<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2000:AA7042</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T18:29:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA7042</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2000-04-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">R99/161HR</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2000:AA7042" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA7042</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=64a&amp;g=2000-09-08">Algemene bijstandswet 64a</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=96&amp;g=2000-09-08">Algemene bijstandswet 96</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2000, 417</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2000, 615</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2000, 178</rdf:li>
          <rdf:li>EB 2001, 3</rdf:li>
          <rdf:li>FJR 2001, 10</rdf:li>
          <rdf:li>JWB 2000/130</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA7042">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA7042</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-09-20T16:30:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2000:AA7042 Parket bij de Hoge Raad , 14-04-2000 / R99/161HR</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA7042:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA7042:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
  <parablock>
    <para>Nr. R 99/161 HR                    Mr. Mok</para>
    <para>(verhaal Abw)                       Conclusie inzake</para>
    <para>Parket, 14 april 2000 </para>
    <para />
    <para>               GEMEENTE HILVERSUM</para>
    <para>tegen</para>
    <para>
      [verweerder]
    </para>
    <para />
    <para>Edelhoogachtbaar college,</para>
    <para>1. Feiten</para>
    <para>1.1. (Principaal) verweerder in cassatie, [verweerder] , hierna: de man, is</para>
    <para>op 11 november 1977 in ge meenschap van goederen gehuwd met [de vrouw] (hierna: de vrouw).</para>
    <para>Dit huwelijk is op 3 mei 1989 ontbonden door inschrijving van</para>
    <para>het echtscheidingsvonnis van 14 december 1988 van de rechtbank te</para>
    <para>Amsterdam in de registers van de burgerlijke stand.</para>
    <para>1.2. Uit het huwelijk zijn op [geboortedatum] 1979 geboren [kind 1] en op [geboortedatum] 1982  [kind 2] .</para>
    <para>De vrouw heeft het ouderlijk gezag over [kind 1] en [kind 2] (gehad).</para>
    <para>1.3. Bij het echtscheidingsvonnis is bepaald dat de man met ingang</para>
    <para>van de datum van inschrij ving van het echtscheidingsvonnis een</para>
    <para>uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw diende te be talen van ƒ</para>
    <para>800,- per maand.</para>
    <para>De door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging</para>
    <para>en opvoeding van de kin deren is bepaald op ƒ 250,- per kind per</para>
    <para>maand, eveneens met de genoemde ingangsdatum.</para>
    <para>1.4.   De gemeente heeft de vrouw sinds 13 april 1988 een</para>
    <para>bijstandsuitkering verleend, naar de norm voor een éénoudergezin.</para>
    <para>Met ingang van 1 februari 1990 heeft de Raad voor de</para>
    <para>Kinderbescherming de onderhouds bijdragen ten behoeve van [kind 1] en</para>
    <para>
      [kind 2] geïnd.</para>
    <para>1.5. De man heeft de alimentatie voor de vrouw steeds rechtstreeks</para>
    <para>aan haar betaald, met uit zondering van de betaling van 12</para>
