<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2000:AA7779</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T01:36:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA7779</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2000-10-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">112917</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2000:AA7779" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA7779</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2000, 523</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2000, 740</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA7779">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA7779</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:11:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2000:AA7779 Parket bij de Hoge Raad , 24-10-2000 / 112917</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA7779:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA7779:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Nr. 112.917     </para>
      <para>mr J.W. Fokkens</para>
      <para>Zitting 9 mei 2000</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Conclusie</para>
      <para>inzake: [Verdachte] </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Het gerechtshof te Amsterdam van 29 maart 1999 heeft verdachte wegens het </para>
      <para>opzettelijk doen van onjuiste belastingaangifte, meermalen gepleegd, veroordeeld </para>
      <para>tot een gevangenisstraf van achttien maanden.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Namens verdachte hebben mrs C.F. Korvinus en G.G.J. Knoops, advocaten te </para>
      <para>Amsterdam, twintig middelen van cassatie ingediend. De eerste zeven middelen </para>
      <para>hebben alle betrekking op het in feitelijke aanleg gevoerde verweer dat de </para>
      <para>beginselen van een goede procesorde zijn geschonden, als gevolg waarvan het </para>
      <para>openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden of tenminste </para>
      <para>bewijsuitsluiting zou moeten volgen.  De middelen acht tot en met twintig klagen </para>
      <para>over de bewezenverklaring van belastingfraude.   </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof het verweer dat ten tijde van de </para>
      <para>vordering GVO geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld van </para>
      <para>verdachte aan een strafbaar feit, ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd </para>
      <para>heeft verworpen. De vordering zou immers zijn gebaseerd op oude, al voor 1994 bij </para>
      <para>justitie bekend zijnde CID-informatie die voor dat redelijk vermoeden eerder </para>
      <para>onvoldoende was gebleken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van verdachte gesteld dat </para>
      <para>aan de vordering GVO van 5 oktober 1994 geen redelijk vermoeden van schuld ten </para>
      <para>grondslag lag. De vordering zou immers enerzijds op een nietszeggend </para>
      <para>milieuonderzoek en anderzijds op een pv van [verbalisant 1], toen werkzaam bij </para>
      <para>het KTR (Kernteam Randstad -noord en -midden) steunen, welk pv CID-informatie </para>
      <para>bevatte die eerder onvoldoende was bevonden om [verdachte] als verdachte aan te </para>
      <para>merken.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. Het hof heeft naar aanleiding van dat verweer het volgende overwogen:   </para>
      <para>“ Naar het oordeel van het hof levert de CID-informatie, opgenomen in het proces-</para>
      <para>verbaal van 28 september 1994 van [verbalisant 1], jegens verdachte voldoende </para>
      <para>verdenking van (tenminste) een concreet strafbaar feit op, te weten deelname aan </para>
      <para>een criminele organisatie. Hieraan doet niet af dat deze informatie bij de </para>
      <para>onderscheiden RCID’s grotendeels is binnengekomen in de periode voor 1 april </para>
      <para>1994 (datum waarop zogenaamd “RADAR-onderzoek” is gestart naar een </para>
      <para>criminele organisatie waaraan verdachte leiding zou geven, JWF). Deze informatie </para>
      <para>is, immers op één niet relevante uitzondering na, voor het eerst aan het KTR in de </para>
      <para>persoon van [verbalisant 1] verstrekt in september 1994. De stelling van de </para>
      <para>raadsman dat eerder was vastgesteld dat op basis van deze informatie geen </para>
      <para>concrete gegevens of aanknopingspunten voorkwamen waaruit [verdachte] als </para>
      <para>verdachte zou kunnen worden bestempeld, mist derhalve feitelijke grondslag.”  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. Het oordeel van het hof dat niet eerder was vastgesteld dat deze informatie </para>
      <para>geen aanleiding gaf tot enige actie van de zijde van justitie is feitelijk en, gelet op </para>
      <para>de verklaring van [verbalisant 1], luidende: “Tot december 1993 </para>
      <para>ben ik chef CID van het IRT geweest(…) Op 7 december 1993 plofte het IRT (…)  </para>
      <para>Wij hadden echter nog niet voldoende informatie in december 1993 over </para>
      <para>[verdachte] om over te kunnen gaan tot zijn aanhouding. Wel was er toen al CID-</para>
      <para>informatie over [verdachte]. Die informatie is teruggestuurd. Ik begrijp dat met “het </para>
      <para>rondje [verbalisant 1]” wordt bedoeld het door mij in 1994 informeren bij de CID’s in </para>
      <para>het land naar informatie over [verdachte] (…) Ik heb toen, tegen de personen van </para>
      <para>de CID’s die ik benaderde, gezegd dat de CID van het KTR actuele informatie, die </para>
      <para>ook te gebruiken was, over [verdachte] wilde hebben. Ik heb van de CID’s nieuwe </para>
      <para>informatie over [verdachte] ontvangen (…) Geen van de informaties die ik in 1994 </para>
      <para>ontving heb ik herkend als eerder, in de IRT-tijd, verstrekte informatie. Alleen de </para>
      <para>informatie dat [verdachte] de organisatie van Bruinsma had overgenomen, was al </para>
      <para>lang bekend (…)”   niet onbegrijpelijk. Het oordeel dat de informatie vervat in het </para>
      <para>proces-verbaal van 28 september 1994 een  redelijk vermoeden van schuld van </para>
      <para>verdachte aan de in de vordering GVO genoemde feiten op kon leveren, geeft geen </para>
      <para>blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het eerste middel </para>
      <para>faalt.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>7. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte zou hebben </para>
      <para>geoordeeld dat er ondanks de langdurige inzet van dwangmiddelen tegen </para>
      <para>verdachte geen sprake is geweest van een inbreuk op zijn persoonlijke </para>
      <para>levenssfeer.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>8. Allereerst merk ik op dat het hof, anders dan de indieners stellen, wel degelijk </para>
      <para>van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte is uitgegaan - er zijn </para>
      <para>immers dwangmiddelen, onder andere telefoontaps, tegen hem ingezet -, maar </para>
      <para>van oordeel is geweest dat er niet van een zodanige inbreuk sprake was, dat er </para>
      <para>geen eerlijke berechting als gewaarborgd in artikel 6 EVRM zou hebben </para>
      <para>plaatsgevonden. De overweging van het hof luidt als volgt: “Hoewel kan worden </para>
      <para>betoogd dat het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk vooronderzoek achteraf </para>
      <para>bezien niet veel bezwarende gegevens hebben opgeleverd, kan niet worden </para>
      <para>volgehouden dat de in de loop van die onderzoeken gebleken feiten en </para>
      <para>omstandigheden - gezien in het licht van de verdenking van op grote schaal </para>
      <para>gepleegde strafbare feiten- onvoldoende grond boden om telkens tot verlenging van </para>
      <para>de dwangmiddelen over te gaan. Het is juist dat dit gebruik lang heeft geduurd. </para>
      <para>Alle omstandigheden in aanmerking nemend is het hof niet van oordeel dat te </para>
      <para>dezen langduriger gebruik is gemaakt van dwangmiddelen dan als door de </para>
      <para>omstandigheden gerechtvaardigd kan worden beschouwd. Derhalve is niet </para>
      <para>aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van een zodanige inbreuk op de </para>
      <para>persoonlijke levenssfeer van verdachte dat er hierdoor in het licht van artikel 6 van </para>
      <para>het EVRM geen sprake meer zou zijn van een eerlijke berechting.” </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>9. De toets aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, die het hof </para>
      <para>volgens de indieners niet heeft aangelegd, ligt in het oordeel van het hof besloten. </para>
      <para>Het hof oordeelt immers dat de omstandigheden de langdurige inzet van de </para>
      <para>dwangmiddelen tegen verdachte rechtvaardigden, nu er een verdenking was van op </para>
      <para>grote schaal gepleegde strafbare feiten en het onderzoek aanvankelijk zoadanige </para>
      <para>gegevens opleverde dat er alle aanleiding was dit voort te zetten. Dat oordeel geeft </para>
      <para>geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ik wijs in dit </para>
      <para>verband op de motivering van de vrijspraak van feit 1, die inhoudt dat het </para>
      <para>onderzoek sterke aanwijzingen opleverde dat het samenwerkingsverband van </para>
      <para>verdachten en zijn medeverdachten zich bezighield met zaken die het daglicht </para>
      <para>niet konden velen, zoals onder meer bleek uit de pogingen die men ondernam </para>
      <para>(door verhullend taalgebruik en wisselende telefoonaansluitingen) om te </para>
      <para>voorkomen dat men werd afgeluisterd.   </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>10. Het derde middel behelst de klacht dat het hof het verweer dat al het </para>
      <para>bewijsmateriaal dat is verworven na de uitbreiding van het GVO van 5 augustus </para>
      <para>1995, onrechtmatig zou zijn verkregen, ten onrechte, althans onvoldoende </para>
      <para>gemotiveerd heeft verworpen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>11. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging kort gezegd een beroep </para>
      <para>op onrechtmatig verkregen bewijs gedaan omdat aan de nadere vordering GVO </para>
