<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2000:AA5775</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T12:24:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA5775</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2000-05-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C98/190HR</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2000:AA5775" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA5775</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBV0001506&amp;artikel=28&amp;g=2000-05-12">Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 28</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBV0001506&amp;artikel=30&amp;g=2000-05-12">Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 30</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001827&amp;artikel=289&amp;g=2000-05-12">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 289</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2000, 278</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2000, 714 met annotatie van P.J. Slot</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2000, 123</rdf:li>
          <rdf:li>JWB 2000/49</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA5775">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA5775</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:02:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2000:AA5775 Parket bij de Hoge Raad , 12-05-2000 / C98/190HR</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA5775:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA5775:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
  <parablock>
    <para>Nr. C 98/190 HR                     Mr. Mok</para>
    <para>Zitting 18 februari 2000            Conclusie inzake</para>
    <para>DE STAAT (Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn</para>
    <para>en Sport en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij)</para>
    <para>tegen</para>
    <para>1.   BEUSMEAT HOLDING B.V.</para>
    <para>2.   BEUSMEAT TRADING B.V.</para>
    <para>3.   BEUSMEAT PRODUCTS B.V.</para>
    <para>4.   VAN RIJN VLEES VOORHOUT B.V. (niet verschenen)</para>
    <para>Edelhoogachtbaar college,</para>
    <para>1.  FEITEN</para>
    <para>1.1. In dit kort geding staan maatregelen van de Nederlandse overheid ter bestrijding van Bovine</para>
    <para>Spongiforme Encephalopathie (BSE, de gekkekoeienziekte) ter discussie. Deze maatregelen hebben o.m.</para>
    <para>betrekking op de invoer en verwerking van runderkoppen. Verweerders in cassatie (Beusmeat c.s.)</para>
    <para>hebben in kort geding buitenwerkingstelling, althans een verbod tot tenuitvoerlegging, van deze</para>
    <para>maatregelen gevorderd.</para>
    <para>1.2. Beusmeat c.s. houden zich bezig met de groothandel in vee, vlees en slachtproducten en de</para>
    <para>verwerking daarvan. Een deel van deze activiteiten bestaat uit het inkopen en uitbenen van run-</para>
    <para>derkoppen.</para>
    <para>Het product dat bij het uitbenen van runderkoppen vrijkomt, het zogenaamde °kopvlees||, wordt</para>
    <para>door Beusmeat c.s. doorverkocht. Het restproduct, dat na het uitbenen overblijft, is de runderschedel.</para>
    <para>Dit product wordt gewoonlijk aan de verwerkende industrie verkocht.</para>
    <para>1.3. Beusmeat c.s. kopen ongeveer 40 % resp. 10 % van de runderkoppen die zij uitbenen in Ne-</para>
    <para>derland in, terwijl zij de overige 60% resp. 90% van bedrijven uit de overige lidstaten van de Europese</para>
    <para>Unie betrekken.</para>
    <para>Zij verkopen het kopvlees, met een gewicht van ongeveer 5 kilogram per kop, voor ongeveer  3</para>
    <para>per kilogram, en de runderschedel, met inbegrip van de hersenen, ogen, tonsillen en het ruggenmerg,</para>
    <para>voor ongeveer  1,50 à  2.</para>
    <para>1.4. Op 21 en 22 augustus 1997 hebben de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en</para>
    <para>de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij besluiten genomen tot wijziging van:</para>
    <para>a) de Regeling aanwijzing hoog-risico-materiaal (Regeling HRM),</para>
    <para>b) het Keuringsregulatief 1994,</para>
    <para>c) de Regeling uitvoer vers vlees en vleesbereidingen&amp;lt;(1).  Prod. I Beusmeat c.s. in eerste aanleg.</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>De gewijzigde regelingen zijn met ingang van 25 augustus 1997 in werking getreden. De drie</para>
    <para>besluiten vormen onderdeel van de maatregelen van de Nederlandse overheid ter bestrijding van BSE.</para>
    <para>Uit de stukken blijkt dat de staatssecretaris van VWS, op 23 augustus 1997, ook nog een besluit tot</para>
    <para>ontheffing op grond van art. 12, tweede lid, van de Destructiewet heeft genomen&amp;lt;(2).  De voornaamste bepalingen van de drie besluiten zijn vermeld in</para>
    <para>de s.t. van de landsadvocate, § 1.3., p. 2-5.</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>1.5. De Regeling HRM is gebaseerd op art. 2, lid 2, Destructiewet. Ingevolge art. 1</para>
    <para>van deze regeling worden onder meer als hoog-risico-materiaal aangewezen °de schedel, met inbegrip van</para>
    <para>de hersenen, de ogen, de tonsillen en het ruggenmerg van runderen ouder dan één jaar||. Deze wijziging is</para>
    <para>tevens doorgevoerd in het Keuringsregulatief 1994 en de Regeling uitvoer vers vlees en</para>
    <para>vleesbereidingen.</para>
    <para>De toelichting bij de drie besluiten vermeldt dat de regelingen vooruitlopen op de</para>
    <para>inwerkingtreding van beschikking 97/534 van de Europese Commissie van 30 juli 1997&amp;lt;(3).  PbEG L 216/95.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>houdende verbod, in verband met overdraagbare spongiforme encefalopathieën, op</para>
