<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2000:AA7305</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T11:45:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA7305</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2000-10-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">01441/00 U</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2000:AA7305" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA7305</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001903&amp;artikel=437&amp;g=2000-10-03">Wetboek van Strafvordering 437</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA7305">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA7305</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:09:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2000:AA7305 Parket bij de Hoge Raad , 03-10-2000 / 01441/00 U</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA7305:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA7305:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Mr Jörg</para>
      <para>Nr. 01441/00/U</para>
      <para>Zitting 27 juni 2000</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Conclusie inzake:</para>
      <para>[de opgeëiste persoon]</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. De opgeëiste persoon heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak </para>
      <para>van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 15 februari 2000 waarbij de </para>
      <para>uitlevering aan de Republiek Macedonië ter executie van de bij arrest van hof te </para>
      <para>Skopje van 23 oktober 1997, Kž.nr.486/97 opgelegde straf toelaatbaar is </para>
      <para>verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Namens verzoeker heeft mr A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, bij </para>
      <para>schriftuur die op 25 mei 2000 ter griffie van de Hoge Raad is ontvangen twee </para>
      <para>middelen van cassatie voorgesteld. In het eerste middel klaagt de raadsman er </para>
      <para>onder meer over dat hij geen volledig exemplaar van de uitspraak van de rechtbank </para>
      <para>heeft ontvangen. Ook het exemplaar dat de Hoge Raad van de rechtbank had </para>
      <para>ontvangen bleek onvolledig te zijn, aangezien de vierde pagina van de uitspraak </para>
      <para>ontbrak. Ik heb alsnog de volledige uitspraak bij de rechtbank opgevraagd en op </para>
      <para>14 juni 2000 het ik een kopie daarvan aan de raadsman verzonden, waarbij ik hem </para>
      <para>het volgende heb medegedeeld: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>“Ik zou het op prijs stellen binnen twee weken na dagtekening van deze brief van</para>
      <para>U te mogen vernemen of hetgeen op de vierde pagina van de uitspraak staat U </para>
      <para>aanleiding geeft tot het indienen van een of meer nieuwe middelen dan wel of de </para>
      <para>aangereikte gegevens U aanleiding geven tot heroverweging van het in het eerste </para>
      <para>middel gestelde.”  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Bij brief die op 20 juni 2000 bij de griffie van de Hoge Raad is ingekomen heeft </para>
      <para>de raadsman laten weten dat hij een nieuwe schriftuur houdende drie middelen </para>
      <para>van cassatie heeft opgesteld. Het eerste en het tweede middel zijn nieuw en het </para>
      <para>derde middel komt overeen met het tweede middel in de oorspronkelijke </para>
      <para>schriftuur. Het eerste middel van de oorspronkelijke schriftuur is komen te </para>
      <para>vervallen. Bij de bespreking van de middelen houd ik de volgorde aan van de </para>
      <para>schriftuur die op 20 juni 2000 ter griffie van de Hoge Raad is ontvangen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. Het eerste middel moet buiten bespreking blijven, aangezien dit middel - in </para>
      <para>afwijking van de bij brief van 14 juni 2000 aan de raadsman geboden mogelijkheid - </para>
      <para>geen betrekking heeft op hetgeen de rechtbank op de vierde pagina van de </para>
      <para>bestreden uitspraak heeft overwogen, maar op een kwestie die desgewenst ook in </para>
      <para>de oorspronkelijk ingediende schriftuur aan de orde had moeten worden gesteld </para>
      <para>en die thans dus als tardief opgeworpen dient te worden beschouwd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. Het tweede middel klaagt erover dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen </para>
