<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2000:AA7307</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-10T11:21:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA7307</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2000-10-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">01753/00 U</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2000:AA7307" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA7307</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBV0001010&amp;artikel=2&amp;g=2000-10-03">Europees Verdrag betreffende uitlevering, Parijs, 13-12-1957 2</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA7307">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA7307</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:09:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2000:AA7307 Parket bij de Hoge Raad , 03-10-2000 / 01753/00 U</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA7307:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA7307:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Nr. 01753/00 U</para>
      <para>zitting 25 juli 2000</para>
      <para>mr N. Keijzer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>conclusie inzake</para>
      <para>[De opgeëiste persoon]</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Bij uitspraak van 9 maart 2000 heeft de Arrondissementsrechtbank te Haarlem </para>
      <para>het verzoek van het Justizministerium van de Duitse deelstaat Nordrhein-</para>
      <para>Westfalen tot uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Bondsrepubliek </para>
      <para>Duitsland, ter strafvervolging wegens de in het bij het uitleveringsverzoek gevoegde </para>
      <para>Haftbefehl vermelde feiten, toelaatbaar verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Tegen deze uitspraak heeft [de opgeëiste persoon] cassatieberoep ingesteld.</para>
      <para>Namens hem hebben mr G.P. Hamer en mr A.M. Kengen, advocaten te </para>
      <para>Amsterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Het eerste middel houdt de klacht in dat de Rechtbank het verweer dat de </para>
      <para>feiten waarop het uitleveringsverzoek betrekking heeft naar Nederlands recht niet </para>
      <para>strafbaar zijn op ontoereikende grond heeft verworpen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. De bedoelde feiten zijn in het bij het uitleveringsverzoek gevoegde Haftbefehl als </para>
      <para>volgt omschreven:</para>
      <para>"Im Zeitraum vom 6. August 1998 bis zum 8. August 1998 entlieh der </para>
      <para>Beschuldigte [de opgeëiste persoon] in vier Fällen bei verschiedenen </para>
      <para>Autoverleihfirmen Kraftfahrzeuge und brachte diese nicht zurück. Im einzelnen </para>
      <para>handelt es sich um folgende Fälle:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Am 6. August 1998 entlieh der Beschuldigte bei der "Kölner Flitzer Auto </para>
      <para>Vermietung" in Köln einen Ford Transit, amtliches Kennzeichen: [01] (Wert: </para>
      <para>35.000,00 Deutsche Mark). Das Fahrzeug sollte am 10. August 1998 </para>
      <para>zurückgebracht werden, was jedoch nicht geschah. Dem Beschuldigten war </para>
      <para>bereits bei Anmietung des Fahrzeugs bewusst, dass er dieses nicht </para>
      <para>zurückbringen werde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Ferner mietete der Beschuldigte am 6. August 1998 bei der Autovermietung</para>
      <para>"Colonia"1 einen Daimler-Benz, Typ: Sprinter 210, amtliches Kennzeichen [02]</para>
      <para>(Wert 50.000,00 Deutsche Mark) an und lieferte das Fahrzeug nicht wie vereinbart</para>
      <para>zurück.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Bei der Firma Europcar" in Köln-Bickendorf mietete der Beschuldigte am 9.</para>
      <para>August 1999 einen Mercedes Kastenwagen mit dem amtlichten Kennzeichen [03] </para>
      <para>(Wert: 30.000,00 Deutsche Mark) und brachte diesen nicht wie vereinbart am 11. </para>
      <para>August 1999 an die Autovermietung zurück.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. Am Abend des 6. August 1999 entlieh er bei der "Duo Car</para>
      <para>Kraftfahrzeugvermietung GmbH" in Köln einen Volkswagen ZD 8 (Caravelle) mit </para>
      <para>dem amtlichen Kennzeichen [04] (Wert: 54.000,00 Deutsche Mark) und brachte </para>
