<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2000:AA6602</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-05-21T11:11:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA6602</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2000-07-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">34873</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2000:AA6602" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA6602</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002320&amp;artikel=25&amp;g=2000-07-25">Algemene wet inzake rijksbelastingen 25</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>BNB 2001/4 met annotatie van Ch.J. Langereis</rdf:li>
          <rdf:li>FED 2000/441</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2000/39.4 met annotatie van Redactie</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA6602">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA6602</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:06:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2006-02-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2000:AA6602 Parket bij de Hoge Raad , 25-07-2000 / 34873</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA6602:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA6602:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Nr. 34.873</para>
      <para>Derde Kamer B</para>
      <para>IB/PH 1994</para>
      <para>Parket, 1 februari 2000</para>
      <para>Mr. Ilsink</para>
      <para>Conclusie inzake:</para>
      <para>X</para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Staatssecretaris van Financiën</para>
      <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
      <para>1. Procesverloop en feiten</para>
      <para>1.1. Bij brief van 17 december 1997 heeft de Inspecteur</para>
      <para>van de Belastingdienst/-Grote ondernemingen P X</para>
      <para>(hierna: belanghebbende) meegedeeld dat hem uit een</para>
      <para>eind oktober 1997 aangevangen strafrechtelijk onderzoek</para>
      <para>inzake vermeende beursfraude is gebleken dat</para>
      <para>belanghebbende tot een onjuist bedrag aangifte</para>
      <para>inkomstenbelasting 1994 heeft gedaan en dat hij in</para>
      <para>verband met het ten einde lopen van de aanslagtermijn</para>
      <para>tot behoud van rechten een aanslag zal opleggen met een</para>
      <para>correctie van ƒ 500.000 wegens meer genoten inkomsten</para>
      <para>uit arbeid en vermogen. Vervolgens is - met dagtekening</para>
      <para>31 december 1997 - een aanslag</para>
      <para>inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekeringen</para>
      <para>1994 opgelegd naar een belastbaar inkomen van</para>
      <para>ƒ 824.649.</para>
      <para>1.2. Bij bezwaarschrift van 12 januari 1998 is</para>
      <para>belanghebbende tegen deze aanslag in bezwaar gekomen;</para>
      <para>dit geschrift is op 13 januari 1998 bij de Inspecteur</para>
      <para>ingekomen. Als reactie daarop heeft de Inspecteur</para>
      <para>belanghebbende een op 4 februari 1998 gedagtekende</para>
      <para>ontvangstbevestiging gestuurd met de mededeling dat</para>
      <para>belanghebbende zonder tegenbericht ervan mag uitgaan</para>
      <para>dat de Inspecteur binnen zes weken na de dag van</para>
      <para>ontvangst van het bezwaarschrift daarop zal beslissen.</para>
      <para>Ik begrijp uit die mededeling dat de Inspecteur het</para>
      <para>voornemen had om uiterlijk 24 februari 1998 uitspraak</para>
      <para>op bezwaar te doen en dat hij, mocht hem dat niet</para>
      <para>lukken, belanghebbende daarvan tijdig op de hoogte zou</para>
      <para>stellen.</para>
      <para>1.3. Klaarblijkelijk heeft de Inspecteur het één noch</para>
      <para>het ander gedaan, want bij brief van 2 april 1998 heeft</para>
      <para>hij belanghebbendes gemachtigde naar aanleiding van</para>
      <para>diens "fax van 18 maart j.l. en eerdere</para>
      <para>correspondentie" meegedeeld dat</para>
      <para>ontvangstbevestiging per abuis de</para>
      <para>(standaard)beslistermijn van zes weken is opgenomen.</para>
      <para>Voorts deelde hij mee dat de bezwaarschriften&amp;lt;(1) Ook tegen de aanslag vermogensbelasting 1995 is</para>
      <para>bezwaar aangetekend. Dat bezwaar heeft geleid tot de</para>
      <para>zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is onder nr. 34.872</para>
      <para>en waarin ik niet afzonderlijk zal concluderen omdat de</para>