      <para>dat het feit waarvoor verzoeker in Macedonië is veroordeeld naar Nederlands recht </para>
      <para>het misdrijf van art. 311 Sr oplevert, althans dat de rechtbank dit oordeel </para>
      <para>ontoereikend heeft gemotiveerd`. Het te dezen toepasselijke verdrag (bedoeld zal </para>
      <para>zijn: de op 28 februari/11 maart 1896 gesloten overeenkomst tussen het </para>
      <para>Koninkrijk Nederland en het Koninkrijk Servië tot regeling van de wederzijdse </para>
      <para>uitlevering van misdadigers, welke overeenkomst blijkens de notawisselingen </para>
      <para>zoals gepubliceerd in Trb. 1997, 278 van kracht is gebleven tussen de Republiek </para>
      <para>Macedonië en het Koninkrijk Nederland, NJ) geeft een limitatieve opsomming van </para>
      <para>de feiten waarvoor uitlevering kan plaatsvinden. In art. 1 onder 22° van die </para>
      <para>overeenkomst wordt in de Franse tekst over “vol” en in de Nederlandse tekst over </para>
      <para>“diefstal” gesproken. Daaruit kan worden afgeleid dat geen uitlevering kan </para>
      <para>plaatsvinden voor gekwalificeerde varianten van het gronddelict, aldus het middel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. Het middel kan niet tot cassatie leiden, aangezien, anders dan de steller van </para>
      <para>het middel wil, bij een in een uitleveringsovereenkomst opgenomen catalogus van </para>
      <para>strafbare feiten het vermelden van een gronddelict impliceert dat ook </para>
      <para>gekwalificeerde en geprivilegieerde vormen van dat gronddelict door de </para>
      <para>overeenkomst worden bestreken (en het omgekeerde niet). Dit brengt mee dat </para>
      <para>onder de in art. 1 onder 22° van voornoemde overeenkomst vermelde “diefstal” </para>
      <para>moeten worden begrepen gekwalificeerde vormen van diefstal (vgl. Swart, </para>
      <para>Nederlands Uitleveringsrecht, p. 164 en het aldaar genoemde HR 31 augustus </para>
      <para>1972, NJ 1973, 4 welke uitspraak ook betrekking had op de uitleg van art. 1 onder </para>
      <para>22° van meergenoemde overeenkomst maar dan in de relatie tussen Nederland en </para>
      <para>de toenmalige Republiek Zuid-Servië). Daarvan is in casu sprake.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>7. In het derde middel wordt het standpunt ingenomen dat de bestreden uitspraak </para>
      <para>niet in stand kan blijven, aangezien in strijd met art. 327 Sv in verbinding met art. </para>
      <para>29 Uitleveringswet (bedoeld zal zijn het eerste lid van dit artikel, NJ) het proces-</para>
      <para>verbaal van de zitting van 15 februari 2000 niet mede door de voorzitter is </para>
      <para>ondertekend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>8. Ter terechtzitting van 15 februari 2000 is de beslissing van de rechtbank </para>
      <para>uitgesproken. Het van die zitting opgemaakte proces-verbaal houdt in dat het door </para>
      <para>de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend met daaronder de </para>
      <para>handtekening van de griffier en de handgeschreven mededeling dat de voorzitter </para>
      <para>buiten staat is te tekenen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, vermag ik niet </para>
      <para>in te zien hoe verzoeker hierdoor in enig rechtens te respecteren belang kan zijn </para>
      <para>geschaad (vgl. HR 18 oktober 1994, DD 95.058). Het middel faalt derhalve.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>9. Geheel ten overvloede wijs ik er voorts nog op dat de omstandigheid dat de </para>
      <para>voorzitter het proces-verbaal wel heeft vastgesteld, maar slechts niet heeft </para>
      <para>ondertekend geen reden is om te oordelen dat het proces-verbaal nietig is (vgl. </para>
      <para>Corstens, Het Nederlandse strafprocesrecht, 3e, p. 537 en de aldaar genoemde </para>
      <para>jurisprudentie).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>10. De middelen die voor bespreking in aanmerking komen falen en kunnen </para>
      <para>worden afgedaan met de aan art. 101a RO ontleende overweging. Ambtshalve </para>
      <para>gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb </para>
      <para>ik niet aangetroffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>								AG</para>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>