienst aan de opsporingsfunctionarissen van </para>
      <para>het GAK verstrekte en ter inzage gegeven informatie in zijn beschouwingen heeft </para>
      <para>betrokken. Anders dan in dit onderdeel van het middel wordt betoogd is het Hof </para>
      <para>derhalve niet voorbijgegaan aan hetgeen de verdediging, onder verwijzing naar de </para>
      <para>brief van de voorzitter van de Registratiekamer, naar voren had gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>11. In de toelichting op dit middel onder b. is nog weer een andere klacht </para>
      <para>opgenomen. Gesteld wordt dat ’s Hofs oordeel dat de ter beschikking van de </para>
      <para>verbalisanten gestelde startinformatie wel afkomstig moet zijn uit een met </para>
      <para>betrekking tot verzoeker gevormd belastingdossier ‘in cassatie waarschijnlijk </para>
      <para>gerespecteerd zal moeten worden’, maar dat uit hetgeen het Hof heeft vastgesteld </para>
      <para>niet kan volgen dat een dergelijk dossier niet valt onder het begrip </para>
      <para>‘persoonsregistratie’ in de zin van de Wet Persoonsregistraties.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>12. Naar luid van art. 1 Wet Persoonsregistraties wordt onder ‘persoonsregistratie’</para>
      <para>verstaan: </para>
      <para>een samenhangende verzameling van op verschillende personen </para>
      <para>betrekking hebbende persoonsgegevens, die langs geautomatiseerde </para>
      <para>weg wordt gevoerd of met het oog op een doeltreffende raadpleging van </para>
      <para>die gegevens systematisch is aangelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>13. Gelet op doel en strekking van deze Wet is de omstandigheid dat de </para>
      <para>gegevensverzameling betrekking moet hebben op verschillende personen een </para>
      <para>wezenlijk element van de definitie van een persoonsregistratie. Dat is ook </para>
      <para>benadrukt in de memorie van toelichting op het wetsvoorstel dat de Wet </para>
      <para>Persoonsregistraties heeft opgeleverd:</para>
      <para>“Verder stelt de definitie het vereiste dat de verzameling op verschillende personen </para>
      <para>betrekking hebbende gegevens bevat. Een groot aantal gegevens omtrent één </para>
      <para>persoon is dus niet een persoonsregistratie in de zin van de Wet.” (Kamerstukken </para>
      <para>II, 1984-1985, 19 095, nr 3, p. 17).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>14. Deze definitie van een persoonsregistratie is herhaald in par. 2.4.1. van het </para>
      <para>bovengenoemde VIV 1993, waaraan de vaststelling is verbonden dat een legger of </para>
      <para>dossierverzameling bij de Belastingdienst niet wordt beschouwd als een </para>
      <para>persoonsregistratie en dus niet onder de werking van de Wet Persoonsregistraties </para>
      <para>valt, met uitzondering van informatie, zoals uitdraaien van geautomatiseerde </para>
      <para>bestanden, die uit een persoonsregistratie afkomstig zijn en in een legger zijn </para>
      <para>gevoegd. In overeenstemming met de Wet Persoonsregistraties is in par. 5.1. VIV </para>
      <para>1993 voorts bepaald dat het op eigen initiatief verstrekken van gegevens uit (door </para>
      <para>de Belastingdienst aangehouden) persoonsregistraties niet mogelijk is, maar </para>
      <para>spontane gegevensverstrekking uit andere gegevensverzamelingen, zoals een </para>
      <para>legger die, of een dossier dat bij een eenheid van de belastingdienst is aangelegd, </para>
      <para>wel toelaatbaar is. Ik merk op dat deze bepalingen ook in de huidige tekst van het </para>
      <para>VIV 1993, na laatste wijziging gepubliceerd in Stcrt  1998, 243, nog in dezelfde </para>
      <para>formulering zijn opgenomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>15. De steller van het middel zal ik toegeven dat nergens nadrukkelijk is bepaald </para>
      <para>wat onder een dossier van de Belastingdienst, of onder een legger moet worden </para>
      <para>verstaan. Het ontbreken van een omschrijving daarvan zal wellicht hierdoor </para>
      <para>verklaard kunnen worden dat de inhoud van die begrippen voor de fiscale </para>
      <para>regelgever te zeer vanzelfsprekend is geweest om tot nadere omschrijving te </para>
      <para>inspireren.</para>
      <para>Inderdaad zal niet als een gegeven van algemene bekendheid kunnen worden </para>
      <para>beschouwd dat een ‘legger’ in de terminologie van ambtenaren van de </para>
      <para>Belastingdienst een map is waarin met het oog op aanslagregeling en invordering </para>
      <para>gegevens omtrent de belastingplichtige zijn opgenomen, ook met betrekking tot </para>
      <para>voorgaande tijdvakken, zoals eerder door of namens hem gedane aangiftes, </para>
      <para>renseignementen van financiële instellingen, branchegegevens en door de </para>
