<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2000:AA7233</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T03:14:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA7233</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2000-09-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">00544/99</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2000:AA7233" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA7233</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001903&amp;artikel=126h&amp;g=2000-09-26">Wetboek van Strafvordering 126h</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2000, 459</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2000, 739 met annotatie van T.M. Schalken</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA7233">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA7233</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:08:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2000:AA7233 Parket bij de Hoge Raad , 26-09-2000 / 00544/99</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA7233:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA7233:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Mr Jörg</para>
      <para>Nr. 544/99</para>
      <para>Zitting 16 mei 2000</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Conclusie inzake:</para>
      <para>[verzoeker=verdachte]</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft verzoeker bij arrest van 16 april</para>
      <para>1999 ter zake van de verkoop van cocaïne veroordeeld tot twee maanden</para>
      <para>gevangenisstraf voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Namens verzoeker heeft mr G.J.P.M. Mooren, advocaat te Oisterwijk, één</para>
      <para>middel van cassatie voorgesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Het middel klaagt erover dat het hof het als bewijsmiddel 2 aangeduide</para>
      <para>proces-verbaal van bevindingen ten onrechte tot het bewijs heeft gebezigd,</para>
      <para>aangezien sprake was van uitlokking van verzoeker door verbalisant De Groot.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. Ten laste van verzoeker is bewezenverklaard dat hij: </para>
      <para>“op 6 juli 1997 te Sint-Oedenrode opzettelijk heeft verkocht 0,6 gram van een</para>
      <para>materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de</para>
      <para>Opiumwet behorende lijst I.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. Voor een goed begrip van de rechtsvraag geef ik weer wat het dossier leert over</para>
      <para>de feiten en omstandigheden rond het optreden van verzoeker en verbalisant. De</para>
      <para>schriftuur van grieven van de officier van Justitie tegen het vonnis van de</para>
      <para>politierechter in de rechtbank te ’s-Hertogenbosch, als beslissing inhoudende de</para>
      <para>niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, vermeldt dat “[i]n de</para>
      <para>maanden april en mei 1997 informatie [werd] ontvangen via de RCID van de politie</para>
      <para>Brabant-Noord, dat er gedeald zou worden in harddrugs in de lokaliteit “[A]” te</para>
      <para>Sint-Oedenrode. In overleg tussen politie en ondergetekende werd bekeken welke</para>
      <para>mogelijkheden er op dat moment waren om deze zaak aan te pakken. Een</para>
      <para>aanpak was dringend noodzakelijk gelet op het gegeven dat de betreffende</para>
      <para>lokaliteit druk bezocht werd. Het vermoeden zijdens de politie werd geuit dat dit</para>
      <para>verband hield met het dealen in harddrugs. Het zou met name gaan om cocaïne</para>
      <para>en XTC-pillen. De CID-informatie gaf aan dat gedeald zou worden door twee met</para>
      <para>name bekende personen en een onbekende jongeman. De verdachte werd in deze</para>
      <para>informatie niet genoemd. In overleg met de politie [is] een aantal mogelijkheden</para>
      <para>bekeken om een einde te maken aan deze situatie ()  Conclusie van het overleg</para>
      <para>was dat er geen andere mogelijkheid bestond dan om in de betreffende lokaliteit</para>
      <para>te kijken wat zich daar afspeelde en om zo de waarde van de CID-informatie te</para>