    <para>het gebruik van risico-materiaal&amp;lt;(4).  Prod. II Beusmeat c.s. in eerste aanleg.</para>
    <para>&amp;gt; (de Beschikking).</para>
    <para>1.6. Uit de toelichting blijkt voorts dat de Staat (thans eiser tot cassatie) van</para>
    <para>mening is, dat uit de drie regelingen voortvloeit dat de invoer uit en de uitvoer naar alle lidstaten van de</para>
    <para>Europese Unie van voornoemd risico-materiaal verboden is.</para>
    <para>De Staat zou de bevoegdheid tot het invoeren van dit in- en uitvoerverbod ontlenen aan art. 9,</para>
    <para>lid 1, van richtlijn 89/662&amp;lt;(5).  Richtlijn van de Raad van 11 december 1989 inzake veterinaire</para>
    <para>controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het</para>
    <para>vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt, PbEG L</para>
    <para>395/13 van 30 december 1989. Vgl. s.t. raadslieden Beusmeat c.s.,</para>
    <para>nrs. 6-7, p. 3-4.</para>
    <para>&amp;gt; (de Richtlijn), en art. 19, lid 2 van richtlijn</para>
    <para>90/675&amp;lt;(6).  Richtlijn van de Raad van 10 december 1990, PbEG 1990, L 373/1.</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>1.7. Art. 1 van de Beschikking wijst als gespecificeerd risicomateriaal o.m. aan: de</para>
    <para>schedel, met inbegrip van de hersenen en de ogen, de tonsillen en het ruggenmerg van runderen van</para>
    <para>meer dan twaalf maanden.</para>
    <para>Art. 2 bepaalt dat het gebruik van gespecificeerd risicomateriaal voor welk doel dan ook</para>
    <para>verboden is.</para>
    <para>Art. 4 schrijft voor dat specifiek risicomateriaal in beginsel moet worden vernietigd door ver-</para>
    <para>branding; slechts onder bijzondere voorwaarden zal een andere vorm van wegwerken dan wel gebruik</para>
    <para>voor bepaalde doeleinden zijn toegestaan.</para>
    <para>Volgens art. 7 mogen de lidstaten voor dieren die op hun eigen grondgebied werden geslacht</para>
    <para>verdere maatregelen treffen.</para>
    <para>1.8. Op grond van art. 10 van de Beschikking zou deze van toepassing zijn met ingang van 1 januari</para>
    <para>1998. Ingrijpen van de Raad heeft ertoe geleid dat de inwerkingtreding van de door de Europese Com-</para>
    <para>missie vastgestelde Beschikking al vier keer is uitgesteld.</para>
    <para>De Beschikking was, ten tijde van het wijzen van het bestreden arrest (7 mei 1998) nog niet</para>
    <para>in werking getreden&amp;lt;(7).  Uit beschikking 98/248/EG van de Raad van 31 maart 1998 (Pb EG</para>
    <para>1998 L102/26) en uit beschikking 98/745/ EG  van de Raad van 17</para>
    <para>december 1998 (Pb EG 1998 L 358,/13) is af te leiden dat de</para>
    <para>toepassing van de beschikking is uitgesteld tot 1 januari 1999  resp.</para>
    <para>31 december 1999. (Vgl. s.t. landsadvocate onder 1.2, p. 2, 4.12, p.</para>
    <para>15 en 4.14, p. 16, alsmede de bijlage bij deze s.t., nr. 19, p. 7). Over</para>
    <para>de te nemen maatregelen bestond gebrek aan overeenstemming in</para>
    <para>de Raad (de zgn. Landbouwraad) en in het Permanent Veterinair Co-</para>
    <para>llege (PVC); vgl. s.t. landsadvocate, § 1.2., p. 2,  en de concl. voor het</para>
    <para>in noot 12 te noemen arrest, § 1.7. en § 1.9. De belangrijkste</para>
    <para>bezwaren van een meerderheid binnen het PVC waren de</para>
    <para>aanwijzing van runderen als gespecificeerd risicomateriaal (SRM) en</para>
    <para>het verplichte verbrandingsproces.</para>
    <para>&amp;gt; en dat is ook nu nog niet het geval. Bij beschikking van 14 december 1999 heeft</para>
    <para>de Raad de datum waarop de Beschikking van toepassing wordt vastgesteld op 30 juni 2000&amp;lt;(8).  Beschikking 99/881/EG van de Raad van 14 december 1999 (PbEG</para>
    <para>1999 L 331/78).</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>1.9. In aansluiting op de genoemde regelgeving hebben de Productschappen voor</para>
    <para>Vee, Vlees en Eieren (PVV) op 25 augustus 1997 aan de EG-runderslachterijen,</para>
    <para>overige runderslachterijen en uitsnijderijbedrijven van runderkoppen in Nederland</para>
    <para>een brief verzonden, vergezeld van een Tijdelijke regeling kanalisatie runderkoppen</para>
    <para>(Kanalisatieregeling)&amp;lt;(9).  Prod. III en IV  Beusmeat c.s. in eerste aanleg.</para>
    <para>&amp;gt;. Deze regeling geeft aan onder welke</para>
    <para>voorwaarden het uitbenen van runderkoppen (van in Nederland geslachte runderen) mogelijk</para>
    <para>blijft.</para>
    <para>Zowel in de brief als in de Kanalisatieregeling wordt aangegeven dat de import van runderkop-</para>
    <para>pen uit de overige landen van de Europese Unie ten gevolge van de hierboven genoemde regelgeving</para>
    <para>onmogelijk is geworden. Art. 2 van de Kanalisatieregeling vermeldt dat de Destructiewet de invoer van</para>
    <para>runderkoppen en schedels onmogelijk maakt.</para>
    <para>1.10.  Bij brief van 16 september 1997&amp;lt;(10).  Prod. V Beusmeat c.s. in eerste aanleg.</para>
    <para>&amp;gt; heeft de raadsman van Beusmeat c.s. de staatssecretaris van</para>
    <para>VWS namens Beusmeat c.s. gesommeerd het invoerverbod in te trekken. Tevens heeft hij de Staat</para>
    <para>aansprakelijk gesteld voor de schade die Beusmeat c.s. leden en zouden lijden ten gevolge van het</para>
    <para>invoerverbod.</para>
    <para>De staatssecretaris heeft, bij brief van 29 september 1997&amp;lt;(11).  Prod. VI Beusmeat c.s. in eerste aanleg. Het vonnis in eerste aanleg</para>
    <para>noemt per abuis: 26 september.</para>
