<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2000:AA5774</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T15:27:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA5774</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2000-05-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C98/269HR</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2000:AA5774" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA5774</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001827&amp;artikel=178&amp;g=2000-05-12">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 178</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2000, 279</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2000, 440</rdf:li>
          <rdf:li>PW 2000, 21227</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2000, 124</rdf:li>
          <rdf:li>FED 2000/501 met annotatie van P. VAN DER WAL</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2001/2.34 met annotatie van Redactie</rdf:li>
          <rdf:li>JWB 2000/48</rdf:li>
          <rdf:li>JOR 2000/146</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA5774">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA5774</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:02:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2000:AA5774 Parket bij de Hoge Raad , 12-05-2000 / C98/269HR</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA5774:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA5774:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
  <parablock>
    <para>Nr. C 98/269 HR                     Mr. Mok</para>
    <para>Zitting 11 februari 2000            Conclusie inzake</para>
    <para>1. K. EENKHOORN</para>
    <para>2.   ZWOLSE ACCOUNTANTSMAATSCHAP B.V.</para>
    <para>3. ZWOLSE ASSOCIATIE VAN BELASTINGCONSULENTEN B.V.</para>
    <para>tegen</para>
    <para>ROBU HOLDING B.V.</para>
    <para>Edelhoogachtbaar college,</para>
    <para>1.   VOORAF</para>
    <para>De initiële dagvaarding in deze procedure is ruim dertien jaar geleden uitgebracht. De in</para>
    <para>conventie gevorderde schadevergoeding bedroeg ruim een half miljoen gulden. De schadevergoeding</para>
    <para>waartoe het hof Eenkhoorn c.s. veroordeeld heeft, bedraagt echter slechts ruim  90.000. Daarvoor zijn</para>
    <para>tot dusverre tien rechterlijke uitspraken (drie van de rechtbank, zeven van het hof) tot stand</para>
    <para>gekomen en zijn twee deskundigenberichten ingewonnen. In cassatie zijn daar nog flinke stukken</para>
    <para>bijgekomen: 15 bladzijden cassatiemiddel alsmede schriftelijke toelichtingen van tezamen 37</para>
    <para>bladzijden.</para>
    <para>De kosten van de deskundigenberichten alleen al bedroegen ruim  47.000. Men mag aannemen</para>
    <para>dat ook hier gold: °Nothing left but costs||&amp;lt;(1).  Charles Dickens, Bleak House, 1852-1853, The Oxford illustrated</para>
    <para>Dickens, p. 867.</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>2.   FEITEN</para>
    <para>2.1.  In 1968 hebben de heren Romein en Büchele de vennootschap Robu Holding B.V., hierna:</para>
    <para>Robu,thans verweerster in cassatie, opgericht. Robu handelt onder meer in vleeswaren. Büchele is in</para>
    <para>1980 uit het bedrijf getreden.</para>
    <para>2.2.  Eiser van cassatie sub 1, Eenkhoorn, is vanaf de oprichting van Robu als accountant en als</para>
    <para>zakelijk adviseur nauw bij de bedrijfsvoering van Robu betrokken geweest. Vanaf 1968 tot 1975</para>
    <para>bestond er een contractuele relatie tussen Robu en Eenkhoorn. Vanaf 1975 bestond er een contractuele</para>
    <para>relatie tussen Robu en de door Eenkhoorn opgerichte Zwolse Accountantsmaatschap B.V., ZAM, eiseres</para>
    <para>van cassatie sub 2.</para>
    <para>Vanaf een later tijdstip bestonden er contractuele relaties tussen Robu enerzijds en ZAM en de</para>
    <para>eveneens door Eenkhoorn opgerichte Zwolse Associatie van Belastingconsulenten B.V., ZAB, eiseres van</para>
    <para>cassatie sub 3, anderzijds.</para>
    <para>Eenkhoorn is directeur van zowel ZAM als ZAB.</para>
    <para>2.3.  In de loop der jaren rezen er problemen tussen Robu enerzijds en Eenkhoorn, ZAM en ZAB</para>
    <para>anderzijds over de aan Robu in rekening gebrachte honoraria.</para>
    <para>Naar aanleiding daarvan stelden Eenkhoorn c.s. aan Robu voor dat ZAM en ZAB Robu over de</para>
    <para>eerste helft van 1984 geen honoraria in rekening zouden brengen.</para>
    <para>2.4.  De rechtbank heeft in ro. 1. 2 van haar vonnis van 27 januari 1988 vastgesteld dat partijen zijn</para>
    <para>overeengekomen dat Robu over de eerste helft van 1984 in het geheel geen honoraria in rekening</para>
    <para>zouden worden gebracht.</para>
    <para>Hoewel het hof de feitenvaststelling van de rechtbank in roo. 1.1-1.12  van genoemd vonnis, als</para>
    <para>niet bestreden heeft overgenomen&amp;lt;(2).  P. 3 van het arrest van 31 december 1991.</para>
    <para>&amp;gt; gaat het er niet van uit dat er</para>
    <para>terzake een overeenkomst tussen partijen bestaat&amp;lt;(3).  Ro. 18 van het arrest van 31 december 1991. De in § 2,3,</para>
    <para>genoemde voorstel vormt overigens een van de punten van</para>
    <para>discussie in cassatie.</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>2.5.  In oktober 1985 heeft Robu de relatie met Eenkhoorn, ZAM en ZAB ver-</para>
    <para>broken. Sindsdien is accountantskantoor De Jong in Vroomshoop accountant van Robu.</para>
    <para>2.6.  Büchele en Romein waren ieder voor de helft aandeelhouder in het door hen opgerichte Slagerij</para>
    <para>Urk Vlees B.V. Begin jaren 80 beëindigde Urk Vlees haar bedrijfsactiviteiten. In deze vennootschap</para>
    <para>resteerde toen een verlies van  493.945.</para>
    <para>Eenkhoorn is bij die gelegenheid met de inspecteur van de vennootschapsbelasting  over-</para>
    <para>eengekomen dat dit verlies in fiscaal opzicht zou kunnen worden gecompenseerd met de winst van</para>
    <para>Robu. Voorwaarde voor deze compensatie was dat Urk Vlees tot de fiscale eenheid van Robu ging</para>
    <para>behoren, en wel door overdracht van haar aandelen aan Robu.</para>
    <para>2.7.  Büchele heeft zijn 50 % aandelen in Urk Vlees overgedragen aan Romein. Romein heeft deze</para>
    <para>aandelen samen met zijn eigen aandelen in Urk Vlees overgedragen aan Robu&amp;lt;(4).  Van de overdracht door Büchele aan Romein bestaat zowel een</para>