      <para>kunnen toetsen. ()”</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. De desbetreffende CID-informatie bevond (en bevindt) zich niet in het dossier,</para>
      <para>maar de officier van Justitie heeft aangeboden om deze aan de politierechter ter</para>
      <para>inzage te geven. Van dat aanbod is gezien het proces-verbaal van de</para>
      <para>politierechterzitting geen gebruik gemaakt. In hoger beroep is op dit aspect verder</para>
      <para>niet ingegaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>7. Het strafblad van verzoeker bevat als enige vermelding, anterieur aan de</para>
      <para>pleegdatum: 11 maart 1992, art. 350, sepot, geen wettig bewijs.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>8. Een tussen verzoeker (aangeduid met F) en de desbetreffende verbalisant</para>
      <para>(aangeduid met G) gevoerd gesprek in “[lokaliteit A]” is in bewijsmiddel 2 als volgt</para>
      <para>weergegeven: </para>
      <para>“G: Hoe hou je dat vol, zo de hele nacht doorgaan? F: Gewoon goed innemen.</para>
      <para>(lacht) G: Hoezo goed innemen? F: Een goeie snuif coke nemen. G: Kun je dat</para>
      <para>krijgen dan hier? F: Ja, volop, een hele berg als je wilt. Je kunt hier meer krijgen</para>
      <para>dan in de stad. Wil je iets hebben dan? G:: Ja, dat is goed, hoe regel je dat?”</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>9. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen ging de conversatie nog even</para>
      <para>verder, en wel als volgt:</para>
      <para>“F: Ik ken wel iemand die het heeft. G: Breng me maar met hem in contact, dan</para>
      <para>koop ik het zelf wel van hem. F: Nee, dat doe ik niet. G: Is die wel hier binnen</para>
      <para>dan? F: Ja. G: Nou breng me dan naar hem toe dan koop ik zelf, want anders ben</para>
      <para>jij er dadelijk met m’n poen ervandoor. F: Nee, dat doe ik niet. Vertrouw me maar.</para>
      <para>Ik ga even kijken of hij er is en dan ben ik zo weer terug.  ([verdachte] loopt en</para>
      <para>komt na ongeveer een minuut terug.)  F: Ik kan het regelen voor je. Het kost</para>
      <para>f.100,- per gram. Jij geeft mij f.100,-, ik geef jou mijn identiteitskaart. Als ik jou</para>
      <para>dan de coke geef, dan krijg ik mijn kaart terug. Het kan er binnen 10 minuten zijn.</para>
      <para>G: Is de kwaliteit goed? F. Gaat wel. Niet zo goed als twee jaar geleden, maar dat</para>
      <para>krijg je nergens meer. G: Ok.”  (Vervolgens geeft de verbalisant aan verzoeker</para>
      <para>f.100; hij krijgt van verzoeker diens identiteitskaart. Verzoeker loopt weg, komt na</para>
      <para>een minuut terug, zegt dat de coke er binnen 10 minuten zal zijn. Ongeveer 15</para>
      <para>minuten na aanvang van het nachtelijk gesprek krijgt verbalisant een gripzakje met</para>
      <para>0.6 gram wit poeder overhandigd, welke zakje in beslag wordt genomen en welk</para>
      <para>poeder positief op de cocaïnetest reageert.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>10. Naar aanleiding van het cassatiemiddel en ambtshalve wil ik de vraag</para>
      <para>opwerpen wat de draagwijdte is van het zogenaamde Tallon-criterium.1 In het</para>
      <para>onder deze naam (van een Amerikaan) bekende arrest (HR 4</para>
      <para>december 1979, NJ 1980, 356 m.nt. ThWvV) werd Uw Raad voor</para>
      <para>de vraag gesteld of een verklaring die is verkregen als</para>
      <para>resultaat van een pseudokoop, voor het bewijs, dus als</para>
      <para>wettig bewijsmiddel mag worden gebruikt. In de wandeling</para>
      <para>wordt Uw uitspraak gereduceerd tot de tekst dat pseudokoop</para>
      <para>toelaatbaar is `indien de verdachte niet tot andere</para>
      <para>handelingen is gebracht dan waarop zijn opzet reeds was</para>
      <para>gericht.’2 Voor alle duidelijkheid wil ik - in het licht</para>
      <para>van de nieuwe wetteksten - het woord `tevoren’ toevoegen</para>
      <para>voor het woordje `reeds’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>11. Het Tallon-criterium (of, anders gesteld: de vraag hoe de pseudokoop tot</para>