      <para>ihn nach dem vereinbarten Mietfristende nicht zurück."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. Deze feiten zijn in het Haftbefehl aangemerkt als: Vergehen, strafbar </para>
      <para>gemä$(Paragraphen 263 Absatz 1, 53 des deutschen Strafgesetzbuches. </para>
      <para>Eveneens volgens het Haftbefehl heeft § 263 StGB betrekking op Betrug.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. Blijkens de zich bij de stukken bevindende pleitnota, waarvan volgens het </para>
      <para>proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank de inhoud als aldaar ingelast moet </para>
      <para>worden beschouwd, heeft de raadsvrouw aldaar het volgende verweer gevoerd:</para>
      <para>"Bijgaand overleg ik uw rechtbank een arrest van de Hoge Raad van 7 april 1998, </para>
      <para>nr. 108.180 U, waarin in een vergelijkbaar feitencomplex geoordeeld werd dat er bij </para>
      <para>het Nederlandse feit Oplichting artikel 326 (het equivalent van het Duitse en </para>
      <para>Oostenrijkse Betrug) sprake moet zijn van "een valse hoedanigheid" en waarbij in </para>
      <para>de Conclusie van A-G mr Fokkens (onder 7) herhaald wordt dat "de enkele </para>
      <para>omstandigheid dat men zich in strijd met de waarheid voordoet als een koper van </para>
      <para>onroerend goed die bereid en in staat is de koopsom daarvan bij of op korte tijd na </para>
      <para>de overdracht te voldoen" niet een valse hoedanigheid in de zin van artikel 326 </para>
      <para>oplevert.2 Mijn cliënt heeft huurauto's gehuurd, op zijn naam, met zijn rijbewijs en </para>
      <para>op zijn paspoort, er is borg betaald, dit levert mijns inziens evenmin een valse </para>
      <para>hoedanigheid op in de zin van artikel 326 Sr."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. De uitspraak van de Rechtbank houdt dienaangaande in:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>"De rechtbank is van oordeel dat de feiten zoals deze in het Haftbefehl zijn </para>
      <para>uiteengezet, met daarbij gevoegd de uiteenzetting van de feiten zoals vermeld in</para>
      <para>voormeld "Vernehmungsprotokoll" naar Nederlands recht strafbare feiten </para>
      <para>opleveren, die telkens zijn te kwalificeren als oplichting dan wel verduistering. </para>
      <para>Daarvoor kan eveneens (telkens) een vrijheidsstraf van tenminste 1 jaar worden </para>
      <para>opgelegd."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>8. Het genoemde "Vernehmungsprotokoll" bevindt zich bij de stukken en houdt </para>
      <para>voorzover te dezen van belang als verklaring van [de opgeëiste persoon] (met </para>
      <para>betrekking tot merendeels andere auto's) in: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"Ich wollte diese Fahrzeuge nicht mehr zurückgeben, sondern sie nach </para>
      <para>Joegoslavien schaffen und dort verkaufen (...) Es war mir bewu(t, da( ich damit </para>
      <para>einen Betrug begehe."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>9. Evenals de stellers van het middel meen ik dat de Rechtbank, nu uitdrukkelijk </para>
      <para>een beroep is gedaan op HR 7 april 1998, NJ 1998, 498 (in dat arrest heeft Uw </para>
      <para>Raad onder meer overwogen dat de enkele omstandigheid dat men zich in strijd </para>
      <para>met de waarheid voordoet als een koper die van plan en in staat is de koopprijs </para>
      <para>van een goed te betalen, niet oplevert het aannemen van een valse hoedanigheid)3 </para>
      <para>ingevolge art. 28, eerste lid, tweede volzin, UW gehouden was tot nadere </para>
      <para>motivering van haar verwerping van het verweer dat de bedoelde feiten naar </para>
      <para>Nederlands recht niet als oplichting kunnen worden gekwalificeerd. In het licht van </para>
      <para>HR 10 februari 1998, NJ 1998, 497 m.nt. JdH, in welk arrest Uw Raad kennelijk </para>
      <para>beslissend achtte dat de verdachte op bedrieglijke wijze gebruik had gemaakt van </para>
      <para>een in het maatschappelijk verkeer geldend patroon, komt het oordeel dat de in </para>
      <para>het Haftbefehl omschreven feiten wel als oplichting kunnen worden gekwalificeerd </para>
      <para>mij zelfs onjuist voor; van zodanig bedrieglijk gebruik maken is immers in de </para>