    <para>onderhandse akte, gedateerd 5 november 1990 (prod. 9 bij c.v.d.)</para>
    <para>als een notariële akte, gedateerd 7 mei 1981 (prod. H bij c.v.r. en</para>
    <para>prod. E bij c.v.a. na comp.). Tevens is voor deze overdracht een</para>
    <para>notariële koopoptie d.d. 30 december 1980 (prod. a bij c.v.a. na</para>
    <para>comp.) vastgelegd.</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>Op 30 juli 1982 bepaalde de minister van Financiën bij</para>
    <para>beschikking&amp;lt;(5).  Prod. 10 bij c.v.d.</para>
    <para>&amp;gt; en onder de gebruikelijke voorwaarden&amp;lt;(6).  Prod. 11 bij c.v.d.</para>
    <para>&amp;gt; dat Robu en Urk Vlees per</para>
    <para>1 januari 1981 als fiscale eenheid zouden worden aangemerkt.</para>
    <para>2.8.  In augustus 1985 heeft de Rijks Accountants Dienst (RAD), een rapport</para>
    <para>uitgebracht over een door hem uitgevoerd onderzoek naar de zakelijke activiteiten</para>
    <para>van Robu en haar - in de loop van de tijd opgerichte - dochterondernemingen</para>
    <para>gedurende de voorafgaande jaren.</para>
    <para>Uit dit rapport bleek dat de boekhouding van Robu en haar</para>
    <para>dochterondernemingen onsystematisch was uitgevoerd en moeilijk toegankelijk was</para>
    <para>en dat de door Eenkhoorn uitgevoerde accountantswerkzaamheden in verscheidene</para>
    <para>opzichten niet voldeden aan de eisen die daaraan in fiscaal opzicht mogen worden</para>
    <para>gesteld.</para>
    <para>2.9.  Omdat het verlies van Urk Vlees nog niet was verrekend met de winst van</para>
    <para>Robu, heeft de RAD ook deze kwestie in haar rapport betrokken. De RAD stelde in</para>
    <para>haar rapport dat de aandelen in Urk Vlees pas op 7 mei 1981 door Büchele aan</para>
    <para>Romein waren verkocht, zodat Romein pas daarna alle aandelen in Urk Vlees had</para>
    <para>kunnen verkopen aan Robu, hetgeen hij niet heeft gedaan.    Robu kon</para>
    <para>daarom het verlies van Urk Vlees niet met de door haarzelf gemaakte winst</para>
    <para>verrekenen.</para>
    <para>2.10. Mede naar aanleiding van het RAD-rapport heeft accountantskantoor De Jong,</para>
    <para>namens Robu, begin 1987 een compromis bereikt met de inspecteur van de</para>
    <para>vennootschapsbelasting over de door Robu over de jaren 1980 tot en met 1983 te</para>
    <para>betalen vennootschapsbelasting&amp;lt;(7).  Prod. B bij c.v.r.</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>Op grond van dit compromis mocht Robu een deel van het</para>
    <para>verlies van Urk Vlees binnen haar fiscale eenheid compenseren. Verdergaande</para>
    <para>compensatie stond de inspecteur niet toe.</para>
    <para>3.  VERLOOP PROCEDURE</para>
    <para>3.1.1. In 1986 heeft Robu Eenkhoorn, ZAM en ZAB (hierna ook: Eenkhoorn c.s.) gedagvaard voor de</para>
    <para>rechtbank in Zwolle.</para>
    <para>Robu heeft hoofdelijke veroordeling van Eenkhoorn c.s. gevorderd tot betaling van  548.945&amp;lt;(8).  f 493.945 terzake van het niet compensabele verlies van Urk</para>
    <para>Vlees en  55.000 terzake van door accountantskantoor De Jong</para>
    <para>verrichte herstelwerkzaamheden</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>Voorts heeft Robu vanwaardeverklaring geëist van de in de dagvaarding omschreven conservatoire</para>
    <para>beslagen.</para>
    <para>3.1.2. In reconventie hebben Eenkhoorn c.s., voor zover in cassatie van belang, veroordeling van</para>
    <para>Robu gevorderd tot betaling van  113.645 (ter zake van in 1984 en 1985 verrichte</para>
    <para>accountantswerkzaamheden),  te vermeerderen met rente.</para>
    <para>3.2.1. Bij tussenvonnis van 27 januari 1988 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast.</para>
    <para>Bij tussenvonnis van 9 november 1988 heeft de rechtbank Eenkhoorn c.s. opgedragen te be-</para>
    <para>wijzen dat alle transacties die vereist waren voor totstandbrenging van een fiscale eenheid tussen Urk</para>
    <para>Vlees en Robu per 1 januari 1981 op tijd hadden plaatsgevonden.</para>
    <para>3.2.2. In haar tussenvonnis van 31 januari 1990 oordeelde de rechtbank dat Eenkhoorn c.s. niet in</para>
    <para>het bewijs waren geslaagd.</para>
    <para>Voorts heeft de rechtbank overwogen dat er deskundigen benoemd zouden moeten worden om</para>
    <para>haar voor te lichten over de hoogte van de schade, zowel ter zake van beide conventionele</para>
    <para>(schadevergoedings)vorderingen als ter zake van de reconventionele vordering.</para>
    <para>De rechtbank verwees de zaak vervolgens naar de rol om partijen de gelegenheid te geven zich</para>
    <para>uit te laten over de te benoemen deskundigen en de aan hen te stellen vragen.</para>
    <para>3.3. Van de drie tussenvonnissen van de rechtbank zijn Eenkhoorn c.s. in hoger beroep gekomen bij</para>
    <para>het gerechtshof te Arnhem.</para>
    <para>Na een rolbeschikking en vijf tussen- of deelarresten&amp;lt;(9).  7 mei 1991, 31 december 1991, 27 juli 1993, 21 maart 1995, 7</para>
    <para>november 1995 en 15 april 1997.</para>
    <para>&amp;gt; heeft het hof op 24 maart 1998 zijn</para>
    <para>eindarrest gewezen. Na vernietiging (bij arrest van 31 december 1991) van de drie tussenvonnissen</para>
    <para>van de rechtbank veroordeelde het hof (in zijn arrest van 24 maart 1998) Eenkhoorn c.s. hoofdelijk</para>
    <para>om aan Robu  64.664 plus  33.100 en Robu om aan Eenkhoorn c.s.  6.250  te betalen.</para>
    <para>Verder heeft het hof de gelegde beslagen van waarde verklaard.</para>
    <para>3.4. Eenkhoorn c.s. hebben tegen de arresten van het hof van 31 december 1991, 27 juli 1993, 21</para>
    <para>maart 1995, 7 november 1995, 15 april 1997 en 24 maart 1998 (tijdig&amp;lt;(10).  Nl. op 24 juni 1998; het eerste cijfer van de datum op het exploit is</para>
    <para>niet heel duidelijk leesbaar, maar er kan niets anders staan dan</para>
    <para>°vier||.</para>
    <para>&amp;gt;)</para>
    <para>beroep in cassatie ingesteld.</para>
    <para>Het cassatiemiddel bestaat uit zes onderdelen, die alle verschillende klachten</para>
    <para>bevatten.</para>
    <para>4.  BESPREKING VAN HET CASSATIEMIDDEL</para>
    <para>4.1.1.   Onderdeel 1 verwijt het hof het ambtshalve aanvullen van</para>
    <para>feitelijke gronden. Het uit vijf subonderdelen bestaande onderdeel</para>