      <para>stand is gekomen) lijkt drie elementen te bevatten: een subjectief element waarbij</para>
      <para>het gaat om het opzet van de verdachte; een objectief element waarbij het gaat</para>
      <para>om de vraag naar het optreden van de pseudokoper; en een temporeel element,</para>
      <para>deels samenvallend met het subjectieve element, en waarbij het gaat om het</para>
      <para>vaststellen van de wilsinhoud van de verdachte ex ante.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>12. Het subjectieve element verwijst niet naar enige specifieke betekenis van</para>
      <para>opzet in het materiële strafrecht, maar naar een algemeen streven, aldus</para>
      <para>Corstens in zijn noot onder HR 24 oktober 1989, NJ 1990, 239. Hij baseert zich</para>
      <para>op Remmelink (`generiek of hypothetisch opzet’) en op G.E. Mulder</para>
      <para>(`daadwerkelijke bereidheid om handelend op te treden wanneer de kans zich</para>
      <para>voordoet’). `Streven’ en `generiek opzet’ sluiten een willen in. Als onder de</para>
      <para>`daadwerkelijke bereidheid’ van Mulder ook de wil essentieel is: accoord. Niet, als</para>
      <para>daaronder zou vallen: een geneigdheid, of, wat in Amerika wordt genoemd:</para>
      <para>predisposition, en die daar is gerelateerd aan het overtreden van de strafwet. Ons</para>
      <para>opzet is - anders dan bij de Amerikanen - kleurloos en niet boos, zodat de vraag</para>
      <para>of de wil is gericht op het overtreden van de strafwet, dan wel of men er</para>
      <para>onverschillig tegenover staat, ten onzent irrelevant is: het gaat om de wil ten</para>
      <para>aanzien van gedragingen (die strafbaar blijken te zijn). Daadwerkelijke bereidheid</para>
      <para>dus om handelend op te treden. `Geneigdheid’ is als ondercriterium te vaag omdat</para>
      <para>dit begrip juist wel naar een criminele habitus verwijst. Het komt er dus op aan om</para>
      <para>vast te stellen wat de verdachte daadwerkelijk heeft gewild: wat was zijn</para>
      <para>wilsinhoud ex ante. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>13. Ook dan zijn de afgrenzingsproblemen nog groot genoeg. Men kan hier drie</para>
      <para>categorieën onderscheiden: is voldoende dat een algemeen streven (dit is dus</para>
      <para>méér dan geneigdheid sec) om strafbaar te handelen is komen vast te staan, of</para>
      <para>wordt geëist dat het streven is gericht op delicten van dezelfde categorie</para>
      <para>(soortgelijke feiten dus) als waarvoor de verdachte terecht staat, dan wel: was het</para>
      <para>streven inderdaad gericht op het concrete feit waarvoor de verdachte wordt</para>
      <para>vervolgd?</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>14. Aan het subjectieve element was in de Tallon-zaak ruimschoots voldaan: het</para>
      <para>ging om iemand die voorafgaande aan de pseudokoop reeds bij twee</para>
      <para>drugstransacties betrokken was geweest, daarvoor had vastgezeten, de waarde</para>
      <para>van gestolen drugs moest en wilde terug verdienen en daartoe iemand had</para>
      <para>aangeboden een partij drugs te leveren, in welke kader de pseudokopers ten</para>
      <para>tonele verschenen.  Ook in de zaak die leidde tot HR 2 november 1993, DD</para>
      <para>94.110 gooide het subjectieve element geen roet in het eten: in die zaak bleek de</para>
      <para>verdachte in zijn contact met tussenpersonen steeds het initiatief te hebben</para>
      <para>genomen en gehouden, terwijl de mogelijkheid was open gebleven om vrijwillig</para>
      <para>terug te treden. In het arrest van 4 december 1990, NJ 1991, 327 was de</para>
      <para>verdachte in de val gelopen die voor anderen was opgesteld: het </para>
      <para>undercover-optreden was niet op de verdachte gericht, maar toen hij zich in de</para>
      <para>omgeving van de doelwitten aan het verhandelen van verdovende middelen bleek</para>
      <para>schuldig te maken, was een pseudokoop van de verdachte niet in strijd met het</para>
      <para>Tallon-criterium. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>15. In al deze zaken kan vastgesteld worden dat de wil gericht was conform de</para>
