<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2000:AA5477</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T17:37:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA5477</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2000-04-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">1279</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_omgevingsrecht">Bestuursrecht; Omgevingsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2000:AA5477" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA5477</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2000, 625 met annotatie van P.C.E. van Wijmen</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2000, 102</rdf:li>
          <rdf:li>JWB 2000/18</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA5477">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA5477</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:00:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2000:AA5477 Parket bij de Hoge Raad , 12-04-2000 / 1279</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA5477:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA5477:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
  <parablock>
    <para>Nr. 1279                               mr Wattel</para>
    <para>Derde Kamer B                          Conclusie inzake:</para>
    <para>Onteigening                            Robert Bertram Alsem</para>
    <para>tegen</para>
    <para>Zitting, 26 januari 2000               Gemeente 's-Gravenhage</para>
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para>1   Feiten, procesverloop en geschil</para>
    <para>1.1 Bij Koninklijk Besluit van 3 april 1998, no. 98.001746,</para>
    <para>Stcrt 85, is goedgekeurd het raadsbesluit tot onteigening van</para>
    <para>de percelen Hoefkade 727-729-731, Hoefkade 721-723-725 en</para>
    <para>Hoefkade 717 te Den Haag, ten behoeve van de uitvoering van</para>
    <para>het stadsvernieuwingsplan "Schilderswijk-West 8e herziening".</para>
    <para>1.2 Robert Bertram Alsem (hierna: Alsem) was huurder van</para>
    <para>Hoefkade 731, alwaar hij een winkel in baby- en</para>
    <para>kinderartikelen en -kleding dreef. Als schadeloosstelling te</para>
    <para>betalen aan Alsem als derde-belanghebbende, bood de gemeente</para>
    <para>ƒ 92.500, welk bod door Alsem werd afgewezen.</para>
    <para>1.3 Bij beschikking van 14 oktober 1998, requestnummer 98/556,</para>
    <para>bepaalde de arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage (hierna: de</para>
    <para>rechtbank) dat de door de gemeente</para>
    <para>'s-Gravenhage (hierna: de gemeente) verzochte vervroegde</para>
    <para>opneming zal plaatshebben op de genoemde percelen op 12</para>
    <para>november 1998. Bij dezelfde beschikking werden drie</para>
    <para>deskundigen benoemd.</para>
    <para>1.4 Bij vonnis van 2 maart 1999 (rolnummer 98/4558),</para>
    <para>&amp;lt;</para>
    <para>?</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>ingeschreven in de openbare registers op 30 maart 1999, sprak</para>
    <para>de rechtbank de vervroegde onteigening van de genoemde</para>
    <para>percelen uit ten name en ten behoeve van de gemeente. Zij</para>
    <para>merkte het op 12 februari 1999 ingediende deskundigenoordeel</para>
    <para>aan als conceptdeskundigenrapport. De rechtbank bepaalde dat</para>
    <para>partijen hun reactie op dit conceptrapport uiterlijk 12 maart</para>
    <para>1999 aan de deskundigen en de rechter-commissaris zouden</para>
    <para>toezenden en voorts dat de nederlegging van het definitieve</para>