    <para>bevat in wezen twee klachten.</para>
    <para>4.1.2.1. De eerste klacht is gericht tegen het oordeel van het hof dat</para>
    <para>de fiscus de erkenning van de fiscale eenheid alsnog heeft</para>
    <para>ingetrokken (ro. 3 van het arrest van 21 maart 1995), dat deze er-</para>
    <para>kenning nimmer definitief en onomstotelijk tot stand is gekomen (ro.</para>
    <para>3.10 van het arrest van 15 april 1997) en dat de aanvankelijk formeel</para>
    <para>verleende fiscale eenheid uiteindelijk niet erkend is (ro. 1 van het</para>
    <para>arrest van 7 november 1995). De klacht betoogt dat de fiscus de</para>
    <para>erkenning achteraf weliswaar ter discussie stelde, doch dat de</para>
    <para>erkenning van de fiscale eenheid nimmer formeel is ingetrokken.</para>
    <para>4.1.2.2. Of de aanvankelijke erkenning van een fiscale eenheid</para>
    <para>formeel is ingetrokken, komt mij niet relevant voor. De fiscus heeft de</para>
    <para>erkenning van de fiscale eenheid nooit formeel herroepen, omdat deze</para>
    <para>kwestie is achterhaald door het sluiten van het compromis&amp;lt;(11).  Vgl. proces-verbaal van getuigenverhoor van 23 november 1993,</para>
    <para>p. 4 (verklaring G.F. de Jong, de nieuwe accountant van Robu) en</para>
    <para>proces-verbaal voortzetting getuigenverhoor van 21 december</para>
    <para>1993, p. 3 (verklaring S.M. de Gooijer-Hoevens, de</para>
    <para>belastinginspecteur met wie het compromis is gesloten), aangehaald</para>
    <para>in het arrest van 21 maart 1995, p. 10.</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>Waar het om gaat, is dat de fiscus de, onder bepaalde</para>
    <para>voorwaarden verleende, fiscale eenheid heeft aangevochten en, omdat hij een van de</para>
    <para>voorwaarden, tijdige overdracht van de aandelen, niet vervuld achtte, er van is</para>
    <para>uitgegaan dat de fiscale eenheid nooit heeft bestaan&amp;lt;(12).  Vgl. proces-verbaal voortzetting getuigenverhoor van 21 december</para>
    <para>1993 , p. 3 (verklaring de GooijerHoevens t.a.p., p. 10.</para>
    <para>&amp;gt;. De twijfel over</para>
    <para>deze voorwaarde was veroorzaakt door Eenkhoorn&amp;lt;(13).  Zie roo. 4 - 9 van het arrest van 21 maart 1995.</para>
    <para>&amp;gt;. Eenkhoorn heeft, in</para>
    <para>de woorden van het hof, het belang van Robu in de waagschaal gesteld en Robu een</para>
    <para>onnodig risico laten lopen.</para>
    <para>4.1.3.1.   De tweede klacht houdt in dat het hof, in ro. 5-9 van zijn arrest van 21 maart 1995 de fei-</para>
    <para>telijke gronden van de vordering van Robu heeft aangevuld door te oordelen dat Eenkhoorn alle</para>
    <para>betrokkenen en hun adviseurs volledig had moeten inlichten en dat hij tegenstrijdige belangen had</para>
    <para>dienen te onderkennen en voorkomen. Robu heeft dergelijke verwijten niet aan haar vorderingen ten</para>
    <para>grondslag gelegd. Daarom mocht het hof deze niet in zijn oordeel betrekken, aldus het middel.</para>
    <para>Eenkhoorn c.s. hebben deze stelling ook voor het hof&amp;lt;(14).  Memorie na deskundigenbericht, p. 20.</para>
    <para>&amp;gt; verdedigd. In ro. 3.6 - 3.11 van het arrest</para>
    <para>van 15 april 1997 is het hof ingegaan op dit verwijt van Eenkhoorn c.s. Volgens het middel is hetgeen</para>
    <para>het hof aldaar overweegt een ontoelaatbare veralgemening van de grondslag van de eis die niet</para>
    <para>strookt met hetgeen het hof in eerdere stukken heeft overwogen.</para>
    <para>4.1.3.2.   In ro. 3.8 van het arrest van 15 april 1997 heeft het hof overwogen:</para>
    <para>° Zakelijk weergegeven komt de grondslag van de vordering van Robu op dit punt&amp;lt;(15).  Het punt van de fiscale eenheid tussen Robu en Urk Vlees, zo blijkt</para>
    <para>uit ro. 3.6 van dit arrest.</para>
    <para>&amp;gt; hierop neer,</para>
    <para>dat Eenkhoorn c.s. in strijd met hun verplichting niet tijdig hebben gezorgd voor de tot-</para>
    <para>standkoming van bedoelde fiscale eenheid, waardoor Robu schade heeft geleden. Tot bewijs van</para>
    <para>die stelling is Robu bij het arrest van 27 juli 1993 toegelaten.||</para>
    <para>Deze weergave van de grondslag van dit deel van de vordering van Robu strookt met de eerdere</para>
    <para>arresten van het hof en is in het licht van de door partijen (zowel in eerste aanleg als in hoger beroep)</para>
    <para>aangevoerde stellingen niet onbegrijpelijk&amp;lt;(16).  C.v.r. Robu 18 maart 1987, p. 8 (onder 10 en onder 11-13); akte in</para>
    <para>conventie Robu 2 september 1987, nr. 3-4 p. 2-4; antwoordakte in</para>
    <para>conventie Eenkhoorn c.s. 28 oktober 1987, p. 9-10 (onder</para>
    <para>slotopmerkingen); c.v.a. na enq. Robu 18 oktober 1989, nr. 10, p. 5;</para>
    <para>m.v.gr. Eenkhoorn c.s., p. 5; arrest van 7 mei 1991, ro. 1, p. 3; arrest</para>
    <para>van 31 december 1991, ro. 8, p. 4; arrest van 27 juli 1993, ro. 4.1, p.</para>
    <para>2.</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>4.1.3.3.   Uit de in noot 16 genoemde  passages blijkt dat partijen en het hof er</para>
    <para>van uitgingen dat de grondslag van dit deel van de vordering van Robu was dat Eenkhoorn c.s., in strijd</para>
    <para>met hun verplichtingen jegens Robu, niet tijdig zorg hebben gedragen voor een fiscale eenheid, waardoor</para>
    <para>de verliezen niet gecompenseerd konden worden.</para>
    <para>Anders dan het middel veronderstelt&amp;lt;(17).  Cassatiedagvaarding nr. 1.1, p.2.</para>
    <para>&amp;gt;, was deze grondslag dus niet slechts dat Eenkhoorn c.s.</para>
    <para>zouden hebben nagelaten tijdig zorg te dragen voor de noodzakelijke aandelentransacties&amp;lt;(18).  Vgl. schr. toel. raadsman Robu, nr. 1.5, p. 5.</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>Voorts is het hof, anders dan het middel verdedigt&amp;lt;(19).  Cassatiedagvaarding, nr. 1.3, p. 4.</para>
    <para>&amp;gt;, in zijn arrest</para>
    <para>van 15 april 1997 niet teruggekomen op een eerdere eindbeslissing. Het hof is bij zijn</para>
    <para>eerdere (feitelijke) vaststelling van de grondslag van dit deel van de vordering gebleven.</para>
    <para>4.1.3.4    In het licht van de grondslag van de vordering van Robu, heeft het hof geen rechtsregel</para>
    <para>geschonden door mede acht te slaan op omstandigheden, bestaande in doen en nalaten van Eenkhoorn,</para>