      <para>Belastingdienst opgestelde controlerapporten.</para>
      <para>Daarentegen zou ik menen dat er geen enkel bezwaar tegen bestaat aan het </para>
      <para>begrip ‘dossier’ de betekenis toe te kennen die uit algemeen aanvaard </para>
      <para>spraakgebruik volgt: een verzameling van gegevens betreffende één bepaald </para>
      <para>onderwerp, zodat ook zonder verwijzing naar een bron waarin dat nog eens </para>
      <para>uitdrukkelijk is omschreven onder een ten name van </para>
      <para>een bepaalde persoon gesteld ‘belastingdossier’ kan worden verstaan: een </para>
      <para>verzameling van voor de werkzaamheden van de Belastingdienst relevante </para>
      <para>gegevens betreffende die ene persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>16. Nu het Hof blijkens zijn, hierboven samengevatte, overwegingen heeft kunnen </para>
      <para>vaststellen dat er gegevens zijn verstrekt, respectievelijk ter inzage gegeven, uit </para>
      <para>een of meer dossiers die specifiek gericht waren op verzoeker en zijn fiscale </para>
      <para>verplichtingen, kon het vaststellen dat die dossiers niet onder het begrip </para>
      <para>‘persoonsregistratie’ in de zin van art. 1 Wet Persoonsregistraties en par. 2.4.1. </para>
      <para>VIV 1993 vielen, zodat de in par. 5.1. VIV 1993 neergelegde belemmering voor het </para>
      <para>op eigen initiatief van de Belastingdienst verstrekken van die gegevens zich niet </para>
      <para>heeft voorgedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>17. De omstandigheid dat de verdediging verwees naar bepaalde bijlagen bij het </para>
      <para>proces-verbaal van opsporing kon aan dat oordeel niet in de weg staan. Die </para>
      <para>bijlagen zijn, achtereenvolgens, een overzicht, opgesteld door C.H.L. Arisse </para>
      <para>(blijkens de stukken de belastinginspecteur die de aan de verbalisant verstrekte </para>
      <para>gegevens heeft toegelicht), van inkomensgegevens betreffende verzoeker over een </para>
      <para>aantal jaren met daarbij gevoegde kopieën van loonbelastingkaarten, </para>
      <para>resultatenoverzichten en stukken betreffende jaarrekeningen van de besloten </para>
      <para>vennootschap Adfiman (bijlage B 4) een drietal door de Belastingdienst </para>
      <para>opgestelde controlerapporten betreffende die vennootschap Adfiman (bijlage B 5), </para>
      <para>betreffende VDC Management Inc (bijlage B 6) en betreffende AFB Adviseurs </para>
      <para>Leerdam B.V. (bijlage B 7), kopieën van stukken betreffende het aanvragen van </para>
      <para>een hypothecaire geldlening door verzoeker (bijlage B 8), een aan verzoeker </para>
      <para>geadresseerd en kennelijk door hem ingevuld en ondertekend formulier betreffende </para>
      <para>‘ziekenfondsbeoordeling’ (bijlage B 9) en een brief met bijlagen, afkomstig van de </para>
      <para>belastingdienst, betreffende de beslissingen op bezwaarschriften tegen </para>
      <para>aanslagen, opgelegd aan de drie zo-even genoemde ondernemingen, aan </para>
      <para>verzoeker en aan - kennelijk - zijn echtgenote (bijlage B 10). Blijkens de stukken </para>
      <para>heeft verzoeker door tussenkomst van de drie genoemde ondernemingen </para>
      <para>werkzaamheden verricht waaruit hij inkomsten heeft genoten.</para>
      <para>Inhoud en structuur van deze bijlagen onderstrepen dat hetgeen de </para>
      <para>Belastingdienst aan de opsporingsfunctionarissen ter beschikking heeft gesteld </para>
      <para>afkomstig is geweest uit een gegevensverzameling (een ‘belastingdossier’) die </para>
      <para>geheel gericht is geweest op de belastingplichtigheid van verzoeker. Enige </para>
      <para>aanwijzing dat die gegevens geheel of ten dele afkomstig waren uit een </para>
      <para>samenhangende verzameling van gegevens betreffende verschillende personen, </para>
      <para>bijeengebracht om gegevens betreffende die verschillende personen - als een </para>
      <para>samenhangend geheel - op doeltreffende wijze te kunnen raadplegen valt ook aan </para>
      <para>deze bijlagen bij het proces-verbaal van het opsporingsonderzoek niet te ontlenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>18. De in de toelichting op het middel betrokken stelling dat naar aanleiding van </para>
      <para>het onderzoek ter terechtzitting niet duidelijk is geworden welke informatie zich in </para>
      <para>het belastingdossier heeft bevonden miskent dat het Hof wel degelijk heeft </para>
      <para>vastgesteld wat de aard van die informatie, voor zover aan de </para>
      <para>opsporingsfunctionarissen verstrekt of ter inzage gegeven, is geweest. Evenmin </para>
      <para>juist is de stelling dat het Hof zich heeft schuldig gemaakt aan een </para>