      <para>overgelegde stukken geen sprake. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>10. Het voorgaande behoeft echter niet tot cassatie te leiden, aangezien de </para>
      <para>Rechtbank heeft geoordeeld dat die feiten "telkens zijn te kwalificeren als </para>
      <para>oplichting dan wel verduistering". Het in cassatie niet aangevochten oordeel dat </para>
      <para>het hier - zo niet om oplichting - om verduistering gaat geeft mijns inziens geen </para>
      <para>blijk van een verkeerde rechtsopvatting,4 in aanmerking genomen dat de </para>
      <para>Rechtbank kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft aangenomen dat de autoriteiten </para>
      <para>van de verzoekende staat door bijvoeging van het "Vernehmungsprotokoll" bedoeld </para>
      <para>hebben te stellen dat alle in het Haftbefehl bedoelde auto's naar Joegoslavië zijn </para>
      <para>verkocht. Dat oordeel draagt de verwerping van het verweer zelfstandig.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>11. Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>12. Het tweede middel keert zich tegen de verwerping door de Rechtbank van het </para>
      <para>verweer dat de gevraagde uitlevering moet afstuiten op het ne bis in idem beginsel </para>
      <para>omdat, naar gesteld werd, [de opgeëiste persoon] voor de feiten waarop het </para>
      <para>uitleveringsverzoek betrekking heeft reeds door de Oostenrijkse rechter is berecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>13. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank (pleitnota) is </para>
      <para>aldaar het verweer gevoerd dat de Rechtbank in haar uitspraak als volgt heeft </para>
      <para>weergeven:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"De raadsvrouwe heeft voorts betoogd dat de uitlevering ontoelaatbaar verklaard </para>
      <para>dient te worden, aangezien er sprake is van schending van "ne bis in idem". </para>
      <para>Immers, in het Oostenrijkse vonnis van 2 oktober 1998 is voor het bewijs van het </para>
      <para>strafverzwarende ("Erschwerend") "Tatwiederholung im Rahmen der </para>
      <para>Gewerbsmässigheit" gebruik gemaakt van de verklaring van de verdachte, dat hij - </para>
      <para>onder meer - de feiten, in verband waarmee thans uitlevering wordt gevraagd, heeft </para>
      <para>gepleegd."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>14. De Rechtbank heeft dienaangaande overwogen en beslist:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>"De rechtbank verwerpt dit verweer, aangezien haar uit het Haftbefehl, noch uit het </para>
      <para>overgelegde Oostenrijkse vonnis of anderszins is gebleken, dat de opgeëiste </para>
      <para>persoon bij genoemd vonnis is veroordeeld voor de feiten waarvoor thans de </para>
      <para>uitlevering wordt verzocht.</para>
      <para>Voorts gaat de rechtbank er op grond van het tussen Nederland en Duitsland </para>
      <para>geldende vertrouwensbeginsel van uit dat, indien te zijner tijd bij de berechting in </para>
      <para>Duitsland ter zake van de onderhavige feiten blijkt, dat de opgeëiste persoon </para>
      <para>hiervoor reeds door een rechter tot een onherroepelijk vonnis is veroordeeld, hij </para>
      <para>daarvoor - gelet op het "ne bis in idem" beginsel - niet nogmaals zal worden </para>
      <para>veroordeeld."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>15. Alvorens de klachten van het middel aangaande de eerste volzin van deze </para>
      <para>overweging te bespreken zij reeds opgemerkt dat het in de tweede volzin vervatte </para>
      <para>oordeel mij onbegrijpelijk voorkomt. Allereerst laat de Rechtbank in het ongewisse </para>
      <para>waarom de voorspelde toepassing van het ne bis in idem beginsel door de Duitse </para>
      <para>rechter bepalend zou zijn voor het oordeel van de Nederlandse uitleveringsrechter </para>
      <para>omtrent de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering. Voorts kan het oordeel </para>
      <para>dat naar Duits recht eerdere berechting in een vreemde staat aan berechting in de </para>
      <para>weg staat naar ik meen niet volgen uit het vertrouwensbeginsel. Dat beginsel, </para>
      <para>waarvan de Rechtbank niet vermeldt wat zij eronder verstaat, kan worden opgevat </para>