    <para>die ertoe hebben geleid dat de fiscus de (eerst na 1 januari 1981 verleden) notariële in plaats van de</para>
    <para>onderhandse overdrachtsakte bepalend achtte.</para>
    <para>Deze gedragingen waren immers van wezenlijk belang voor het (blijvend) erkennen door de fis-</para>
    <para>cus van de fiscale eenheid. Voorts zijn deze omstandigheden naar voren gekomen, tijdens de ge-</para>
    <para>tuigenverhoren die gehouden werden naar aanleiding van de bewijsopdracht die het hof in zijn arrest</para>
    <para>van 27 juli 1993 aan Robu had verleend en die betrekking had op genoemde grondslag van de vorde-</para>
    <para>ring van Robu.</para>
    <para>4.1.4. Het onderdeel is vruchteloos voorgesteld.</para>
    <para>4.2.1. Onderdeel 2 richt zich tegen het oordeel van het hof, in ro. 10 van het arrest van 21 maart</para>
    <para>1995 en ro. 6 van het arrest van 24 maart 1998, dat Eenkhoorn persoonlijk, samen met ZAM en ZAB,</para>
    <para>hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die het gevolg is van hun nalatigheid.</para>
    <para>Ook dit onderdeel bevat twee klachten.</para>
    <para>4.2.2.1.    De eerste klacht heeft betrekking op het aannemen van persoonlijke aansprakelijkheid</para>
    <para>van Eenkhoorn.</para>
    <para>Van persoonlijke aansprakelijkheid van de directeur (Eenkhoorn) van ZAM of AAB is, aldus het</para>
    <para>middel, pas sprake indien die directeur persoonlijk onrechtmatige daden jegens een klant of derde</para>
    <para>heeft begaan. Hetgeen het hof Eenkhoorn verwijt zou echter een gewone beroepsfout zijn.</para>
    <para>4.2.2.2.   Dat een contractuele relatie slechts tussen Robu en de beide vennootschappen bestond,</para>
    <para>sluit niet uit dat Eenkhoorn, op grond van onrechtmatige daad, persoonlijk aansprakelijk kan zijn</para>
    <para>jegens Robu. Eenkhoorn kon zijn persoonlijke aansprakelijkheid voor beroepsfouten niet opheffen door</para>
    <para>het oprichten van ZAM en ZAB en het overdragen van zijn contractuele relaties met derden aan deze</para>
    <para>vennootschappen.</para>
    <para>Voorwaarde voor persoonlijke aansprakelijkheid is wel dat de aan Eenkhoorn verweten hande-</para>
    <para>lingen ook los van de schending van de contractuele norm onrechtmatig zijn. Hij is persoonlijk</para>
    <para>aansprakelijk indien hij heeft gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die hij jegens Robu in acht</para>
    <para>had behoren te nemen&amp;lt;(20).  Vgl. F.H.A. Arisz, Preadv.NJV 1987, p. 52; Asser/Hartkamp 4-III,</para>
    <para>1998, nrs. 261-262, p. 246-247. W.G. Huijgen in: Losbladige OD 3,</para>
    <para>VI.1, Beroeps- en dienstenaansprakelijkheid, algemeen, nr. 4, p. 11-</para>
    <para>13 en nr. 12, p. 31; I.P. Michiels van Kessenich-Hoogendam,</para>
    <para>Beroepsfouten, 1995, p. 14-15 en 61-62; W. Westbroek, De NV 1974,</para>
    <para>p. 39-40, alsmede de door deze schrijvers aangehaalde rechtspraak.</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>4.2.2.3.   De vereiste zorgvuldigheid voor het handelen van een vrije</para>
    <para>beroepsbeoefenaar is dezelfde, ongeacht of het gaat om vorderingen uit toerekenbare tekortkomingen of uit on-</para>
    <para>rechtmatige daad.</para>
    <para>De maatstaf is het handelen van een redelijk bekwame en redelijk handelende vakgenoot&amp;lt;(21).  Huijgen, a.w., nr. 7, p. 21-22 en Michiels van Kessenich-Hoogendam,</para>
    <para>a.w., p. 24-26. De door laatstgenoemde aangehaalde arresten dateren</para>
    <para>van voor 1-1-1992. Ik merk in dit verband op dat het hof in ro. 1.1</para>
    <para>van zijn arrest van 27 juli 1993, heeft overwogen dat o.g.v. artikel</para>
    <para>182 Ow NBW, ten deze oud recht van toepassing is.</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>Bij een vrij beroep en met name bij een vrij beroep waarbij sprake is van een sterk persoonlijke rela-</para>
    <para>tie en een (relatief) kleine organisatie, is de kans dat wanprestatie van de b.v. tevens een onrecht-</para>
    <para>matige daad van een van haar organen oplevert groot, aanmerkelijk groter dan in het bedrijfsleven of</para>
    <para>in vrije beroepen die qua organisatie meer het bedrijfsleven naderen&amp;lt;(22).  Westbroek, a.w., p. 40 (bijna letterlijk geciteerd). In dit verband</para>
    <para>merk ik op dat het door de raadsman van Robu aangehaalde citaat</para>
    <para>(s.t. nr. 2.6, p. 11) uit het artikel van Westbroek onvolledig is. Na</para>
    <para>het aldaar geciteerde deel, vervolgt Westbroek namelijk: "Maar dit</para>
    <para>kan betekenen, dat voor hetzelfde juridische fenomeen, te weten de</para>
    <para>vrije beroeps-b.v., divergerende regelen gaan ontstaan ten aanzien</para>
    <para>van de mate van aansprakelijkheidsbeperking. Voor het publiek is</para>
    <para>dit hoogst verwarrend en er zal voor rechtspraak nodig zijn,</para>
    <para>voordat vaststaat, hoe de situatie voor elk vrij beroep nu eigenlijk</para>
    <para>is." E.e.a. heeft Westbroek aangehaald in het kader van zijn betoog</para>
    <para>tegen een algemene doorbraak van aansprakelijkheid voor vrijebe-</para>
    <para>roeps-b.v.'s.</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>4.2.2.4.   Het hof heeft in zijn door deze klacht bestreden overwegingen</para>
    <para>kennelijk geoordeeld dat de in roo. 4 - 9 van zijn arrest van 21 maart 1995 beschreven nalatigheid van</para>
    <para>Eenkhoorn, mede gezien diens positie bij ZAM en ZAB en zijn persoonlijke betrokkenheid bij de gang van zaken,</para>
    <para>een onrechtmatige daad van hem jegens Robu oplevert.</para>
    <para>Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.</para>
    <para>4.2.3.1.   De tweede klacht betreft de motivering voor  het aannemen van hoofdelijke</para>
    <para>aansprakelijkheid van ZAM en ZAB.</para>
    <para>4.2.3.2.   Hoewel Eenkhoorn c.s. ZAM noemen als de vennootschap op welke de verplichting rustte</para>
    <para>zorg te dragen voor het tot stand komen van de fiscale eenheid&amp;lt;(23).  M.v.gr., p. 5.</para>
    <para>&amp;gt;,  blijkt</para>
    <para>uit de stukken dat ZAM en ZAB beide nauw betrokken waren bij de werkzaamheden</para>
    <para>die hiermee verband hielden, zonder dat hierbij sprake was van een duidelijke taakafbakening&amp;lt;(24).  Vgl. ook s.t. raadsman Robu, nrs. 2.8-2.9, p. 11-12.</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>Eenkhoorn heeft in de stukken geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen de</para>