      <para>van 2 augustus 1995 de zogeheten Bruinsma-taps ten grondslag zijn gelegd, </para>
      <para>welke taps, zo begrijp ik uit de stukken, zijn verkregen in het in 1989 gestarte </para>
      <para>onderzoek tegen Bruinsma, verdachte en anderen en ingevolge een bevel van de </para>
      <para>rechter-commissaris reeds in 1993 vernietigd hadden moeten worden (artikel 125h </para>
      <para>Sv oud). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>12. De nadere vordering GVO zag op uitbreiding van het lopende vooronderzoek </para>
      <para>met verdenking van overtreding van artikel 68 AWR, het doen van een onjuiste </para>
      <para>belastingaangifte. De nadere vordering is, zo kan uit de stukken worden </para>
      <para>opgemaakt, gedaan naar aanleiding van overleg met de belastinginspecteur, welk </para>
      <para>overleg het vermoeden deed rijzen dat verdachte in Nederland belastingplichtig </para>
      <para>was zonder dat de door hem ingevulde aangiftebiljetten daar blijk van gaven.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>13. Het hof heeft in het arrest bij de bespreking van de niet-</para>
      <para>ontvankelijkheidsverweren twee delen van processen-verbaal opgenomen, waaruit </para>
      <para>het heeft afgeleid “(…) dat de nadere vordering gerechtelijk vooronderzoek van 2 </para>
      <para>augustus 1995 niet uitsluitend op de Bruinsma-taps steunde, maar dat andere </para>
      <para>gegevens, waaronder de observatieverslagen en de door verdachte ingeleverde </para>
      <para>aanslagbiljetten op zich reeds voldoende verdenking van opzettelijk handelen in </para>
      <para>strijd met artikel 68 AWR rechtvaardigen.”  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>14. Aansluitend overwoog het hof: “Naar het oordeel van het hof kon de </para>
      <para>rechter-commissaris ook zonder de Bruinsma-taps overgaan tot de uitbreiding van </para>
      <para>het gerechtelijk vooronderzoek. Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat </para>
      <para>al hetgeen na de uitbreiding van het gerechtelijk vooronderzoek aan bewijs is </para>
      <para>vergaard onrechtmatig is geweest, wordt dit door het hof verworpen. Het hof </para>
      <para>begrijpt dat de Bruinsma-taps aan de inspecteur zijn voorgelegd (in het kader van </para>
      <para>genoemd overleg, JWF) zodat hij deze kon betrekken bij zijn beoordeling van de </para>
      <para>vraag waar het middelpunt van de levensbelangen van [verdachte] in 1990 en 1991 </para>
      <para>lag. Het hof blijft bij zijn eerder (17 juli 1998) uitgesproken oordeel dat de </para>
      <para>Bruinsma-taps niet gebruikt hadden mogen worden en dus ook niet aan de </para>
      <para>inspecteur hadden mogen worden voorgelegd, nu deze vernietigd hadden behoren </para>
      <para>te zijn. Niet is evenwel gebleken of aannemelijk geworden dat deze taps met </para>
      <para>doelbewuste schending van of met grove veronachtzaming van de belangen van </para>
      <para>verdachte of van zijn recht op een eerlijk proces aan de inspecteur zijn voorgelegd. </para>
      <para>Het hof acht het gebruik van de Bruinsma-taps van onvoldoende belang om </para>
      <para>hieraan in de strafzaak gevolgen te verbinden.”  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>15. Onder het kopje “bewijsverweren” heeft het hof in dit verband nog </para>
      <para>opgenomen: “Voor zover verdachte zich erop heeft beroepen dat de zogenaamde </para>
      <para>“Bruinsma-taps” niet mogen worden gebezigd voor het bewijs van de </para>
      <para>belastingdelicten merkt het hof op dat de taps niet zijn opgenomen onder de </para>
      <para>bewijsmiddelen. Daaraan zij toegevoegd: voorts is niet gebleken dat de </para>
      <para>bewijsmiddelen die wél worden gebruikt, rechtstreeks dan wel in belangrijke mate </para>
      <para>het gevolg zijn van het gebruik van de taps bij de nadere vordering GVO van 5 </para>
      <para>augustus 1995 (vordering is van 2 augustus 1995, JWF).” </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>16. In het middel wordt allereerst aangevoerd dat de taps wel degelijk als </para>
      <para>uitsluitende grondslag voor het nadere GVO hebben te gelden, omdat </para>
      <para>“observatiegegevens en aangiftebiljetten zogeheten, qua </para>
      <para>opzet/schuldcomponenten, kleurloze gegevens behelzen,” dit in tegenstelling tot </para>
      <para>de taps die derhalve voor de toewijzing van de vordering doorslaggevend moeten </para>
      <para>zijn geweest.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>17. Deze klacht treft geen doel. Het oordeel van het hof dat andere gegevens dan </para>
      <para>de Bruinsma-taps voldoende verdenking van opzettelijk handelen in strijd met art. </para>
      <para>68 konden opleveren, geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is niet </para>
      <para>onbegrijpelijk. De omstandigheid dat het hof voor de bewezenverklaring van </para>
      <para>opzettelijk handelen in strijd met artikel 68 AWR ook verklaringen van verdachte </para>
      <para>relevant achtte, neemt niet weg dat ook zonder dergelijke verklaringen er sprake </para>
      <para>kon zijn van een verdenking ter zake.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>18. In hun tweede klacht bepleiten de stellers van het middel dat de Hoge Raad </para>
      <para>terugkomt op zijn eis dat het verkregen bewijsmateriaal rechtstreeeks dan wel in </para>
      <para>belangrijke mate is verkregen door het onrechtmatig handelen. Ik zie hiervoor geen </para>
      <para>reden, alleen al omdat de rechtsgrond van de uitsluiting niet is de noodzaak van </para>
      <para>sturing en disciplinering van de politie, maar de inbreuk op rechten van de </para>
      <para>verdachte. Uitsluiting ligt dan als sanctie alleen voor de hand als die inbreuk tot </para>
      <para>het verkrijgen van bewijsmateriaal heeft geleid. Is dat niet het geval, dan kan </para>
      <para>bijvoorbeeld op grond van art. 359a Sv worden gedacht aan strafvermindering. Zie </para>
      <para>voor een voorbeeld: HR NJ 1999, 104. Ook het derde middel faalt.   </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>19. Het vierde middel richt zich tegen de onder punt 9 weergegeven </para>
      <para>slotoverweging van het hof dat niet is gebleken of aannemelijk geworden dat de </para>
      <para>Bruinsma-taps met doelbewuste schending van of met grove veronachtzaming van </para>
      <para>de belangen van verdachte of van zijn recht op een eerlijk proces aan de </para>
      <para>inspecteur zijn voorgelegd. Die conclusie zou zich niet verdragen met andere </para>
      <para>overwegingen in ‘s-Hofs arrest, inhoudende dat “ (…) bij het in het voorjaar van </para>
      <para>1994 aangevangen onderzoek (waaraan overigens een zekere verbetenheid niet </para>
      <para>kan worden ontzegd) fouten zijn gemaakt, sommige van ernstige aard, namelijk </para>
      <para>(…) het gebruik van de Bruinsma-taps.”  Uit de omstandigheid dat het onderzoek </para>
      <para>met een zekere verbetenheid is gevoerd, zou immers volgen dat er wel degelijk </para>
      <para>sprake is geweest van ernstige onachtzaamheid ten aanzien van de belangen van </para>
      <para>de verdachte.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>20. Die klacht treft mijns inziens geen doel. De enkele omstandigheid dat het </para>
      <para>onderzoek tegen verdachte met een zekere verbetenheid is gevoerd betekent op </para>
      <para>zich nog niet dat er ten aanzien van een gedurende dat onderzoek gemaakte fout </para>
      <para>sprake is van een grove veronachtzaming van de belangen van verdachte bij het </para>
      <para>maken van die fout.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>21. Vervolgens betoogt het middel, dat het gebruik van de tap-gegevens uit het </para>
      <para>Bruinsma-onderzoek op zich een zodanig ernstige schending van het recht op een </para>
      <para>fair trial oplevert, dat dit tot niet-ontvankelijkheid dient te leiden zonder dat behoeft </para>
      <para>te worden aangetoond dat er ‘opzettelijk dan wel met doelbewuste schending van </para>
      <para>de belangen van verdachte is gehandeld.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>22. In NJ 1996, 249 heeft Uw Raad overwogen dat onrechtmatig optreden van </para>
      <para>opsporingsambtenaren een zodanige schending van de beginselen van een goede </para>
      <para>procesorde kan opleveren, dat - ook in een geval waarin overigens voldoende op </para>
      <para>rechtmatige wijze verkregen bewijsmateriaal voorhanden is - niet-ontvankelijkheid </para>
      <para>van het openbaar ministerie als sanctie moet volgen. Een zo ver gaande sanctie is </para>
      <para>echter pas aan de orde indien sprake is van ernstige inbreuken op genoemde </para>
      <para>beginselen, waardoor doelbewust of met grove verontachtzaming van de belangen </para>
      <para>van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is </para>
      <para>tekortgedaan, aldus Uw Raad.   </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>23. In de conclusie in die zaak heeft mijn toenmalig ambtgenoot Van Dorst </para>
      <para>aangegeven dat de Hoge Raad, waar hij het verval van het vervolgingsrecht in NJ </para>
      <para>1982, 233 nog zonder enige restrictie aanvaardde als antwoord op schending van </para>
      <para>de beginselen van een goede procesorde, in uitspraken van latere datum te </para>
      <para>kennen heeft gegeven dat die sanctie alleen in het uiterste geval, bij ernstige </para>
      <para>schending van die beginselen, opgelegd dient te worden (voor een overzicht van </para>
      <para>die uitspraken verwijs ik naar die conclusie). In geval van verdragsschendingen is </para>
      <para>de relativering van die sanctie al eerder aangenomen (o.a. HR NJ 1974, 272; </para>
      <para>G.J.M. Corstens, a.w., p.206-208).  Uw Raad heeft de voorwaarden voor niet-</para>
      <para>ontvankelijkheid in geval van schending van de beginselen van een goede </para>
      <para>procesorde in de Zwolsmanzaak aangescherpt, door te overwegen dat er </para>
      <para>bovendien doelbewust en met grove verontachtzaming van de belangen van de </para>
      <para>verdachte moet zijn gehandeld. Is dat laatste niet het geval, dan is een </para>