      <para>cirkelredenering door uitsluitend op grond van de tekst van par. 5.1. VIV 1993 vast </para>
      <para>te stellen dat de uit het dossier verstrekte inlichtingen niet onder het bereik van de </para>
      <para>Wet Persoonsregistraties vielen. </para>
      <para>’s Hofs oordeel dat de verstrekte informatie afkomstig is geweest uit een op </para>
      <para>verzoeker toegespitst, door de Belastingdienst aangelegd, dossier dat niet is aan </para>
      <para>te merken als een ‘persoonsregistratie’ in de zin van de Wet Persoonsregistratie </para>
      <para>is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.</para>
      <para>Het middel, voor zover nader toegelicht onder a tot en b, is dan ook vruchteloos </para>
      <para>voorgesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>19. In de toelichting onder c. wordt betoogd dat ’s Hofs oordeel dat het, </para>
      <para>gelet op de in het dossier (hier is duidelijk gedoeld op het dossier </para>
      <para>betreffende de strafzaak) opgenomen fiscale gegevens, zeer </para>
      <para>onwaarschijnlijk is dat het hoofd van de eenheid de startinformatie niet </para>
      <para>aan het GAK zou hebben verstrekt, om twee redenen op ondeugdelijke </para>
      <para>gronden berust.</para>
      <para>De eerste reden vindt de steller van het middel hierin gelegen dat ’s Hofs </para>
      <para>overwegingen dubbelzinnig zouden zijn. Het zou onduidelijk zijn of het </para>
      <para>Hof heeft bedoeld dat, ofschoon zulks uit het dossier niet blijkt, het hoofd </para>
      <para>van de eenheid de startinformatie wel zelf heeft verstrekt, dan wel dat het </para>
      <para>hoofd van de eenheid in verstrekking van de informatie zou hebben </para>
      <para>toegestemd indien hem een daartoe strekkend verzoek zou zijn </para>
      <para>voorgelegd ofschoon dat in werkelijkheid niet is gebeurd. Voorts wordt </para>
      <para>betoogd dat de overweging ook nog de uitleg zou toelaten dat het Hof </para>
      <para>heeft gemeend dat het geven van toestemming door het hoofd van de </para>
      <para>eenheid niet uit het dossier behoeft te blijken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>20. Ik kan die onduidelijkheid of dubbelzinnigheid in de bestreden </para>
      <para>overweging niet terugvinden. Zij luidt:</para>
      <para>“Voor zover in casu niet zou zijn voldaan aan het voorschrift dat een </para>
      <para>voorstel om spontaan informatie te verstrekken ter beslissing wordt </para>
      <para>voorgelegd aan het hoofd van de eenheid, waarbij het belang bij de </para>
      <para>informatieverstrekking moet worden aangegeven, hetgeen overigens niet </para>
      <para>uit de aan het hof ter beschikking staande gegevens is gebleken, lijkt het, </para>
      <para>gelet op de zich in het dossier bevindende fiscale gegevens, zeer </para>
      <para>onwaarschijnlijk dat het hoofd van de eenheid die startinformatie niet aan </para>
      <para>het GAK zou hebben verstrekt. Hierbij neemt het hof in aanmerking de </para>
      <para>aard van de verstrekte startinformatie, te weten de enkele mededeling dat </para>
      <para>“de inkomsten hoger waren dan door [verzoeker] werd aangegeven op </para>
      <para>zijn aangiftebiljet IB.” Vervolgens is verder onderzoek van de </para>
      <para>opsporingsfunctionarissen van het GAK verricht en heeft de officier van </para>
      <para>justitie toestemming gegeven om relevante bescheiden uit te wisselen </para>
      <para>met de belastingdienst.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>21. In hierop volgende overwegingen heeft het Hof de inhoud </para>
      <para>weergegeven van de paragrafen 2.2. en 4.2. van het VIV 1993 en van de </para>
      <para>bij dat voorschrift gevoegde bijlage 2B en voorts overwogen:</para>
      <para>“Voor zover de verbalisanten Talamini en Van Apeldoorn na </para>
      <para>bovengenoemde spontane mededeling van de Belastingdienst </para>
      <para>zelfstandig dossier- en boekenonderzoek bij de Belastingdienst hebben </para>
      <para>verricht bevatten de artikelen 50a, eerste tot en met derde lid, en 50, </para>
      <para>letter e, eerste lid, (oud) van de Organisatiewet Sociale Verzekeringen </para>
      <para>hiervoor de wettelijke basis, namelijk een door die bepalingen </para>
      <para>voorgeschreven inlichtingen-verplichting.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>22. Tezamen genomen laten deze overwegingen zich slechts als volgt </para>
      <para>verstaan. De verstrekking van gegevens aan de verbalisant van het GAK </para>
      <para>ter gelegenheid van diens bezoek aan de eenheid van de Belastingdienst </para>
      <para>op 22 mei 1996 vond plaats op diens verzoek, zodat de verplichting aan </para>
      <para>dat verzoek te voldoen voortvloeide uit de art. 50a en 50e Organisatiewet </para>