    <para>werkzaamheden van beide vennootschappen; ze worden vaak in een adem genoemd&amp;lt;(25).   Bijv. c.v.d. in conv. (c.v.r. in reconv.) van 10 juni 1987, p. 9.</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>Correspondentie inzake de fiscale eenheid is zowel op briefpapier van ZAM als op</para>
    <para>briefpapier van ZAB gevoerd&amp;lt;(26).  C.v.d., prod. 14, resp. prod. 12.</para>
    <para>&amp;gt;. Een werkneemster van ZAB heeft, onder</para>
    <para>meer, de onderhandse akten inzake aandelenoverdracht opgesteld&amp;lt;(27).  P.-v. getuigenverhoor d.d. 1 december 1988, p. 6  (getuige F.A.</para>
    <para>Schrage-Viersma).</para>
    <para>&amp;gt;. In</para>
    <para>reconventie hebben ZAM en ZAB gezamenlijk een bedrag gevorderd. Ter onderbouwing</para>
    <para>van dit bedrag hebben zij een aantal specificaties overgelegd&amp;lt;(28).  C.v.a. in conv. (c.v.e. in reconv.), prod. 7.</para>
    <para>&amp;gt;. Hoewel</para>
    <para>Eenkhoorn c.s. stellen dat zij steeds afzonderlijk hebben gedeclareerd&amp;lt;(29).  C.v.d. in conv. (c.v.r. in reconv.) nr. 4, p. 7.</para>
    <para>&amp;gt;,</para>
    <para>blijkt uit deze specificatie niet van een duidelijke taakafbakening tussen ZAM en ZAB.</para>
    <para>4.2.3.3.   Het hof heeft uit de stukken kunnen afleiden dat de contractuele</para>
    <para>relaties tussen Robu enerzijds en ZAM en ZAB anderzijds, van dien aard waren dat</para>
    <para>ZAM en ZAB zich hoofdelijk hadden verbonden zorg te dragen voor de</para>
    <para>totstandkoming van de fiscale eenheid. Deze uitleg van de desbetreffende</para>
    <para>overeenkomsten is niet onbegrijpelijk, waarbij ik nog opmerk dat een schriftelijke</para>
    <para>vastlegging van de overeenkomsten tussen Robu en ZAM en ZAB ontbreekt.</para>
    <para>Deze vaststelling getuigt evenmin van een onjuiste rechtsopvatting. Onder het,</para>
    <para>hier toepasselijke, oude BW&amp;lt;(30).  Arrest hof van 27 juli 1993, ro. 1.1.</para>
    <para>&amp;gt; kon een verbintenis onder meer</para>
    <para>hoofdelijk zijn indien dit bleek uit de wil van partijen. Hierbij was het, ondanks het woord</para>
    <para>°uitdrukkelijk|| in artikel 1314 en 1328 oud BW, niet nodig dat hoofdelijkheid uitdrukkelijk was</para>
    <para>overeengekomen. Vereist was slechts dat de uitlegging van de overeenkomst tot het aannemen van de bedoeling</para>
    <para>van hoofdelijkheid leidde&amp;lt;(31).  Asser/Hartkamp, 4-I, 1992, nr. 92, p. 81 en nr. 102, p. 92.</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>4.2.3.4.   Overigens merk ik nog op dat  subonderdeel 2.2 tevens berust op</para>
    <para>onjuiste lezing van de bestreden arresten, althans op onjuiste uitleg daarvan.</para>
    <para>Het subonderdeel klaagt namelijk dat het hof onvoldoende gemotiveerd heeft dat ZAM en ZAB</para>
    <para>voor eventuele onrechtmatige daden van elkaar aansprakelijk zijn&amp;lt;(32).   Cassatiedagvaarding, nr. 2.3, p. 7-8.</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>Het hof heeft echter kennelijk aangenomen dat hier sprake is van wanprestatie en niet</para>
    <para>van onrechtmatige daad.</para>
    <para>4.2.4. Op het voorgaande stuit het onderdeel af.</para>
    <para>4.3.1. Onderdeel 3 keert zich tegen hetgeen het hof in roo. 18-20 heeft overwogen, nl. dat Eenkhoorn</para>
    <para>niet gerechtigd was terug te komen op zijn voorstel over het eerste halfjaar van 1984 geen kosten in</para>
    <para>rekening te brengen.</para>
    <para>4.3.2.1.   Subonderdeel 3.1. betoogt dat het aanbod van Eenkhoorn c.s. door het niet aanvaarden</para>
    <para>ervan door Robu, althans door het verloop van tijd, is komen te vervallen.</para>
    <para>4.3.2.2.   Allereerst merk ik op dat ik geen verschil zie tussen niet aanvaarden enerzijds en verloop</para>
    <para>van tijd anderzijds. Het gaat bij niet aanvaarden steeds om niet binnen een zeker tijdsbestek niet</para>
    <para>aanvaarden. Niet aanvaarden mag niet gelijk worden gesteld met verwerpen.</para>
    <para>4.3.2.3.   Evenals onder het huidig BW was ook onder het oude BW een aanbod in beginsel van be-</para>
    <para>perkte duur. Hoe lang het aanbod zijn gelding behield was, evenals onder het huidig BW, afhankelijk</para>
    <para>van de omstandigheden van het geval&amp;lt;(33).  Asser/Hartkamp, 4-II, 1997, nr. 144, p. 129 e.v.; S. van Brakel,</para>
    <para>Leerboek van het Nederlandse verbintenissenrecht, eerste deel,</para>
    <para>1948, § 294, p. 374-375 en Parl. Gesch. boek 6, p. 885.</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>Het kennelijke oordeel van het hof dat het aanbod van Eenkhoorn</para>
    <para>c.s. in de omstandigheden van het geval (opgesomd in roo. 19 en 20) nog niet was</para>
    <para>vervallen is feitelijk,  getuigt m.i. niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet</para>
    <para>onbegrijpelijk. Hierbij is m.i. met name het feit dat Eenkhoorn c.s. uitvoering hebben</para>
    <para>gegeven, een factor die het oordeel van het hof juist begrijpelijk maakt.</para>
    <para>4.3.2.4.   Subonderdeel 3.3. betoogt dat niet valt in te zien waarom het niet</para>
    <para>voldoen aan de afspraak om op betere wijze te boekhouden geen grond zou zijn om</para>
    <para>op het gedane voorstel terug te komen.</para>
    <para>Met name zou het hof Eenkhoorn c.s niet hebben mogen tegenwerpen dat zij</para>
    <para>hadden moeten stellen dat zij, doordat Robu niet had voldaan aan de voorwaarden,</para>
    <para>in het eerste halfjaar van 1984 meer werk hebben moeten verrichten dan ingeval</para>
    <para>Robu daaraan wel voldaan zou hebben. Dat de werkzaamheden van een accountant</para>
    <para>in hoge mate samenhangen met de wijze waarop in een bedrijf de boekhouding</para>
    <para>wordt gevoerd is immers een feit van algemene bekendheid, aldus het middel.</para>
    <para>4.3.2.5.   Met het gebruik van het woord °afspraak|| lijkt het middel te</para>
    <para>veronderstellen dat er toch een overeenkomst bestond tussen partijen. Die stelling</para>
    <para>houdt echter wegens gebrek aan feitelijke grondslag geen stand.</para>
    <para>4.3.2.6.   Het oordeel van het hof dat de enkele stelling van Eenkhoorn c.s. dat</para>
    <para>Robu niet heeft voldaan aan de voorwaarden (die aan het voorstel waren</para>