    <para>september 1989, die hij aan de gemeente heeft voldaan.</para>
    <para>Hij was hiertoe door de gemeente gesommeerd, nadat de vrouw had</para>
    <para>gemeld dat zij de be dragen niet had ontvangen.</para>
    <para>De vrouw maakte de alimentatiegelden die zij van de man ontving</para>
    <para>over aan de gemeente.</para>
    <para>1.6. De man is per juli 1991 gestopt met de alimentatiebetalingen</para>
    <para>aan de vrouw, omdat de vrouw volgens hem in 1990/1991 met een</para>
    <para>partner zou hebben samengewoond, als waren zij gehuwd, zo dat hij</para>
    <para>krachtens het bepaalde in art. 1:160 BW niet meer</para>
    <para>alimentatieplichtig zou zijn.</para>
    <para>De vrouw heeft niet gereageerd op de stopzetting door de man</para>
    <para>van de alimentatiebetalingen van alimentatie. Eerder, medio 1989,</para>
    <para>had zij dat wel gedaan.</para>
    <para>1.7. Bij brief van 14 juli 1995 heeft de gemeente aan de man</para>
    <para>meegedeeld dat hij onderhouds plichtig was jegens de vrouw en dat</para>
    <para>de gemeente een onderzoek zou instellen naar zijn financiële</para>
    <para>omstandigheden.</para>
    <para>Bij brief van 6 oktober 1995 heeft de man de gemeente verzocht</para>
    <para>om een onderzoek in te stellen naar zijn stelling dat de vrouw</para>
    <para>samenwoonde op het moment waarop hij met betalen is ge stopt. Op 12</para>
    <para>maart 1996 heeft de afdeling Bijzondere Controle van de gemeente</para>
    <para>geconcludeerd dat niet was vastgesteld dat er sprake zou zijn van</para>
    <para>samenwoning.</para>
    <para>1.8. Bij verhaalsbesluit van 3 april 1996&amp;lt;(1). Prod. 1 bij inleidend verzoekschrift (2 mei 1996).</para>
    <para>&amp;gt; heeft de gemeente bepaald</para>
    <para>dat de man met ingang van 1 april 1996 een bedrag van ƒ 951,47 per</para>
    <para>maand aan haar verschuldigd was, wegens verhaal van bij</para>
    <para>standskosten, in overeenstemming met de aan de man opgelegde</para>
    <para>alimentatieverplichting.</para>
    <para>Over de periode van 1989 tot april 1996 was een achterstand</para>
    <para>ontstaan ad ƒ 53.877 die de man aan de gemeente verschuldigd was.</para>
    <para>2.  Verloop procedure</para>
    <para>2.1. De man heeft zich bij verzoekschrift gewend tot de rechtbank te</para>
    <para>Amsterdam en heeft (pri mair) verzocht het besluit van B en W van 3</para>
    <para>april 1996 te vernietigen en (subsidiair) te bepalen dat het</para>
    <para>besluit van B &amp; W van 3 april 1996 niet ten uitvoer mocht worden</para>
    <para>gelegd, zolang niet in rechte definitief is beslist over het</para>
    <para>bestaan van een alimentatieplicht van de man jegens de vrouw sedert</para>
    <para>1 juli 1991.</para>
    <para>2.2.1.  In een tussenbeschikking van 27 november 1996 heeft de</para>
    <para>rechtbank vooropgesteld dat de man zijn stelling dat de vrouw heeft</para>
    <para>samengewoond als ware zij gehuwd, in beginsel zou moe ten bewijzen.</para>
    <para>Zij heeft echter de bewijslast omgekeerd (ro. 5) omdat de man</para>
    <para>al in 1991 kenbaar had ge maakt de alimentatiebetalingen te stoppen</para>
    <para>omdat de vrouw zou samenwonen, terwijl het tot 1995 heeft geduurd</para>
    <para>voordat de gemeente een aanvang heeft gemaakt met het</para>
    <para>bijstandsverhaal op de man. Door dit tijdsverloop is de man in zijn</para>
    <para>bewijspositie bemoeilijkt.</para>