      <para>problematiek in beide zaken dezelfde is.</para>
      <para>&amp;gt; "in</para>
      <para>behandeling (worden) genomen zo spoedig mogelijk na het</para>
      <para>afronden van het strafrechtelijk onderzoek inzake de</para>
      <para>beursfraude".</para>
      <para>1.4. Op 14 april 1998 is belanghebbende bij het</para>
      <para>Gerechtshof te Amsterdam (hierna: het Hof) in beroep</para>
      <para>gekomen "tegen de weigering tot het doen van een</para>
      <para>uitspraak op het bezwaarschrift (?) ingediend tegen</para>
      <para>[de] aanslag [inkomstenbelasting/ premie</para>
      <para>volksverzekeringen 1994]".</para>
      <para>1.5. Bij brief van 12 juni 1998 heeft de Inspecteur met</para>
      <para>een beroep op het bepaalde in art. 8a, lid 1, Wet ARB</para>
      <para>het Hof verzocht om uitstel van de behandeling van het</para>
      <para>beroep teneinde uitspraak op het bezwaarschrift te</para>
      <para>kunnen doen. Bij brief van 8 oktober 1998 heeft het Hof</para>
      <para>op dat verzoek beslist. Het Hof heeft de Inspecteur</para>
      <para>uitstel van de behandeling van het beroep verleend tot</para>
      <para>15 december 1998 en verstaan dat deze voor die datum</para>
      <para>alsnog uitspraak doet op het bezwaarschrift.</para>
      <para>1.6. Belanghebbende heeft op 4 november 1998 tegen 's</para>
      <para>Hofs beslissing van 8 oktober 1998 - door</para>
      <para>belanghebbende aangeduid als uitspraak - beroep in</para>
      <para>cassatie ingesteld, zulks onder aanvoering van drie</para>
      <para>middelen. Het Hof heeft belanghebbende bij brief van 12</para>
      <para>november 1998 onder verwijzing naar het bepaalde in</para>
      <para>art. 8a, lid 3, Wet ARB in overweging gegeven het</para>
      <para>beroepschrift in cassatie in te trekken, maar daaraan</para>
      <para>heeft belanghebbende geen gehoor gegeven, stellende -</para>
      <para>bij brief van 18 november 1998 - dat genoemd lid 3</para>
      <para>"niet van toepassing is, aangezien beroep tegen</para>
      <para>weigering uitspraak te doen is ingesteld en niet tegen</para>
      <para>het niet tijdig doen van een uitspraak".</para>
      <para>1.7. De Staatssecretaris van Financiën heeft op 29</para>
      <para>maart 1999 een vertoogschrift in cassatie ingediend,</para>
      <para>waarna belanghebbende het beroep ter zitting van de</para>
      <para>Hoge Raad op 12 mei 1999 schriftelijk heeft doen</para>
      <para>toelichten.</para>
      <para>1.8. Voor de goede orde vermeld ik nog dat uit het</para>
      <para>dossier blijkt dat de Inspecteur op 14 december 1998 -</para>
      <para>dus binnen de door het Hof gestelde termijn - uitspraak</para>
      <para>op bezwaar heeft gedaan en dat hij daarbij de aanslag</para>
      <para>heeft gehandhaafd. In § 4.3 van zijn vertoogschrift in</para>
      <para>cassatie meldt de Staatssecretaris dat belanghebbende</para>
      <para>tegen die uitspraak in beroep is gekomen bij het Hof.</para>
      <para>Telefonische informatie bij de griffie van het Hof</para>
      <para>leerde dat het Hof op dat beroep (nog) geen uitspraak</para>
      <para>heeft gedaan.</para>
      <para>2. Ontvankelijkheid in cassatie</para>
      <para>2.1. In 's Hofs handelwijze ligt besloten zijn oordeel</para>
      <para>dat de Inspecteur niet tijdig uitspraak op het</para>
      <para>bezwaarschrift heeft gedaan en niet dat deze heeft</para>
      <para>geweigerd uitspraak te doen. In 's Hofs optiek moest</para>
      <para>daarom uitvoering worden gegeven aan het bepaalde in</para>
      <para>art. 8a Wet ARB en aldus is geschied. De in cassatie</para>
      <para>aangevallen beslissing van 8 oktober 1998 is dan ook</para>
      <para>een beslissing als bedoeld in lid 2 van genoemd art.</para>
      <para>8a, waartegen naar luid van lid 3 van dat artikel geen</para>
      <para>beroep in cassatie open staat. Mitsdien moet</para>
      <para>belanghebbende niet-ontvankelijk in zijn beroep in</para>
      <para>cassatie worden verklaard.</para>
      <para>2.2. Hetzelfde heeft te gelden ingeval -</para>
      <para>veronderstellenderwijs - wordt uitgegaan van de</para>
      <para>juistheid van belanghebbendes stelling dat de</para>
      <para>Inspecteur heeft geweigerd uitspraak op bezwaar te</para>
      <para>doen. Weliswaar brengt dan het bepaalde in art. 6:2,</para>
      <para>aanhef en onderdeel a, Awb mee dat het beroep bij het</para>
      <para>Hof ontvankelijk is, maar dat betekent nog niet dat</para>