    <para>verbonden) onvoldoende grond vormde om op het voorstel terug te komen,  moet</para>
    <para>men bezien in samenhang met de overige door het hof in zijn overweging betrokken</para>
    <para>omstandigheden.</para>
    <para>Met name hangt dit oordeel samen met dat (zie volgende paragraaf) volgens</para>
    <para>welk Eenkhoorn c.s. niet te goeder trouw konden terugkomen op hun voorstel.</para>
    <para>4.3.2.7.   Het hof is, na afweging van alle in ro. 19 en 20 van het arrest van 31</para>
    <para>december 1991 genoemde omstandigheden, tot het oordeel gekomen dat Eenkhoorn</para>
    <para>c.s. niet te goeder trouw konden terugkomen op hun voorstel. Hiermee heeft het hof</para>
    <para>geen onjuiste maatstaf aangelegd.</para>
    <para>Ook onder het oude BW werd de rechtsverhouding tussen partijen immers</para>
    <para>reeds in de precontractuele fase beheerst door de goede trouw&amp;lt;(34).  Vgl. Asser/Hartkamp, 4-II, 1997, nr. 159, p. 143-144 en nr. 304, p.</para>
    <para>289 e.v., i.h.b. p. 290.</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>4.3.2.8.   Het door dit subonderdeel aangevallen oordeel van het hof is, in het</para>
    <para>licht van deze omstandigheden, niet onbegrijpelijk.</para>
    <para>Met name valt hier te denken aan het feit dat Eenkhoorn (hoewel Robu niet aan de voorwaarden</para>
    <para>voldeed) uitvoering hebben gegeven aan hun voorstel en aan de door het hof (feitelijk) vastgestelde</para>
    <para>intentie van Eenkhoorn c.s. om tegemoet te komen aan het bezwaar van Robu tegen de hoogte van de</para>
    <para>accountantskosten.</para>
    <para>4.3.3. Op een en ander loopt onderdeel 3 vast.</para>
    <para>4.4.1. Onderdeel 4 heeft betrekking op de vraag of de vordering van Robu op Eenkhoorn zich nog in</para>
    <para>het vermogen van Robu bevindt.</para>
    <para>Het hof is in de roo. 3.4 en 3.5 van zijn arrest van 15 april 1997 voorbijgegaan aan de door Eenk-</para>
    <para>hoorn c.s. opgeworpen vraag of de door Robu gepretendeerde vordering op Eenkhoorn c.s. nog tot het</para>
    <para>vermogen van Robu behoorde. Het had dit ook al gedaan in ro. 17 van zijn arrest van 21 maart 1995.</para>
    <para>4.4.2. Subonderdeel 4.2 klaagt dat het hof heeft miskend dat Robu de grondslagen van haar</para>
    <para>gepretendeerde vorderingen dient te bewijzen, omdat Eenkhoorn c.s. gemotiveerd heeft gesteld dat</para>
    <para>deze vordering het vermogen van Robu heeft verlaten.</para>
    <para>4.4.3.1    Uit ro. 17 van het arrest van 21 maart 1995 blijkt dat het hof heeft aangenomen dat Eenk-</para>
    <para>hoorn c.s. slechts een vraag hebben opgeworpen en geen stellingen die zouden meebrengen dat Robu</para>
    <para>niet meer gerechtigd zou zijn de gepretendeerde vordering in rechte te vervolgen.</para>
    <para>In de memorie na deskundigenrapport van Eenkhoorn c.s. heeft het hof blijkens ro. 3.4 en 3.5</para>
    <para>van het arrest van 15 april 1997 wel een dergelijke stelling van Eenkhoorn gelezen. Het hof achtte</para>
    <para>deze stelling echter onvoldoende gemotiveerd en is er daarom aan voorbijgegaan.</para>
    <para>4.4.3.2.   Deze uitleg door het hof van de gedingstukken is van feitelijke aard en kan dus in cassatie</para>
    <para>niet op haar juistheid worden getoetst.</para>
    <para>Het passeren van ongemotiveerd verweer is niet in strijd met enige rechtsregel.&amp;lt;(35).  Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen, 1998, nr. 68, p. 76-77 en</para>
    <para>Veegens, Cassatie, 1989, nr. 160, p. 293-295.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>4.4.3.3.   Ook voor zover de klacht mede zou bedoelen  te klagen over onbegrijpelijkheid van het</para>
    <para>oordeel van het hof (wat ik er overigens niet in lees), faalt zij.</para>
    <para>Het hof heeft immers, aan het slot van ro. 3.4 van het arrest van 15 april 1997 aangegeven</para>
    <para>welke concrete informatie Eenkhoorn ter onderbouwing van hun stelling hadden moeten geven. Het</para>
    <para>betreft hier informatie omtrent de beweerde overdracht van de gepretendeerde vordering. Het</para>
    <para>oordeel van het hof dat van Eenkhoorn c.s. mocht worden verwacht dat zij deze informatie ver-</para>
    <para>strekten, is niet onbegrijpelijk.</para>
    <para>4.4.3.4.   Bovendien zou het, indien de vordering werkelijk was overgedragen, onwaarschijnlijk zijn</para>
    <para>dat Eenkhoorn c.s. niet over concrete informatie daarover zouden beschikken.</para>
    <para>Een eventuele overdracht van de gepretendeerde vordering is immers niet mogelijk, althans zou</para>
    <para>deze niet tegen Eenkhoorn c.s. kunnen worden ingeroepen, zonder mededeling daarvan aan hen als</para>
    <para>debiteuren. Naar oud BW (artikel 668) was de levering van een vordering door de akte voltooid. De</para>
    <para>levering werkte echter pas jegens de schuldenaar nadat deze aan hem was medegedeeld&amp;lt;(36).  Naar huidig BW is, o.g.v. artikel 3:94, behalve een akte, mededeling</para>
    <para>aan de debiteur een vereiste voor cessie.</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>Deze bescherming van de schuldenaar is, voor zover de levering was voltooid, o.g.v.</para>
    <para>artikel 90 Ow NBW, na de inwerkingtreding van het huidige boek 3 BW gecontinueerd.</para>
    <para>4.4.4.1.   De in subonderdeel 4.3. geformuleerde klacht betoogt dat het hof had moeten ingaan op</para>
    <para>de vraag of de gepretendeerde vordering nog tot het vermogen van Robu behoorde, omdat een</para>
    <para>debiteur er een rechtmatig belang bij heeft te betalen aan de werkelijke crediteur.</para>
    <para>4.4.4.2.   Ook deze klacht faalt. Het hof heeft feitelijk en niet onbegrijpelijk vastgesteld dat de stel-</para>
    <para>ling van Eenkhoorn c.s. onvoldoende onderbouwd was en was dus gehouden aan deze stelling voorbij</para>
    <para>te gaan.</para>
    <para>Bovendien is niet duidelijk welk belang Eenkhoorn c.s. bij deze klacht hebben. Overdracht van de</para>
    <para>gepretendeerde vordering zou immers niet mogelijk zijn, althans niet tegen Eenkhoorn c.s. kunnen</para>
    <para>worden ingeroepen, zonder mededeling daarvan aan hen als debiteuren.</para>
    <para>4.4.5.1.   De in subonderdeel 4.4. geformuleerde klacht betoogt, met een beroep op de eisen van</para>