    <para>De rechtbank heeft daarom de gemeente belast met het bewijs dat</para>
    <para>de vrouw in de periode 1990/1991 niet met een ander heeft</para>
    <para>samengewoond als waren zij gehuwd.</para>
    <para>2.2.2.  De rechtbank heeft voorts overwogen (ro 6) dat het</para>
    <para>bijstandsverhaal, ook al zou komen vast te staan dat de</para>
    <para>onderhoudsverplichting van de man niet is geëindigd, slechts kon</para>
    <para>worden ge honoreerd met ingang van een redelijke periode na 14 juli</para>
    <para>1995.</para>
    <para>Zij heeft hierbij rekening gehouden met een billijke termijn</para>
    <para>(twee maanden) na de aanschrij ving tot bijstandsverhaal door de</para>
    <para>gemeente op 14 juli 1995 waarin de man zich heeft kunnen instel len</para>
    <para>op het verhaal. De gemeente had daarom in billijkheid de</para>
    <para>verhaalsperiode niet eerder dan op 14 september 1995 mogen laten</para>
    <para>ingaan.</para>
    <para>2.3. Bij eindbeschikking van 23 september 1998 heeft de rechtbank</para>
    <para>geoordeeld dat de gemeente was geslaagd in haar bewijsopdracht,</para>
    <para>zodat was gebleken dat de onderhoudsplicht van de man jegens zijn</para>
    <para>ex-echtgenote niet was beëindigd (ro 5).</para>
    <para>De rechtbank heeft het besluit van de gemeente van 3 april 1996</para>
    <para>in zoverre vernietigd dat, op in de tussenbeschikking gegeven</para>
    <para>gronden, niet eerder verhaald mocht worden dan sedert 14 september</para>
    <para>1995.</para>
    <para>2.4. De man heeft tegen beide beschikkingen van de rechtbank hoger</para>
    <para>beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De gemeente</para>
    <para>heeft incidenteel appel ingesteld.</para>
    <para>2.5. Met de rechtbank was het hof van mening dat de gemeente in het</para>
    <para>bewijs geslaagd was dat de vrouw niet heeft samengewoond (roo. 3.1</para>
    <para>en 3.2).</para>
    <para>Het hof heeft verder overwogen (ro 3.5) dat gezien het</para>
    <para>betalingsverkeer dat heeft plaatsge vonden tussen de man en de</para>
    <para>vrouw en de dreiging met rechtsmaatregelen in 1989, de man er me</para>
    <para>dio 1991 van mocht uitgaan dat er een einde was gekomen aan de</para>
    <para>alimentatieverplichting, omdat noch de vrouw noch de gemeente op</para>
    <para>het stopzetten van de betalingen door de man heeft gerea geerd. Dat</para>
    <para>werd pas anders op 12 maart 1998 toen de bewijslevering over en</para>
    <para>weer plaats had ge had. Vanaf dat moment diende de man er rekening</para>
    <para>mee te houden dat hij ten onrechte een beroep op art. 1:160 BW had</para>
    <para>gedaan en dat zijn alimentatieverplichting derhalve niet was</para>
    <para>vervallen.</para>
    <para>Sinds die datum mocht de gemeente de uitgekeerde bijstand weer</para>
    <para>op de man verhalen.</para>
    <para>2.6.   Het hof heeft bij beschikking van 15 juli 1999 de beschikking</para>
    <para>van de rechtbank van 27 no vember 1996 bekrachtigd en de</para>
    <para>eindbeschikking van 23 september 1998 vernietigd.</para>
    <para>Opnieuw rechtdoende heeft het hof het door de man gedane verzet</para>
    <para>gegrond verklaard, voor zover het de periode tot 12 maart 1998</para>
    <para>betrof.</para>
    <para>2.7.1.  De gemeente heeft tegen de beschikking van het hof beroep in</para>
    <para>cassatie ingesteld. Het steunt op een middel dat klaagt over de</para>
    <para>vaststelling van de ingangstermijn van het door de ge meente te</para>