    <para>deskundigenrapport ter griffie van de rechtbank zou dienen</para>
    <para>plaats te vinden op 12 april 1999.</para>
    <para>1.5 Bij voormeld vonnis van 2 maart 1999 heeft de rechtbank</para>
    <para>tevens Alsem als tussenkomende partij in het</para>
    <para>onteigeningsgeding toegelaten. Zij heeft voorts het voorschot</para>
    <para>op de aan hem toekomende schadeloosstelling vastgesteld op 90%</para>
    <para>van het door hem niet aanvaarde aanbod (90% van ƒ 92.500, dus</para>
    <para>ƒ 83.250).</para>
    <para>1.6 Voor het verdere verloop van de procedure voor de rechtbank</para>
    <para>en de vaststaande feiten verwijs ik naar hetgeen de rechtbank</para>
    <para>dienaangaande heeft overwogen in haar vonnis van 14 juli 1999.</para>
    <para>Bij dat vonnis heeft zij de schadeloosstelling voor Alsem</para>
    <para>vastgesteld op ƒ 110.150,&amp;lt;(1) In ro. 26 berekent de rechtbank de inkomensschade op 100.150. In haar beslissing</para>
    <para>echter, gaat ze uit van een schadeloosstelling van 110.150. Volgens mij berust het</para>
    <para>verschil van 10.000 op een schrijffout.</para>
    <para>&amp;gt; zulks op enige punten in afwijking</para>
    <para>van de berekening door de deskundigen, die per saldo uitkwam</para>
    <para>op ƒ 110.210. De rechtbank heeft daarom de gemeente</para>
    <para>veroordeeld tot betaling aan Alsem van ƒ 26.900 (het bedrag</para>
    <para>dat de schadeloosstelling het aan hem betaalde voorschot te</para>
    <para>boven ging), vermeerderd met een rente van 4% per jaar vanaf</para>
    <para>30 maart 1999 tot 14 juli 1999, alsmede vermeerderd met de</para>
    <para>wettelijke rente over de som daarvan vanaf 14 juli 1999 tot de</para>
    <para>dag der voldoening. Tenslotte heeft de rechtbank (voorzover</para>
    <para>hier van belang) de gemeente veroordeeld in de kosten van de</para>
    <para>door de rechtbank benoemde deskundigen ten bedrage van</para>
    <para>ƒ 23.421,29, in de kosten van de partij-deskundige, Perro</para>
    <para>Trading Service (ƒ 739,13) en in de kosten van de procedure,</para>
    <para>aan de zijde van Alsem begroot op ƒ 370 terzake van vastrecht</para>
    <para>en ƒ 12.954,38 terzake van procureurssalaris.</para>
    <para>1.7 Tegen dit vonnis van 14 juli 1999 werd namens Alsem op 26</para>
    <para>juli 1999 ter griffie van de rechtbank de verklaring als</para>
    <para>bedoeld in art. 52 Onteigeningswet&amp;lt;(2) Wet van 21 augustus 1851, Stb. 125.</para>
    <para>&amp;gt; (hierna: Ow), houdende</para>
    <para>voorziening in cassatie, afgelegd. De verklaring werd op 2</para>
    <para>september 1999 met de dagvaarding tegen de eerste</para>
    <para>terechtzitting aan de wederpartij betekend. Alsem heeft</para>
    <para>zodoende tijdig en op de juiste wijze beroep in cassatie doen</para>
    <para>instellen.</para>
    <para>1.8 De partijen hebben hun standpunten op uw zitting van 24</para>
    <para>november 1999 schriftelijk doen toelichten, waarna Alsem ter</para>
    <para>zitting van 8 december 1999 heeft gerepliceerd en de gemeente</para>
    <para>op dezelfde zitting heeft gedupliceerd.</para>
    <para>1.9 Alsem voert in cassatie één middel aan, inhoudende dat de</para>
    <para>rechtbank ten onrechte het oordeel van de deskundigen heeft</para>
    <para>overgenomen waar dezen bij de berekening van de hogere</para>
    <para>bedrijfslasten (huur) voor een vervangende bedrijfsruimte</para>
    <para>uitgaan van de objectieve huurlasten voor de onteigende</para>
    <para>bedrijfsruimte in plaats van uit te gaan van de werkelijke,</para>