      <para>derde hierboven genoemde categorie. Daarmee is nog niet gezegd of aan het</para>
      <para>Tallon-criterium is voldaan indien het opzet in de twee andere categorieën valt. De</para>
      <para>Memorie van Toelichting op de Wet-BOB laat ook de tweede categorie gevallen,</para>
      <para>de soortgelijke feiten, onder het Tallon-criterium vallen (TK 1996-1997, 25 403, nr</para>
      <para>3, p. 31). Iemands strafblad omtrent een zelfde of soortgelijk delict functioneert in</para>
      <para>de MvT enkel als indicatie voor de juistheid van uit andere bron afkomstige</para>
      <para>concrete inlichtingen die aangeven dat de verdachte voornemens is of bezig is</para>
      <para>strafbare feiten te plegen. Daarmee lijkt uitgesloten te zijn dat een (algemeen)</para>
      <para>streven om strafbare feiten te plegen voldoende concreet is om onder het</para>
      <para>Tallon-criterium te kunnen worden geaccepteerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>16. Wat betreft het objectieve element, het optreden van de pseudokoper, is niet</para>
      <para>de causale invloed daarvan op het handelen van de verdachte van doorslaggevend</para>
      <para>belang - die staat wel vast -, maar de aard en intensiteit van dat optreden. Op</para>
      <para>zichzelf staat het Tallon-criterium niet op gespannen voet met uitlokking door een</para>
      <para>pseudokoper. Indien een verdachte die uitkijkt naar een afnemer voor zijn</para>
      <para>verdovende middelen, wordt benaderd voor een concrete transactie, wordt hij in</para>
      <para>strafrechtelijke zin uitgelokt zonder dat kan worden gezegd dat zijn opzet daarop</para>
      <para>niet was gericht. Het gaat er om dat wordt vastgesteld dat de pseudokoper zich</para>
      <para>niet van in dit verband ongeoorloofde methodes heeft bediend. Zo is er uiteraard</para>
      <para>altijd sprake van misbruik van vertrouwen, maar niet elk misbruik zal toelaatbaar</para>
      <para>zijn. Men kan zich ook wel voorstellen dat een verdachte dusdanig wordt klem</para>
      <para>gezet, dat weerstand nauwelijks geëist mag worden. In de Amerikaanse en Duitse</para>
      <para>literatuur zijn hiervan stuitende voorbeelden te vinden (Sorrells v. United States,</para>
      <para>287 U.S. 435 (1932); Jacobson v. United States, 112 S.Ct. 1535 (1992); BGH</para>
      <para>13.10.1994, StV 1995, 131; BGH 12.1.1995, StV 1995, 248). De aard (dreigen</para>
      <para>met geweld bijv.) en de intensiteit van het optreden (ergerlijk misbruik van</para>
      <para>vertrouwen) zijn aspecten die bij dit objectieve element in de beschouwing moeten</para>
      <para>worden betrokken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>17. Tot slot het temporeel element, dat voortbouwt op het subjectieve element,</para>
      <para>maar wel aparte aandacht vraagt: wat houdt het in, wanneer wordt geëist dat</para>
      <para>vastgesteld wordt dat iemand tevoren reeds zijn opzet op de handelingen (die</para>
      <para>verboden blijken) had gericht? Duidt dit op een aanwijsbaar moment van anterieure</para>
      <para>bezinning? Gaat dit in de richting van voorbedachte raad? Hier is verhelderend wat</para>
      <para>de destijds toepasselijke Richtlijnen infiltratie (van 20 februari 1991; richtlijn 3.16,</para>
      <para>§ 3.1.1 in de losbladige SDU-bundel Richtlijnen en circulaires van het Openbaar</para>
      <para>Ministerie) beschrijft als het zichtbaar maken van het opzet:</para>
      <para>“[B]lijken [moet] dat de verdachte ook zonder tussenkomst van de infiltrant tot het</para>
      <para>plegen van deze of soortgelijke feiten zou zijn gekomen.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>18. Dit duidt niet op beslissingen die worden genomen in de waan van het</para>
      <para>moment, maar op een restrictieve invloed van het tijdsbestek. “De gelegenheid</para>
      <para>maakt de dief” schiet hier tekort: men gooie niet een portemonnaie op straat om</para>
      <para>te arresteren degene die deze wegneemt met het oogmerk van wederrechtelijke</para>