    <para>&amp;gt;, laten weten geen gevolg te geven aan</para>
    <para>deze sommatie en alle aansprakelijkheid van de Staat van de hand gewezen.</para>
    <para>1.11.  Na het wijzen van het bestreden arrest van het gerechtshof in Den Haag op 7 mei 1998 en het</para>
    <para>uitbrengen van het exploit van de cassatiedagvaarding op 9 juni 1998 heeft de Hoge Raad een arrest&amp;lt;(12).  HR 19 juni 1998, NJ 1999, 219, m.nt. T. Koopmans.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>gewezen in een andere zaak, waarin een aanzienlijk deel van de problematiek, waar-</para>
    <para>om het in de onderhavige zaak gaat, eveneens aan de orde is geweest.</para>
    <para>2.  VERLOOP PROCEDURE</para>
    <para>2.1.1.   Beusmeat c.s. hebben de Staat in kort geding gedagvaard</para>
    <para>voor de president van de rechtbank in Den Haag.</para>
    <para>Zij hebben o.m. gevorderd, tot het moment waarop in de</para>
    <para>bodemprocedure over deze zaak zou zijn beslist, de in § 1.4. genoemde</para>
    <para>besluiten buiten werking te stellen, althans de Staat te verbieden deze</para>
    <para>besluiten ten uitvoer te leggen, voor zover die besluiten een</para>
    <para>invoerverbod van runderkoppen uit de overige lidstaten van de EU</para>
    <para>inhouden.</para>
    <para>2.1.2.   De president heeft (roo. 3.2.-3.4.) overwogen dat</para>
    <para>runderkoppen risicomateriaal bevatten en daarom door de</para>
    <para>Beschikking worden getroffen. Dat Nederland door de Beschikking</para>
    <para>wordt gebonden betekent niet dat het tot de inwerkingtreding</para>
    <para>daarvan geen maatregelen mag nemen die op de Beschikking</para>
    <para>vooruitlopen en die overigens niet verder gaan dan de beschikking.</para>
    <para>De bevoegdheid tot het treffen van zulke maatregelen kan, nu in</para>
    <para>Nederland BSE bij runderen is geconstateerd worden gebaseerd op art.</para>
    <para>9, lid 1, van de Richtlijn, welke bepaling de staat van oorsprong de</para>
    <para>mogelijkheid geeft tot het vaststellen van °..elke andere maatregel die</para>
    <para>hij passend acht.|| Bovendien was volgens de president ook sprake van</para>
    <para>maatregelen ter bescherming van de volksgezondheid.</para>
    <para>2.1.3.   Samenvattend oordeelde de president (ro. 3.6.):</para>
    <para>°Gezien het gevaar voor de volksgezondheid en de noodzaak van een stringent controlesysteem,</para>
    <para>zijn de huidige maatregelen die leiden tot de onmogelijkheid om runderkoppen in te voeren, niet</para>
    <para>onrechtmatig, ook niet als zij worden bezien in het licht van de op handen zijnde verdere</para>
    <para>Europese regelgeving.||</para>
    <para>2.1.4. Bij vonnis van 31 oktober 1997 heeft de president de vordering afgewezen.</para>
    <para>2.2. Tegen dit vonnis zijn Beusmeat c.s. in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof in Den Haag&amp;lt;(13).  In hoger beroep hebben zij hun eis op een punt dat in cassatie niet</para>
    <para>aan de orde is gewijzigd.</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>Bij arrest van 7 mei 1998 heeft het hof het vonnis van 31 oktober 1997 vernietigd en, de Staat</para>
    <para>verboden, tot in de bodemprocedure zou zijn beslist, de bedoelde besluiten ten uitvoer te leggen voor</para>
    <para>zover zij een verbod inhouden - reeds voor de inwerkingtreding van enige Europese wetgeving</para>
    <para>waaruit een dergelijk verbod voortvloeit&amp;lt;(14).  Deze voorwaarde lag niet in dit deel van de vordering van</para>
    <para>Beusmeat c.s. besloten, maar wel in het andere deel daarvan, dat in</para>
    <para>cassatie niet meer aan de orde is.</para>
    <para>&amp;gt; S tot het invoeren van</para>
    <para>runderkoppen uit de overige lidstaten van de EU.</para>
    <para>2.3. De Staat heeft tegen dit arrest (tijdig) beroep in cassatie ingesteld, onder</para>
    <para>aanvoering van een cassatiemiddel dat uit verscheidene onderdelen bestaat.</para>
    <para>Tegen Van Rijn Vlees Voorhout B.V. is verstek verleend&amp;lt;(15).  Voor zover het handelingen in deze cassatieprocedure betreft doel</para>
    <para>ik met °Beusmeat c.s.|| niet mede op Van Rijn Vlees Voorhout B.V.</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>2.4. Bij mijnerzijds op 10 februari 2000 bij de landsadvocaat ingewonnen informatie was aldaar</para>
    <para>over de afhandeling van de door het hof genoemde bodemprocedure&amp;lt;(16).  Zie hiervóór, § 2.2., 2e al.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>niets bekend.</para>
    <para>3.  BESPREKING VAN HET CASSATIEMIDDEL</para>
    <para>3.1.  Het middel is primair gericht tegen ro. 8 van het bestreden</para>
    <para>arrest. Aldaar heeft het  hof overwogen:</para>
    <para>° De Staat stelt zich op het standpunt dat Nederland, als land waar twee gevallen van BSE zijn</para>
    <para>geconstateerd, de °lidstaat&amp;lt;(17).  De spelling van het woord °lidstaat|| (in het enkelvoud of</para>
    <para>meervoud) heb ik gestandaardiseerd volgens de huidige, ook door</para>
    <para>de Europese instellingen en in Europese regelgeving gehanteerde</para>
    <para>schrijfwijze. Ook overigens heb ik, zelfs in citaten, de huidige</para>
    <para>wettelijke spelling gevolgd (dus bijv. product||steeds met een c)..</para>
    <para>&amp;gt; van oorsprong|| is als bedoeld in de</para>
    <para>tweede alinea van artikel 9, lid 1, RL 89/662, en dat de bestreden maatregelen zijn</para>
    <para>maatregelen °die hij passend acht|| in de zin van die bepaling. Naar het oordeel van het hof kan die</para>
    <para>lezing niet worden aanvaard. Uit het systeem van de richtlijn volgt dat de tweede alinea</para>