      <para>Sociale Verzekeringen, zoals die bepalingen toen luidden, en ingevolge </para>
      <para>paragraaf 4.2. van het VIV 1993 was instemming van het hoofd van de </para>
      <para>eenheid geen vereiste. </para>
      <para>Voor zover die instemming wel een vereiste was heeft het Hof niet </para>
      <para>kunnen vaststellen dat daaraan is voldaan. Het Hof heeft daarbij het oog </para>
      <para>op de ‘startinformatie’ en derhalve op de gegevens die de Belastingdienst </para>
      <para>eigener beweging aan het GAK verstrekte op 29 mei 1995. Aan de </para>
      <para>omstandigheid dat uit het dossier niet blijkt dat aan het vereiste van </para>
      <para>instemming van het hoofd van de eenheid is voldaan heeft het Hof geen </para>
      <para>gevolgen willen verbinden, waarbij het belang heeft toegekend aan de </para>
      <para>inhoud van de verstrekte informatie, die naar het inzicht van het Hof </para>
      <para>meebrengt dat het zeer onwaarschijnlijk is dat het hoofd van de eenheid </para>
      <para>zijn instemming zou hebben onthouden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>23. In paragraaf 2.2. van het VIV 1993, één der algemene bepalingen die </para>
      <para>zijn opgenomen in het tweede hoofdstuk van dat voorschrift, is bepaald </para>
      <para>dat, indien in een wettelijke bepaling aan de Belastingdienst de </para>
      <para>verplichting is opgelegd informatie te verstrekken, geen ontheffing van de </para>
      <para>op ambtenaren van de Belastingdienst rustende geheimhoudingsplicht </para>
      <para>behoeft te worden verleend alvorens tot het verstrekken van die </para>
      <para>informatie over te gaan. Ten tijde van het verstrekken van gegevens door </para>
      <para>de Belastingdienst in deze zaak vloeide die verplichting ten aanzien van </para>
      <para>(ambtenaren van) het GAK voort uit de art. 50a en 50e van de inmiddels </para>
      <para>vervallen Organisatiewet Sociale Verzekeringen. Uit paragraaf 4.2. van </para>
      <para>het VIV 1993 vloeit voort dat bij informatieverstrekking op grond van een </para>
      <para>wettelijke verplichting voor het hoofd van de eenheid geen andere taak is </para>
      <para>weggelegd dan er bij zijn superieur melding van maken indien naar zijn </para>
      <para>inzicht het voldoen aan het verzoek een te grote werklast op de eenheid </para>
      <para>legt. Krachtens paragraaf 5.3., betrekking hebbend op de verstrekking </para>
      <para>van informatie aan overheidsinstanties op eigen initiatief van de </para>
      <para>Belastingdienst, dient een voorstel daartoe aan het hoofd van de eenheid </para>
      <para>te worden voorgelegd. Die zal moeten onderzoeken of de te verstrekken </para>
      <para>informatie van belang kan zijn voor, en naar verwachting ook zal worden </para>
      <para>gebruikt bij, de voorkoming of bestrijding van misbruik of oneigenlijk </para>
      <para>gebruik van regelingen van de overheid. Voorts dient spontane </para>
      <para>informatieverstrekking achterwege te blijven bij een te gering financieel </para>
      <para>belang, en dient te worden voorkomen dat informatie wordt verstrekt </para>
      <para>zonder dat daarvan een (beoogd) effect te verwachten valt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>24. Ten aanzien van de informatieverstrekking aan de verbalisant bij </para>
      <para>gelegenheid van diens bezoek aan de eenheid van de Belastingdienst op </para>
      <para>22 mei 1996 - en dus noodzakelijkerwijs op diens verzoek - heeft het Hof </para>
      <para>zich er rekenschap van gegeven dat het verstrekken van die informatie </para>
      <para>voldeed aan de criteria gesteld in paragraaf 4.2. van, en bijlage 2B bij, het </para>
      <para>VIV 1993 zoals het ten tijde van de informatieverstrekking luidde.</para>
      <para>Ten aanzien van de spontane informatieverstrekking op 29 mei 1995 </para>
      <para>heeft het Hof vastgesteld dat weliswaar niet blijkt dat het hoofd van de </para>
      <para>eenheid toestemming had gegeven, zoals krachtens paragraaf 5.3. van </para>
      <para>het VIV 1993 vereist was, maar dat het zeer onwaarschijnlijk is dat het </para>
      <para>hoofd van de eenheid zijn toestemming niet zou hebben verleend, gelet </para>
      <para>op de aard van de verstrekte inlichtingen. Klaarblijkelijk heeft het Hof </para>
      <para>geoordeeld dat het hoofd van de eenheid, gelet op de in paragraaf 5.3. </para>
      <para>van het VIV 1993 gestelde criteria voor toelaatbaarheid van </para>
      <para>informatieverstrekking uit eigen beweging, geen aanleiding had kunnen </para>
      <para>vinden de informatieverstrekking niet toe te staan.</para>
      <para>Dat oordeel is noch onbegrijpelijk, noch onvoldoende met redenen </para>