      <para>tegen 's Hofs beslissing van 8 oktober 1998 beroep in</para>
      <para>cassatie kan worden ingesteld. Die beslissing kan niet</para>
      <para>worden aangemerkt als een schriftelijke uitspraak in de</para>
      <para>zin van art. 19, lid 1, Wet ARB, aangezien zij niet de</para>
      <para>beslissing op het beroep als bedoeld in art. 17, lid 1,</para>
      <para>Wet ARB is, maar moet worden beschouwd als een</para>
      <para>ordemaatregel of een instructie gegeven in het kader</para>
      <para>van de behandeling van het beroepschrift.</para>
      <para>2.3. Nu het cassatieberoep niet-ontvankelijk is, kunnen</para>
      <para>de middelen als zodanig onbesproken blijven.</para>
      <para>3. Ontvankelijkheid bij het Hof</para>
      <para>3.1. Het Hof heeft belanghebbende niet kennelijk niet-</para>
      <para>ontvankelijk in diens beroep geacht, want anders was de</para>
      <para>zaak wel op de voet van art. 18a Wet ARB vereenvoudigd</para>
      <para>afgedaan met een voorzittersbeschikking. Integendeel</para>
      <para>zelfs, het Hof heeft belanghebbende juist wel</para>
      <para>ontvankelijk in diens beroep geacht nu het uitvoering</para>
      <para>heeft gegeven aan het bepaalde in art. 8a Wet ARB. Het</para>
      <para>Hof is dus van oordeel dat de Inspecteur niet tijdig</para>
      <para>uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Dat is opvallend</para>
      <para>aangezien de wettelijke beslistermijn één jaar bedraagt</para>
      <para>- zie art. 25, lid 1, AWR - en dat jaar op het tijdstip</para>
      <para>van indiening van het beroepschrift nog (lang) niet was</para>
      <para>verstreken.</para>
      <para>3.2. Wat toen wel verstreken was, was de beslistermijn</para>
      <para>die de Inspecteur in zijn ontvangstbevestiging aan</para>
      <para>belanghebbende had meegedeeld en die hem door de</para>
      <para>Staatssecretaris bij wijze van beleidsregel is opgelegd</para>
      <para>in § 6.2.7 Voorschrift Awb 1997. Aangenomen kan dan ook</para>
      <para>worden dat het Hof van oordeel is dat in het</para>
      <para>onderhavige geval die beleidsregeltermijn derogeert aan</para>
      <para>de wettelijke termijn, zodat na ommekomst van de</para>
      <para>aangekondigde beslistermijn van zes weken de situatie</para>
      <para>was ontstaan waarop art. 6:2, aanhef en onderdeel b,</para>
      <para>Awb het oog heeft en sprake was van het niet tijdig</para>
      <para>nemen van een besluit, dus van een fictief besluit</para>
      <para>waartegen beroep bij het Hof kan worden ingesteld.</para>
      <para>3.3. Dat oordeel lijkt mij juist. De wettelijke</para>
      <para>beslistermijn van één jaar is niet een termijn van</para>
      <para>openbare orde. De Inspecteur mag dan ook vrijelijk over</para>
      <para>die termijn beschikken, zij het dat - naar luid van</para>
      <para>art. 25, lid 2, AWR - voor de verlenging ervan de</para>
      <para>toestemming van de Minister van Financiën nodig is.</para>
      <para>Maar het staat de Inspecteur vrij de termijn te</para>
      <para>bekorten, gelijk hij te dezen heeft gedaan.</para>
      <para>Belanghebbende mag dan erop vertrouwen dat de</para>
      <para>Inspecteur zijn woord gestand doet, met alle gevolgen</para>
      <para>van dien, waaronder de toegang tot de</para>
      <para>rechtsbescherming.</para>
      <para>3.4. En daarom gaat het natuurlijk: rechtsbescherming</para>
      <para>tegen te lang uitblijvende besluiten van de Inspecteur.</para>
      <para>Het is dan ook toe te juichen, niet alleen dat in het</para>
      <para>Voorschrift Awb 1997 korte Awb-conforme beslistermijnen</para>
      <para>zijn voorgeschreven, maar ook dat het Hof (impliciet)</para>
      <para>heeft geoordeeld dat de Inspecteur daaraan kan worden</para>
      <para>gehouden. Het wachten is nu nog op het schrappen van de</para>
      <para>eerste drie leden van art. 25 AWR; deze fiscale</para>
      <para>uitzondering op de Awb is niet (meer) nodig, nu de</para>
      <para>Belastingdienst - bij wijze van beleid - een Awb-</para>
      <para>conforme werkwijze hanteert.</para>
      <para>4. Conclusie</para>
      <para>Ik concludeer tot niet-ontvankelijkverklaring van het</para>
      <para>beroep.</para>
      <para>De Procureur-</para>
      <para>Generaal bij de Hoge</para>
      <para>Raad der Nederlanden</para>
      <para>A-G</para>
    </parablock>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>