    <para>uitsluitend betrekking heeft op verplichtingen en bevoegdheden van de lidstaten ten aanzien van onder</para>
    <para>de richtlijn vallende producten en dieren die aldaar in het handelsverkeer worden gebracht. Voor</para>
    <para>zover het hier gaat om de invoer van runderkoppen mist genoemde bepaling toepassing.</para>
    <para>Nederland is immers land van bestemming. Waar artikel 9 in de derde en vierde alinea is gericht tot het</para>
    <para>land van bestemming komt de Staat een beroep daarop overigens niet toe, nu gesteld noch gebleken</para>
    <para>is dat aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 9 (constatering van een ziekte of</para>
    <para>aandoening bij een steekproefcontrole; maatregelen beperkt tot de betrokken inrichting of</para>
    <para>beschermingszone) voldaan is.||</para>
    <para>3.2.1. De onderdelen van het middel, geformuleerd in de nrs. 7-11, lenen zich tot gezamenlijke</para>
    <para>behandeling.</para>
    <para>Deze onderdelen komen op het volgende neer.</para>
    <para>3.2.2. Nederland is weliswaar niet het land van oorsprong van de runderkoppen, maar wel van de</para>
    <para>uit de runderkoppen te produceren vleesproducten.</para>
    <para>Uit dien hoofde is de Staat bevoegd passende maatregelen in de zin van art. 9, lid 1, tweede</para>
    <para>alinea, van de Richtlijn te treffen.</para>
    <para>3.2.3. Volgens het middel is het uitvaardigen van een invoerverbod van runderkoppen uit de ove-</para>
    <para>rige lidstaten van de EU zo?n passende maatregel.</para>
    <para>Hierbij moet, aldus de Staat, in aanmerking worden genomen dat Nederland als lidstaat van be-</para>
    <para>stemming van de runderkoppen geen enkele controlemogelijkheid heeft, daar de in art. 9, lid 1, derde</para>
    <para>en vierde alinea, bedoelde steekproefcontrole een volstrekt onbruikbaar middel is om BSE te con-</para>
    <para>stateren. Voorts zouden de risico?s in verband met BSE in aanmerking moetenworden genomen.</para>
    <para>3.3. Het hof (ro. 8) was kennelijk van oordeel dat het invoerverbod, in de aangegeven -</para>
    <para>omstandigheden niet als passende maatregel in de zin van art. 9, lid 1, tweede alinea, van de Richtlijn,</para>
    <para>kan worden aangemerkt.</para>
    <para>Het overweegt immers dat °uit het systeem van de richtlijn volgt dat de tweede alinea uit-</para>
    <para>sluitend betrekking heeft op verplichtingen en bevoegdheden van de lidstaten ten aanzien van onder</para>
    <para>de richtlijn vallende producten en dieren die aldaar in het handelsverkeer worden gebracht.||</para>
    <para>3.3.1. De vraag is of als land van oorsprong, dat de in de richtlijn bedoelde verplichtingen en be-</para>
    <para>voegdheden bezit, het land te gelden heeft waar de oorspronkelijke grondstof in het verkeer is ge-</para>
    <para>bracht dan wel, althans ook, het land waar een daaruit vervaardigd halffabrikaat in het verkeer is</para>
    <para>gebracht, zoals het middel verdedigt (zie hiervóór, § 3.2.2.).</para>
    <para>3.3.2. Alvorens op deze vraag, en de Europeesrechtelijke consequenties ervan, in te gaan, behandel</para>
    <para>ik eerst enkele als prealabel te beschouwen verweren van Beusmeat c.s., nl.</para>
    <para>1) dat het standpunt van de Staat dat Nederland land van oorsprong is ten aanzien van de uit de</para>
    <para>runderkoppen te vervaardigen vleesproducten een ontoelaatbaar novum in cassatie vormt;</para>
    <para>2) dat Nederland geen land van oorsprong kan zijn ten aanzien van bovenbedoelde vleesproducten,</para>
    <para>omdat geen ingrijpende bewerking van de runderkoppen heeft plaatsgevonden&amp;lt;(1).  S.t. raadslieden Beusmeat c.s. nr. 15, p. 5, nr. 19-33, p. 6-10 en nr.</para>
    <para>41-42, p. 12-13 en dupliek idem, nr. 6, p.2-3.</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>Indien deze verweren juist zijn, kan het middel niet slagen.</para>
    <para>3.3.3. (Ad 1). Bij memorie van antwoord&amp;lt;(2).  Nr. 32, p. 10. Vgl. repliek in cassatie nr. 4, p. 2-3.</para>
    <para>&amp;gt; heeft de Staat betoogd dat Nederland lidstaat van oorsprong</para>
    <para>is van producten waarin runderkoppen (gespecificeerd risico-materiaal) gebruikelijk worden</para>
    <para>verwerkt.</para>
    <para>Dat betekent dat de bedoelde stelling geen novum in cassatie is.</para>
    <para>3.3.4. (Ad 2). Het hof is er (ro. 13) van uitgegaan dat Nederland het land van oorsprong is van de na</para>
    <para>uitbening overgebleven runderschedels. Dit uitbenen gaat uit de aard der zaak vooraf aan het</para>
    <para>produceren van bovenbedoelde vleesproducten.</para>
    <para>In ro. 13 ligt dus besloten dat Nederland ook ten aanzien van deze producten als land van</para>
    <para>oorsprong heeft te gelden. Dit oordeel van het hof staat als onbestreden (er is geen incidenteel beroep</para>
    <para>in cassatie ingesteld) vast.</para>
    <para>3.3.5. Ten overvloede merk ik echter op dat het onderhavige oordeel mij ook juist voorkomt.</para>
    <para>Vermelding verdienen in dit verband de in art. 1 van de Richtlijn aangehaalde bijlage A en art. 9</para>
    <para>lid 4 van de Richtlijn.  In bijlage A wordt een aantal richtlijnen opgesomd terzake van producten van</para>
    <para>dierlijke oorsprong die onder de Richtlijn vallen. Uit de bijlage blijkt dat er aparte richtlijnen bestaan</para>
    <para>voor vers vlees enerzijds en vleesproducten anderzijds. Voorts noemt art. 9, lid 4, van de Richtlijn</para>
    <para>naast elkaar "de in art. 1 bedoelde producten", "de producten van oorsprong" en "de daarvan afgeleide</para>
    <para>producten".</para>