    <para>nemen verhaal.</para>
    <para>Het beroep is binnen twee maanden, dus tijdig, ingesteld, omdat</para>
    <para>het inleidend verzoek schrift op 2 mei 1996, dus na 1 januari</para>
    <para>1996, is ingediend waardoor de gewone cassatietermijn voor rekesten</para>
    <para>van art. 426 Rv (twee maanden) van toepassing is&amp;lt;(2).  HR 19 november 1999, NJ 2000, 84.&amp;gt;.</para>
    <para>2.7.2.  De man heeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Het</para>
    <para>aangevoerde middel is even eens gericht tegen de overweging van het</para>
    <para>hof, inhoudend dat hij er vanaf 12 maart 1998 rekening mee moest</para>
    <para>houden dat hij ten onrechte een beroep had gedaan op art. 1:160 BW.</para>
    <para>3.  Toepasselijk recht</para>
    <para>3.1. De man heeft zijn (inleidend) verzoekschrift gebaseerd op art.</para>
    <para>64a, lid 3, van de "Algemene  Bijstandswet". Daarmee heeft hij</para>
    <para>kennelijk bedoeld de Algemene Bijstandswet (ABW), Stb. 1973,  395,</para>
    <para>zoals deze luidde na de wijzigingswet van 1992&amp;lt;(3). Wet van 15 april 1992, Stb. 193.&amp;gt;.</para>
    <para>Ook de gemeente heeft zich daarop, in haar verhaalsbesluit van</para>
    <para>3 april 1996 (zie noot 1), gebaseerd.</para>
    <para>3.2. Het hof heeft echter overwogen (ro. 2.2.) dat het verzoek van</para>
    <para>de man kennelijk is gebaseerd op art. 96 (van de op 1 januari 1996</para>
    <para>in werking getreden) Abw, voorheen art. 64a ABW&amp;lt;(4). Vgl. HR 19 november 1999, NJ 2000, 84, waarin uw Raad, na zorgvuldig onderzocht</para>
    <para>te hebben welke procedure regels van kracht waren, art. 98, lid 1 (geen</para>
    <para>procedureregel) heeft toegepast, waarmee gedoeld wordt op art. 98 van de op 1</para>
    <para>januari 1996 in werking getreden Abw.&amp;gt;.</para>
    <para>Verschil maakt dat op zichzelf niet, aangezien beide artikelen,</para>
    <para>afgezien van enkele termino logische punten en een verwijzing,</para>
    <para>woordelijk aan elkaar gelijk zijn.</para>
    <para>3.3. Het hof heeft voorts gereleveerd dat de man een beroep heeft</para>
    <para>gedaan op een dringende re den in de zin van art. 92 Abw om af te</para>
    <para>zien van verhaal.</para>
    <para>Ik merk echter op dat de man wel een beroep heeft gedaan op</para>
    <para>zulk een dringende reden&amp;lt;(5). Appelrekest, nr. 22, p. 5.&amp;gt;, maar daarbij het artikelnummer niet heeft</para>
    <para>genoemd. Hij kan daarbij ook art. 62 ABW (oud) op het oog hebben</para>
    <para>gehad, dat overigens bijna gelijkluidend aan art. 92 Abw was.</para>
    <para>3.4. In navolging van het hof zal ik, waar nodig, verwijzen naar de</para>
    <para>tekst van de op 1 januari 1996 in werking getreden Abw, met de</para>
    <para>aantekening dat het niet uitmaakt of deze tekst dan wel de voor</para>
    <para>afgaande van toepassing is, omdat de inhoud van de relevante</para>
    <para>bepalingen dezelfde is.</para>
    <para>4.  Grondslag van het gedane verzet</para>
    <para>4.1. Zoals bleek heeft de man het in zijn inleidend verzoekschrift</para>
    <para>vervatte verzet gebaseerd op art. 64a, lid 3, ABW (oud), waarvoor</para>
    <para>men ook kan lezen: art. 96, lid 3, Abw.</para>
    <para>4.2. Beide wetsbepalingen bevatten de clausule: "Het verzet kan niet</para>
    <para>gegrond zijn op de bewe ring dat de uitkering tot onderhoud ten</para>