      <para>terechtwijzing van het openbaar ministerie die ertoe leidt dat de vraag naar de </para>
      <para>schuld van verdachte in het geheel niet meer aanbod komt, niet op zijn plaats, zo </para>
      <para>begrijp ik die toevoeging. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>24. Sindsdien heeft Uw Raad klachten over het uitblijven van de niet-</para>
      <para>ontvankelijkheid bij schending van de beginselen van een goede procesorde </para>
      <para>steeds mede in het licht van die nieuwe voorwaarde beoordeeld (zie met name HR </para>
      <para>NJ 1999, 122 en NJ 1999, 565). Ik zie geen reden om op dit uitgangspunt terug te </para>
      <para>komen. De indieners van het middel stellen weliswaar dat het gebruik van die taps </para>
      <para>zo ernstig is dat daarop zonder meer de niet-ontvankelijkheid van het openbaar </para>
      <para>ministerie dient te volgen, maar onderbouwen dit oordeel niet nader. Uitgaande </para>
      <para>van de vaststelling van het hof dat die taps geen bepalende invloed hebben gehad </para>
      <para>in deze zaak, is volstrekt niet duidelijk in welk opzicht verdachtes recht op een </para>
      <para>eerlijk proces door dit gebruik is geschonden. Ik kan daarvoor in de toelichting ook </para>
      <para>geen enkel aanknopingspunt vinden. Het middel is ondeugdelijk.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>25. Het vijfde middel behelst de klacht dat het hof het beroep op de niet-</para>
      <para>ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging wegens schending </para>
      <para>van de beginselen van een goede procesorde door het beïnvloeden van getuigen </para>
      <para>tijdens een training vóór de zitting, ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd </para>
      <para>heeft verworpen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>26. Het hof heeft naar aanleiding van dat verweer het volgende </para>
      <para>overwogen: “a. Op 28 september 1998 heeft het hof (onder meer) het volgende </para>
      <para>oordeel uitgesproken, met het voorbehoud dat het een voorlopig oordeel was, </para>
      <para>aangezien het hof nader onderzoek (getuigenverhoren) noodzakelijk achtte: </para>
      <para>Gebleken is dat, nadat het hof op 17 juli 1998 had beslist dat enige chefs van </para>
      <para>regionale CID's en enige observanten (op verzoek van de verdediging) op de lijst </para>
      <para>van getuigen werden geplaatst, op initiatief van onder anderen de chef CID van het </para>
      <para>KTR [getuige 7] aan deze getuigen is aangeboden op het bureau van het KTR een </para>
      <para>zogenaamde rechtbanktraining te volgen. De getuigen hebben aan die uitnodiging </para>
      <para>gehoor gegeven. De training is telkens gegeven door de bedrijfspsycholoog </para>
      <para>[getuige 5]. Bij de training van de CID-chefs waren verder aanwezig [getuige 7] en </para>
      <para>ongeveer vijf CID-runners van het KTR; bij de training van de observanten was </para>
      <para>naast [getuige 5] de chef van het observatieteam van het KTR aanwezig. [getuige </para>
      <para>5] heeft voor de training van elke getuige een vragenlijst opgesteld, dit mede aan </para>
      <para>de hand van (een) door de betrokkene opgemaakt(e) proces(sen)-verbaal, dan wel </para>
      <para>poces(sen)-verbaal waarin observaties van de getuige zijn gerelateerd. Het hof </para>
      <para>gaat er vanuit dat bij het entameren van de training niets anders heeft voorgezeten </para>
      <para>dan de door (onder anderen) [getuige 5] meegedeelde drievoudige doelstelling, te </para>
      <para>weten:a. bijdragen aan de stressbestendigheid, mede om te voorkomen dat de </para>
      <para>getuige in paniek of verwarring zou raken als in snelle opeenvolging een groot </para>
      <para>aantal vragen op hem zou worden afgevuurd; b. aanwijzingen geven over gedrag en </para>
      <para>houding tijdens het verhoor; c. opfrissen van dossierkennis (noodzakelijk geacht </para>
      <para>vanwege de omvang van de zaak), mede ter wille van het zelfvertrouwen. Op deze </para>
      <para>meervoudige doelstelling valt op zichzelf niets aan te merken. Het hof is van </para>
      <para>oordeel dat (uit een oogpunt van een eerlijk proces) het in het algemeen </para>
      <para>gesproken niet ontoelaatbaar is dat op initiatief van leidinggevenden bij de politie </para>
      <para>een cursus/training als hier aan de orde, met de hiervoor onder a  en b genoemde </para>
      <para>doelstellingen, wordt aangeboden aan de politie-ambtenaren, van wie bekend is </para>
      <para>dat zij ter rechtzitting of bij een rechter-commissaris opgeroepen zijn of zullen </para>
      <para>worden. Het aansporen en het gelegenheid geven tot het ophalen van de </para>
      <para>dossierkennis voorafgaande aan het verhoor is evenmin bedenkelijk. Bijzondere </para>
      <para>aspecten van dit geval zijn:  - het feit dat het om getuigen á décharge gaat;  - het </para>
      <para>gebruik van de casus van deze zaak- als oefenstof,  - het feit dat de training is </para>
      <para>gegeven door en bij het KTR; - de aanwezigheid van CID-rechercheurs van het </para>
      <para>KTR bij de training van de externe CID-chefs. Het hof deelt niet het (naar het hof </para>
      <para>begrijpt) door de verdediging aangehangen standpunt dat zodra politie-ambtenaren </para>
      <para>door de verdediging als getuigen zijn opgegeven, respectievelijk op haar verzoek </para>
      <para>op de lijst van getuigen zijn geplaatst, (ambtelijk) contact met deze getuigen met </para>
      <para>betrekking tot de zaak waarover het gaat niet meer is toegelaten. Dat de door </para>
      <para>[getuige 5] gestelde vragen telkens waren ontleend aan en (vrijwel uitsluitend) </para>
      <para>betrekking hadden op juist de materie waarover -naar kennelijk ook door [getuige </para>
      <para>5] verwacht - de getuige ter terechtzitting zou worden gehoord, acht het hof </para>
      <para>onverstandig. Voor geen van de hiervoor vermelde drie doelstellingen was dat </para>
      <para>noodzakelijk; de getuigen zouden hun geheugen ook zeer wel op eigen houtje aan </para>
      <para>de hand van de (oude) stukken hebben kunnen opfrissen. Onverstandig, omdat </para>
      <para>daardoor de schijn is gewekt dat het tevens de bedoeling was te voorkomen dat </para>
      <para>de getuigen zouden verklaren in een door KTR-functionarissen niet gewenste zin. </para>
      <para>Die schijn is versterkt doordat de trainingsgesprekken met de externe CID-chefs </para>
      <para>op uitnodiging van het KTR en in een KTR-setting hebben plaatsgevonden, met </para>
      <para>nota bene -in elk geval naar de schijn- belanghebbende KTR-leden als toehoorder </para>
      <para>en/of klankbord. Dit levert een drievoudige onderstreping van het woord oordeel </para>
      <para>"onverstandig" op. Dit laatste geldt minder ten aanzien van de </para>
      <para>trainingsgesprekken met de KTRobservanten. Dat waren gesprekken met het </para>
      <para>eigen personeel en het is normaal te achten dat die gesprekken werden gehouden </para>
      <para>in de eigen omgeving. Niettemin was het ook hier verstandiger geweest het </para>
      <para>opfrissen van het geheugen aan de getuigen zelf over te laten. Het oordeel van de </para>
      <para>raadslieden dat ten gevolge van de gehouden trainingen sprake is van een, zo niet </para>
      <para>doelbewuste schending van de belangen van de verdediging, dan toch een </para>
      <para>schending als gevolg van grove veronachtzaming van die belangen, deelt het hof </para>
      <para>niet. Beslissend acht het hof dat, zoals uit het uitgebreide door het hof ingestelde </para>
      <para>onderzoek is gebleken, al deze handelingen geen wezenlijke schending van die </para>
      <para>belangen tot resultaat hebben gehad doordat niet overeenkomstig de waarheid is </para>
      <para>verklaard. Opgemerkt dient te worden dat -al hetgeen thans bekend is nader </para>
      <para>beschouwd- veel ruimte voor een wezenlijke beïnvloeding er niet was; gelet op </para>
      <para>alles wat al in processen-verbaal die tot het dossier behoren was vastgelegd en </para>
      <para>gelet op hetgeen uit hoofde van bronbescherming terecht aan de openbaarheid </para>
      <para>onttrokken dient te blijven, was er voor de getuigen weinig ruimte om te </para>
      <para>schipperen met de waarheid. b. Vervolgens heeft het hof getuigen, onder wie </para>
      <para>[getuige 5] en [getuige 7], (wederom) gehoord. Ook na deze verhoren blijft het hof </para>
      <para>bij het eerder (voorlopig) overwogene en derhalve bij het oordeel dat niet </para>
      <para>aannemelijk- is geworden- dat de training tot gevolg heeft gehad dat de getrainde </para>
      <para>getuigen de hun ter zitting gestelde vragen niet naar behoren en naar waarheid </para>
      <para>hebben beantwoord. Evenmin is aannemelijk geworden dat geprobeerd is de </para>
      <para>getuigen te beïnvloeden ten detrimente van het waarheidsgehalte van hun </para>
      <para>verklaring en/of van de mogelijkheid van een behoorlijk verhoor van hen. Hoewel </para>
      <para>het beter ware geweest als de getuigen zich op een andere manier op hun verhoor </para>
      <para>hadden voorbereid dan is gebeurd, is het niet zo dat de verdediging daardoor </para>
      <para>wezenlijk in haar belangen is geschaad.” </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>27. Ook hier komt de klacht erop neer dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld </para>
      <para>dat de door het hof onwenselijk geachte getuigentraining in casu niet tot niet-</para>
      <para>ontvankelijkheid van het openbaar ministerie leidt, omdat niet aannemelijk is </para>
      <para>geworden dat geprobeerd is daarmee de getuigen te beïnvloeden ten detrimente </para>
      <para>van het waarheidsgehalte van hun verklaring of de mogelijkheid van een behoorlijk </para>
      <para>verhoor van hen en evenmin aannemelijk is geworden dat daardoor de </para>
      <para>waarheidsvinding daadwerkelijk is belemmerd. De enkele omstandigheid dat </para>
      <para>daardoor de schijn van beïnvloeding is ontstaan, zou reeds doorslaggevend zijn.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>28. Die opvatting acht ik niet juist. Niet-ontvankelijkheid past slechts indien er </para>
