<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2000:AA7787</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T02:07:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA7787</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2000-10-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">112916</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2000:AA7787" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA7787</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA7787">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA7787</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:11:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2000:AA7787 Parket bij de Hoge Raad , 24-10-2000 / 112916</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA7787:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA7787:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Nr.112.916	</para>
      <para>Mr Fokkens</para>
      <para>Zitting 9 mei 2000</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Conclusie inzake: [Verdachte]</para>
    <para />
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Verdachte is door het gerechtshof te Amsterdam wegens het medeplegen van </para>
      <para>het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 lid 1 onder A van de </para>
      <para>Opiumwet gegeven verbod veroordeeld tot een gevangenisstraf van één jaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Namens verdachte heeft mr H.R. Kant, advocaat te Krommenie, een schriftuur  </para>
      <para>ingediend, welke twee klachten bevat.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Allereerst stelt de indiener dat de bewezenverklaring niet naar behoren is </para>
      <para>gemotiveerd, nu uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat er sprake is </para>
      <para>van “medeplegen.”  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. Het hof heeft, voor zover relevant, bewezenverklaard dat verdachte</para>
      <para>“tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van </para>
      <para>Nederland heeft gebracht als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, een </para>
      <para>hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.” </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. In het middel wordt niet uiteengezet waarom de bewezenverklaring niet uit de </para>
      <para>bewijsmiddelen kan volgen. Dat zou de steller ook niet meegevallen zijn, omdat </para>
      <para>het hof uit de bewijsmiddelen zonder enige twijfel kon afleiden dat verdachte </para>
      <para>zodanig bij de uitvoer van 100 gram cocaïne betrokken was dat dit het </para>
      <para>tenlastegelegde medeplegen opleverde. De bewijsmiddelen houden immers in dat </para>
      <para>verdachte op bestelling 100 gram cocaïne - dus vele malen meer dan de </para>
      <para>gebruikershoeveelheid - heeft verkocht aan de daarvoor uit Duitsland gekomen </para>
      <para>“Meyer auf der Heide”. Daaruit heeft het hof - mede gelet op de ruime </para>
      <para>omschrijving van het begrip “buiten het grondgebied brengen” in artikel 1 lid 5 van </para>
      <para>de Opiumwet, waarnaar de tenlastelegging verwijst -  niet alleen kunnen afleiden </para>
      <para>dat verdachtes gedragingen medeplegen van het buiten het grondgebied brengen </para>
      <para>van cocaïne opleverden, maar ook kunnen concluderen dat verdachte minst </para>
      <para>genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat die cocaïne </para>
      <para>vervolgens naar Duitsland vervoerd - en aldus buiten het grondgebied van </para>
      <para>Nederland gebracht - zou worden en derhalve heeft gehandeld met het </para>
      <para>tenlastegelegde opzet.  Het middel faalt.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. In de tweede plaats wordt er in de schriftuur geklaagd over de motivering van de </para>
      <para>strafmaat, die ondeugdelijk zou zijn. De indiener betoogt: “Het hof kan niet </para>
      <para>volstaan met de zinsnede “mede gelet op de persoon van de verdachte zoals door </para>
      <para>het hof verwoord in de eerste alinea onder het kopje “De bewijslevering.” </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>7. Als gezegd heeft het hof verdachte veroordeeld tot één jaar gevangenisstraf. Het </para>
      <para>hof heeft die straf, behalve met de standaardmotivering, gemotiveerd met de </para>
      <para>overweging: ”Verdachte heeft samen met anderen opzettelijk een aanzienlijke </para>
      <para>hoeveelheid cocaïne buiten het grondgebied van Nederland gebracht. Cocaïne is </para>
      <para>een voor de volksgezondheid schadelijke stof en de verspreiding daarvan gaat </para>
      <para>gepaard met door verslaafden gepleegde criminaliteit. De procureur-generaal heeft </para>
      <para>in hoger beroep terzake van het onder 1 en 7 tenlastegelegde dezelfde </para>
      <para>gevangenisstraf van eenentwintig maanden gevorderd als door de rechtbank </para>
      <para>opgelegd. Zoals hierboven reeds is overwogen, acht het hof - kort gezegd - de </para>
      <para>criminele organisatie niet bewezen. Een gevangenisstraf van een jaar is naar het </para>
      <para>oordeel van het hof een alleszins passende sanctie op het bewezenverklaarde, </para>
      <para>mede gelet op de persoon van de verdachte zoals door het hof verwoord in de </para>
      <para>eerste alinea onder het kopje “De bewijslevering.”   </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>8. Anders dan de indiener stelt, heeft het hof níet volstaan met de in de schriftuur </para>
      <para>geciteerde zinsnede. De klacht mist feitelijke grondslag. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>9. De klachten kunnen worden afgedaan met de in art. 101a RO bedoelde </para>
      <para>motivering. Ook ambtshalve is er geen reden voor vernietiging, zodat ik concludeer </para>
      <para>dat het beroep wordt verworpen.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
    </parablock>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>