<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2000:AA7402</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T04:59:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA7402</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2000-10-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">00290/00</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2000:AA7402" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA7402</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001854&amp;artikel=300&amp;g=2000-10-10">Wetboek van Strafrecht 300</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2000, 489</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2000, 656</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA7402">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA7402</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:09:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2000:AA7402 Parket bij de Hoge Raad , 10-10-2000 / 00290/00</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA7402:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA7402:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Nr.00290/00</para>
      <para>Mr Fokkens</para>
      <para>Zitting 13 juni 2000</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Conclusie inzake: [Verdachte]</para>
    <para />
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft verdachte vrijgesproken van de hem</para>
      <para>tenlastegelegde feiten onder 1, 2, 3, 4 en 5, te weten mishandeling van zijn </para>
      <para>echtgenote (feit 1) en mishandeling van zijn kinderen (2 t/m 5) meermalen </para>
      <para>gepleegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Tegen dit arrest heeft de procureur-generaal beroep in cassatie ingesteld  Het</para>
      <para>beroep is namens verdachte tegengesproken in een door een onbekende persoon </para>
      <para>- mogelijk mr M.W. Stoet - ingediende schriftuur, waarvan Uw Raad geen kennis</para>
      <para>kan nemen nu  niet blijkt dat de indiener tot het indienen daarvan door verdachte </para>
      <para>gemachtigd was. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. De tijdig ingediende schriftuur bevat één middel van cassatie, dat betrekking</para>
      <para>heeft op de vrijspraak van het onder 2 t/m 5 tenlastegelegde. Nu het</para>
      <para>cassatieberoep onbeperkt is ingesteld, is het in ieder geval niet-ontvankelijk voor</para>
      <para>zover het tegen de beslissing ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde is</para>
      <para>gericht. Ten aanzien van de overige feiten rijst de vraag of er sprake is van een</para>
      <para>onzuivere vrijspraak. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. Het middel behelst de klacht dat de omstandigheid dat er volgens het hof (kort</para>
      <para>gezegd) slechts sprake was van een correctionele tik, het hof ten onrechte tot een </para>
      <para>vrijspraak heeft doen beslissen.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. In de onderhavige zaak is aan verdachte onder 2 t/m 5 telkens tenlastegelegd</para>
      <para>dat hij één van zijn kinderen opzettelijk de arm op de rug heeft gedraaid en /of </para>
      <para>tegen de rug, de billen en de benen heeft geslagen en/of tegen de benen heeft </para>
      <para>geschopt en/of  de keel heeft dichtgeknepen.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Het hof heeft onder het kopje “vrijspraak” in het arrest het volgende overwogen: </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>“Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan</para>
      <para>de verdachte onder 1(…) 2,3,4 en 5 is tenlastegelegd. De verdachte moet hiervan </para>
      <para>worden vrijgesproken.Met betrekking tot het onder 2 tot met 5 tenlastegelegde </para>
      <para>overweegt het hof met name dat, hoewel aannemelijk is geworden dat verdachte </para>
      <para>op bepaalde momenten hardhandig is opgetreden tegenover de in die onderdelen </para>
      <para>van de tenlastelegging genoemde partijen, niet bewezen is dat hij daarbij de </para>
      <para>grenzen van het ouderlijk tuchtrecht heeft overschreden en zijn optreden strafbare </para>
      <para>feiten als tenlastegelegd heeft opgeleverd.” </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>7. In HR DD 97.004 stond de vraag centraal hoe een beroep op het ouderlijk</para>
      <para>tuchtrecht straf(proces)rechtelijk moet worden geduid. In die zaak was, evenals </para>
      <para>onder meer in de onderhavige, het opzettelijk tegen het gezicht slaan door een </para>
      <para>ouder tenlastegelegd en werd een beroep gedaan op het ouderlijk tuchtrecht. In de </para>
      <para>rijk gedocumenteerde conclusie van de A-G Van Dorst valt te lezen dat in oudere </para>
      <para>rechtspraak het beroep op het recht van kastijding werd beschouwd als een </para>
      <para>bewijsverweer, te weten een ontkenning van het opzet dat tot mishandeling vereist </para>
      <para>is. Die opvatting is volgens hem verlaten. Thans moet een beroep op het ouderlijk </para>
      <para>tuchtrecht worden beschouwd als een kwalificatieverweer: het bewezenverklaarde </para>
      <para>opzettelijk slaan etc. levert, indien het binnen de grenzen van het ouderlijk </para>
      <para>tuchtrecht valt, geen mishandeling op.  Aldus oordeeIde ook Uw Raad in die zaak. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>8. Het hof heeft een opvoedkundig karakter aan de handelingen van verdachte</para>
      <para>toegekend en heeft om die reden, zo leid ik af uit de motivering, kennelijk </para>
      <para>geoordeeld dat ook voor de gevallen waarin het opzettelijk  slaan en/of schoppen </para>
      <para>etc. van het betreffende kind op zich wel vaststond, van het tenlastegelegde </para>
      <para>vrijgesproken. Daarmee is het hof, zoals ook in het middel wordt betoogd, </para>
      <para>uitgegaan van een verkeerde rechtsopvatting.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>9. Ik heb mijzelf nog wel afgevraagd of niet verdedigbaar is dat het hof de</para>
      <para>tenlastelegging aldus heeft gelezen dat daarin tot uitdrukking is gebracht dat </para>
      <para>verdachte de hem verweten gedragingen, slaan en/of schoppen en/of (..), op een </para>
      <para>zodanige gewelddadige wijze heeft verricht dat dit niet meer binnen het ouderlijk </para>
      <para>tuchtrecht valt en dat de vrijspraak niet meer inhoudt dan dat een zodanig </para>
      <para>gewelddadig handelen niet bewezen is. Uiteindelijk meen ik dat die uitleg van ’s </para>
      <para>hofs overweging niet voor de hand ligt. Of bijv. het geven van een klap binnen het </para>
      <para>ouderlijk tuchtrecht valt, is immers niet alleen afhankelijk van de wijze waarop is </para>
      <para>geslagen, maar ook van de omstandigheden waaronder de klap is uitgedeeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>10 Derhalve heeft het hof een te ruime uitleg aan het tenlastegelegde “opzettelijk</para>
      <para>tegen de rug, de billen etc. slaan en/of ..” gegeven. Dat maakt dat de vrijspraak </para>
      <para>niet onder de bescherming van artikel 430 Sv valt en dat de procureur-generaal </para>
      <para>kan worden ontvangen in zijn cassatieberoep (HR NJ 1961, 417, vaste </para>
      <para>rechtspraak). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>11. De bestreden uitspraak is om bovengenoemde redenen onjuist en kan niet in</para>
      <para>stand blijven. Ik concludeer dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal</para>
      <para>vernietigen en de zaak zal verwijzen naar een aangrenzend gerechtshof teneinde </para>
      <para>op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Procureur-Generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
    </parablock>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>