      <para>sprake is van handelen dat een ernstige onbreuk op de beginselen van een goede </para>
      <para>procesorde oplevert waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van die </para>
      <para>belangen aan verdachtes recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is </para>
      <para>tekortgedaan (NJ 1996, 249). De enkele schijn dat dit het geval zou kunnen zijn, </para>
      <para>is, indien door de rechter is vastgesteld dat in werkelijkheid van een dergelijke </para>
      <para>schending geen sprake is geweest, daarvoor niet voldoende. De stellers van het </para>
      <para>middel trekken een parallel met de rechtspraak ten aanzien van het recht door </para>
      <para>een onpartijdige rechter te wortden berecht, waar ook de gerechtvaardigde vrees </para>
      <para>dat de rechter niet onpartijdig is een schening van dat recht kan opleveren. Die </para>
      <para>vergelijking gaat echter niet op. Bij het recht op berechting door een onpartijdige </para>
      <para>rechter gaat het erom dat degene die oordeelt over de gegrondheid van de tegen </para>
      <para>de verdachte aangespannen vervolging onpartijdig is en ook geacht kan worden </para>
      <para>onpartijdig te zijn. Hier gaat het om het gedrag van de vervolgende instantie. Indien </para>
      <para>dit de schijn wekt van, zoals hier onbehoorlijke beïnvloeding van getuigen en de </para>
      <para>rechter vervolgens vaststelt dat van een zodanige beïnvloeding geen sprake is </para>
      <para>geweest, kan op grond van die vaststelling door de onafhankelijke en onpartijdige </para>
      <para>rechter worden aangenomen dat het proces daardoor niet oneerlijk is verlopen. </para>
      <para>Indien echter tegen de rechter de schijn van partijdigheid - beter wellicht niet </para>
      <para>onpartijdigheid - bestaat, kan, omdat de rechter de beslissende autoriteit is, juist </para>
      <para>niet worden aangenomen dat het proces eerlijk is verlopen. Daarover blijft twijfel </para>
      <para>bestaan. Vandaar dat  de schijn van niet-onpartijdigheid van de rechter tot het </para>
      <para>oordeel kan leiden dat art. 6 EVRM is geschonden, terwijl dat niet het geval is, </para>
      <para>indien door het openbaar ministerie niet meer dan de schijn van een oneerlijke </para>
      <para>procesvoering is gewekt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>29. Gelet op HR NJ 1996, 249 geeft het oordeel van het hof geen blijk van een </para>
      <para>verkeerde rechtsopvatting. Het oordeel is niet onbegrijpelijk en kan voor het </para>
      <para>overige in cassatie niet op zijn kuistheid worden beoordeeld Het middel faalt dan </para>
      <para>ook.   </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>30. Het zesde middel behelst de klacht dat het hof het beroep op de niet-</para>
      <para>ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging wegens schending </para>
      <para>van de beginselen van een goede procesorde door het horen van (potentiële) </para>
      <para>getuigen á decharge buiten de verdediging om, ten onrechte, althans onvoldoende </para>
      <para>gemotiveerd heeft verworpen.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>31. Het hof heeft het verweer van de verdediging dat aan het middel ten </para>
      <para>grondslag ligt, als volgt in het arrest weergegeven: “In maart 1998 zijn </para>
      <para>twee rechercheurs van het KTR naar Amerika gereisd om aldaar de reeds eerder </para>
      <para>gehoorde getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] opnieuw te </para>
      <para>horen, terwijl er op dat moment in de onderhavige zaak al hoger beroep was </para>
      <para>ingesteld en de verdediging en de procureur-generaal van die nadere verhoren niet </para>
      <para>op de hoogte waren gesteld. In juni 1998 hebben CID-functionarissen in de </para>
      <para>Verenigde Staten personen, die in het onderzoek als getuigen waren gehoord en </para>
      <para>die naar verwachting ook in hoger beroep wederom gehoord zouden gaan worden, </para>
      <para>benaderd met de vraag of zij CID-matig informatie wilden verschaffen. In verband </para>
      <para>met de twee voorgaande punten heeft de verdediging er nadrukkelijk op gewezen </para>
      <para>dat de oficier van justitie Van Straelen heeft verklaard er geen moment aan </para>
      <para>gedacht te hebben dat de verdediging tijdig op de hoogte gesteld had moeten </para>
      <para>worden van de reis van de rechercheurs in maart 1998; de verdediging acht dit </para>
      <para>onvoorstelbaar. Voorts acht de verdediging het onvoorstelbaar dat Van Straelen </para>
      <para>niet heeft begrepen (zo niet heeft geweten) dat de gedetineerde personen die </para>
      <para>tijdens de CID-verkenningsexpeditie in juni 1998 in Amerika benaderd zouden </para>
      <para>worden de zogenaamde Amerika-getuigen waren. Met betrekking tot dit laatste </para>
      <para>heeft de verdediging in dat verband benadrukt dat de hoofdofficier Van Brummen </para>
      <para>(die verder van de zaak afstond dan de zaaksofficier Van Straelen) met wie de </para>
      <para>CID-officier [getuige 6] samen met Van Straelen over die reis gesproken heeft, </para>
      <para>verklaard heeft dat híj dat wel meteen begrepen had.  De gevolgtrekking moet zijn </para>
      <para>dat mr. Van Straelen toen hij door het hof als getuige werd gehoord niet </para>
      <para>overeenkomstig de waarheid heeft verklaard.”    </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>32. Het hof heeft in antwoord hierop het volgende overwogen: - naar </para>
      <para>aanleiding van reis van 2 rechercheurs in maart 1998 - “Kort gezegd gaat </para>
      <para>het hier om het volgende: Nadat door de verdachte hoger beroep was ingesteld </para>
      <para>tegen het op 26 januari 1998 uitgesproken vonnis waarin ook een in de </para>
      <para>telastelegging uitvoeriger vermeld vervoer (c.a.) van hashish per Great Alexzander </para>
      <para>en Orcadia bewezen was verklaard, namelijk in maart 1998, zijn twee </para>
      <para>rechercheurs van het KTR waaronder [verbalisant 2] naar Amerika gereisd en zij </para>
      <para>hebben daar de reeds eerder (ook) als getuige gehoorde [getuige 2], [getuige 3], </para>
      <para>[getuige 4] en [getuige 1] gehoord die bij onder meer dat vervoer (c.a.) betrokken </para>
      <para>zouden zijn geweest. Dit is gebeurd met medeweten van de zaaks-officier Van </para>
      <para>Straelen en is noch tevoren, noch naderhand aan de verdediging meegedeeld, laat </para>
      <para>staan dat deze was uitgenodigd de verhoren bij te wonen. De procureur-generaal </para>
      <para>is evenmin hierover geïnformeerd. b. Het verhoor van de genoemde getuigen had in </para>
      <para>geen geval buiten de verdediging om mogen gebeuren. Het hof is echter niet van </para>
      <para>oordeel dat hier (een opzettelijke) grove schending van het belang van de </para>
      <para>verdediging aannemelijk is geworden. Wel is door onachtzaamheid een </para>
      <para>verdedigingsbelang geschaad. Aangezien het hof, anders dan de verdediging, </para>
      <para>voorts van oordeel is dat te dezen herstel in beginsel mogelijk is, doordat de vier </para>
      <para>getuigen opnieuw door een rechter-commissaris worden gehoord in aanwezigheid </para>
      <para>van de raadslieden, waarbij ook de verklaringen die in maart 1998&amp;gt; zijn afgelegd in </para>
      <para>het verhoor kunnen worden betrokken (zoals ook is geschied), acht het hof de </para>
      <para>sanctie van niet-ontvankelijkverklaring hier niet geboden. c. Door de raadslieden is </para>
      <para>beklemtoond dat herstel niet meer mogelijk is omdat de getuigen, nadat zij hun </para>
      <para>verklaring hebben afgelegd in het (geheiingehouden) verhoor van maart 1998, niet </para>
      <para>meer onbevangen (anders) zouden kunnen verklaren. Hierover oordeelt het hof </para>
      <para>anders. Het gaat immers om getuigen die al vóór maart 1998 ettelijke malen in </para>
      <para>verband met vorenbedoeld hash-transport zijn gehoord, zowel als verdachte als </para>
      <para>ook als getuige; niet aannemelijk is dat zij zich opeens bevangen zouden gaan </para>
      <para>voelen doordat zij in dat ene verhoor in maart tegenover opsporingsambtenaren </para>
      <para>nog hebben verklaard. d. De raadsman van verdachte heeft afgezien van het </para>
      <para>bijwonen van het nader verhoor van deze getuigen door de rechter-commissaris. </para>
      <para>Dit is voor zijn rekening, nu hij tot het bijwonen van een dergelijk verhoor </para>
      <para>uitdrukkelijk is uitgenodigd.”   - naar aanleiding van de CID-reis in juni 1998 </para>
      <para>-  “a. Het hof gaat, mede gelet op de ter terechtzitting van het hof afgelegde </para>
      <para>getuigenverklaringen, uit van de volgende gang van zaken: Na een gesprek met </para>
      <para>KTR-rechercheur [verbalisant 2] (die, zoals onder ad 7 weergegeven, in maart </para>
      <para>1998 de in Amerika gedetineerde [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige </para>
      <para>1] in de RADAR-zaak als getuigen had gehoord) is bij [getuige 7], chef CID van </para>
      <para>het KTR, de gedachte opgekomen dat, aangezien aangenomen werd dat deze </para>
      <para>getuigen niet het achterste van hun tong hadden laten zien (lees: wel wat meer </para>
      <para>zouden kunnen verklaren dan zij tot dusver hadden gedaan), het opportuun kon </para>
      <para>zijn te trachten CID-matig informatie van deze getuigen te verwerven. Hij heeft </para>
      <para>deze zienswijze met de CID-officier [getuige 6] besproken. Deze schaarde zich </para>
      <para>achter het idee en heeft in het gezamenlijk overleg van hem met de hoofdofficier </para>
      <para>van justitie Van Brummen en de officier van justitie Van Straelen, zaaksofficier in </para>
      <para>deze zaak, meegedeeld dat drie in Amerika gedetineerde personen wellicht CID-</para>
      <para>matig informatie zouden kunnen verstrekken die van belang kon zijn voor (het </para>
      <para>gedeelte, kort gezegd, de Great Alexzander van) de Radar-zaak. Daarbij heeft hij </para>
      <para>de namen [...] en [...] genoemd. Hij heeft toestemming gevraagd voor een </para>