      <para>toe-eigening. Dat staat aan het zetten van een valstrik voor een weloverwogen</para>
      <para>wetsovertreder niet in de weg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>19. Dit temporele aspect heeft ook betrekking op de aanwijsbaarheid van tevoren</para>
      <para>bestaande opzet: moet het zo zijn dat er tegen de betrokkene tevoren al een</para>
      <para>verdenking bestaat? Zijn aanwijzingen voldoende; of kan ook achteraf worden</para>
      <para>vastgesteld dat te voren het opzet reeds bestond? Het arrest van 4 december</para>
      <para>1990 NJ 1991, 327 laat zien dat ook achteraf kan blijken dat tevoren het opzet</para>
      <para>reeds bestond. Niettemin is de vraag van de tevoren bestaande verdenking in </para>
      <para>minder sprekende gevallen dan in dat arrest aan de orde wel van belang. Naar</para>
      <para>mijn gevoelen is het in het algemeen niet de taak van de overheid om haar</para>
      <para>onverdachte burgers te verleiden tot het plegen van een strafbaar feit, om de</para>
      <para>argeloze onderdanen op de proef te stellen (in het algemeen, omdat ik mij</para>
      <para>bijvoorbeeld wel de behoefte bij de overheid kan voorstellen om de proef op te som</para>
      <para>te nemen of iemand die een activiteit verricht waarvoor een vergunning nodig is</para>
      <para>waaraan voorwaarden zijn verbonden, zich aan die voorwaarden houdt). Dat het</para>
      <para>middel van pseudokoop niet kan worden ingezet tegen personen tegen wie geen </para>
      <para>aanwijzingen bestaan van gepleegde of te plegen strafbare feiten (van een bepaald </para>
      <para>kaliber) volgt al uit de Richtlijnen Infiltratie, t.a.p.). Dat sluit, als gezegd, een in de </para>
      <para>schoot geworpen pseudokoop niet uit, maar vergt in dat geval een ondubbelzinnig </para>
      <para>initiatief van de verdachte, waaruit zijn tevoren bestaande opzet zonneklaar blijkt. </para>
      <para>Nauwelijks anders dan de Richtlijnen infiltratie zegt de MvT op de Wet-BOB:</para>
      <para>“Achteraf moet dus kunnen worden vastgesteld </para>
      <para>dat de verdachte de misdrijven ter zake waarvan </para>
      <para>hij wordt vervolgd, ook zou hebben begaan als </para>
      <para>de infiltrant er niet was tussen gekomen” (p. </para>
      <para>31).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>20. In het Duitse recht lijkt inzake de problematiek van de “unzulässige </para>
      <para>Tatprovokation” - die aanleiding tot strafreductie, en niet tot bewijsuitsluiting geeft </para>
      <para>- naast de bereidheid om de strafbare feit te begaan geëist te worden dat reeds </para>
      <para>verdenking bestaat dat de betrokkene soortgelijke strafbare feiten van plan is te </para>
      <para>begaan of daarin verwikkeld is (Pfeiffer, Karlsruher Kommentar zur </para>
      <para>Strafproceßordnung, 1999, § 110c, aant. 8; bijv. BGH 7.1.1993, StV 1993, 115; </para>
      <para>BGH 17.3.1994, NStZ 1994, 335; BGH 13.10.1994, t.a.p.; BGH 12.1.1995, t.a.p.;</para>
      <para>BGH 16.3.1995, NStZ 1995, 506).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>21. Anders dan in de Amerikaanse jurisprudentie waarin een subjectieve test</para>
      <para>(predisposition) is ontwikkeld in het kader van het verweer van entrapment, en een </para>
      <para>objectieve test inzake government’s conduct in het kader van schending van due </para>
      <para>process (cf. E. Klein Egelink, AA 1981, p. 6-14; P. Bal, DD 1995, p. 312-331), </para>
      <para>bestaat ten onzent geen technisch-processueel bezwaar om - wat ik maar noem </para>
      <para>- het subjectieve element en het objectieve element beide gelijkelijk en van meet </para>
      <para>af aan gewicht te geven.  De gevaren van een eenzijdige benadrukking van</para>
      <para>predisposition zijn evident (in extremis is een strafblad al voldoende om een</para>
      <para>verweer van entrapment te weerleggen). Vanuit rechtsbeschermingsoptiek is een </para>
      <para>eenzijdige, op het undercover-handelen en daarmee op het overheidsoptreden </para>
      <para>gerichte test, minder bezwaarlijk, omdat deze aan het opsporingsapparaat een </para>