      <para>omkleed.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>25. De tweede reden waarom dit onderdeel van ’s Hofs overwegingen </para>
      <para>onjuist wordt geacht is er in gelegen dat er voor de rechtsbescherming </para>
      <para>van de burger ‘barre tijden aanbreken’ indien inbreuken op grondrechten </para>
      <para>ongeclausuleerd worden toegestaan indien achteraf, en met </para>
      <para>inachtneming van de resultaten van (onrechtmatig) optreden, vastgesteld </para>
      <para>wordt dat benodigde ambtelijke toestemming, ofschoon kennelijk niet </para>
      <para>gevraagd, toch wel zou zijn gegeven. In dit verband wordt gesproken over </para>
      <para>strijd met art. 8 EVRM in verband met het vereiste van optreden “in </para>
      <para>accordance with the law”.</para>
      <para>Het argument miskent dat weliswaar het maken van inbreuken op in art. </para>
      <para>8 EVRM gewaarborgde rechten slechts is toegelaten indien daarbij </para>
      <para>wettelijke vereisten in acht worden genomen, maar dat de rechter die </para>
      <para>over de rechtmatigheid van overheidsoptreden moet oordelen niet de </para>
      <para>vrijheid kan worden ontzegd - achteraf - vast te stellen dat een bij of </para>
      <para>krachtens de wet voorziene procedure weliswaar niet is gevolgd, maar </para>
      <para>dat het opgetreden verzuim niet zodanige nadelen voor de betrokken </para>
      <para>burger heeft gehad dat daaraan gevolgen moeten worden verbonden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>26. In de toelichting onder c wordt bezwaar gemaakt tegen de </para>
      <para>overweging dat er naar ’s Hofs inzicht in ieder geval geen sprake kan zijn </para>
      <para>geweest van een zodanig ernstig vormverzuim dat daaraan </para>
      <para>bewijsuitsluiting als sanctie zou moeten worden verbonden.</para>
      <para>Gesteld wordt dat ook in deze overweging een onduidelijkheid te vinden </para>
      <para>is. In het midden zou zijn gelaten of de verstrekte informatie naar het </para>
      <para>inzicht van het Hof afkomstig was uit een persoonsregistratie (zoals door </para>
      <para>de vedediging betoogd) of dat het Hof hier uitsluitend het oog heeft gehad </para>
      <para>op het verstrekken van informatie zonder (gebleken) toestemming van </para>
      <para>het hoofd van de eenheid. In werkelijkheid kan die onduidelijkheid in de </para>
      <para>overweging niet gevonden hebben: zij heeft onmiskenbaar betrekking op </para>
      <para>de omstandigheid dat niet is gebleken dat het hoofd van de eenheid </para>
      <para>toestemming is gevraagd voor spontane informatieverstrekking in het ene </para>
      <para>geval waarin dat aan de orde was. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>27. Voorts wordt betoogd dat de verwerping van het gevoerde verweer </para>
      <para>ongenoegzaam is omdat het Hof, uitgaande van een vormverzuim, niet </para>
      <para>had mogen volstaan met de vaststelling dat er geen reden was voor </para>
      <para>bewijsuitsluiting, maar ambtshalve had behoren te onderzoeken of er </para>
      <para>aanleiding was één der andere, in art. 359a Sv genoemde gevolgen aan </para>
      <para>dat verzuim te verbinden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>28. Ook deze klacht faalt. In HR NJ 1999, 104 is benadrukt dat art. 359a </para>
      <para>Sv de rechter in staat stelt binnen het wettelijk kader sancties op </para>
      <para>vormverzuimen af te stemmen op de omstandigheden van het geval, en </para>
      <para>dat "(a)ls de rechter heeft vastgesteld dat zich een onherstelbaar </para>
      <para>verzuim als bedoeld in art. 359a Sv heeft voorgedaan en hij tot het </para>
      <para>oordeel komt dat de in art. 359a, tweede lid, Sv genoemde belangen </para>
      <para>rechtvaardigen dat het verzuim zonder rechtsgevolgen dient te blijven, </para>
      <para>(…) een redelijke uitleg van art. 359a derde lid Sv mee(brengt) dat hij die </para>
      <para>beslissing eveneens in zijn vonnis vermeldt en met redenen omkleedt" </para>
      <para>(cursivering van mij, JW).</para>
      <para>In de onderhavige zaak heeft het Hof vastgesteld dat, ofschoon niet is </para>
      <para>gebleken dat het hoofd van de eenheid van de Belastingdienst zijn </para>
      <para>toestemming heeft gegeven tot het op eigen initiatief verstrekken van </para>
      <para>gegevens aan het GAK, het zeer onwaarschijnlijk is dat die functionaris </para>
      <para>de toestemming niet zou hebben verleend. Daarmee heeft het Hof, dunkt </para>
      <para>mij, vastgesteld dat zich geen onherstelbaar verzuim heeft voorgedaan, </para>
      <para>in ieder geval niet een verzuim waardoor verzoeker in enig rechtens te </para>
      <para>respecteren belang is getroffen. In het licht daarvan geeft het in de </para>