      <para>dienstreis van hem en [getuige 7] met het doel te onderzoeken of die personen </para>
      <para>bereid waren informatie te verstrekken. Van Brummen heeft een door [getuige 7] </para>
      <para>uitgetikte en op 5 juni 1998 gedateerde reisopdracht ondertekend. [Getuige 6] en </para>
      <para>[getuige 7] zijn onverrichter zake teruggekeerd. b. Geen geschreven of </para>
      <para>ongeschreven regel van geldend recht (betreffende de bescherming van belangen </para>
      <para>van een verdachte in een in welke instantie ook aanhangige strafzaak) verzet zich </para>
      <para>ertegen dat in de loop van het strafgeding en zonder dat zulks aan de verdediging </para>
      <para>wordt meegedeeld CID-functionarissen als getuige in het voorbereidend onderzoek </para>
      <para>gehoorde personen benaderen met de vraag of zij CID-matig informatie willen </para>
      <para>verschaffen. De vraag of aan de belangen van de verdachte/verdediging tekort is of </para>
      <para>kan zijn gedaan is in beginsel alleen relevant voor zover het gaat om de wijze </para>
      <para>waarop vervolgens met de eventueel verkregen informatie is gehandeld. c. tijdens </para>
      <para>het verhoor van genoemde officieren van justitie als getuige ter zitting van het hof </para>
      <para>is telkens ter sprake gekomen hoe gehandeld zou (moeten) zijn in het (zich niet </para>
      <para>voorgedaan hebbende) geval dat een of meer van die personen meegedeeld </para>
      <para>zou(den) hebben bereid te zijn informatie aan CID-functionarissen te verschaffen, </para>
      <para>of dat zij zelfs terstond over de RADARzaak (en dan in het bijzonder over </para>
      <para>[verdachte] en diens -pretense- organisatie) zouden zijn gaan verklaren. De </para>
      <para>officieren hebben daarover niet gelijkluidend verklaard. d. Naar de regels van de </para>
      <para>kunst zou, in het geval een van de bedoelde personen te kennen had gegeven dat </para>
      <para>hij wel informatie wilde verschaffen, het als volgt zijn gegaan. [Getuige 6] en </para>
      <para>[getuige 7] zouden het gesprek hebben afgebroken en zouden vervolgens een </para>
      <para>(koppel) runner(s) naar die persoon hebben gestuurd. In het geval die persoon </para>
      <para>onmiddellijk (spontaan) een verklaring zou hebben afgelegd, zou er niets aan in de </para>
      <para>weg hebben gestaan dat [getuige 6]/[getuige 7] deze verklaring hadden </para>
      <para>opgenomen. Indien de persoon te kennen zou hebben gegeven dat hij als getuige </para>
      <para>onder naam zou willen verklaren, dan hadden [getuige 6]/[getuige 7] niet die </para>
      <para>verklaring, maar slechts de mededeling dat de persoon “tactisch” wilde verklaren </para>
      <para>op de voor CID-informatie gebruikelijke wijze aan het tactisch team kenbaar </para>
      <para>gemaakt, waarna tactische rechercheurs - zonder enige kennis omtrent de </para>
      <para>inhoud van hetgeen de persoon zou kunnen verklaren- die persoon konden gaan </para>
      <para>horen, uiteraard na de verdediging daarvan op de hoogte te hebben gesteld en te </para>
      <para>hebben uitgenodigd bij het verhoor aanwezig te zijn; een en ander in overleg met </para>
      <para>en na instemming van de procureur-generaal die de zaak in hoger beroep </para>
      <para>behandelt. e. De omstandigheid dat Van Straelen, [getuige 6] en ook [getuige 7] </para>
      <para>als getuigen een (enigszins) ander scenario hebben geschetst voor het </para>
      <para>hypothetische geval dat de bedoelde personen nog iets zouden hebben willen </para>
      <para>zeggen, acht het hof in het kader van het niet-ontvankelijkheidsverweer alleen in </para>
      <para>zoverre relevant dat bezien moet worden of daarmee steun wordt gegeven aan de </para>
      <para>stelling dat een of meer van deze functionarissen er niet voor terugdeinst/ deinzen </para>
      <para>al dan niet stelselmatig en bewust af te doen aan belangen van de verdediging. Dit </para>
      <para>laatste is niet aannemelijk geworden.”   </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>33. De eerste klacht betreft de reis van twee rechercheurs in maart 1998. De </para>
      <para>stelling van het middel is dat het enkele feit dat het openbaar ministerie de </para>
      <para>verdediging niet de gelegenheid heeft gegeven de verhoren bij te wonen, tot niet-</para>
      <para>ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zou moeten leiden en dat het hof ten </para>
      <para>onrechte heeft geoordeeld dat hier herstel mogelijk was.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>34. Ook hier verschil ik van mening met de stellers van het middel. De handelwijze </para>
      <para>van het openbaar minsiterie is niet juist, maar dat betekent niet zonder meer dat </para>
      <para>de niet-ontvankelijkheid moet volgen. Die sanctie past slechts, indien een eerlijk </para>
      <para>proces als gevolg van deze handelwijze niet meer mogelijk is, zoals het hof </para>
      <para>oordeelde in het genoemde NJ 1990, 719. Nu het hof, feitelijk en niet onbegrijpelijk </para>
      <para>heeft vastgesteld dat deze situatie zich niet voordeed, omdat herstel via een nader </para>
      <para>verhoor in aanwezigheid van de verdediging in dit geval wel mogelijk was, heeft het </para>
      <para>hof - uitgaaande van die vaststelling - terecht geoordeeld dat dit verzuim niet tot </para>
      <para>niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging behoefde te </para>
      <para>leiden. In zoverre faalt het middel. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>35. Ook de klacht over de CID-reis kan niet slagen. Nu de betreffende reis niets </para>
      <para>heeft opgeleverd valt niet in te zien hoe de verdachte daardoor in zijn recht op een </para>
      <para>eerlijk proces geschaad kan zijn. Weliswaar sluit de enkele omstandigheid dat </para>
      <para>onjuist optreden niets oplevert, niet uit dat de inbreuk op de rechten van de </para>
      <para>verdachte zo ernstig is dat alleen al om die reden tot niet-ontvankelijkheid van het </para>
      <para>openbaar ministerie moet worden besloten - bijv. bij marteling van een verdachte, </para>
      <para>zonder dat dit tot verklaringen leidt - maar van een dergelijk grove inbreuk op de </para>
      <para>rechten van de verdachte is hier geen sprake. Ook deze klacht slaagt niet.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>36. Het zevende middel behelst de klacht dat het hof, gelet op al de door het hof </para>
      <para>vastgestelde fouten die het openbaar ministerie in deze zaak zijn aan te rekenen, </para>
      <para>ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd afziet van niet-</para>
      <para>ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>37. De overweging van het hof waartegen het middel zich richt, luidt:  </para>
      <para>“ Niet aanemelijk is geworden dat opzettelijk of door onachtzaamheid zozeer (en </para>
      <para>onherstelbaar) tekort is gedaan aan de belangen van de verdediging of dat de </para>
      <para>grenzen van het door een fair trial verlangd fatsoen zodanig zijn overschreden dat </para>
      <para>een sanctie in de vorm van het niet ontvankelijk verklaren van het openbaar </para>
      <para>ministerie of in enige andere vorm passend en geboden is.”  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>38. Anders dan de stellers van het middel menen, getuigt deze overweging niet </para>
      <para>van een onjuiste rechtsopvatting en is zij evenmin onbegrijpelijk. Het hof heeft </para>
      <para>weliswaar een aantal fouten vastgesteld, maar heeft tevens vastgesteld dat geen </para>
      <para>van die fouten daadwerkelijk het proces en de waarheidsvinding hebben beïnvloed. </para>
      <para>Het oordeel dat die fouten op zich ook niet van een zodanige aard zijn dat zij in </para>
      <para>onderlinge samenhang bezien tot enige sanctie, anders dan de constatering dat </para>
      <para>er fouten zijn gemaakt, aanleiding geven, getuigt niet van een verkeerde </para>
      <para>rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Volgens het hof is immers de verdediging </para>
      <para>bij fouten die haar bevoegdheden raakten nimmer daadwerkelijk geschaad, terwijl </para>
      <para>de enige andere fout, het gebruik van de Bruinsma-taps,niet van betekenis is </para>
      <para>geweest voor het verloop van het onderzoek. Ook dit middel faalt dus. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>39. De overige middelen betreffen de bewezenverklaring van het opzettelijk doen </para>
      <para>van onjuiste belastingaangiften. Nu in een bijlage bij de pleitnota in hoger beroep </para>
      <para>de cassatieschrifturen in de belastingzaken van verdachte zijn gevoegd, merk ik </para>
      <para>op dat de Hoge Raad op 3 mei 200 in beide zaken het beroep van [verdachte] </para>
      <para>heeft verworpen, waarbij de middelen zijn afgedaan met de in art. 101a RO </para>
      <para>bedoelde motivering. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>40. Het achtste en dertiende middel hangen zozeer met elkaar samen, dat ik die </para>
      <para>middelen tezamen bespreek.  De middelen behelzen de klacht dat het hof ten </para>
      <para>onrechte bewezen heeft verklaard dat verdachte in Nederland woonachtig en </para>
      <para>belastingplichtig was en zo tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde onjuist </para>
      <para>en onvolledig doen van belastingaangifte is gekomen.  De middelen haken aan bij </para>
      <para>het door verdachte in feitelijke aanleg gevoerd verweer, dat hem ten onrechte </para>
      <para>wordt verweten dat hij “in de aangiftebiljetten in strijd met de waarheid heeft </para>
      <para>opgegeven dat hij niet in Nederland woonachtig en/of belastingplichtig is geweest.”   </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>41. Inderdaad is verdachte een dergelijk verwijt gemaakt, zo blijkt uit de feitelijke </para>
      <para>omschrijving in de tenlasteleggingen. Het hof heeft steeds bewezenverklaard dat </para>
      <para>verdachte onjuist en onvolledig aangifte heeft gedaan (feit 9 t/m 11), “(…) </para>
      <para>immers heeft verdachte opzettelijk op een (…) aangiftebiljet in strijd met de </para>
      <para>waarheid opgegeven dat hij (…) niet in Nederland woonachtig zou zijn geweest </para>