    <para>lagere huurlasten van de onteigende bedrijfsruimte. De</para>
    <para>gemeente heeft voor antwoord, zoals nader toegelicht bij (pro-</para>
    <para>forma) pleidooi geconcludeerd dat de door de rechtbank</para>
    <para>gebezigde vergelijking van de huurwaarde van het onteigende</para>
    <para>winkelpand en de huurprijs van het vervangende huurpand, gelet</para>
    <para>op alle omstandigheden van het geval, een juiste methode is om</para>
    <para>Alsems schadeloosstelling te berekenen.</para>
    <para>1.10 Het middel richt zich tegen r.o. 20 van het vonnis van de</para>
    <para>rechtbank van 14 juli 1999. De rechtbank overwoog:</para>
    <para>"20. Bij de berekening van de kosten van hogere</para>
    <para>bedrijfslasten, moet een vergelijking worden gemaakt met de</para>
    <para>objectieve huurlasten van de onteigende bedrijfsruimte met</para>
    <para>die van de vervangende bedrijfsruimte. Daarbij kan geen</para>
    <para>rekening gehouden worden met subjectieve, aan wisseling</para>
    <para>onderhevige, omstandigheden. Daarom moet in het algemeen</para>
    <para>worden uitgegaan van een reële huurprijs. Een irreële (in</para>
    <para>casu: veel te lage) huurprijs kan immers op ieder moment</para>
    <para>veranderd worden. Het feit dat de verschillende eigenaars</para>
    <para>er tot op heden rekening mee hielden dat Alsem zelf de</para>
    <para>winkelruimte had opgebouwd, betekent naar het oordeel van</para>
    <para>de rechtbank niet dat van het uitgangspunt van een reële</para>
    <para>huurprijs moet worden afgeweken. De door Alsem aangebrachte</para>
    <para>voorzieningen zijn immers reeds lang geleden aangebracht en</para>
    <para>inmiddels volledig uitgebaat. De door Alsem daadwerkelijk</para>
    <para>betaalde huur van fl. 330,00 is volgens de deskundigen niet</para>
    <para>reëel, temeer daar Alsem zelf aangeeft dat deze lage huur</para>
    <para>verband houdt met het feit dat Alsem de bedrijfsruimte</para>
    <para>casco heeft gehuurd en vervolgens zelf heeft ingericht en</para>
    <para>onderhouden. Voorts dient naar het oordeel van de</para>
    <para>deskundigen rekening gehouden te worden met de mogelijkheid</para>
    <para>van huuraanpassing.&amp;lt;(3) In het deskundigenrapport staat: "Deskundigen zijn van mening, dat gelet</para>
    <para>zeer lage betaalde huur en de mogelijkheid van huuraanpassing het alleszins</para>
    <para>redelijk is uit te gaan van een vergelijking met de economische huurwaarde in</para>
    <para>plaats van de betaalde huur."</para>
    <para>&amp;gt; Een vergelijking met de door de</para>
    <para>Gemeente van de heer Sheikkariem voor het perceel Hoefkade</para>
    <para>635 bedongen huur van fl. 850,00 per maand, gaat huns</para>
    <para>inziens niet op, daar dit aanbod is gedaan in verband met</para>
    <para>de onteigening. Anders dan Alsem zijn de deskundigen van</para>
    <para>oordeel dat de huurprijs, welke door De Kilo Poelier voor</para>
    <para>het belendende perceel Hoefkade 721 wordt betaald (fl.</para>
    <para>1000,00), als vergelijkingsmaatstaf voor Alsem kan gelden.</para>
    <para>De rechtbank ziet geen grond om van dit oordeel, dat de</para>
    <para>deskundigen baseren op hun kennis van de markt, af te</para>
    <para>wijken."</para>
    <para>2   De omvang van de schadeloosstelling</para>
    <para>a. De wet</para>
    <para>2.1 Art. 40 Ow luidt:&amp;lt;(4) Zoals dit artikel luidt per 1 januari 1992, na de wijziging van de Ow bij Wet van</para>
    <para>25 oktober 1989, Stb. 490 jo 1991/607.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>"De schadeloosstelling vormt een volledige vergoeding voor</para>