    <para>3.3.6. Ook als men aanneemt dat alleen het land van oorsprong gerechtigd en verplicht is passende</para>
    <para>maatregelen te nemen&amp;lt;(3).  S.t. raadslieden Beusmeat c.s., nr. 37, p. 11.</para>
    <para>&amp;gt;, is aan deze eis in casu voldaan.</para>
    <para>Het tweede genoemde verweer faalt derhalve eveneens.</para>
    <para>3.4.1. Een andere vraag is echter of de genomen maatregelen als passend kunnen</para>
    <para>worden aangemerkt.</para>
    <para>Het hof meende van niet. Het heeft door de Staat gedane beroepen op de Richtlijn en op art. 30</para>
    <para>(ex art. 36&amp;lt;(4).  In het vervolg zal ik dit artikel zonder meer aanduiden als art. 30.</para>
    <para>&amp;gt;) van het EG-verdrag verworpen.</para>
    <para>3.4.2.1.   In de considerans van de Richtlijn staat onder meer:</para>
    <para>- dat het de bedoeling is de veterinaire controles uiteindelijk uitsluitend te laten plaatsvinden in het</para>
    <para>land van verzending en dat daartoe de essentiële eisen op het gebied van de bescherming van de</para>
    <para>volksgezondheid en de diergezondheid moeten worden geharmoniseerd;</para>
    <para>- dat deze aanpak inhoudt dat meer vertrouwen wordt gesteld in de veterinaire controles die in het</para>
    <para>land van verzending worden verricht;</para>
    <para>- dat in het land van bestemming de veterinaire controles op de plaats van bestemming</para>
    <para>steekproefsgewijs kunnen worden verricht.</para>
    <para>3.4.2.2.   Art. 1 van de Richtlijn luidt:</para>
    <para>°De lidstaten zien erop toe dat de veterinaire controles op produkten van dierlijke oorsprong die</para>
    <para>vallen onder de in bijlage A vermelde richtlijn of art. 14 en die zijn bestemd om in de handel te</para>
    <para>worden gebracht, onverminderd het bepaalde in art. 6&amp;lt;(5).   Art. 6 van de Richtlijn heeft betrekking op controles op plaatsen</para>
    <para>waar producten uit derde landen op het in bijlage I van richtlijn</para>
    <para>90/675/EEG omschreven grondgebied kunnen worden</para>
    <para>binnengebracht.</para>
    <para>&amp;gt;, niet</para>
    <para>meer aan de grenzen, maar overeenkomstig deze richtlijn worden uitgevoerd.||</para>
    <para>3.4.2.3.   De artt. 3 en 4 van de Richtlijn bevatten voorschriften over de controle door het land van</para>
    <para>oorsprong.</para>
    <para>De artt. 5 - 8 bevatten voorschriften over de controle door het land van bestemming. Art. 5, lid</para>
    <para>1, sub a, luidt:</para>
    <para>°De lidstaten van bestemming passen de volgende controlemaatregelen toe:</para>
    <para>a) de bevoegde autoriteit kan op de plaats van bestemming van de goederen via steekproefsge-</para>
    <para>wijze en niet-discriminerende controles nagaan of aan art. 3 is voldaan; zij kan bij die ge-</para>
    <para>legenheid monsters nemen.</para>
    <para>Beschikt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van doorvoer of van de Lid-Staat van be-</para>
    <para>stemming over gegevens die een overtreding doen vermoeden, dan kunnen er bovendien nog</para>
    <para>controles worden verricht tijdens het vervoer van de goederen op haar grondgebied met</para>
    <para>inbegrip van de controle van de overeenstemming van de vervoermiddelen.||</para>
    <para>3.4.2.4.   Art. 8 heeft betrekking op de in art. 7 bedoelde gevallen, de invoer van producten uit</para>
    <para>derde landen op het in bijlage I van richtlijn 90/675/EEG omschreven grondgebied. Ook in dit art. ligt</para>
    <para>de nadruk op controles door de lidstaat van verzending.</para>
    <para>Het artikel bevat onder meer een regeling voor het geval dat op grond van de in art. 7 bedoelde</para>
    <para>controles herhaalde nalatigheid wordt geconstateerd. Van belang is m.n. de op één na-laatste alinea van</para>
    <para>lid 1 van dit artikel:</para>
    <para>°Op verzoek van één van de twee betrokken lidstaten moet de Commissie - indien nalatigheden in</para>
    <para>het advies van de deskundige worden bevestigd - volgens de procedure van artikel 17 passende</para>
    <para>maatregelen treffen waarbij in het uiterste geval de lidstaten zelfs kunnen worden gemachtigd</para>
    <para>om het binnenbrengen op hun grondgebied van de uit deze inrichting afkomstige producten</para>
    <para>voorlopig te verbieden. Die maatregelen moeten zo spoedig mogelijk volgens de procedure van</para>
    <para>artikel 17 worden bevestigd of opnieuw worden bezien.||</para>
    <para>3.4.2.5.   Art. 9 valt onder hoofdstuk III, gemeenschappelijke bepalingen, en geeft een regeling</para>
    <para>voor het geval dat in n van de lidstaten bepaalde ziektes, zoönoses of andere aandoeningen uitbreken.</para>
    <para>Ook art. 9 maakt een onderscheid tussen de controlemogelijkheden van het land van oorsprong</para>
    <para>en die van het land van bestemming. Anders dan art. 8, zegt art. 9 van de Richtlijn niets over de</para>
    <para>mogelijkheid om een invoerverbod uit te vaardigen.</para>
    <para>3.4.3. De aangehaalde en weergegeven bepalingen maken duidelijk dat de Richtlijn uitgaat van een</para>
    <para>systeem waarbij dubbele controles van producten en controles van producten aan de binnengrenzen</para>
    <para>worden tegengegaan.</para>
    <para>Een product moet worden gecontroleerd in het land waar het wordt geproduceerd. Het land van</para>
    <para>bestemming moet in beginsel op deze controle vertrouwen. Het land van bestemming heeft beperkte</para>
    <para>controlemogelijkheden.</para>
    <para>Alleen in bijzondere gevallen, wanneer er aanwijzingen zijn dat de voorschriften worden over-</para>