      <para>(…)”.  Voor wat betreft feit 12 is bewezenverklaard dat hij op het aangiftebiljet </para>
      <para>heeft opgegeven dat hij “niet in Nederland woonachtig”  én niet “belastingplichtig” </para>
      <para>zou zijn geweest.  	</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>42. Als ik het goed begrijp betogen de indieners in middel acht dat door of </para>
      <para>namens verdachte weliswaar in brieven die met de aangiftebiljetten zijn </para>
      <para>meegezonden, is vermeld dat hij niet (of slechts gedeeltelijk) in Nederland </para>
      <para>woonachtig was, maar dat die vermelding enkel tot doel had te motiveren waarom </para>
      <para>er nauwelijks of geen inkomen is opgegeven. Op zichzelf zou die vermelding geen </para>
      <para>strafbare gedraging opleveren. De strafbare gedraging, het doen van onjuiste </para>
      <para>aangifte, zou hoogstens het gevolg kunnen zijn van het vermelde standpunt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>43. Deze stelling kan geen stand houden. Zij gaat uit van een onjuiste opvatting </para>
      <para>omtrent het begrip “aangifte.” Bedoelde brieven - en dus de daarin vervatte </para>
      <para>mededelingen - maken deel uit van de aangifte, zoals het hof terecht en niet </para>
      <para>onbegrijpelijk heeft overwogen (met betrekking tot de periode 1990/1991): “Het </para>
      <para>hof stelt vast dat verdachte over het jaar 1990 een belastbaar inkomen van f </para>
      <para>178.330,- heeft opgegeven en dat hij erkent dat zijn (belastbaar) inkomen dat jaar </para>
      <para>hoger is geweest. Over 1991 gaf verdachte een belastbaar inkomen op van f nihil, </para>
      <para>terwijl hij erkent dat hij in dat jaar wel (belastbaar) inkomen heeft genoten. Het hof </para>
      <para>stelt tevens vast dat de reden voor deze opgave is te lezen in de brieven die door </para>
      <para>verdachte en/of zijn belastingadviseur, tezamen met de aangiften, aan de </para>
      <para>Belastingdienst werden verzonden. De brieven moeten geacht worden deel uit te </para>
      <para>maken van de desbetreffende aangiften nu de aangiften met die brieven werden </para>
      <para>meegezonden en in de brieven een verklaring werd gegeven voor een in de </para>
      <para>aangifte gedane opgave (curs. JWF).  In de brief van 28 mei 1993, die betrekking </para>
      <para>heeft op de aangiften 1990 (inkomstenbelasting) en 1991 (vermogensbelasting), </para>
      <para>staat onder meer dat verdachte sedert november 1989 in Luxemburg woont en </para>
      <para>vanaf 11 mei 1990 in Nederland is uitgeschreven. Uit de brief van 30 mei 1994, die </para>
      <para>werd meegezonden met de aangiften 1991, 1992 en 1993 citeert het hof: “De </para>
      <para>vermelding van zowel inkomen als vermogen van 0,0 hangt samen met de t.o.v. </para>
      <para>Nederland feitelijke afwezigheid van belastingplichtige in onderhavige jaren…”  </para>
      <para>Gezien de samenhang tussen het opgegeven belastbare inkomen en de daarvoor </para>
      <para>in de begeleidende brieven gegeven reden, kunnen de desbetreffende aangiften </para>
      <para>van verdachte niet anders begrepen worden dan dat verdachte daarin verklaart dat </para>
      <para>hij niet in Nederland woonachtig is en daarom niet belastingplichtig. Dit is, zo </para>
      <para>volgt uit de bewijsmiddelen, in strijd met de waarheid.”    </para>
    </parablock>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>44. Steun voor deze opvatting omtrent de reikwijdte van het begrip “aangifte” is te </para>
      <para>vinden in de artikelen 6-9 (over de aangifte) van de Algemene Wet </para>
      <para>Rijksbelastingen (AWR). Zie ook de Fiscale encyclopedie, losbl., alg.deel 4, o.a. </para>
      <para>art.6, onder 12 en art.7, onder 3. In een aangiftebiljet worden gegevens gevraagd </para>
      <para>ten behoeve van de vaststelling van de  -definitieve- aanslag. Mededelingen over de </para>
      <para>woonplaats die in diverse onderdelen direct, dan wel indirect aan de orde komen, </para>
      <para>en die niet anders dan op een bijlage (zo men wil een brief) bij het aangiftebiljet </para>
      <para>vermeld kunnen worden, zijn ook gegevens ten behoeve van de vaststelling van de </para>
      <para>definitieve aanslag. Bevatten die mededelingen onjuistheden, hetgeen in casu het </para>
      <para>geval was, dan is er dus onjuiste aangifte gedaan.  Het achtste middel faalt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>45. Met de bespreking van middel acht is tevens aangegeven dat de klacht in het </para>
      <para>dertiende middel, te weten dat de brieven geen deel uit zouden maken van de </para>
      <para>aangiften en eventuele onjuistheden in die brieven als logisch gevolg daarvan niet </para>
      <para>opleveren “het doen van onjuiste aangifte,” geen doel treft.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>46. Het negende middel behelst de klacht dat ‘s-hofs conclusie dat verdachte in </para>
      <para>de tenlastegelegde jaren 1990 t/m 1993 in Nederland wooonachtig was, niet op </para>
      <para>een deugdelijke motivering berust. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>47. In het middel wordt geklaagd over de volgende nadere </para>
      <para>bewijsoverwegingen van het hof: “Uit het als </para>
      <para>bewijsmiddel 16 opgenomen proces-verbaal volgt dat verdachte in de hierna </para>
      <para>vermelde jaren tenminste het daarbij vermelde aantal dagen in Nederland is </para>
      <para>geweest. Uit de mededeling van verbalisanten dat - naar het hof begrijpt - eerst in </para>
      <para>de laatste jaren het vaststellen van verdachtes aanwezigheid hier te lande </para>
      <para>vergemakkelijkt werd door de toepassing van enige opsporingsmiddelen als taps </para>
      <para>en observaties, leidt het hof af dat de discrepantie tussen de aantallen dagen voor, </para>
      <para>respectievelijk vanaf 1994 mede daarin haar oorzaak vindt, zodat gevoeglijk kan </para>
      <para>worden aangenomen (zoals het hof wil doen) dat de aantallen in de jaren 1990 t/m </para>
      <para>1993 naar alle waarschijnlijkheid kleiner zijn dan met de werkelijkheid </para>
      <para>overeenstemt.</para>
      <para>in 1990		58 dagen</para>
      <para>in 1991		57 dagen</para>
      <para>in 1992		36 dagen</para>
      <para>in 1993 		77 dagen</para>
      <para>in 1994		146 dagen</para>
      <para>in 1995		196 dagen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van de in de vorenstaande bewijsmiddelen vermelde feiten en </para>
      <para>omstandigheden, in onderling verband en in onderlinge samenhang bezien, komt </para>
      <para>het hof tot het oordeel dat, anders dan verdachte ter terechtzitting heeft verklaard, </para>
      <para>hij in de jaren 1990 t/m 1996 wel in Nederland woonachtig en wel belastingplichtig </para>
      <para>was.” </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>48. Het hof heeft in de nadere bewijsoverweging toegelicht waarom bewijsmiddel </para>
      <para>16 - de verklaring van de verbalisanten - óók voor wat betreft de jaren 1990 t/m </para>
      <para>1993,  redengevend is voor de vaststelling dat verdachte in Nederland woonplaats </para>
      <para>had, terwijl de indieners betogen dat die verklaring nu juist tot de conclusie had </para>
      <para>moeten leiden dat de band van verdachte met Nederland in de vier eerstgenoemde </para>
      <para>jaren niet zo sterk aanwezig was en verdachte toen niet (meer) in Nederland </para>
      <para>woonachtig zou zijn.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>49. De overweging van het hof acht ik niet onbegrijpelijk. In de verklaring </para>
      <para>van verbalisanten staat immers: “Met name vanaf het moment dat [verdachte] </para>
      <para>gebruik maakte van telecommunicatiemiddelen die werden opgenomen en </para>
      <para>afgeluisterd en onderzoek plaatsvond met behulp van video-observatie (1994) zijn </para>
      <para>veel gegevens omtrent zijn feitelijke verblijfplaats bekend.”  Het hof heeft op </para>
      <para>grond hiervan kunnen concluderen dat uit de lagere scores in de eerste </para>
      <para>drie jaren niet kan worden afgeleid dat verdachte aanzienlijk minder </para>
      <para>dagen in Nederland verbleef dan in de periode 1994-1995.   Bovendien is </para>
      <para>in de verklaring opgenomen hoeveel dagen verdachte buiten Nederland </para>
      <para>zou hebben verbleven, waarbij verdachtes eigen verklaringen daarover </para>
      <para>zijn afgezet tegen opsporingsonderzoeksgegevens. In deze resultaten </para>
      <para>kan eveneens steun gevonden worden voor de conclusie van het hof.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>50. Voor zover in het middel feiten en omstandigheden worden aangevoerd </para>
      <para>waaruit zou blijken wanneer en waarom verdachte in de bewezenverklaarde </para>
      <para>periode in Nederland of juist elders verbleef, zij opgemerkt dat daarvoor in cassatie </para>
      <para>geen ruimte is. Waardering van feiten en omstandigheden behoort tot het domein </para>
      <para>van de feitenrechter.  Het middel faalt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>51. Het tiende middel behelst twee klachten. Allereerst zou  het hof de </para>
      <para>verklaringen van verdachte dat hij in Luxemburg, althans buiten Nederland </para>
      <para>woonde, gedenatureerd hebben door deze verklaringen aldus uit te leggen dat hij </para>
      <para>niet in Nederland woonachtig en/of belastingplichtig zou zijn geweest. In de </para>
      <para>tweede plaats zou het hof ten onrechte verzuimd hebben onderzoek te doen naar </para>
      <para>de juistheid van verdachtes verklaring dat hij in Luxemburg of elders buiten </para>
      <para>Nederland verbleef, althans verzuimd hebben daarvan blijk te geven.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>52. De eerste klacht richt zich tegen de overweging van het hof zoals ik die heb </para>
      <para>weergeven bij de bespreking van het achtste middel, onder 43, laatste alinea:    </para>
      <para>“Gezien de samenhang tussen het opgegeven belastbare inkomen en de daarvoor </para>
      <para>in de begeleidende brieven gegeven reden, kunnen de desbetreffende aangiften </para>