      <para>bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat het geconstateerde </para>
      <para>verzuim tot geen enkele van de in art. 359a Sv genoemde consequenties </para>
      <para>behoort te leiden geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting, terwijl het </para>
      <para>geen nadere motivering behoefde. In dit verband valt nog te wijzen op HR </para>
      <para>7 maart 2000, griffienr. 112.180.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>29. In de toelichting onder f, ten slotte, wordt gesteld dat het Hof ten </para>
      <para>onrechte heeft overwogen:</para>
      <para>"De toelaatbaarheid van de door de Belastingdienst aan het GAK </para>
      <para>verstrekte startinformatie kan ook worden gebaseerd op het bepaalde in </para>
      <para>het eerste lid van artikel 162 van het Wetboek van Strafvordering, een </para>
      <para>bepaling die instanties en personen verplicht misdrijven als waarvan in de </para>
      <para>onderhavige zaak sprake is aangifte te doen bij de officier van justitie, </para>
      <para>met afgifte van de tot de zaak betrekkelijke stukken. De door de </para>
      <para>Belastingdienst verstrekte informatie is uiteindelijk immers door </para>
      <para>tussenkomst van de opsporingsfunctionarissen van het GAK bij de </para>
      <para>officier van justitie terechtgekomen en zou, achteraf bezien, kunnen </para>
      <para>worden aangemerkt als een aangifte als bedoeld in evengenoemd </para>
      <para>artikellid."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>30. Deze klacht acht ik terecht. In de eerste plaats is hier miskend dat de </para>
      <para>eigener beweging verstrekte inlichtingen (daarop heeft het Hof kennelijk </para>
      <para>het oog, aangezien ook hier wordt gesproken van de 'startinformatie') </para>
      <para>betrekking hadden op het vermoedelijk ten onrechte genieten van een </para>
      <para>uitkering. Dat zou een feit opleveren dat is strafbaar gesteld in de sociale </para>
      <para>zekerheidswetgeving of als valsheid in geschrift, maar dat  noch een </para>
      <para>misdrijf als bedoeld in het eerste lid van art. 162 Sv onder a) of b), noch </para>
      <para>een misdrijf waardoor onrechtmatig gebruik wordt gemaakt van een </para>
      <para>regeling waarvan de uitvoering aan ambtenaren van de Belastingdienst is </para>
      <para>opgedragen, als bedoeld in art. 162 lid 1 onder c) Sv kon zijn. De </para>
      <para>uitkering in kwestie was krachtens een werknemersverzekering verstrekt, </para>
      <para>en daarmee heeft de Belastingdienst, anders dan het geval is ten </para>
      <para>aanzien van volksverzekeringen, ook wat de invordering van premies </para>
      <para>betreft geen enkele bemoeienis.</para>
      <para>Deze door het Hof gevolgde redenering is krom en vergezocht, en lijkt mij </para>
      <para>ook in een ander opzicht te berusten op een verkeerde wetsuitleg. Uit de </para>
      <para>aanhef van het eerste lid van art. 162 Sv, en ook uit art. 163 lid 5 Sv, volgt </para>
      <para>dat de wetgever voor ogen heeft gehad dat de in art. 162 Sv bedoelde </para>
      <para>aangifte alleen gedaan kan worden bij de officier van justitie of bij een </para>
      <para>hulpofficier van justitie.</para>
      <para>Overigens is bovendien nog uit het oog verloren dat het al meermalen </para>
      <para>genoemde VIV 1993 ook ten aanzien van het doen van aangifte </para>
      <para>bijzondere bepalingen inhoudt (hoofdstuk 6). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>31. De hier bestreden overweging is blijkens haar bewoordingen en </para>
      <para>gezien de plaats die zij in het geheel der overwegingen inneemt evenwel </para>
      <para>aan te merken als een overweging ten overvloede. Aangezien de er aan </para>
      <para>voorafgaande overwegingen de verwerping van het verweer zelfstandig </para>
      <para>dragen kan de klacht daarom niet tot cassatie leiden, vgl.HR DD 94.122.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>32. Het middel is derhalve in alle onderdelen vruchteloos voorgesteld.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>33. Het derde middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte heeft </para>
      <para>nagelaten het VIV 1993 onverbindend te verklaren. Daarmee wordt aan </para>
      <para>de Hoge Raad een principiële vraag voorgelegd die de verdediging - </para>
      <para>zoals in de toelichting op het middel ook wordt gesignaleerd - bij het Hof </para>
      <para>niet heeft opgeworpen.</para>
      <para>De steller van het middel acht het VIV 1993 in strijd met art.8 EVRM, en </para>
      <para>verwijst naar passages uit een publicatie van de Registratiekamer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>34. In die passages is het evenwel niet het VIV 1993 dat door de </para>