      <para>als inhoudende dat een aangezochte Staat, indien er geen overtuigende </para>
      <para>aanwijzingen zijn voor het tegendeel, ervan dient uit te gaan dat de verzoekende </para>
      <para>Staat heeft gehandeld en zal handelen volgens de daartoe geldende regels.5 Dat </para>
      <para>de in Duitsland op het onderhavige punt geldende regels meebrengen dat de </para>
      <para>opgeëiste persoon, indien blijkt dat hij ter zake van de onderhavige feiten door de </para>
      <para>Oostenrijkse rechter reeds bij onherroepelijk vonnis is veroordeeld, daarvoor niet </para>
      <para>nogmaals zal worden veroordeeld, heeft de Rechtbank niet vastgesteld. (Dat </para>
      <para>verbaast op zichzelf niet, aangezien § 51 van het Duitse Strafgesetzbuch op het </para>
      <para>tegendeel wijst, en Duitsland bij art. 54 van de Uitvoeringsovereenkomst van </para>
      <para>Schengen een voorbehoud heeft gemaakt.) Voorzover het middel over dit oordeel </para>
      <para>van de Rechtbank klaagt is het gegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>16. Thans bespreek ik het eerste onderdeel van de evenaangehaalde motivering.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>17. De vraag of eerdere berechting in een derde staat aan uitlevering in de weg </para>
      <para>staat wordt voor wat betreft de betrekking tussen Nederland en Duitsland beheerst </para>
      <para>- niet door art. 9 van het Europees uitleveringsverdrag, want dat heeft het oog op </para>
      <para>eerdere berechting in de aangezochte staat, noch door art. 2 van het Aanvullend </para>
      <para>Protocol bij dat Verdrag, want bij dat Protocol is Duitsland geen partij, maar - door </para>
      <para>het Nederlandse voorbehoud bij art. 9 EUV, welk voorbehoud luidt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"The Netherlands government will not grant extradition if it is satisfied that final </para>
      <para>judgment for the offence for which extradition is requested has been passed on </para>
      <para>the person claimed by the competent authorities of a third State and, in the event </para>
      <para>of conviction for that offence, the convicted person is serving his sentence, has </para>
      <para>already served it or has been dispensed from serving it."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>18. Gelet op dit voorbehoud kan het in casu gevoerde verweer slechts slagen </para>
      <para>indien komt vast te staan dat aan twee voorwaarden is voldaan, namelijk (a) dat </para>
      <para>het Oostenrijkse vonnis ook voorzover daarin sprake is van in Duitsland gehuurde </para>
      <para>auto's als final judgment kan worden aangemerkt, en (b) dat dit final judgment </para>
      <para>betrekking heeft op de auto's die in het bij het uitleveringsverzoek gevoegde </para>
      <para>Haftbefehl zijn genoemd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>19. De Rechtbank heeft volstaan met te oordelen dat aan de tweede genoemde </para>
      <para>voorwaarde niet is voldaan. Dat oordeel acht ik echter ontoereikend gemotiveerd. </para>
      <para>In de eerste plaats behoeft niet beslissend te zijn wat blijkt uit het overgelegde </para>
      <para>vonnis zelf; ook uit andere stukken, waarnaar in het vonnis wordt verwezen, zou </para>
      <para>kunnen blijken op welke gedragingen de veroordeling betrekking heeft. Hierbij </para>
      <para>merk ik op dat, anders dan in Nederland gebruikelijk is, in het Oostenrijkse </para>
      <para>vonnis, dat zich in kopie bij de stukken bevindt, de telastelegging en de gebezigde </para>
      <para>bewijsmiddelen niet zijn uitgespeld. Voorts sluit de enkele omstandigheid dat niet </para>
      <para>blijkt dat bij de veroordeling handelingen aangaande dezelfde auto's in aanmerking </para>
      <para>zijn genomen als waarop het uitleveringsverzoek betrekking heeft - op die </para>
      <para>omstandigheid heeft de Rechtbank kennelijk het oog - niet uit dat het feit waarvoor </para>
      <para>[de opgeëiste persoon] door de Oostenrijkse rechter is veroordeeld toch kan </para>
      <para>worden aangemerkt als hetzelfde feit als waarop het uitleveringsverzoek </para>
      <para>betrekking heeft, namelijk indien tussen die beide een zodanig verband bestaat </para>