      <para>van verdachte niet anders begrepen worden dan dat verdachte daarin verklaart dat </para>
      <para>hij niet in Nederland woonachtig is en daarom niet belastingplichtig.”  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>53. In die aangiften zou verdachte hebben gesteld dat hij in Luxemburg </para>
      <para>woonachtig was, hetgeen niet zo uitgelegd had mogen worden dat verdachte heeft </para>
      <para>verklaard niet in Nederland woonachtig te zijn, zo begrijp ik de toelichting. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>54. In de bedoelde aangiften heeft verdachte blijkens de bewijsmiddelen 21, 25,28 </para>
      <para>,30 en 32  verklaard dat hij “sedert november 1989 in Luxemburg woont en sedert </para>
      <para>11 mei 1990 uit Nederland is uitgeschreven” (bewijsmiddel 21), dat hij “in </para>
      <para>Nederland feitelijk afwezig was in de jaren 1991, 1992 en 1993” (bewijsmiddel 25, </para>
      <para>brief 30 mei 1994), dat zijn adres in Suriname is en zijn post naar Suriname dient </para>
      <para>te worden gestuurd en dat hij niet binnenlands belastingplichtige is (bewijsmiddel </para>
      <para>28 en 30, brief 28 april 1995) en dat hij na zijn vertrek uit Nederland in november </para>
      <para>1989 geen in Nederland belastbaar inkomen of vermogen heeft (bewijsmiddel 32, </para>
      <para>brief van 28 maart 1996).  Het hof heeft dit zo kunnen begrijpen dat verdachte </para>
      <para>heeft verklaard in de jaren 1990 t/m 1995 niet in Nederland woonachtig te zijn </para>
      <para>geweest. Verdachte heeft immers uitspraken over zijn feitelijke woonplaats </para>
      <para>gedaan (niet heeft hij bij de aangifte gesteld dat hij, gelet op zijn verschillende </para>
      <para>woonadressen, naar zijn oordeel in fiscale zin niet in Nederland woonachtig was). </para>
      <para>Van enige vorm van denaturering is in dit verband geen sprake, zodat het middel </para>
      <para>in zoverre niet kan slagen.   </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>55. De tweede klacht gaat er vanuit dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat </para>
      <para>verdachte in zijn aangiften een onjuiste woonplaats heeft opgegeven. Daarbij wordt </para>
      <para>uit het oog verloren wat verdachte ten laste is gelegd en vervolgens bewezen is </para>
      <para>verklaard. Niet is immers tenlastegelegd en bewezenverklaard dat verdachte in </para>
      <para>strijd met de waarheid heeft opgegeven dat hij in Luxemburg (en elders buiten </para>
      <para>Nederland) heeft gewoond, maar tenlastegelegd en bewezen is verklaard dat </para>
      <para>verdachte telkens in strijd met de waarheid heeft opgegeven dat hij niet in </para>
      <para>Nederland woonachtig was. Het oordeel van het hof dat verdachte wel in Nederland </para>
      <para>woonachtig was, is gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen niet onbegrijpelijk </para>
      <para>en kan voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden beoordeeld.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>56. Voor zover het middel de klacht bevat dat de opgave van het Luxemburgse en </para>
      <para>andere woonadressen in het buitenland niet onjuist zijn en dat dit betekent dat </para>
      <para>daardoor de mogelijkheid is opengebleven, dat verdachte vanwege de </para>
      <para>omstandigheid dat hij ook in het buitenland woonde niet belastingplichtig was in </para>
      <para>Nederland, slaagt het evenmin. Het hof heeft uit hetgeen is vastgesteld in de </para>
      <para>bewijsvoering kunnen afleiden dat verdachte, anders dan hij stelde, ook na zijn </para>
      <para>uitschrijving uit Nederland zijn duurzaam thuis in Nederland had en dus in </para>
      <para>Nederland belastingplichtig was.  Het middel faalt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>57. Het elfde middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte heeft overwogen </para>
      <para>dat het verweer van verdachte dat hij niet opzettelijk onjuiste aangifte deed, </para>
      <para>betrekking had op de periode dat hij in Luxemburg verbleef.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>58. Het hof heeft het verweer van verdachte dat het opzet zou hebben ontbroken </para>
      <para>omdat hij gelet op de ingewikkelde fiscale regeling over ‘het middelpunt van </para>
      <para>levensbelangen’ een verdedigbaar standpunt over zijn woonplaats zou hebben </para>
      <para>ingenomen, behalve door middel van het gebezigd bewijs in de nadere </para>
      <para>bewijsoverweging gemotiveerd weerlegd. Het hof heeft in die overweging </para>
      <para>vastgesteld dat dat verweer zich beperkte  tot de periode dat hij in Luxemburg </para>
      <para>verbleef, en dus betrekking had op feit 9 en het eerste gedeelte van feit 10 (jaren </para>
      <para>1990-1992).  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>59. Het laatste woord van verdachte, dat hij op schrift heeft gesteld en ter zitting </para>
      <para>heeft overgelegd, is, voor zover het de fiscale woonplaatsdiscussie betreft (en </para>
      <para>daarop heeft het hof gemotiveerd gereageerd) volledig toegesneden op Luxemburg. </para>
      <para>Ik verwijs met name naar de onderdelen in het laatste woord “Gehandeld naar </para>
      <para>woonplaats en belastingplicht” en “nauwste persoonlijke en economische </para>
      <para>betrekkingen. ” Het hof heeft het verweer dus mogen uitleggen als hierboven </para>
      <para>weergegeven.  Overigens heeft het hof op p.36 van het arrest overwogen dat </para>
      <para>voorzover de opzet meer in z’n algemeenheid wordt ontkend, het ontbreken </para>
      <para>daarvan evenmin aannemelijk is geworden.  Het middel faalt.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>60. Het twaalfde middel  behelst de klacht dat de met de bewezenverklaring </para>
      <para>onverenigbare mogelijkheid is opengebleven dat verdachtes opgave bij de aangifte </para>
      <para>dat hij in Luxemburg en elders buiten Nederland woonde, niet in strijd met de </para>
      <para>waarheid is afgelegd.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>61. Dit middel is verwant aan middel tien. Ik volsta daarom met een verwijzing </para>
      <para>naar de bespreking van de tweede klacht van het tiende middel.  Ook dit middel </para>
      <para>niet slagen.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>62. Het dertiende middel is tezamen met het achtste middel besproken.  </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>63. Het veertiende middel richt zich tegen ‘s hofs vaststelling in de nadere </para>
      <para>bewijsoverweging dat verdachte niet alleen zou hebben erkend dat hij over 1990 en </para>
      <para>1991 meer inkomen heeft genoten dan dat hij heeft opgegeven, maar dat hij </para>
      <para>tevens zou hebben erkend meer belastbaar inkomen te hebben genoten. Door </para>
      <para>toevoeging van dat laatste zou het hof verdachtes verklaringen hebben </para>
      <para>gedenatureerd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>64. Het hof heeft, in antwoord op een door verdachte in zijn laatste woord </para>
      <para>gevoerd verweer, overwogen: “Het hof stelt vast dat </para>
      <para>verdachte over het jaar 1990 een belastbaar inkomen van f 178.330,- heeft </para>
      <para>opgegeven en dat hij erkent dat zijn (belastbaar) inkomen dat jaar hoger is </para>
      <para>geweest. Over 1991 gaf verdachte een belastbaar inkomen op van f nihil, terwijl hij </para>
      <para>erkent dat hij in dat jaar wel (belastbaar) inkomen heeft genoten.”   </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>65. Van denaturering is geen sprake. Verdachtes onder 1 van de </para>
      <para>bewijsmiddelen opgenomen verklaring houdt o.m. in “In 1990 heb ik de </para>
      <para>eerste maanden wel in Nederland gewoond. Dit is ook zo in mijn aangifte voor dat </para>
      <para>jaar vermeld en voor die periode heb ik f 178.330 als inkomen aangegeven. In de </para>
      <para>overige aangiften heb ik als inkomen f 0,-- opgegeven, niet omdat ik in die tijd </para>
      <para>geen inkomen had, maar omdat ik, ervan uitging dat ik, woonachtig buiten </para>
      <para>Nederland, voor de periode na 1 mei 1990 in Nederland geen inkomstenbelasting </para>
      <para>hoefde te betalen, zodat mijn inkomen voor de Nederlandse belastingen in zoverre </para>
      <para>niet relevant was.” Dat heeft het hof niet onbegrijpelijk aldus verstaan dat </para>
      <para>verdachte hier erkent dat hij inkomsten heeft genoten die onder de </para>
      <para>belastingplicht zouden vallen, indien hij in Nederland woonachtig zou zijn </para>
      <para>geweest. Vervolgens heeft het hof dit tot uitdrukking gebracht door de </para>
      <para>woorden (belastbaar) tussen haakjes te plaatsen. Het middel faalt.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>66. Het vijftiende middel sluit aan bij het voorgaande middel en behelst de klacht </para>
      <para>dat het hof er ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd er vanuit is gegaan </para>
      <para>dat het inkomen dat verdachte genoot voor zover dat meer betrof dan hij had </para>
      <para>opgegeven, belastbaar inkomen was.  Ik citeer een deel van de toelichting, om het </para>
      <para>verschil met het voorgaande middel duidelijk te maken: “Het hof heeft geen </para>
      <para>onderzoek gedaan naar de stelling van rekwirant, dat hij inkomen genoot dat niet </para>
      <para>aan de Nederlandse heffingsmacht was onderworpen. Door zulks na te laten heeft </para>
      <para>het hof ten onrechte aangenomen, dat al het inkomen van rekwirant zou moeten </para>
      <para>leiden tot een hoger belastbaar inkomen dan aangegeven.“ </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>67. Bij de bespreking van het tiende middel heb ik uiteengezet dat het hof door de </para>
      <para>vaststelling dat verdachte ook na 1989 in Nederland woonachtig was gebleven </para>
      <para>ondanks zijn uitschrijving naar Luxemburg in Nederland zijn duurzaam tehuis had </para>
      <para>gehouden, de feitelijke basis onder het verweer, inhoudende dat verdachte niet </para>
      <para>langer in Nederland woonachtig was, heeft verworpen. Ook dit middel kan niet </para>