    <para>onrechte is opgelegd of onjuist is vastgesteld."</para>
    <para>Strikt gesproken bestrijdt de man niet dat destijds terecht een</para>
    <para>alimentatieverplichting aan hem is opgelegd en voert hij ook niet</para>
    <para>aan dat deze onjuist zou zijn. Hij meent echter dat de destijds</para>
    <para>opgelegde verplichting op grond van art. 1:160 BW is vervallen.</para>
    <para>4.3. De wetgever heeft met deze bepaling beoogd dat, op grond van</para>
    <para>(art. 64a ABW of) 96 Abw, geen inhoudelijke toetsing van de</para>
    <para>alimentatie zou plaatsvinden.</para>
    <para>Uit de wetsgeschiedenis van zowel art. 64a ABW als art. 96 Abw</para>
    <para>(in de wetsgeschiedenis oorspronkelijk genummerd als art. 103 Abw)</para>
    <para>blijkt dat de bepaling alleen is bedoeld om een soort</para>
    <para>"executiegeschil" aan de rechter voor te kunnen leggen.</para>
    <para>4.4. In de m.v.t. bij art. 64a ABW&amp;lt;(6). Kamerst. [II 1987-1988] 20 598, nr 3 p. 19.&amp;gt; en in die bij art. 96 Abw&amp;lt;(7). Kamerst. [II 1991-1992] 22 545, nr 3, pp. 176-177. Uit andere parlementaire</para>
    <para>stukken over het voorstel van deze wet is niets anders af te leiden.&amp;gt;</para>
    <para>(vrijwel letterlijk gelijkluidend) is het volgende te lezen:</para>
    <para>"De gemeente moet op basis van de geldende rechterlijke</para>
    <para>uitspraak ook tot tenuitvoerleg ging daarvan kunnen overgaan.</para>
    <para>(...) Eerst moet de gemeente de betrokkene een aanmaning</para>
    <para>sturen. De betrokkene heeft de mogelijkheid hiertegen in verzet</para>
    <para>te komen. Dit verzet kan er niet op gericht zijn de</para>
    <para>onderhoudsplicht als zodanig opnieuw door de rechter te laten</para>
    <para>vaststellen. Daarvoor zal een afzonderlijk verzoek om</para>
    <para>herziening bij de rechter moeten wor den ingediend. Wel is</para>
    <para>verzet mogelijk als het vastgestelde alimentatiebedrag door de</para>
    <para>ge meente niet juist in de beschikking is overgenomen, als</para>
    <para>bepaalde termijnen reeds zijn be taald e.d. Vervolgens kan,</para>
    <para>indien niet aan de wettelijke verplichting wordt voldaan, door</para>
    <para>de gemeente tot tenuitvoerlegging worden overgegaan."</para>
    <para>Ook in de literatuur gaat men ervan uit dat het artikel alleen</para>
    <para>betrekking heeft op verzet op "formele" gronden&amp;lt;(8). Zie W.F.A. Eiselin, Teksten en toelichting op de nieuwe Algemene bijstandswet,</para>
    <para>1995, pp. 100-101: het verzet kan niet de onderhoudsplicht als zodanig aan de</para>
    <para>orde stellen. Zie ook J.L.M. Schell, De Algemene bijstandswet, 1995, pp. 352</para>
    <para>e.v.: het artikel is met name bedoeld voor het aan de orde stellen van</para>
    <para>procedurefouten bij de gemeente.&amp;gt;.</para>
    <para>4.5.1.  Toch kan men verdedigen dat althans in n geval in het kader</para>
    <para>van art. 96, lid 3, Abw een verder gaande toetsing mogelijk moet</para>
    <para>zijn.</para>
    <para>Dat is het geval waarin een alimentatieplichtige een beroep</para>
    <para>doet op art. 1:160 BW, daarbij stellend dat de</para>
    <para>alimentatiegerechtigde ex-partner samenleeft als ware hij/zij</para>
    <para>gehuwd, terwijl die ex- partner zulks betwist, dus het geval dat</para>
    <para>zich hier voordoet.</para>
    <para>4.5.2.  Juist in dat geval is het ex iure-systeem van art. 1:160</para>
    <para>minder goed bruikbaar. Huwelijk of geregistreerd partnerschap is in</para>