      <para>duidelijke aanwijzing geeft waar de grens ligt, en een oordeel dat dit optreden de </para>
      <para>spuigaten uitloopt niet wordt vertroebeld door de omstandigheid dat de verdachte </para>
      <para>wellicht ook geen lieverdje is. Anderzijds is onvermijdelijk dat de inhoud die aan </para>
      <para>predisposition wordt gegeven sturend is voor de wijze waarop het doelwit zal (en </para>
      <para>mag) worden benaderd. Het maakt nogal verschil of men een praktiserende </para>
      <para>drugsimporteur een zak geld aanbiedt voor de levering van heroïne, of een </para>
      <para>particulier met een gezin en een blanco strafblad, die met faillissement wordt </para>
      <para>bedreigd, benadert voor koeriersdiensten. Het Tallon-criterium biedt voldoende </para>
      <para>aanknopingspunten voor het aanleggen van de test van de `totality of </para>
      <para>circumstances’: zowel het subjectieve als het objectieve als het temporele aspect </para>
      <para>vergen aandacht en evaluatie. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>22. Het Engelse recht is weinig geneigd om `entrapment’ als enkele </para>
      <para>omstandigheid voor bewijsuitsluitingsgrond te accepteren (M. Zander, The Police </para>
      <para>and Criminal Evidence Act 1984, 1995, p. 243 ff.; J. Smith, Criminal evidence, </para>
      <para>1995, p. 194). Er moet een `issue of unfairness in regard to the proceedings’ </para>
      <para>aanwezig zijn (PACE, section 78).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>23. Deze benadering valt ook te onderkennen in de uitspraak van het EHRM van 9 </para>
      <para>juni 1998 (NJB 1998, p. 1355, nr 30), Teixeira de Castro v. Portugal. Het ging daar </para>
      <para>om iemand tegen wie de autoriteiten geen goede reden hadden om hem te </para>
      <para>verdenken van drugshandel, terwijl klager geen strafdossier had, er tegen hem </para>
      <para>geen onderzoek was geopend, en hij bij de politie zelfs onbekend was. De rol van </para>
      <para>de politieagenten in die zaak beperkte zich niet tot een passief onderzoek naar de </para>
      <para>criminele activiteiten van de klager. Het was geenszins bewezen dat het strafbare </para>
      <para>feit ook zonder de inmenging van de agenten zou zijn begaan. Die inmenging en </para>
      <para>het gebruik van het aldus verkregen bewijs in het daaropvolgende strafproces </para>
      <para>betekende dat de klager van het begin af aan geen eerlijk proces kon hebben. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>24. Terug naar de casus. Het hof heeft de volgende </para>
      <para>bewijsoverweging gegeven:</para>
      <para>“De raadsman heeft ter terechtzitting het </para>
      <para>verweer gevoerd -kort samengevat en zakelijk </para>
      <para>weergegeven- dat de verdachte in casu door de </para>
      <para>verbalisant De Groot is uitgelokt om cocaïne te </para>
      <para>verkopen, dat die uitlokking dient te leiden </para>
      <para>tot bewijsuitsluiting en mitsdien tot </para>
      <para>vrijspraak van de verdachte. () Met betrekking </para>
      <para>tot de vraag of er sprake is geweest van </para>
      <para>uitlokking overweegt het hof als volgt. Uit het </para>
      <para>hiervoor onder 2. tot het bewijs gebezigde </para>
      <para>proces-verbaal () blijkt dat het initiatief tot </para>
      <para>de verkoop van cocaïne is uitgegaan van de </para>
      <para>verdachte [verdachte] voornoemd. Immers, op de </para>
      <para>vraag van de verbalisant De Groot “Kun je dat</para>
      <para>(opmerking: bedoeld wordt -blijkens de aan deze </para>
      <para>vraag voorafgaande uitlating van verdachte- </para>
      <para>cocaïne) krijgen dan hier?”, antwoordt de </para>
      <para>verdachte namelijk: “Ja, volop, een hele berg </para>
      <para>als je wilt. Je kunt hier meer krijgen dan in </para>
      <para>de stad. Wil je iets hebben dan?”. En eerst dan </para>
      <para>zegt de verbalisant: “Ja, dat is goed”. Het hof </para>
      <para>is van oordeel dat -gelet op het vorenstaand </para>
      <para>gespreksverloop- niet gezegd kan worden dat de </para>
