<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2000:AA5776</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T12:24:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA5776</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AG3793</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2000-05-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">R99/211HR</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2000:AA5776" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA5776</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001860&amp;artikel=63&amp;g=2000-05-12">Faillissementswet 63</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001860&amp;artikel=288&amp;g=2000-05-12">Faillissementswet 288</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001860&amp;artikel=313&amp;g=2000-05-12">Faillissementswet 313</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001840&amp;artikel=121&amp;g=2000-05-12">Grondwet 121</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001827&amp;artikel=59&amp;g=2000-05-12">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 59</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2000, 277</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2000, 567 met annotatie van P. van Schilfgaarde</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2000, 122</rdf:li>
          <rdf:li>JWB 2000/50</rdf:li>
          <rdf:li>JOR 2000/134</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA5776">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA5776</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-03-24T16:07:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2000:AA5776 Parket bij de Hoge Raad , 12-05-2000 / R99/211HR</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA5776:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA5776:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
  <parablock>
    <para>Rek.nr. R99/211HR                 Mr Strikwerda</para>
    <para>Parket, 10 maart 2000             conclusie inzake</para>
    <para>
      [verzoeker 1] en</para>
    <para>
      [verzoeker 2]
    </para>
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para>1. Verzoekers van cassatie, hierna: [verzoeker 1] en [verzoeker 2],</para>
    <para>zijn met elkaar gehuwd in (enige vorm van) gemeenschap van</para>
    <para>goederen. Op 2 november 1999 hebben zij ter griffie van de</para>
    <para>Rechtbank te 's-Gravenhage een verzoekschrift ingediend en de</para>
    <para>Rechtbank verzocht op de voet van art. 284 Fw de toepassing</para>
    <para>van de schuldsaneringsregeling uit te spreken.</para>
    <para>2. De Rechtbank heeft bij vonnis van 17 november 1999 het</para>
    <para>verzoek afgewezen. De Rechtbank stelde vast dat de totale</para>
    <para>schuldenlast van verzoekers f 59.101,51 bedraagt en dat tot</para>
    <para>die schuldenlast behoort een vordering van de gemeente 's-</para>
    <para>Gravenhage ad f 40.351,72 op [verzoeker 1] wegens ten onrechte</para>
    <para>verstrekte uitkeringen in de periode 2 oktober 1991 tot 1</para>
    <para>april 1993. Naar het oordeel van de Rechtbank is het aanneme</para>
    <para>lijk dat</para>
    <para>"verzoeker [verzoeker 1] ten aanzien van het ontstaan van</para>
    <para>een of meer van zijn schulden niet te goeder trouw is</para>
    <para>geweest - te weten voormelde fraudeschuld -, om welke</para>
    <para>reden de rechtbank het verzoek tot het uitspreken van de</para>
    <para>toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van</para>
    <para>hem zal afwijzen. Gegeven voorts het tussen verzoekers</para>
    <para>geldende huwelijksgoederenregime, in verband met artikel</para>
    <para>295 Fw, zal de rechtbank het verzoek van [verzoeker 2] eveneens</para>