      <para>met betrekking tot de gelijktijdigheid van de gedraging en de wezenlijke </para>
      <para>samenhang in het handelen en de schuld dat moet worden aangenomen dat [de </para>
      <para>opgeëiste persoon] ook voor het laatstbedoelde feit reeds door de Oostenrijkse </para>
      <para>rechter onherroepelijk is berecht.6 Dat een zodanig verband zich niet voordoet </para>
      <para>heeft de Rechtbank niet vastgesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>20. De Rechtbank heeft het verweer derhalve verworpen op gronden welke die </para>
      <para>beslissing niet kunnen dragen. Het tweede middel, dat daarover klaagt, acht ik </para>
      <para>daarom terecht voorgesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>21. Het voorgaande brengt mee dat de bestreden uitspraak voor wat betreft de </para>
      <para>verwerping door de Rechtbank van het ne bis in idem verweer niet in stand kan </para>
      <para>blijven en de Hoge Raad zal hebben te doen wat de Rechtbank had behoren te </para>
      <para>doen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>22. Bij de stukken bevindt zich een kopie van een vonnis van het Landesgericht für </para>
      <para>Strafsachen Wien, van 2 oktober 1998, waarbij ten laste van [de opgeëiste </para>
      <para>persoon] is bewezenverklaard dat hij op 12 augustus 1998 in Wenen drie </para>
      <para>benadeelden telkens door misleiding heeft bewogen tot afgifte van een vrachtauto, </para>
      <para>en [de opgeëiste persoon] daarvoor wegens gewerbsmä(igen schweren Betrug, </para>
      <para>strafbaar gesteld bij § 146 jo. § 147 jo. § 148 van het Oostenrijkse </para>
      <para>Strafgesetzbuch, is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van 18 maanden. Blijkens </para>
      <para>een daarop geplaatst stempel, gedateerd 17 november 1998, staan tegen dat </para>
      <para>vonnis geen rechtsmiddelen open. Ter terechtzitting van Rechtbank Haarlem heeft </para>
      <para>de raadsvrouw medegedeeld dat [de opgeëiste persoon] de bij het Oostenrijkse </para>
      <para>vonnis aan hem opgelegde straf van 18 maanden heeft ondergaan. Die mededeling </para>
      <para>is ter zitting niet weersproken. De juistheid ervan is door de Rechtbank kennelijk </para>
      <para>aanvaard. De Hoge Raad kan van die juistheid uitgaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>23. Het vonnis houdt onder meer in:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>"Die Gewerbsmä(igkeit ergibt sich aus der schlechten finanziellen Situation des </para>
      <para>Angeklagten im Zusammenhalt mit der Tatsache, da( neben der Mehrzahl der </para>
      <para>betrügerischen Anmietungen in Österreich nach der eigenen Verantwortung des </para>
      <para>Angeklagten bereits in Holland und Deutschland auf gleiche Art und Weise </para>
      <para>betrügerisch Fahrzeuge herausgelockt und nach Jugoslavien verschoben wurden, </para>
      <para>soda( nur der Schlu( gezogen werden kann, da( die betrügerischen Anmietungen </para>
      <para>durch [de opgeëiste persoon] erfolgten, um sich durch die wiederkehrende </para>
      <para>Begehung eine fortlaufende Einnahme durch Erlangung von Belohnungen für die </para>
      <para>Anmietung zu verschaffen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>24. De hiervoren onder (a) bedoelde vraag, of het Oostenrijkse vonnis, volgens </para>
      <para>hetwelk het oordeel dat gewerbsmässig is gehandeld steunt op een verklaring van </para>
      <para>[de opgeëiste persoon] omtrent onder meer in Duitsland gehuurde auto's, met </para>
      <para>betrekking tot het verduisteren van die auto's als final judgment kan worden </para>
      <para>aangemerkt, moet naar ik meen, in het licht van HR 19 november 1996, NJ 1997, </para>
      <para>155, bevestigend worden beantwoord. In dat arrest, dat eveneens over toepassing </para>
      <para>van de ne bis in idem regel in verband met uitlevering handelde, heeft Uw Raad </para>
      <para>immers geoordeeld dat over een bepaalde gedraging mede was geoordeeld omdat </para>
      <para>die gedraging weliswaar niet was vermeld in de telastelegging maar wel was </para>
      <para>betrokken in de bewijsvoering. Weliswaar gaat het in casu om de bewijsvoering </para>
      <para>niet aangaande het grondfeit maar met betrekking tot een strafverzwarende </para>