      <para>verdachte door de uitlatingen van de </para>
      <para>verbalisant De Groot welke vooraf zijn gegaan </para>
      <para>aan de vraag van de verdachte "Wil je iets </para>
      <para>hebben dan?", is bewogen tot een strafbare </para>
      <para>gedraging -in casu de verkoop van cocaïne- </para>
      <para>welke hij zonder die uitlatingen achterwege zou </para>
      <para>hebben gelaten. Het hof verwerpt mitsdien het </para>
      <para>beroep op onrechtmatige bewijsgaring.” (vet in </para>
      <para>orig.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>25. Het middel bestrijdt de interpretatie die het hof aan de in het proces-verbaal </para>
      <para>opgenomen conversatie heeft gegeven op twee punten.  Waar het hof de </para>
      <para>zinsnede: “Kun je dat (= coke, NJ) krijgen dan hier” niet beschouwt als een </para>
      <para>specifieke vraag gericht tot verzoeker, stelt het middel zich op het standpunt dat </para>
      <para>dit wel het geval is. Volgens de steller van het middel moet de vraag niet - zoals </para>
      <para>het hof doet - opgevat worden als een onderzoek naar de verkrijgbaarheid van </para>
      <para>coke in de uitgaansgelegenheid (`is hier coke te krijgen?’), maar als een </para>
      <para>uitlokkende vraag: `kun jij hier coke krijgen?’ In de tweede plaats is de steller van </para>
      <para>het middel van oordeel dat de vraag van verzoeker (die volgt op zijn antwoord dat </para>
      <para>als je wil daar een hele berg coke te krijgen is, meer dan in de stad) “Wil je iets </para>
      <para>hebben dan” moet worden gezien als een algemene opmerking met de strekking </para>
      <para>om te informeren of zijn gesprekspartner in coke is geïnteresseerd, en niet, zoals </para>
      <para>het hof doet, als een specifiek tot de gesprekspartner gericht aanbod tot levering </para>
      <para>van coke.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>26. De interpretatie van het beschikbare bewijsmateriaal is voorbehouden aan de </para>
      <para>rechter die over de feiten oordeelt (HR 21 januari 1997, NJ 1997, 388, m.nt. JR; </para>
      <para>HR 13 mei 1997, NJ 1998, 318, m.nt. Sch). Dat is niet anders indien het gaat om </para>
      <para>het materiaal dat beslissend is voor het al dan niet aannemen van een </para>
      <para>bewijsuitsluitingsgrond. Afgezien van die interpretatievrijheid laat zich de juiste </para>
      <para>toepassing van het Tallon-criterium wel door de cassatierechter controleren: heeft </para>
      <para>de feitenrechter de `totality of circumstances’ wel in aanmerking genomen? </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>27. Zoals gezegd kan het in abstracto om twee situaties gaan: of er bestaan</para>
      <para>tevoren reeds aanwijzingen tegen iemand die door de pseudokoop verdachte </para>
      <para>wordt, of de pseudokoop wordt de infiltrant `in de schoot geworpen’.  Van </para>
      <para>aanwijzingen tegen verzoeker is niets gebleken (hij komt niet in de RCID-</para>
      <para>informatie naar voren als mogelijke drugsdealer in [lokaliteit A]”). Een strafblad </para>
      <para>heeft verzoeker niet. Over een situatie met een verdachte (zoals bedoeld in de </para>
      <para>Richtlijnen en in de MvT, t.a.p.) gaat dit geval dus niet; het betreft een </para>
      <para>pseudokoop die de infiltrant in de schoot lijkt geworpen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>28. In geval de pseudokoop de infiltrant in de schoot lijkt geworpen moet het</para>
      <para>tevoren bestaande (en slechts zichtbaar gemaakte) opzet zonneklaar uit </para>
      <para>ondubbelzinnig initiatief van de verdachte blijken. Cruciaal in de door het hof </para>
      <para>gemaakte afweging van het verweer is naar mijn oordeel de vraag of dit is komen </para>
      <para>vast te staan. Was bij verzoeker tevoren het opzet aanwezig was om coke, of in </para>
      <para>het algemeen verdovende middelen, te verstrekken? Was verzoekers wil daarop </para>
      <para>gericht? Nog anders - met het Europese hof en de MvT - gezegd: is overtuigend </para>