    <para>alle schade, die de eigenaar rechtstreeks en noodzakelijk</para>
    <para>door het verlies van zijn zaak lijdt."</para>
    <para>Art. 40b Ow luidt:</para>
    <para>"De werkelijke waarde van de onteigende zaak, niet</para>
    <para>denkbeeldige, die de zaak uitsluitend voor de persoon van</para>
    <para>de rechthebbende heeft, wordt vergoed. Bij het bepalen van</para>
    <para>de werkelijke waarde wordt uitgegaan van de prijs, tot</para>
    <para>stand gekomen bij een onderstelde koop in het vrije</para>
    <para>commerciële verkeer tussen de onteigende als redelijk</para>
    <para>handelende verkoper en de onteigenaar als redelijk</para>
    <para>handelende koper. In bijzondere gevallen wordt de</para>
    <para>werkelijke waarde naar andere maatstaf bepaald."</para>
    <para>Van belang voor de huurder is art. 41a Ow:</para>
    <para>"Voor zover de volgende artikelen niet anders meebrengen,</para>
    <para>zijn de artikelen 40-41 van overeenkomstige toepassing op</para>
    <para>rechten die door de onteigening geheel of gedeeltelijk</para>
    <para>vervallen."</para>
    <para>Art. 42 bepaalt:&amp;lt;(5) Ingevoerd bij Wet van 28 januari 1971, Stb. 44.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>[1.] "Bij de onteigening van verhuurde bedrijfsruimte, als</para>
    <para>omschreven in artikel 1636a, laatste lid, van het</para>
    <para>Burgerlijk Wetboek, wordt door de onteigenende partij aan</para>
    <para>de huurder en de onderhuurder aan wie bevoegdelijk is</para>
    <para>onderverhuurd schadeloosstelling betaald. Bij de bepaling</para>
    <para>van de schadeloosstelling wordt rekening gehouden met de</para>
    <para>kans dat de huurverhouding bij het verstrijken van de</para>
    <para>geldigheidsduur der overeenkomst zou hebben voortgeduurd.</para>
    <para>(?)"</para>
    <para>b.  De wetsgeschiedenis</para>
    <para>2.2 In de MvT bij de wettelijke bepalingen met betrekking tot</para>
    <para>huur en verhuur van bedrijfsruimte en tot onteigening van</para>
    <para>verhuurde bedrijfsruimte werd opgemerkt:&amp;lt;(6) Wet van 28 januari 1971, Stb. 44; MvT, TK 1966-67 - 8875 nr. 3 blz. 10 lk.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>"Bij zijn arrest van 23 december 1864, W 2652, overwoog</para>
    <para>Hoge Raad dat bij de Onteigeningswet is aangenomen het</para>
    <para>beginsel van een volledige vergoeding van alle schade die</para>
    <para>een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de onteigening</para>
    <para>is. Sindsdien heeft de jurisprudentie het beginsel der</para>
    <para>volledige schadeloosstelling steeds verder uitgewerkt."</para>
    <para>Tot 1961 gold voor de huurders van bedrijfsruimten en voor de</para>
    <para>huurders van woningen dezelfde regeling voor de</para>
    <para>schadevergoeding bij onteigening. In plaats van uit te gaan</para>
    <para>van de werkelijke schade werd een vaste maatstaf gegeven.&amp;lt;(7) De huurprijs van 1 of 2 jaren.</para>
    <para>&amp;gt; Bij</para>
    <para>wet van 8 december 1961, Stb. 425, kwam daar verandering in</para>
    <para>voor huurders van bedrijfsruimte. Het stelsel van gefixeerde</para>
    <para>vergoedingen werd losgelaten. Voormelde wet&amp;lt;(8) Dit was een tijdelijke wet.</para>
    <para>&amp;gt; ging in beginsel</para>
    <para>uit van de werkelijk geleden schade, doch stelde een bepaalde</para>
    <para>grens aan de schadeloosstelling die kon worden toegekend. Deze</para>
    <para>begrenzing van de schadevergoeding van de huurder van</para>