      <para>omstandigheid, maar dat verschil heeft mijns inziens in het onderhavige verband </para>
      <para>geen consequenties. Vgl. het arrest van het EHRM inzake Gradinger7 (geen </para>
      <para>nieuwe vervolging ter zake van rijden onder invloed van alcohol na eerdere </para>
      <para>berechting ter zake van dood door schuld na gebruik van alcohol).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>25. Ook de onder (b) bedoelde vraag moet mijns inziens bevestigend worden </para>
      <para>beantwoord. In aanmerking genomen dat een zich bij de stukken bevindend </para>
      <para>Bericht van de Bundespolizeidirektion Wien van 5 november 1998 inhoudt dat [de </para>
      <para>opgeëiste persoon] bij zijn aanhouding op 14 september 1998 onder meer heeft </para>
      <para>verklaard in Duitsland vier auto's te hebben gehuurd en deze vervolgens naar </para>
      <para>Joegoslavië te hebben overgebracht, moet aannemelijk worden geacht dat de </para>
      <para>geciteerde overweging van het Oostenrijkse vonnis voor wat gedragingen in </para>
      <para>Duitsland betreft op die vier auto's betrekking heeft. De volgens dat Bericht door </para>
      <para>[de opgeëiste persoon] genoemde auto's zijn een VW-Caravelle en een Mercedes </para>
      <para>Sprinter bij de Fa. Colonia te Keulen, een Mercedes Vito bij Europcar en een Ford </para>
      <para>Transit. Weliswaar heeft [de opgeëiste persoon] volgens dat Bericht ten aanzien </para>
      <para>van de Volkswagen een andere benadeelde genoemd dan is vermeld in het </para>
      <para>Haftbefehl, maar dat kan op een vergissing berusten en daartegenover staat dat </para>
      <para>het kenteken van de volgens het Haftbefehl bij Europcar gehuurde Mercedes </para>
      <para>hetzelfde is als dat van de Mercedes Vito waarvan sprake is in het Bericht. Al met </para>
      <para>al meen ik dat er voldoende grond is om aannemelijk te achten dat de in het </para>
      <para>Oostenrijkse vonnis bedoelde in Duitsland gehuurde auto's dezelfde zijn als die </para>
      <para>waarop het Haftbefehl betrekking heeft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>26. Om deze redenen meen ik dat het verweer gegrond is en dat Uw Raad </para>
      <para>daarom, zonder [de opgeëiste persoon] daarover nog te behoeven te horen, de </para>
      <para>uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>27. Ik concludeer dan ook dat Uw Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en, </para>
      <para>doende wat de Rechtbank had behoren te doen, de gevraagde uitlevering </para>
      <para>ontoelaatbaar zal verklaren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>				                          Voor de Procureur-Generaal</para>
      <para>				                          bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>				                            Waarnemend Advocaat-Generaal</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1 Kennelijk en niet onbegrijpelijk is de Rechtbank ervan uitgegaan dat ook dit feit</para>
      <para>zich zou hebben afgespeeld in Keulen. Bij de stukken bevindt zich namelijk een</para>
      <para>aangifte door Autovermietung Colonia, vertreten durch ihren Geschäftsführer, [..].</para>
      <para>2 Dat arrest is gepubliceerd in NJ 1998, 498, m.nt. JdH.</para>
      <para>3 Aldus ook HR 15 december 1998, NJ 1999, 182. Zie voorts conclusie A-G </para>
      <para>Wortel voor HR 7 maart 2000, zaaknummer 112.745.</para>
      <para>4 Vgl. HR 8 januari 1991, NJ 1991, 344 m.nt. ThWvV.</para>
      <para>5 Vgl. Remmelink, Uitlevering (NLR ****), blz. 73; Swart, Nederlands </para>
      <para>uitleveringsrecht (1986), blz. 28.</para>
      <para>6 Vgl. HR 25 april 1989, NJ 1989, 790; HR 10 september 1996, DD 97.001; HR 19 </para>
      <para>november 1996, NJ 1997, 155 (besproken door W.F. van Hattum in DD 1999, blz. </para>
      <para>941 e.v.); HR 2 maart 1999, NJ 1999, 331.</para>
      <para>7 EHRM 23 oktober 1995, A 328 (r.o. 55), besproken door H.G.M. Krabbe en </para>
      <para>W.F. van Hattum, Delikt en Delinkwent 2000, blz. 6-20. Het 7e Protocol bij het </para>
      <para>EVRM. waarop dit arrest betrekking heeft, is door Nederland niet geratificeerd.</para>
    </parablock>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>