      <para>Registratiekamer - uit een oogpunt van privacy en in verband met het </para>
      <para>legaliteitsbeginsel - ongenoegzaam wordt bevonden, maar art. 67, </para>
      <para>tweede lid, AWR. Naar het inzicht van de Registratiekamer biedt het op </para>
      <para>die bepaling berustende systeem van ministeriële, of door de minister </para>
      <para>(staatssecretaris) gedelegeerde, ontheffing van de in art. 67 lid 1 AWR </para>
      <para>opgenomen geheimhoudingsplicht, waarbij geen beperkingen zijn </para>
      <para>aangegeven (bedoeld zal zijn: in de wet in formele zin) geen adequate </para>
      <para>wettelijke grondslag voor het verstrekken van fiscale persoonsgegevens.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>35. In zoverre lijkt dit middel een uitnodiging aan de Hoge Raad om niet </para>
      <para>zozeer het VIV 1993, alswel art. 67 lid 2 AWR, als wettelijke grondslag </para>
      <para>voor het verstrekken van informatie door de Belastingdienst aan derden </para>
      <para>(in het bijzonder overheidsinstanties, belast met de uitvoering van, of het </para>
      <para>toezicht op, andere delen van de wetgeving), onverbindend te verklaren. </para>
      <para>Dat is naar mijn overtuiging aanzienlijk veel te veel gevraagd. Ik meen niet </para>
      <para>dat het een begaanbare weg is om in deze cassatieprocedure vast te </para>
      <para>stellen dat een wettelijke bepaling onverbindend verklaard behoort te </para>
      <para>worden omdat de Registratiekamer als haar inzicht te kennen heeft </para>
      <para>gegeven dat die bepaling niet langer voldoet aan eigentijdse opvattingen </para>
      <para>omtrent een doeltreffende bescherming van de persoonlijke levenssfeer. </para>
      <para>Met alle respect voor de inzichten van de Registratiekamer, en de </para>
      <para>belangrijke rol die dat College vervult bij de bescherming van de </para>
      <para>persoonlijke levenssfeer, zou zulk onverbindend verklaren van art. 67 lid </para>
      <para>2 AWR niet te verenigen zijn met de taakverdeling tussen wetgever en </para>
      <para>rechter, en in strijd komen met het in art. 11 Wet algemene bepalingen </para>
      <para>tot de rechter gerichte verbod de innerlijke waarde van de wet te </para>
      <para>beoordelen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>36. Opmerking verdient in dit verband - ook met het oog op art. 94 Gr - </para>
      <para>dat in de publicatie van de Registratiekamer, voor zover aangehaald in de </para>
      <para>toelichting op het middel, niet is betoogd dat art. 67 lid 2 AWR, en de </para>
      <para>praktijk van gegevensverstrekking op grond van deze bepaling, duidelijk in </para>
      <para>strijd komen met art. 8 EVRM en de verplichtingen die daaruit voor de </para>
      <para>lidstaten voortvloeien. Evenmin kan er naar mijn inzicht voor de Hoge </para>
      <para>Raad aanleiding zijn die strijdigheid met de verdragsbepaling vast te </para>
      <para>stellen. Het is mijn overtuiging dat het aan andere instanties ter </para>
      <para>beschikking stellen van gegevens door de Belastingdienst - gegevens die </para>
      <para>zij zelf heeft kunnen verkrijgen omdat belasting- en inhoudingsplichtigen </para>
      <para>wettelijk verplicht zijn die aan haar op te geven - aangemerkt moet </para>
      <para>worden als een vorm van inmenging in de uitoefening van het recht op </para>
      <para>een persoonlijke levenssfeer in de zin van art. 8 EVRM. Die is evenwel bij </para>
      <para>wet voorzien. Het lijkt mij niet goed verdedigbaar dat aan dit </para>
      <para>verdragsrechtelijke vereiste niet langer voldaan kan zijn omdat - van zeer </para>
      <para>gezaghebbende zijde - is betoogd dat de bestaande wettelijke regeling is </para>
      <para>verouderd, en ontwikkelingen rond de bescherming van de persoonlijke </para>
      <para>levenssfeer thans vergen dat de aan ambtenaren van de Belastingdienst </para>
      <para>op te leggen beperkingen ten aanzien van het bekend maken van hen ter </para>
      <para>beschikking staande persoonsgegevens aan andere </para>
      <para>(overheids)instanties worden opgenomen in de wet in formele zin, in </para>
      <para>plaats van (zoals thans het geval is) in een uitvoeringsvoorschrift. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>37. Hier zou een taak liggen voor de wetgever, niet voor de rechter. </para>
      <para>Reeds daarom moet het middel falen. Voor zover in de toelichting op dit </para>
      <para>middel wordt betoogd dat het VIV 1993 onverbindend verklaard zou </para>
      <para>moeten worden omdat het ontbreken van een adequaat te achten </para>
      <para>wettelijke grondslag voor hetgeen daarin is bepaald in strijd komt met het </para>
      <para>legaliteitsbeginsel in de zin van art. 1 Sv kan dat betoog evenmin worden </para>