    <para>afwijzen."</para>
    <para>3. [verzoeker 1] en [verzoeker 2] zijn van het vonnis van de Rechtbank</para>
    <para>in hoger beroep gegaan bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage,</para>
    <para>doch tevergeefs: bij arrest van 14 december 1999 heeft het Hof</para>
    <para>het beroepen vonnis van de Rechtbank bekrachtigd. Daartoe</para>
    <para>overwoog het Hof onder meer:</para>
    <para>"3. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat El Mah</para>
    <para>touchi ten aanzien van het ontstaan van een of meer van</para>
    <para>zijn schulden - te weten de fraudeschuld - niet te goeder</para>
    <para>trouw is geweest. Daaraan kan niet afdoen de omstandig</para>
    <para>heid, dat [verzoeker 1] de hem terzake door de strafrech</para>
    <para>ter opgelegde taakstraf naar behoren heeft vervuld.</para>
    <para>4. Ook is het hof met de rechtbank van oordeel dat het</para>
    <para>verzoek van [verzoeker 2] op vorengenoemde grond moet worden</para>
    <para>afgewezen. Het hof is echter van oordeel dat hier artikel</para>
    <para>313 Fw in plaats van het door de rechtbank vermelde</para>
    <para>artikel 295 Fw van toepassing is, omdat hierin artikel 63</para>
    <para>Fw in zaken betreffende toepassing van de schuldsane</para>
    <para>ringsregeling van toepassing wordt verklaard en een</para>
    <para>verzoek van een echtgenoot die in gemeenschap van goede</para>
    <para>ren of in enige gemeenschap van goederen is gehuwd als</para>
    <para>een verzoek van die gemeenschap moet worden behandeld."</para>
    <para>4. [verzoeker 1] en [verzoeker 2] zijn tegen het arrest van het Hof</para>
    <para>(tijdig en regelmatig; zie art. 292 lid 4 Fw) in cassatie</para>
    <para>gekomen met verscheidene klachten.</para>
    <para>5. Als eerste klacht wordt aangevoerd dat het Hof ten onrechte</para>
    <para>heeft geoordeeld het verzoek moet worden afgewezen omdat El</para>
    <para>Mahtouchi ten aanzien van het ontstaan van een of meer van</para>
    <para>zijn schulden - te weten de fraudeschuld - niet te goeder</para>
    <para>trouw is geweest.</para>
    <para>6. De klacht richt zich niet tegen het oordeel van het Hof dat</para>
    <para>
      [verzoeker 1] ten aanzien van het ontstaan van zijn schuld aan</para>
    <para>de Gemeente 's-Gravenhage niet te goeder trouw is geweest. Wel</para>
    <para>wordt geklaagd, zo begrijp ik, dat het Hof ten onrechte op</para>
    <para>deze grond het verzoek niet toewijsbaar heeft geoordeeld. Het</para>
    <para>Hof had bij de beoordeling van de vraag of de omstandigheid</para>
    <para>dat [verzoeker 1] ten aanzien van het ontstaan van bedoelde</para>
    <para>schuld niet te goeder trouw is geweest grond oplevert voor</para>
    <para>afwijzing van het verzoek rekening moeten houden met het feit</para>
    <para>dat sedert het ontstaan van die schuld reeds meer dan vijf</para>
    <para>jaren zijn verstreken. Bovendien had het Hof aandacht moeten</para>
    <para>besteden aan de overige door [verzoeker 1] en [verzoeker 2] gestelde</para>
    <para>omstandigheden van het geval, waaronder - zakelijk weergegeven</para>
    <para>- dat [verzoeker 1] heeft getracht werk te vinden, dat het</para>
    <para>gezin van verzoekers vier minderjarige kinderen telt en [verzoeker 2]</para>
    <para>niet werkt in verband met de verzorging van de kinderen, dat</para>
    <para>in verband met de schuldenlast ontruiming van de echtelijke</para>
    <para>woning is aangezegd, en dat verzoekers duidelijk hun leven</para>
    <para>hebben gebeterd.</para>
    <para>7. Volgens art. 288, lid 2, aanhef en onder b, Fw kan de</para>
    <para>rechter het verzoek om toepassing van de schuldsaneringsrege</para>