    <para>treden, gaan deze controlemogelijkheden verder dan het uitvoeren van steekproefsgewijze controles.</para>
    <para>3.4.4. Art. 9, lid 1, van de Richtlijn geeft aan lidstaten van oorsprong een ruime bevoegdheid door</para>
    <para>hun toe te staan elke andere maatregel vast te stellen die zij passend achten&amp;lt;(6).  De raadslieden van Beusmeat c.s. geven dit criterium onder 34, p.</para>
    <para>10 van hun s.t. m.i. niet geheel juist weer.</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>Toch is het met het stelsel van de Richtlijn moeilijk verenigbaar dat het land</para>
    <para>van oorsprong van een vleesproduct zonder meer een invoerverbod mag</para>
    <para>uitvaardigen terzake van een grondstof daarvoor, waarvan een ander land het land</para>
    <para>van oorsprong is. Dit laatste product is in het stelsel van de Richtlijn immers reeds</para>
    <para>gecontroleerd door dit andere land&amp;lt;(7).  Vgl. s.t. raadslieden Beusmeat c.s., nr. 34, p. 10.</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>3.4.5. Een invoerverbod is op grond van art. 9 van de Richtlijn is echter wel in het</para>
    <para>systeem van de Richtlijn in te passen, indien er duidelijke aanwijzingen zijn dat de runderkoppen niet</para>
    <para>aan de door de Richtlijn voorgeschreven eisen voldoen of dat de controles in het land waar de</para>
    <para>runderkoppen vandaan komen niet juist worden uitgevoerd.</para>
    <para>Een aanwijzing hiervoor is, behalve in de in afd. 3.4.5. aangehaalde bepalingen, te vinden in art.</para>
    <para>9, lid 4, van de Richtlijn, over de door de Commissie vast te stellen maatregelen. Deze bepalingen</para>
    <para>hebben betrekking op  °de in art. 1 van de Richtlijn bedoelde producten" en, als dat gezien</para>
    <para>omstandigheden nodig is, voor "de producten van oorsprong of de daarvan afgeleide producten.||</para>
    <para>3.4.6.1.   De Staat heeft betoogd dat de mogelijkheid om steekproefsgewijs te controleren in ge-</para>
    <para>vallen als hier bedoeld  ontbreekt, daar steekproefcontrole een onbruikbaar middel is om BSE te</para>
    <para>constateren&amp;lt;(8).  Cassatiedagvaarding nr. 9, p. 6.</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>Daarnaast heeft de Staat in feitelijke instanties betoogd dat er</para>
    <para>geen (afdoende) controles kunnen plaatsvinden in de lidstaat van oorsprong van de</para>
    <para>runderkoppen. Gezien de lange incubatietijd van BSE zegt een zogenaamde BSE-vrije</para>
    <para>status weinig over de werkelijke aanwezigheid van BSE.</para>
    <para>3.4.6.2.   Alleen door het nemen van een weefselproef uit de hersenen kan men</para>
    <para>vaststellen of een dier drager van het BSE-agens is. Dit is een kostbare proef waarbij</para>
    <para>bovendien de kop verloren gaat&amp;lt;(9).  Vgl. repliek in cassatie, nr. 5, p. 3-4 en de aldaar genoemde</para>
    <para>vindplaatsen: pleitnotities landsadvocaat d.d. 23 oktober 1997, nr.</para>
    <para>37, p. 13, m.v.a. Staat, nr. 35, p. 11 en pleitnotities landsadvocaat</para>
    <para>d.d. 9 maart 1998, nr. 11, p. 6.</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>In deze omstandigheden biedt art. 9, lid 1, van de Richtlijn een</para>
    <para>voldoende basis voor een invoerverbod van runderkoppen door Nederland als land van</para>
    <para>oorsprong van uit die runderkoppen te produceren vleesproducten.</para>
    <para>3.4.6.3.   Hierbij speelt mede een rol dat de bevoegdheid van de lidstaat van</para>
    <para>oorsprong ruim geformuleerd is. Zoals in § 3.4.4. bleek, mag hij de maatregelen</para>
    <para>vaststellen die hij passend acht. In ieder geval is dit invoerverbod niet</para>
    <para>onmiskenbaar onverbindend&amp;lt;(10).  Vgl. concl. bij het in noot 12 genoemde arrest, § 3.4 en § 3.5</para>
    <para>alsmede de aldaar aangehaalde rechtspraak.</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>Van dubbele controles is in beginsel geen sprake, hetgeen -</para>
    <para>samenhangt met het feit dat de Beschikking nog niet in werking is getreden. In het land</para>
    <para>van oorsprong worden (nog) geen door communautaire maatregelen voorgeschreven</para>
    <para>controles of maatregelen uitgevoerd.</para>
    <para>3.4.7. Uit het voorgaande volgt dat de door de Staat genomen maatregelen niet in</para>
    <para>strijd met de Richtlijn zijn. De klachten die de Staat tegen de oordelen van het hof in</para>
    <para>de roo. 7 en 8 heeft aangevoerd treffen derhalve doel.</para>
    <para>3.5.1. In de roo. 9-12 heeft het hof het subsidiaire beroep van de Staat op art. 30</para>
    <para>van het EG-verdrag verworpen en art. 28 (ex art. 30) onverminderd van toepassing</para>
    <para>geacht.</para>
    <para>3.5.2.1.   In de eerste plaats heeft het hof overwogen (ro. 9), dat toepassing van</para>
    <para>art. 30 afstuit op de omstandigheid dat art. 9 van de Richtlijn mede voorziet in de</para>
    <para>harmonisatie van de maatregelen die nodig zijn ter bescherming van de gezondheid</para>
    <para>van mens en dier.</para>
    <para>Voor nationale maatregelen is daarom geen plaats meer.</para>
    <para>3.5.2.2.   In de tweede plaats oordeelde het hof (ro. 11) dat een even</para>
    <para>doeltreffende bescherming van de gezondheid en het leven van mens en dier zou</para>
    <para>kunnen worden bereikt door een maatregel die minder belemmerend voor de</para>
    <para>tussenstaatse handel is. Het doelde daarmee op een in ro. 10 weergegeven systeem,</para>
    <para>dat hiervóór kort beschreven is in § 1.9.</para>
    <para>3.5.3. Rechtens zijn de eisen die het hof aan een nationale beschermingsmaatregel</para>
    <para>op grond van art. 30 van het EG-verdrag wil stellen juist:</para>