    <para>de registers vast te stellen.</para>
    <para>Erkend concubinaat geeft ook geen probleem. Bij betwist</para>
    <para>concubinaat echter zal men slecht zonder rechterlijke uitspraak</para>
    <para>kunnen.</para>
    <para>4.5.3.  Strikt genomen heeft men daarvoor art. 96, lid 3, Abw niet</para>
    <para>nodig. Uitgangspunt van art. 96 is immers dat een rechterlijke</para>
    <para>uitspraak betreffende levensonderhoud niet wordt nagekomen. Een ali</para>
    <para>mentatieplichtige kan in een geval als het onderhavige intrekking</para>
    <para>van de desbetreffende uitspraak uitlokken, door een beroep te doen</para>
    <para>op gewijzigde omstandigheden (art. 1:401 BW).</para>
    <para>Dat lijkt mij eigenlijk de koninklijke weg. Bijzonder</para>
    <para>omslachtig is deze ook niet. Zodra op grond van gewijzigde</para>
    <para>omstandigheden een alimentatiebeschikking is ingetrokken, mag een</para>
    <para>gemeente niet meer wegens niet-nakoming van de oorspronkelijke</para>
    <para>beschikking aan de alimentatie gerechtigde betaalde bijstand op de</para>
    <para>(voormalige) alimentatieplichtige verhalen  (Abw, art 96, lid 1).</para>
    <para>Interessant is dat de man oorspronkelijk aldus heeft willen</para>
    <para>handelen&amp;lt;(9). Inleidend verzoekschrift, nr. 14, p. 3.&amp;gt;, maar de rechtbank heeft dat kennelijk niet nodig geacht.</para>
    <para>4.5.4.  Dat alles neemt niet weg dat de wet (art. 1:160 BW) uitgaat</para>
    <para>van beëindiging van rechts wege van de verplichting tot</para>
    <para>levensonderhoud aan een gewezen echtgenoot, die met een ander is</para>
    <para>gaan samenwonen als waren zij gehuwd.</para>
    <para>Art. 96 Abw wekt (evenals de oude bepaling van art. 64a ABW) de</para>
    <para>indruk dat de bijstands wetgever aan dit geval niet gedacht heeft.</para>
    <para>Indien dan verhaal plaatsvindt op basis van dat wets artikel, biedt</para>
    <para>het verzet van het derde lid wel een praktische weg om te</para>
    <para>onderzoeken of al dan niet terecht een beroep is gedaan op</para>
    <para>beëindiging van de alimentatieplicht op grond van art. 1:160 BW.</para>
    <para>4.5.5.  Volledigheidshalve voeg ik aan het voorgaande nog toe dat</para>
    <para>art. 96, lid 1, Abw spreekt over een "rechterlijke uitspraak</para>
    <para>betreffende levensonderhoud (...) die uitvoerbaar is". De verplich</para>
    <para>ting tot betaling van alimentatie eindigt door het intreden van de</para>
    <para>omstandigheden van art. 1:160 en men zou kunnen verdedigen dat  dus</para>
    <para>de uitvoerbaarheid van de rechterlijke uitspraak daartoe een einde</para>
    <para>neemt.</para>
    <para>Verhaalt de overheid  - zoals hier - aan een gewezen echtgenoot</para>
    <para>betaalde bijstand op de andere echtgenoot wegens niet-naleving van</para>
    <para>een rechterlijke alimentatie-uitspraak, terwijl die an dere</para>
    <para>echtgenoot meent dat zijn alimentatieplicht op grond van art. 1:160</para>
    <para>BW beëindigd is, dan zou men kunnen spreken van een soort</para>
    <para>procedurefout, waartegen de betrokkene op grond van art. 96, lid 3,</para>
    <para>Abw verzet kan doen.</para>
    <para>4.5.7. Hoewel de vrouw in een procedure als de onderhavige geen</para>
    <para>verzoekster of verweerster is, kan zij zich toch als belanghebbende</para>
    <para>laten horen.</para>
    <para>4.6. In het licht van het in § 4.5.5.-4.5.7.  betoogde lijkt mij de</para>