      <para>bewezen dat het strafbare feit ook zonder de inmenging van de agenten zou zijn </para>
      <para>begaan? </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>29. Naar mijn oordeel is dat niet het geval.  In de eerste plaats is de in de </para>
      <para>bewijsconstructie voorkomende en in de bewijsoverweging terugkerende </para>
      <para>conversatie voor tweeërlei uitleg vatbaar; en is niet meer bewijs over zijn eventuele </para>
      <para>tevoren reeds bestaande opzet aanwezig dan dit. In de tweede plaats heeft </para>
      <para>verzoeker van de aanvang af (reeds bij het eerste politieverhoor enkele weken na </para>
      <para>het gesprek, p.v. p. 22) verklaard dat het initiatief van de koper(s) is uitgegaan (zie </para>
      <para>ook p.v. van de zitting bij de rechtbank, p. 1). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>30 Tegen verzoeker pleit dat hij zonder meer reeds strafbaar was door een </para>
      <para>bescheiden hoeveelheid (0,6 gram) coke voor eigen gebruik aanwezig te hebben </para>
      <para>(die hij - al dan niet uitgelokt - heeft verkocht). Om uit dit aanwezig hebben van </para>
      <para>een verdovend middel het tevoren bestaande opzet af te leiden om aan anderen </para>
      <para>verdovende middelen te verstrekken/te verkopen komt mij niet gerechtvaardigd </para>
      <para>voor. Het gaat hier om verschillende strafbare feiten en ver uiteenlopende </para>
      <para>strafposities (4 in plaats van 8 jaar gevangenisstraf in de opzetvarianten, art. 10, </para>
      <para>tweede, resp. derde lid OW). Bovendien geldt voor het aanwezig hebben van een </para>
      <para>kleine hoeveelheid voor eigen gebruik nog eens een verlaagd strafmaximum (1 </para>
      <para>jaar, art. 10, vijfde lid, OW). De Richtlijnen inzake Opiumwet trekt de grens bij 0,5 </para>
      <para>gram (bijlage A) en vermeldt in § 4 dat in deze gevallen de hulpverlening aan de </para>
      <para>gebruiker voorop dient te staan. Er is geen gerichte opsporing; geen </para>
      <para>inverzekeringstelling en vervolging geschiedt slechts ter ondersteuning van </para>
      <para>hulpverlening.  Dit aanwezig hebben voor eigen gebruik waaraan de wetgever een </para>
      <para>bijzondere strafpositie heeft verbonden neemt niet verzoekers recht op een ook in </para>
      <para>de aanvang eerlijk proces weg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>31. Ik meen derhalve dat het middel gegrond is. Dit voert mij tot de vraag wat </para>
      <para>hiervan de consequentie zou moeten zijn. Gezien het feit dat het proces-verbaal </para>
      <para>van de verbalisant de enige ondersteuning vormt voor het rechterlijk oordeel dat </para>
      <para>wel aan het Tallon-criterium is voldaan, maar naar mijn oordeel dit proces-verbaal </para>
      <para>van de bewijsvoering moet worden uitgesloten, omdat het ten aanzien van het </para>
      <para>bewijs van het reeds tevoren bestaande opzet niet ondubbelzinnig is en daarmee </para>
      <para>geen wettig bewijsmiddel is in de zin van Uw arrest van 1979, kan deze zaak in </para>
      <para>mijn visie niet anders dan met een vrijspraak aflopen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>32. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot het </para>
      <para>nemen van een beslissing waarbij verzoeker wordt vrijgesproken van het hem </para>
      <para>tenlastegelegde. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
    <para />
    <para>AG</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1 Op de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit is in feitelijke aanleg en wordt in deze conclusie niet ingegaan.</para>
      <para>2 Sinds de wet van 27 mei 1999, Stb. 245 (Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden, BOB), in werking getreden 1 februari 2000, heeft het Tallon-criterium een wettelijke basis gekregen in de artikelen 126i, tweede lid, en 126q, tweede lid, Sv betreffende de pseudokoop en -dienstverlening door opsporingsambtenaren en in de artikelen 126ij, derde lid, en 126z, derde lid Sv inzake de burgerpseudokoop en -dienstverlening.</para>
    </parablock>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>