    <para>°Bij gebrek aan harmonisatie en indien de nationale maatregel niet verder gaat dan nodig is om</para>
    <para>een van de doelstellingen opgesomd in artikel 30 te bereiken, rechtvaardigt dit artikel deze</para>
    <para>maatregel, ook al bevat hij een formele discriminatie of sorteert hij een discriminerend effect.||&amp;lt;(11).  K. Lenaerts/P. van Nuffel, Europees recht in hoofdlijnen, 1999, nr.</para>
    <para>165, p. 189; zie voorts Kapteyn/VerLoren van Themaat, Inleiding</para>
    <para>tot het recht van de Europese Gemeenschappen, 1995, § 3.3.1., p.</para>
    <para>386-388 (door K.J.M. Mortelmans); R.H. Lauwaars/C.W.A.</para>
    <para>Timmermans, Europees recht in kort bestek, 1999, p. 208; R.</para>
    <para>Barents/L.J.Brinkhorst, Grondlijnen van Europees recht, 1999, p.</para>
    <para>338-339.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>3.5.4. De Staat bestrijdt evenwel de opvatting van het hof. Er zou geen volledige</para>
    <para>harmonisatie bestaan en van onevenredigheid zou geen sprake zijn.</para>
    <para>3.5.5. Het middel (onderdeel 12) verdedigt dat van volledige harmonisatie geen sprake is, omdat de</para>
    <para>Richtlijn een leemte vertoont. Die stelling is als volgt uitgewerkt&amp;lt;(12).  S.t. landsadvocate, § 4.7, p. 13.</para>
    <para>&amp;gt;:</para>
    <para>°De vraag, tot welke maatregelen een lidstaat bevoegd is, indien</para>
    <para>deze zowel kan worden beschouwd als land van bestemming ter zake van de</para>
    <para>ingevoerde risicoproducten als in de hoedanigheid van land van oorsprong</para>
    <para>voorzover het de uit die ingevierde producten te verwerken (nieuwe)</para>
    <para>risicoproducten betreft, wordt door de Richtlijn niet beantwoord. De Richtlijn</para>
    <para>voorziet derhalve niet in alle maatregelen die nodig zijn om de gezondheid van</para>
    <para>mens en dier te beschermen. In die zin kan van volledige harmonisatie dan ook</para>
    <para>niet worden gesproken.||</para>
    <para>3.5.6. Beusmeat c.s. hebben hier tegenovergesteld&amp;lt;(13).  Dupliek, nr, 7, p. 3.</para>
    <para>&amp;gt;:</para>
    <para>"Het enkele feit dat niet expliciet is bepaald tot het nemen van welke maatregelen het land be-</para>
    <para>voegd is dat land van bestemming is ten aanzien van het halffabrikaat en land van oorsprong</para>
    <para>ten aanzien van het eindproduct, kan niet tot de conclusie leiden dat voor die situatie geen</para>
    <para>oplossing is gegeven in de Richtlijn. Het ligt immers voor de hand dat een dergelijke lidstaat  ten</para>
    <para>aanzien van het halffabrikaat de maatregelen kan nemen die lidstaten van bestemming kunnen</para>
    <para>nemen en ten aanzien van het eindproduct de maatregelen die lidstaten van oorsprong kunnen</para>
    <para>nemen. In ieder geval kan door interpretatie van de Richtlijn voor dat geval een oplossing</para>
    <para>binnen het kader van de Richtlijn worden gevonden en is niet reeds het enkele feit dat de</para>
    <para>omschreven situatie niet expliciet geregeld is aanleiding te constateren dat sprake is van een</para>
    <para>leemte.||</para>
    <para>3.5.7.1.   Dat er geen sprake is van volledige harmonisatie, doordat de Richtlijn leemtes openlaat, is</para>
    <para>in het voorgaande (afd. 3.4.) al gebleken.</para>
    <para>3.5.7.2.   Art. 9, lid 1 van de Richtlijn verwijst op verschillende plaatsen naar communautaire voor-</para>
    <para>schriften. Deze voorschriften moeten tot stand komen overeenkomstig art. 9, lid 4.</para>
    <para>Dit heeft de Commissie gedaan door de Beschikking vast te stellen. Aangezien de Beschikking nog</para>
    <para>niet in werking is getreden, kan men nog niet van volledige harmonisatie spreken en is nog niet</para>
    <para>voorzien in alle maatregelen die nodig zijn om de bescherming van de in art. 30 van het EG-verdrag</para>
    <para>genoemde belangen te waarborgen. Belanghebbenden, waaronder de lidstaten, komt dus nog een</para>
    <para>beroep op dit artikel toe.</para>
    <para>3.5.7.3.   Anders dan Beusmeat c.s. stellen&amp;lt;(14).  S.t. van hun raadslieden, nr. 38, p. 11 en nr. 46, p. 13.</para>
    <para>&amp;gt; , is art. 7 van de Richtlijn hier niet relevant. Dit artikel</para>
    <para>heeft betrekking op controles op plaatsen waar dieren of producten uit derde landen op het in bijlage</para>
    <para>I van richtlijn 90/675/EEG omschreven grondgebied kunnen worden binnengebracht.</para>
    <para>De bepaling van art. 9, lid 4, van de Richtlijn is wel vergelijkbaar met de door Beusmeat c.s.</para>
    <para>aangehaalde bevoegdheid van de Commissie op grond van art. 7 van de Richtlijn om maatregelen vast</para>
    <para>te stellen, doch deze maatregelen zijn nog niet in werking getreden.</para>
    <para>3.5.8.     In de roo. 10 en 11 van zijn arrest heeft het hof overwogen dat een beroep op art. 30 van</para>
    <para>het EG-verdrag ook niet kan slagen omdat de door de Staat getroffen maatregel, het invoerverbod, niet</para>
    <para>evenredig aan het beoogde doel en mitsdien niet noodzakelijk is.</para>
    <para>3.5.9. Onderdeel 13 bestrijdt ro. 11 met een motiveringsklacht.</para>
    <para>Het onderdeel acht het oordeel van het hof dat een even doeltreffende bescherming van de</para>
    <para>gezondheid van mens en dier kan worden bereikt door een maatregel naar analogie van de Kana-</para>
    <para>lisatieregeling, die minder verstrekkend is dan een invoerverbod, onbegrijpelijk.</para>
    <para>Dit oordeel is uitsluitend gebaseerd op een mededeling van de Staat ter terechtzitting dat,</para>