    <para>een juiste procesvoering, dat het hof, toen Eenkhoorn c.s het punt voor het eerst opwierpen&amp;lt;(37).  Bij memorie van antwoord na enquête.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>Robu in de gelegenheid had moeten stellen haar visie hierop te geven.</para>
    <para>In plaats daarvan heeft het hof, aldus het middel, zelf argumenten aangevoerd</para>
    <para>en aldus de feitelijke stellingen van Robu aan- en zelfs ingevuld.</para>
    <para>4.4.5.2.   Deze klacht berust op een onjuiste lezing van ro. 17 van het arrest van</para>
    <para>21 maart 1995. Zoals ik hierboven reeds uiteenzette, blijkt uit deze ro. dat het hof</para>
    <para>(feitelijk en niet onbegrijpelijk) heeft aangenomen dat Eenkhoorn c.s. in de memorie</para>
    <para>van antwoord na enquête slechts een vraag hebben opgeworpen. Het hof heeft in dit</para>
    <para>processtuk geen gemotiveerde stelling van Eenkhoorn c.s. gelezen dat de</para>
    <para>gepretendeerde vordering het vermogen van Robu heeft verlaten.</para>
    <para>4.4.6. Subonderdeel 4.5 bouwt voort op subonderdeel 4.4 en moet het lot daarvan</para>
    <para>delen.</para>
    <para>4.4.7. Het onderdeel treft geen doel.</para>
    <para>4.5.1.1.   Onderdeel 5 heeft betrekking ro. 3.3 en 3.4 van het eindarrest van 24</para>
    <para>maart 1998.</para>
    <para>4.5.1.2.   In ro. 3.3. van dat arrest heeft het hof gememoreerd dat de deskundige</para>
    <para>Dijstelbloem van oordeel was dat grond ontbrak om enigerlei compensatie met de</para>
    <para>schade toe te passen, in de vorm van door Robu behaalde voordelen in het kader</para>
    <para>van het met de fiscus in 1987 gesloten compromis.</para>
    <para>Volgens het hof heeft hetgeen Eenkhoorn c.s. hebben aangevoerd&amp;lt;(38).  Memorie na deskundigenbericht, p. 2-7 en 9-11.</para>
    <para>&amp;gt; en betoogd bij de voorbe-</para>
    <para>reiding van en tijdens de comparitie, aan het oordeel van de deskundige niet afgedaan.</para>
    <para>4.5.1.3.   In ro. 3.4. heeft het hof de motivering en de slotsom van deskundige Dijstelbloem, naar</para>
    <para>aanleiding door vraag b van het hof&amp;lt;(39).  Arrest van 7 november 1995, p. 2; vraag b luidde: In hoeverre</para>
    <para>wordt die geleden schade gecompenseerd door afspraken die zijn</para>
    <para>gemaakt in het kader van het door Robu met de fiscus in 1987</para>
    <para>gesloten compromis over de door Robu over 1980 tot en met 1983</para>
    <para>te betalen vennootschapsbelasting?.</para>
    <para>&amp;gt;, overgenomen.</para>
    <para>4.5.2.1.   Subonderdeel 5.1. veronderstelt dat Robu in het compromis de</para>
    <para>mogelijkheid tot verlies</para>
    <para>compensatie opgaf in ruil voor andere voordelen.</para>
    <para>4.5.2.2.   De raadsman van Robu heeft dit uitgangspunt bestreden. Hij heeft betoogd dat deze</para>
    <para>stelling niet spoort met de bevindingen van deskundige Dijstelbloem en dat het hier een ontoelaatbaar</para>
    <para>novum in cassatie betreft&amp;lt;(40).  S.t. raadsman Robu, nrs. 5.4-5.5, p. 18.</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>4.5.2.3.   In de procedure voor de rechtbank hebben Eenkhoorn c.s. bij</para>
    <para>verschillende gelegenheden gesteld dat bij het fiscaal compromis de verliescompensatie is ingeruild voor andere</para>
    <para>voordelen&amp;lt;(41).  Concl. na comparitie p. 6 en 11 en c. na enquête p. 9.</para>
    <para>&amp;gt;.                      Robu heeft dit betwist&amp;lt;(42).  C. v.a. na comparitie nr. 8, p. 7.</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>4.5.2.4. Dijstelbloem heeft ter gelegenheid van de comparitie o.m. verklaard:</para>
    <para>°In onderdeel 28 van mijn rapport heb ik aangegeven dat naar mijn oordeel De Jong een</para>
    <para>alleszins redelijk compromis heeft gesloten, waarbij ik in aanmerking heb genomen dat hij de</para>
    <para>verliescompensatie van Urk Vlees BV heeft weggegeven om andere elementen binnen te kunnen</para>
    <para>halen.||&amp;lt;(43).   P-v van toelichting door deskundige en comp. v. partijen d.d. 28</para>
    <para>november 1997, p. 3.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>Uit het door het hof overgenomen oordeel van de deskundige</para>
    <para>blijkt dat deze van mening was dat tegenover het prijsgeven van de verliescompensatie</para>
    <para>verschillende voordelen zijn behaald. Na beschouwing van deze voordelen is de</para>
    <para>deskundige tot de conclusie gekomen dat het compromis alleszins redelijk was. Tot</para>
    <para>slot heeft hij in zijn rapport verklaard:</para>
    <para>°Of het compromis anders zou hebben geluid, indien de kwestie rond Slagerij Urk Vlees B.V. geen</para>
    <para>rol zou hebben gespeeld, is onmogelijk te zeggen. Wel verdient opmerking, dat enkele</para>
    <para>belangrijke geschilpunten die bij het compromis in het voordeel van Robu Holding B.V. zijn</para>
    <para>beslecht, bepaald ook in het nadeel van Robu Holding B.V. hadden kunnen uitpakken. Deze</para>
    <para>geschilpunten stamden alle uit de periode dat Eenkhoorn c.s. de accountant/belastingadviseur</para>
    <para>van Robu Holding B.V. was. De vraag in hoeverre dit aspect nog in het geding kan worden</para>
    <para>betrokken, laat ik aan het Gerechtshof ter beantwoording.||&amp;lt;(44).  Deskundigenrapport van Dijstelbloem, nrs. 24-28, p. 25-30.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>4.5.2.5.   Tijdens de comparitie heeft de deskundige nader verklaard dat hij heeft geworsteld met</para>
    <para>de andere elementen (dan de kwestie rond Urk Vlees) die hebben meegespeeld bij het sluiten van het</para>
    <para>compromis, omdat hem niet duidelijk was in hoeverre deze elementen deel uitmaakten van de</para>
    <para>rechtsstrijd tussen partijen. Even later verklaarde de deskundige:</para>
    <para>°Indien wederom buiten beschouwing wordt gelaten in hoeverre ik elementen in mijn rapport</para>
    <para>betrek die buiten de rechtsstrijd staan, dan beantwoord ik vraag b van het hof&amp;lt;(45).  Arrest van 7 november 1995, p. 2 (zie ook noot 39)</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>inderdaad in die zin dat op de in mijn antwoord op vraag a&amp;lt;(46).  Arrest van 7 november 1995, vraag a: Welke schade heeft Robu</para>
    <para>geleden als gevolg van de nalatigheid van Eenkhoorn c.s. ten</para>
    <para>aanzien van de op hen rustende inspanningsplicht met betrekking</para>
    <para>tot de beoogde compensatie van de verliezen in Urk-Vlees BV met</para>