    <para>weg die rechtbank en hof in deze zaak bewandeld hebben rechtens</para>
    <para>geen dwaalspoor.</para>
    <para>Overigens heeft de man zich ook op een meer eigenlijke</para>
    <para>procedurefout beroepen, namelijk het te lang wachten door de</para>
    <para>gemeente&amp;lt;(10). Inleidend verzoekschrift, p. nr. 13, p. 3.&amp;gt;. Het onderzoek naar de vraag of de man zich terecht be</para>
    <para>riep op art. 1:160 BW kan men dan zien als een soort incident in</para>
    <para>het op zichzelf terecht op art. 96, lid 3, gebaseerde verzet.</para>
    <para>5.  Bespreking van het principaal voorgestelde</para>
    <para>cassatiemiddel</para>
    <para>5.1.1.                               Het middel bestrijdt, zoals hiervóór al bleek, dat de</para>
    <para>gemeente slechts met ingang van 12 maart 1998 verhaal zou kunnen</para>
    <para>nemen.</para>
    <para>Volgens het middel was een dergelijk verhaal mogelijk sedert</para>
    <para>het tijdstip waarop de ge meente de man had medegedeeld dat verhaal</para>
    <para>zou worden genomen (14 juli 1995), althans vanaf  een redelijke</para>
    <para>termijn van twee maanden na dat moment (14 september 1995), althans</para>
    <para>vanaf het moment van het nemen van het verhaalsbesluit door de</para>
    <para>gemeente (3 mei 1996).</para>
    <para>5.1.2.  Zonder nadere motivering zou, aldus het middel, althans</para>
    <para>onbegrijpelijk zijn waarom de man er pas sedert 12 maart 1998</para>
    <para>rekening mee hoefde te houden dat hij ten onrechte een beroep op</para>
    <para>art.1:160 BW had gedaan en zijn alimentatieverplichting derhalve</para>
    <para>niet was vervallen.</para>
    <para>Niet zonder meer zou zijn in te zien waarom 12 maart 1998 een</para>
    <para>redelijk aanvangsmoment zou zijn.</para>
    <para>5.2.1. Bij de bepaling van de datum met ingang van welke de gemeente</para>
    <para>mag verhalen, geldt het volgende:</para>
    <para>"De rechter zal (...) bij vaststelling van het verhaalsbedrag</para>
    <para>tevens de dag moeten vaststellen van welke het verhaal mogelijk</para>
    <para>is. Bij de vaststelling van die dag is de rechter vrij rekening</para>
    <para>te houden met de omstandigheden die hij van belang acht.&amp;lt;(11)".     HR 18 november 1994, NJ 1995, 116, ro. 3.2. De minister van SZW is tijdens</para>
    <para>behandeling van het voorstel voor de nieuwe Abw uitgegaan van de bestaande</para>
    <para>jurisprudentie van de Hoge Raad; zie brief minister SZW d.d. 7 mei 1996 aan de</para>
    <para>Tweede Kamer, kamerst [II 1995-1996], 22 545, nr 56. Deze brief is ook te vinden</para>
    <para>in de Abw Verhaal, I/21, (losbl.) p. 83. Zie over de vrijheid van het bepalen</para>
    <para>van de ingangs datum van verhaal ook a.w. I/7, p. 3.&amp;gt;</para>
    <para>5.2.2.  Wel zal de rechter zijn beslissing ter zake moeten motiveren.</para>
    <para>Dat heeft het hof in zijn bestreden beschikking, ro. 3.5., ook</para>
    <para>gedaan.</para>
    <para>De achtergedachte van die motivering lijkt het</para>
    <para>vertrouwensbeginsel, steunend op het niet reageren door de vrouw</para>
    <para>noch de gemeente op het beëindigen van de alimentatiebetalingen.</para>
    <para>Het hof is er klaarblijkelijk van uitgegaan dat de man erop mocht</para>
    <para>rekenen dat zijn alimentatieverplich ting op grond van  art. 1:160</para>
    <para>BW beëindigd was, zodat de gemeente ook geen verhaalsvordering op</para>