    <para>wanneer er ten aanzien van uit andere lidstaten afkomstige runderkoppen soortgelijke afspraken zou-</para>
    <para>den zijn of worden gemaakt met de bevoegde organisaties in die andere Lidstaten, de bescherming</para>
    <para>van de volksgezondheid evenzeer gewaarborgd zou zijn.</para>
    <para>3.5.10.1.  Zonder nadere motivering is inderdaad niet begrijpelijk dat het hof uit deze theoretische</para>
    <para>constatering door de Staat heeft afgeleid dat zulke afspraken ook daadwerkelijk gemaakt konden</para>
    <para>worden.</para>
    <para>Ook in dit verband is van belang dat de inwerkingtreding van de Beschikking reeds vier maal is</para>
    <para>uitgesteld, omdat men het in de Raad over de inhoud ervan niet eens heeft kunnen worden. (Vgl.</para>
    <para>hiervóór, § 1.8., met noot 8).</para>
    <para>3.5.10.2.  In dit verband wijs ik nog op het arrest-Denkavit uit 1979&amp;lt;(15).  HvJ EG 8 november 1979, zaak 251/78 (Denkavit Futtermittel</para>
    <para>GmbH t. Land Nordrhein-Westfalen),  Jur. 1979, p. 3369, TVVS</para>
    <para>1980, p. 194 (M.R.M.).</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>Hierin heeft het Hof beslist dat wanneer door samenwerking tussen de autoriteiten van de</para>
    <para>lidstaten de op grond van (het huidige) art. 30 van het EG-verdrag nog toegelaten grenscontroles</para>
    <para>kunnen worden vergemakkelijkt en verlicht, de met de zorg voor de volksgezondheid belaste in-</para>
    <para>stanties moeten nagaan of de in het kader van de samenwerking afgegeven bewijsstukken niet een</para>
    <para>vermoeden scheppen dat de ingevoerde goederen voldoen aan de vereisten van de nationale</para>
    <para>gezondheidswetgeving. Zulks zou moeten bijdragen tot een verlichting van de controles die worden</para>
    <para>verricht wanneer de goederen de grens tussen twee lidstaten overschrijden.</para>
    <para>In het licht van deze uitspraak is van belang dat de Staat in de onderhavige zaak gemotiveerd</para>
    <para>heeft gesteld dat aan een zogenaamde BSE-vrije status, welke sommige lidstaten hebben, weinig belang</para>
    <para>kan worden gehecht.</para>
    <para>3.5.11.    Uit het voorgaande volgt dat het hof ook het subsidiaire beroep van de Staat op art. 30</para>
    <para>van het EG-verdrag ten onrechte heeft verworpen.</para>
    <para>Het hof heeft de juiste criteria toegepast, maar op ondeugdelijke of onvoldoende gronden aan-</para>
    <para>genomen dat hieraan niet was voldaan.</para>
    <para>3.6. Strijd met regels van Europees recht staat ten minste zo weinig vast dat de Staat terecht het</para>
    <para>belang van de volksgezondheid de doorslag heeft laten geven.</para>
    <para>3.7.1. Ten slotte stip ik nog aan of er aanleiding zou kunnen zijn een prejudiciële beslissing aan het</para>
    <para>HvJEG te vragen, m.n. over de uitleg van de Richtlijn, i.h.b. art. 9, lid 1, daarvan.</para>
    <para>3.7.2. Dezelfde vraag is al aan de orde geweest in het in noot 12 genoemde arrest en daarop heeft</para>
    <para>uw Raad toen in negatieve zin beslist. Ik verwijs naar ro. 3.3. van dat arrest, naar hfdst. 9 van de</para>
    <para>conclusie voor dat arrest en naar de noot van Koopmans, sub 1.</para>
    <para>Ook hier gaat het om een kort geding, zodat art. 234, derde alinea, van het EG-verdrag niet van</para>
    <para>toepassing is.</para>
    <para>3.7.3. De situatie is in zoverre niet gewijzigd dat de inwerkingtreding van de beschikking nog altijd</para>
    <para>over enkele maanden te verwachten is.</para>
    <para>Het herhaalde uitstel kan weliswaar enige twijfel aan de inwerkingtreding wekken, maar daar</para>
    <para>staat tegenover dat de Raad ook had kunnen beslissen dat de beschikking in het geheel niet in wer-</para>
    <para>king zou treden, doch zich slechts tot (herhaald) uitstel heeft beperkt.</para>
    <para>3.7.4. Evenals twee jaar geleden acht ik het vragen van een prejudiciële beslissing in de gegeven</para>
    <para>omstandigheden niet opportuun. Dat geldt hier te sterker omdat, zoals het hof heeft vermeld, een</para>
    <para>bodemprocedure aanhangig is&amp;lt;(16).  Overigens is bij het HvJEG al een verzoek om een prejudiciële</para>
    <para>beslissing over de uitleg van art. 9, lid 1, van de Richtlijn aanhangig.</para>
    <para>Het verzoek daartoe is gedaan door Het Majesty's Court of Appeal in</para>
    <para>Northern Ireland (zaak C-477/98). Op 10 februari 2000 had, voor</para>
    <para>zover na te gaan, de advocaat-generaal bij het HvJ nog niet</para>
    <para>geconcludeerd.</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>3.8. Uit het voorgaande vloeit voort dat het middel, zowel in zijn primaire als in</para>
    <para>zijn subsidiaire klacht slaagt.</para>
    <para>Het hof heeft, naar het mij voorkomt, op onjuiste gronden het vonnis van de president vernie-</para>
    <para>tigd. Na vernietiging van 's hofs arrest kan de Hoge Raad de zaak, door bekrachtiging van het vonnis</para>
    <para>van de president zelf afdoen.</para>
    <para>4.  CONCLUSIE</para>
    <para>Ik concludeer tot vernietiging van het bestreden arrest van het</para>
    <para>gerechtshof in Den Haag en tot bekrachtiging van het vonnis dat de</para>
    <para>president van de rechtbank in Den Haag op 31 oktober 1997 in deze</para>
    <para>zaak heeft gewezen.</para>
    <para>Voorts concludeer ik tot veroordeling van verweersters in</para>
    <para>cassatie in de cassatiekosten en in de kosten die in beide feitelijke</para>
    <para>instanties zijn gevallen.</para>
    <para>De procureur-generaal</para>
    <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
    <para>plv.</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>