      <para>slagen.    </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>68. Het zestiende middel behelst de klacht dat de bewijsmiddelen de mogelijkheid </para>
      <para>openlaten dat verdachte in fiscale zin (ook) buiten Nederland woonachtig was en </para>
      <para>dat de niet opgegeven inkomsten niet tot het Nederlands belastbaar in komen </para>
      <para>behoren. Op verweren van die strekking heeft het hof ten onrechte niet </para>
      <para>(gemotiveerd) gereageerd, zo betogen de indieners. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>69. Die klacht is in al zijn onderdelen bij de bespreking van de middelen tien, </para>
      <para>veertien en vijftien aan de orde geweest. Ik meen te kunnen volstaan met </para>
      <para>verwijzing naar de bespreking daarvan.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>70. Het zeventiende middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans </para>
      <para>onvoldoende gemotiveerd bewezen heeft verklaard dat verdachte in strijd met de </para>
      <para>waarheid heeft opgegegeven dat hij in 1995 niet in Nederland woonachtig en </para>
      <para>belastingplichtig zou zijn geweest.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>71. In de toelichting stellen de indieners allereerst uitdrukkelijk dat het middel </para>
      <para>enkel ziet op feit 12, nu, zoals eerder aan de orde kwam, uitsluitend ten aanzien </para>
      <para>van dat feit niet alleen bewezen is verklaard dat verdachte heeft opgegeven niet in </para>
      <para>Nederland woonachtig te zijn, maar ook niet belastingplichtig te zijn. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>72. Voor zover het middel een herhaling bevat van hetgeen in het achtste middel </para>
      <para>aan de orde is gesteld, faalt het om dezelfde reden. Dat in de aangifte tevens </para>
      <para>inhield dat verdachte niet belastingplichtig was in Nerderland, heeft het hof in het </para>
      <para>bijzonder kunnen afleiden uit de als bewijsmiddel 32 gebezigde aanbiedingsbrief </para>
      <para>bij de aangifte 1995. Het middel is ondeugdelijk.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>73. Het achttiende middel behelst de klacht dat ‘s hofs nadere bewijsoverweging </para>
      <para>met betrekking tot de opzet die verdachte zou hebben gehad bij het doen van </para>
      <para>onjuiste en onvolledige aangifte, ondeugdelijk is. Het middel richt zich tegen de </para>
      <para>volgende overweging van het hof: “Voorts is door verdachte (…) het verweer </para>
      <para>gevoerd dat (…) het opzet heeft ontbroken. Verdachte heeft er daarbij op gewezen </para>
      <para>dat indien,….   Gesteld noch gebleken is dat de ingewikkelde fiscale </para>
      <para>beschouwingen, die verdachte in de voor dit hof gevoerde procedure en in de </para>
      <para>onderhavige strafprocedure naar voren brengt en doet brengen, indertijd aan zijn </para>
      <para>aangiften (mede) ten grondslag hebben gelegen. De hiervoor geciteerde (onjuist </para>
      <para>gebleken) zinsnede omtrent zijn “feitelijke afwezigheid” wijst op het tegendeel. </para>
      <para>Ook het gegeven dat verdachte in 1992 vanuit Luxemburg naar Frankrijk en daarna </para>
      <para>naar Suriname is gegaan (landen ten aanzien waarvan de door verdachte </para>
      <para>aangevoerde fiscale beschouwingen kennelijk niet gelden), ondersteunt eerder de </para>
      <para>conclusie dat de nu door hem aangevoerde fiscale overwegingen om in Luxemburg </para>
      <para>te gaan wonen, ten tijde van het ondertekenen van de aangiften geen rol van </para>
      <para>betekenis hebben gespeeld.  Het hof acht daarom, onder verwijzing naar de </para>
      <para>bewijsmiddelen, bewezen dat verdachte ook ten aanzien van feit 9 en 10, eerste </para>
      <para>gedeelte, het vereiste opzet heeft gehad.” </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>74. Het middel beperkt zich tot de aangifte over het jaar 1990. De indieners </para>
      <para>betogen dat het hof kennelijk van mening is dat verdachte zich enkel op een </para>
      <para>gebrek aan opzet had kunnen beroepen, indien hij destijds aan de aangifte </para>
      <para>ingewikkelde fiscale beschouwingen ten grondslag had gelegd.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>75. Ook dit middel is ondeugdelijk. De overweging van het hof berust niet op de in </para>
      <para>het middel veronderstelde opvatting, maar op de juiste gedachte dat in geval een </para>
      <para>aangifte berust op een uiteindelijk niet houdbare fiscale redenering en daarom </para>
      <para>onjuist is, niet zonder meer kan worden gesproken van een opzettelijk onjuist </para>
      <para>gedane aangifte. Die situatie doet zich volgens het hof hier niet voor. Het oordeel </para>
      <para>van het hof dat de ingewikkelde fiscale beschouwingen geen rol hebben gespeeld </para>
      <para>bij de aangifte over 1990 is niet onbegrijpelijk, nu bij het doen van aangifte van de </para>
      <para>zijde van de verdachte het ontbreken van belastingplicht (volgens de </para>
      <para>bewijsmiddelen) steeds is gegrond op het feitelijk Nederland verlaten hebben. De </para>
      <para>conclusie dat die onjuiste opgave van de feitelijke woonplaats en de daarom </para>
      <para>ontbrekende belastingplicht opzettelijk gedaan moet zijn, is vervolgens evenmin </para>
      <para>onbegrijpelijk.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>76. Het negentiende middel behelst de klacht dat, anders dan het hof heeft </para>
      <para>overwogen, uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat verdachte opzettelijk onjuiste </para>
      <para>aangifte heeft gedaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>77. De overweging van het hof waar de indieners op doelen, is het vervolg van de </para>
      <para>onder middel 18 weergegeven overweging en luidt: “Voor zover overigens </para>
      <para>ten aanzien van de belastingdelicten opzet wordt ontkend - in dit verband noemt </para>
      <para>het hof nog de verwijzing van de raadsman van verdachte op de vele </para>
      <para>omstandigheden die bij de beoordeling van het begrip ‘woonplaats’ in artikel 4 </para>
      <para>AWR van betekenis zijn - verwijst het hof naar de bewijsmiddelen, waaruit volgt </para>
      <para>dat de opgaven van verdachte onjuist waren en dat hij zich daarvan bewust moet </para>
      <para>zijn geweest.”  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>78. In het middel wordt ervan uitgegaan, zo zeggen de indieners. “dat de </para>
      <para>onjuistheid van de opgaven in juridische zin is komen vast te staan, ” maar de </para>
      <para>opzet op die onjuistheid níet uit de bewijsmiddelen zou blijken. De “bewustheid op </para>
      <para>het wederrechtelijke” van die onjuiste opgaven zou hebben ontbroken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>79. Ik herhaal dat door verdachte en/of zijn belastingadviseur in de aangiften </para>
      <para>feitelijke uitspraken over verdachtes woonplaats zijn gedaan, die onjuist zijn </para>
      <para>gebleken. Voor die uitspraken verwijs ik met name naar de bewijsmiddelen 21 (feit </para>
      <para>9), 25 (feit 10), 30 (feit 11) en 31 (feit 12). In W.E.C.A. Valkenburg en J. Wattel, </para>
      <para>Inleiding fiscaal strafrecht, par.2.3, p.30 staat over opzet: “Ten minste vereist is </para>
      <para>dat de rechter kan vaststellen dat het menselijkerwijs niet denkbaar is dat de </para>
      <para>verdachte zich niet heeft gerealiseerd dat zijn handelen de gerede mogelijkheid </para>
      <para>meebracht dat het verboden resultaat zou intreden. Gezond verstand en voor </para>
      <para>eenieder kenbare feiten spelen hierbij derhalve een rol.”  Er mag zonder meer </para>
      <para>vanuit worden gegaan dat men weet heeft van zijn woon- of verblijfplaats. Verder </para>
      <para>kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat verdachte zich heeft gerealiseerd </para>
      <para>dat er een verband bestond tussen de woonplaats en de belastingplicht (zie o.a. </para>
      <para>bewijsmiddel 1) en dat de onjuistheden tot gevolg zouden kunnen hebben dat te </para>
      <para>weinig belasting zou kunnen worden geheven. Het hof heeft daarom uit de </para>
      <para>bewijsmiddelen kunnen afleiden dat verdachte, die bewust onjuistheden in de </para>
      <para>aangifte heeft vermeld, opzettelijke onjuiste aangifte heeft gedaan (zie verder over </para>
      <para>opzet: Fiscale encyclopedie, alg.deel 8, losbl., art.68 (oud) aantek. 17) Het </para>
      <para>middel faalt.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>80. Het twintigste middel behelst de klacht dat ‘s hofs straftoemeting niet </para>
      <para>begrijpelijk is, omdat niet zou vaststaan dat de Nederlandse Staat als gevolg van </para>
      <para>de onjuiste aangifte belastingnadeel zou hebben geleden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>81. De klacht richt zich tegen de volgende overweging van het hof in het </para>
      <para>kader van de op te leggen straf: “Verdachte heeft gedurende een aantal jaren </para>
      <para>stelselmatig de belasting ontdoken, waardoor hij de Nederlandse Staat ernstig </para>
      <para>heeft benadeeld.”   </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>82. Anders dan de stellers van het middel menen is dit oordeel, gelet op hetgeen </para>
      <para>het hof heeft vastgesteld over de inkomsten die verdachte in de betreffende jaren </para>
      <para>moet hebben gehad en gelet op de omstandigheid dat het hof heeft vastgesteld </para>
      <para>dat verdachte het niet opgeven van zijn inkomsten in Nederland uitsluitend heeft </para>
      <para>gebaseerd op zijn volgens het hof onjuiste verklaring dat hij niet in Nederland </para>
      <para>woonde, niet onbegrijpelijk. Ook dit middel is ondeugdelijk. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>83. Ik heb in de middelen geen rechtsvragen aangetroffen die in het belang van de </para>
      <para>rechtsontwikkeling of de rechtseenheid beantwoording behoeven. Uw Raad zou de </para>
      <para>middelen dan ook kunnen afdoen met de in art. 101a RO bedoelde motivering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal </para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
    </parablock>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>