    <para>ling afwijzen, indien aannemelijk is dat de schuldenaar ten</para>
    <para>aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet</para>
    <para>te goeder trouw is geweest. Bij deze facultatieve afwijzings</para>
    <para>grond gaat het, blijkens de wetsgeschiedenis (zie Kamerstukken</para>
    <para>II, 1992/93, 22 969, nr. 3, blz. 37/38), niet om de goede</para>
    <para>trouw als bedoeld in art. 3:11 BW of de objectiefrechtelijke</para>
    <para>redelijkheid en billijkheid als bedoeld in de art. 6:2 en</para>
    <para>6:6:248 BW, maar om een gedragsmaatstaf in de zin van te</para>
    <para>goeder trouw handelen. In deze betekenis komt de term ook voor</para>
    <para>in art. 54 Fw. Doel van het opnemen van deze gedragsmaatstaf</para>
    <para>in de wet is niet om de moraliteit van een debiteur af te</para>
    <para>straffen, maar om te voorkomen dat de schuldsaneringsregeling</para>
    <para>wordt toegepast op een debiteur van wie, gezien zijn verleden,</para>
    <para>betwijfeld moet worden of hij in staat is bij de uitvoering</para>
    <para>van de schuldsaneringsregeling zijn verplichtingen behoorlijk</para>
    <para>na te komen.</para>
    <para>8. Tegen deze achtergrond is begrijpelijk dat de afwijzings</para>
    <para>grond van art. 288, lid 2, aanhef en onder b, Fw niet impera</para>
    <para>tief, maar facultatief is geformuleerd en dat de rechter,</para>
    <para>blijkens de wetsgeschiedenis (zie Kamerstukken II, 1992/93, 22</para>
    <para>969, nr. 3, blz. 14), bij de toetsing van deze weigeringsgrond</para>
    <para>alle relevante omstandigheden van het geval mag betrekken.</para>
    <para>Immers, de omstandigheid dat de schuldenaar in het verleden</para>
    <para>ten aanzien van het ontstaan of het onbetaald laten van schul</para>
    <para>den een scheve schaats heeft gereden kan een aanwijzing zijn</para>
    <para>dat de schuldenaar ook thans nog steeds niet in staat is zich</para>
    <para>ten opzichte van zijn schuldeisers naar behoren te gedragen,</para>
    <para>maar dat behoeft niet. Uit de omstandigheden van het geval kan</para>
    <para>blijken dat de in het verleden begane fout een incident is</para>
    <para>geweest en dat de schuldenaar er inmiddels blijk van heeft</para>
    <para>gegeven zich ten opzichte van schuldeisers naar behoren te</para>
    <para>willen en te kunnen gedragen. De ratio van de afwijzingsgrond</para>
    <para>van art. 288, lid 2, aanhef en onder b, Fw valt dan weg.</para>
    <para>9. Hiermee in lijn is de aanbeveling van de Werkgroep Faillis</para>
    <para>sementsrecht van de NVvR (Recofa) dat ook een verzoeker, die</para>
    <para>zich heeft schuldig gemaakt aan bijv. bijstandsfraude, niette</para>
    <para>min tot de schuldsaneringsregeling zou kunnen worden toegela</para>
    <para>ten, indien zekere tijd - als uitgangspunt vijf jaar - is</para>
    <para>verstreken na ontdekking van dit misdrijf ("Aanbevelingen tot</para>
    <para>de toepassing van de wet schuldsanering natuurlijke personen",</para>
    <para>april 1998, par. 3.2). Zie in dit verband ook Polak-Wessels</para>
    <para>IX, par. 9065 en 9067 en N.J. Polak, Faillissementsrecht, 8e</para>
    <para>dr. bew. door C.E. Polak, 1999, blz. 286. Zie voorts R.J. Ver</para>
    <para>schoof, Schuldsanering voor natuurlijke personen, 1998, blz.</para>
    <para>29, die waarschuwt voor een te sterke beklemtoning van het te</para>
    <para>goeder trouw zijn vóór de schuldsaneringsregeling.</para>
    <para>10. In het licht van de strekking van art. 288, lid 2, aanhef</para>
    <para>en onder b, Fw zou ik menen dat, indien de verzoeker, die ten</para>
    <para>aanzien van het ontstaan of het onbetaald laten van schulden</para>