    <para>de in het Robu-concern behaalde winsten door het niet op 1 januari</para>
    <para>1981 voldoen aan de voorwaarden voor een fiscale eenheid van</para>
    <para>Robu Holding BV met Urk-Vlees BV?</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>genoemde vergoeding geen voordeel meer in  mindering mag worden gebracht, zie</para>
    <para>onderdeel 28 van mijn rapport.||&amp;lt;(47).   P-v van toelichting door deskundige en comp. v. partijen d.d. 28</para>
    <para>november 1997, p. 3.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>4.5.2.6.   De gedachte lijkt mij de volgende: voor compensatie is hier slechts</para>
    <para>plaats voor zover het, bij de elementen die voor het sluiten van het fiscaal</para>
    <para>compromis in aanmerking zijn genomen, om winsten gaat die dezelfde oorzaak</para>
    <para>hebben als de geleden verliezen, nl. het niet op 1 januari 1981 voldoen aan de</para>
    <para>voorwaarden voor een fiscale eenheid.</para>
    <para>Aangezien het de deskundige niet gebleken was dat dit het geval was,</para>
    <para>oordeelde hij dat geen voordelen meer in mindering mochten worden gebracht.</para>
    <para>4.5.3.1.   Inhoudelijk klagen de verschillende subonderdelen van onderdeel 5 er,</para>
    <para>kort gezegd, dat, nu de verliescompensatie is opgegeven in ruil voor andere</para>
    <para>voordelen, 1) de dientengevolge door Robu geleden schade niet meer (ten volle) kan</para>
    <para>worden toegerekend aan het aan Eenkhoorn c.s. verweten nalaten, althans dat 2) de</para>
    <para>dientengevolge genoten voordelen met voornoemde schade moeten worden</para>
    <para>gecompenseerd.</para>
    <para>Het door het hof in ro. 3.4 als alleszins redelijk aangemerkte  karakter van het</para>
    <para>compromis en het feit dat de overige (in het voordeel van Robu uitgepakte)</para>
    <para>geschilpunten stamden uit een periode dat  Eenkhoorn c.s. de accountant /adviseur</para>
    <para>van Robu waren, vormt een ontoereikende motivering, aldus voorts het middel.</para>
    <para>4.5.3.2.   Het hof heeft kennelijk van doorslaggevend belang geacht dat de</para>
    <para>verliescompensatie niet onnodig is weggegeven en dat deze is ingeruild voor</para>
    <para>voordelen die los staan van de kwestie rond de fiscale eenheid.</para>
    <para>Het hof heeft in dezen de conclusie en de motivering van de deskundige</para>
    <para>overgenomen.  Dit komt er op neer dat de verliescompensatie wel moest worden</para>
    <para>°weggegeven||, tengevolge van nalatigheid van Eenkhoorn c.s.</para>
    <para>4.5.3.3.   Met mag het daarmee al dan niet eens zijn, dit oordeel is sterk met</para>
    <para>feiten verweven. Het is voorts gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. Daardoor is het</para>
    <para>m.i. in cassatie onaantastbaar.</para>
    <para>4.5.3.4.   Subonderdeel 5.6 werpt nog op dat het hof ten onrechte een essentiële</para>
    <para>stelling van Eenkhoorn c.s.&amp;lt;(48).  Gedaan in de mem. na desk.ber. p. 9 onderaan.</para>
    <para>&amp;gt; zou hebben gepasseerd.</para>
    <para>Het gaat om de stelling dat Robu de verliezen van Urk Vlees door</para>
    <para>middel van een afwaardering van haar vorderingen op Urk Vlees - niet zijnde een</para>
    <para>dochter - fiscaal in aanmerking zou hebben kunnen nemen.</para>
    <para>4.5.3.5.   De deskundige Dijstelbloem is op 23 van zijn rapport, in het kader van</para>
    <para>vraag a, ingegaan op deze stelling. Hij heeft de stelling niet houdbaar geacht.</para>
    <para>Het hof heeft in ro. 3.2 van zijn arrest van 24 maart 1998, zoals bleek,</para>
    <para>aangegeven dat het de motivering en het oordeel van de deskundige in verband</para>
    <para>met vraag a overneemt. Het heeft deze stelling dus niet gepasseerd. Het</para>
    <para>subonderdeel heeft derhalve geen feitelijke grondslag.</para>
    <para>4.5.4. Onderdeel 5 is vruchteloos voorgedragen.</para>
    <para>4.6.1. Onderdeel 6 richt zich tegen ro. 5.1 en 5.2 van het arrest van 24 maart</para>
    <para>1998, waarin het hof twee bewijsaanbiedingen van Eenkhoorn c.s., gedaan bij</para>
    <para>memorie na deskundigenbericht, passeert.</para>
    <para>Die bewijsaanbiedingen hadden betrekking, naar het hof feitelijk en</para>
    <para>onaantastbaar in cassatie, heeft vastgesteld op:</para>
    <para>a. de inbrengwaarde van het onroerend goed te Urk (ro.5.1.);</para>
    <para>b. een compromis tussen de inspecteur van de vennootschapsbelasting en accountant De Jong</para>
    <para>inzake een te compenseren verliessaldo.</para>
    <para>4.6.2. Van beide bewijsaanbiedingen heeft het hof vastgesteld dat zij niet relevant waren. Dat houdt</para>
    <para>in dat, al zou Eenkhoorn in het leveren van het aangeboden bewijs slagen, dit voor de te nemen</para>
    <para>beslissing geen verschil zou maken, hetgeen het hof (ro. 5.3.) tot uitdrukking brengt in de woorden dat</para>
    <para>de punten waarop bewijs wordt aangeboden °van beslissend belang|| [van belang voor de te nemen</para>
    <para>beslissing] zijn.</para>
    <para>Het gehanteerde criterium is op zichzelf juist. De woorden °van beslissend belang acht ik, zoals</para>
    <para>uit de hiervoor tussen vierkante haken gegeven parafrase blijkt, wel duidelijk.</para>
    <para>4.6.3. In ro. 5.3. heeft het hof ook nog overwogen dat aan een bewijsaanbod de eis kan worden</para>
    <para>gesteld dat de noodzaak tot bewijsvoering duidelijk wordt geadstrueerd. Klaarblijkelijk was het hof</para>
    <para>van mening dat dit i.c. niet het geval was. Het heeft daaraan, m.i. niet ten onrechte, de vrijheid ont-</para>
    <para>leend zijn bevinding dat het bewijsaanbod niet relevant was, betrekkelijk summier te motiveren.</para>
    <para>Overigens zie ik niet in waarom, zoals het middel wil doen geloven, het hof ter motivering van</para>
    <para>zijn beslissing het bewijsaanbod te passeren, niet naar verklaringen van de deskundige zou mogen</para>
    <para>verwijzen.</para>
    <para>4.7. Ook onderdeel 6 kan niet tot cassatie leiden</para>
    <para>5.  CONCLUSIE</para>
    <para>Ik concludeer tot verwerping van het beroep, met veroordeling</para>
    <para>van eisers in de kosten.</para>
    <para>De procureur-</para>
    <para>generaal</para>
    <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
    <para>plv.</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>