    <para>hem had. Vanaf het moment van de bewijslevering inzake het beweerde</para>
    <para>concubinaat van de vrouw moest de man er, volgens het hof, op</para>
    <para>rekenen dat zijn alimentatieverplichting niet was vervallen.</para>
    <para>5.2.3.  Men kan zich ook een andere redenering voorstellen, bijv. dat</para>
    <para>de man het beroep op art. 1:160 BW voor eigen risico had gedaan en</para>
    <para>dat hij er rekening mee had moeten houden, dat dit beroep zou</para>
    <para>kunnen falen.</para>
    <para>Het hof heeft, op grond van een op zichzelf begrijpelijke</para>
    <para>motivering, anders beslist en ik zou menen dat een dergelijke</para>
    <para>beslissing over de omstandigheden van het geval aan het hof, als</para>
    <para>hoog ste rechter die over de feiten oordeelt, moet worden</para>
    <para>overgelaten.</para>
    <para>5.2.4.  Het voorgaande geldt te sterker nu de gemeente, door stil te</para>
    <para>zitten, veel tijd heeft laten verlopen. Juist daarop steunt het in</para>
    <para>de bestreden beschikking besloten beroep op het vertrouwens</para>
    <para>beginsel&amp;lt;(12). Vgl. R. Stijnen, Trema 1997, p. 63.&amp;gt;.</para>
    <para>5.3. Ik kom tot de slotsom dat het middel vergeefs is voorgesteld.</para>
    <para>6.  Het incidenteel voorgestelde middel</para>
    <para>6.1. Het middel houdt in dat het hof ten onrechte, althans</para>
    <para>onvoldoende gemotiveerd, heeft over wogen dat de man er vanaf 12</para>
    <para>maart 1998 rekening mee moest houden dat hij ten onrechte een be</para>
    <para>roep op art. 1:160 BW had gedaan en dat zijn</para>
    <para>alimentatieverplichting niet was vervallen.</para>
    <para>Uit de toelichting op het middel blijkt dat de nadruk ligt op</para>
    <para>de klacht dat het hof zijn be schikking op dit punt onvoldoende</para>
    <para>heeft gemotiveerd.</para>
    <para>6.2. Ten dele keert de toelichting op het middel zich tegen de</para>
    <para>waardering door het hof van de bewijsmiddelen.</para>
    <para>In zoverre stuit het af op de regel dat een dergelijke</para>
    <para>waardering niet voor toetsing in cassatie in aanmerking komt.</para>
    <para>6.3. Voorts klaagt (de toelichting op) het middel erover dat noch de</para>
    <para>vrouw noch de gemeente ge reageerd hebben op de stopzetting van de</para>
    <para>betalingen door de man.</para>
    <para>Wat de vrouw betreft ziet het middel over het hoofd dat de</para>
    <para>vrouw haar zwijgen heeft ver klaard&amp;lt;(13). Tegenover de gemeente; vgl. tussenvonnis rechtbank, ro. 4.&amp;gt; uit angst voor de man, die haar</para>
    <para>(eerder) mishandeld zou hebben.</para>
    <para>Wat de gemeente betreft ziet het middel eraan voorbij dat de</para>
    <para>rechtbank in de omstandighe den van het geval (waaronder het</para>
    <para>immobilisme van de gemeente) al aanleiding heeft gezien deze met</para>
    <para>het bewijs te belasten, terwijl het hof daarmee rekening heeft</para>
    <para>gehouden bij het bepalen van de ingangsdatum van het verhaal.</para>
    <para>6.4. Het komt mij daarom voor dat het middel geen doel treft.</para>
    <para>7.  Conclusie</para>
    <para>De conclusie strekt tot verwerping van zowel het principaal als</para>
    <para>het incidenteel beroep.</para>
    <para>De procureur-generaal</para>
    <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
    <para>plv.</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>