    <para>niet te goeder trouw is geweest, feiten en omstandigheden</para>
    <para>stelt die erop kunnen wijzen dat die fouten uit het verleden</para>
    <para>niet kunnen gelden als een aanwijzing dat de verzoeker niet in</para>
    <para>staat is bij de uitvoering van de schuldsaneringsregeling zijn</para>
    <para>verplichtingen naar behoren na te komen, de rechter die feiten</para>
    <para>en omstandigheden moet onderzoeken en bij de toetsing van de</para>
    <para>afwijzingsgrond van art. 288, lid 2, aanhef en onder b moet</para>
    <para>betrekken.</para>
    <para>11. In het onderhavige geval hebben [verzoeker 1] en [verzoeker 2] zich</para>
    <para>beroepen op het tijdsverloop sedert de uitkeringsfraude van El</para>
    <para>Mahtouchi en op (andere) feiten en omstandigheden die aanneme</para>
    <para>lijk moeten maken dat zij hun leven inmiddels hebben gebeterd</para>
    <para>(zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling ter</para>
    <para>terechtzitting van het Hof d.d. 7 december 1999). Het Hof heeft</para>
    <para>aan deze stellingen geen kenbare aandacht besteed en heeft</para>
    <para>kennelijk gemeend dat reeds omdat aannemelijk is geworden dat</para>
    <para>
      [verzoeker 1] ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan de</para>
    <para>Gemeente 's-Gravenhage niet te goeder trouw is geweest het</para>
    <para>verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling niet voor</para>
    <para>toewijzing in aanmerking komt. Door aldus te oordelen is het</para>
    <para>Hof naar het mij voorkomt hetzij uitgegaan van een onjuiste</para>
    <para>rechtsopvatting ten aanzien van de strekking van de in art.</para>
    <para>288, lid 2, aanhef en onder b, Fw bedoelde de afwijzingsgrond,</para>
    <para>hetzij tekort geschoten in zijn motiveringsplicht.</para>
    <para>12. De eerste klacht treft derhalve naar mijn oordeel doel.</para>
    <para>Het bestreden arrest zal niet in stand kunnen blijven. Na ver</para>
    <para>wijzing zal alsnog onderzocht moeten worden of de door El</para>
    <para>Mahtouchi en [verzoeker 2] aangevoerde feiten en omstandigheden aanne</para>
    <para>melijk kunnen maken dat [verzoeker 1] in staat is zijn ver</para>
    <para>plichtingen ter uitvoering van de schuldsaneringsregeling naar</para>
    <para>behoren na te komen.</para>
    <para>13. Als tweede klacht wordt aangevoerd dat het Hof onvoldoende</para>
    <para>rekening heeft gehouden met het feit dat de verwijten omtrent</para>
    <para>de fraudeschuld [verzoeker 2] niet treffen en dat zij nu in feite</para>
    <para>wordt meegezogen in een ontruiming en een financieel debâcle</para>
    <para>door de voormalige frauduleuze handelingen van [verzoeker 1].</para>
    <para>14. Deze klacht faalt m.i. Zij miskent dat ingevolge het</para>
    <para>wettelijk systeem toepassing van de schuldsaneringsregeling</para>
    <para>ten aanzien van de in enige gemeenschap van goederen gehuwde</para>
    <para>echtgenoot wordt behandeld als toepassing van de schuldsane</para>
    <para>ringsregeling ten aanzien van die gemeenschap (art. 313 jo.</para>
    <para>art. 63 Fw), zodat toepassing van de schuldsaneringsregeling</para>
    <para>ten aanzien van één der echtgenoten mede het lot van de andere</para>
    <para>echtgenoot bepaalt, doordat de schuldsaneringsregeling alle</para>
    <para>gemeenschapsgoederen omvat.</para>
    <para>De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest</para>
    <para>van het Gerechtshof te 's-Gravenhage en tot verwijzing van de</para>
    <para>zaak naar een ander Gerechtshof ter verdere behandeling en</para>
    <para>beslissing.</para>
    <para>De Procureur-Generaal</para>
    <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>