      <para>gevolgd. Nog daargelaten dat het maar de vraag is of het ter beschikking </para>
      <para>stellen van gegevens, die een overheidsinstantie uit hoofde van haar </para>
      <para>controlerende en uitvoerende taken heeft verkregen, aan functionarissen </para>
      <para>van een met de uitvoering van andere wetten belast orgaan, opdat de </para>
      <para>laatsten die gegevens in een opsporingsonderzoek zullen betrekken, als </para>
      <para>een daad van opsporing in de zin van art. 1 Sv moet worden beschouwd, </para>
      <para>kan niet worden gezegd dat er toepassing is gegeven aan een </para>
      <para>bevoegdheid die geen grondslag in de wet kent. Ofschoon naar het </para>
      <para>inzicht van de Registratiekamer verouderd, blijft art. 67 AWR die </para>
      <para>grondslag bieden. Art. 1 Sv verzet zich er niet tegen dat nadere regels </para>
      <para>omtrent de uitoefening van een bevoegdheid worden opgenomen in </para>
      <para>andere vormen van regelgeving dan een wet in formele zin.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>38. Ook het argument dat het VIV 1993 buiten toepassing zou moeten </para>
      <para>blijven omdat het geen voor de gemiddelde burger toegankelijke regeling </para>
      <para>is snijdt geen hout. Met name op het gebied van de sociaal-economische </para>
      <para>en fiscale wetgeving zijn er tal van uitvoeringsvoorschriften waarin nader </para>
      <para>wordt bepaald hoe overheidsfunctionarissen hun taken dienen te </para>
      <para>verrichten, en overigens soms ook hoe ver de verplichtingen van </para>
      <para>ingezetenen strekken. De 'gemiddelde burger' zal zich grote moeite </para>
      <para>moeten getroosten om precies te achterhalen wat er op dat vlak is </para>
      <para>geregeld. Het is echter mogelijk: ook het VIV 1993 is in de Staatscourant </para>
      <para>gepubliceerd, en ook de uitgevers zijn aan die regeling niet </para>
      <para>voorbijgegaan, vgl (met betrekking tot de situatie ten tijde van de </para>
      <para>gegevensverstrekking in deze zaak) de bij deel 82, zesde druk, van de </para>
      <para>Schuurman en Jordens-reeks behorende 2de gecumuleerde aanvulling </para>
      <para>van 1 oktober 1994, p. 1017.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>39. Ten slotte wordt, naar ik begrijp, als redenen om het VIV 1993 </para>
      <para>onverbindend te achten aangevoerd dat de omstandigheden waaronder </para>
      <para>gegevensverstrekking aan derden kan plaatsvinden daarin met zo weinig </para>
      <para>nauwkeurigheid zijn beschreven dat niet voorzienbaar zou zijn wanneer </para>
      <para>die gegevensverstrekking, en daarmee een inmenging in de persoonlijke </para>
      <para>levenssfeer, mogelijk is, terwijl de regeling onvoldoende waarborgen biedt </para>
      <para>voor een verantwoord omgaan met de bevoegdheid gegevens aan </para>
      <para>andere instanties te verstrekken omdat het oordeel daaromtrent binnen </para>
      <para>het bestuursorgaan (medewerker of hoofd van de eenheid van de </para>
      <para>Belastingdienst) wordt gegeven. </para>
      <para>Als voorbeeld van het gebrek aan duidelijkheid omtrent de </para>
      <para>omstandigheden waaronder gegevens aan derden kunnen worden </para>
      <para>verstrekt wordt genoemd de onduidelijkheid die zou zijn blijven bestaan </para>
      <para>met betrekking tot het begrip 'dossier op een eenheid'. In het voorgaande </para>
      <para>is er op gewezen dat die onduidelijkheid niet blijkt te bestaan indien aan </para>
      <para>'dossier' de betekenis wordt toegekend die met algemeen geaccepteerd </para>
      <para>spraakgebruik overeenkomt. Ook overigens meen ik niet dat de </para>
      <para>omstandigheden waaronder bij de Belastingdienst berustende gegevens </para>
      <para>aan derden kunnen worden verstrekt zo gebrekkig zijn omschreven dat </para>
      <para>het VIV 1993 onmogelijk kan gelden, tezamen met het tweede lid van art. </para>
      <para>67 AWR, als de wettelijke voorziening bedoeld in art. 8, lid 2, EVRM.  Dat </para>
      <para>kan ook niet worden afgeleid uit de omstandigheid dat het besluit tot </para>
      <para>gegevensverstrekking binnen het bestuursorgaan zelf moet worden </para>
      <para>genomen, overigens een niet ongebruikelijke figuur in het bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>40. Ook het laatste middel is vruchteloos voorgesteld. Gronden waarop </para>
      <para>de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de </para>
      <para>bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen vond ik niet. Deze </para>
      <para>conclusie strekt tot verwerping van het beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
    </parablock>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>