    <para>bedrijfsruimte bij onteigening wilde de minister van Justitie</para>
    <para>niet opnemen in de definitieve wet. Zijn nieuwe uitgangspunt</para>
    <para>luidt als volgt:</para>
    <para>"Zowel in het geval dat een bedrijf wordt uitgeoefend</para>
    <para>een pand dat eigendom is van degene die het bedrijf</para>
    <para>uitoefent, als in het geval dat het bedrijf in een gehuurd</para>
    <para>pand wordt uitgeoefend, wordt bij onteigening</para>
    <para>bedrijfsschade geleden. Het juridisch verschil tussen</para>
    <para>eigendom en huur betekent echter niet, dat de</para>
    <para>bedrijfsschade welke door de onteigening ontstaat, in het</para>
    <para>ene geval wezenlijk verschilt van die in het andere geval.</para>
    <para>(?)</para>
    <para>De aan de huurder van bedrijfsruimte toekomende volledige</para>
    <para>schadeloosstelling - mede omvattende vergoeding voor</para>
    <para>bedrijfsschade - zal in het algemeen moeten worden</para>
    <para>vastgesteld met toepassing van dezelfde regels die in de</para>
    <para>rechtspraak voor de berekening van de vergoeding van de</para>
    <para>eigenaar zijn ontwikkeld, zij het natuurlijk aangepast aan</para>
    <para>de tussen eigendom en huurrecht bestaande verschillen.</para>
    <para>Daartoe behoort vóór alles, dat de eigendom een naar duur</para>
    <para>onbeperkt recht is, de huur uiteraard een tijdelijk recht.</para>
    <para>Bij de berekening van de schadevergoeding zal op tal van</para>
    <para>punten - in het bijzonder met betrekking tot de</para>
    <para>bedrijfsschade - met de tijd dat de huur, indien niet</para>
    <para>onteigend ware, zou hebben voortgeduurd, worden rekening</para>
    <para>gehouden."&amp;lt;(9) MvT, TK 1966-67 - 8875 nr. 3 blz. 10 lk-rk.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>In de MvA voor de Eerste Kamer merkte de minister op:&amp;lt;(10) EK 1970-71 - 8875 nr. 14b blz. 4 rk.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>"Richtsnoer voor de hoogte van de schadevergoeding is het</para>
    <para>verlies van de kans, dat de huurverhouding zonder de</para>
    <para>eigendomsovergang [wegens onteigening, PW] zou hebben</para>
    <para>voortgeduurd."</para>
    <para>b. De jurisprudentie</para>
    <para>1.  De in het onteigeningsrecht geldende regel van volledige</para>
    <para>schadevergoeding van de onteigende houdt in</para>
    <para>"dat de toe te kennen schadeloosstelling de onteigende</para>
    <para>beginsel zal brengen in een financiële toestand</para>
    <para>gelijkwaardig aan die waarin hij zich zonder onteigening</para>
    <para>zou hebben bevonden;</para>
    <para>dat dienvolgens de schadeloosstelling in beginsel niet</para>
    <para>beneden het bedrag der als gevolg van de onteigening te</para>
    <para>lijden schade behoort te blijven, doch anderzijds ook niet</para>
    <para>boven dat bedrag behoort uit te gaan".&amp;lt;(11) HR 4 november 1964 na conclusie A-G Bakhoven, NJ 1965/30 m.nt. NJP; zie ook</para>
    <para>Onteigening, eigendomsbeperking, kostenverhaal, Kluwer - Onteigening - losbladig</para>
    <para>band II, Bijzonder deel II (door A.Ph. van Gelder), algemene beginselen en</para>
    <para>begrippen, § 2.2 volledige schadeloosstelling voor de eigenaar.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>De schadeloosstelling strekt er toe om de onteigende te</para>
    <para>brengen in een financiële toestand gelijkwaardig aan die</para>
    <para>waarin hij zich zonder onteigening bevonden zou hebben.&amp;lt;(12) HR 16 maart 1988 na conclusie A-G Moltmaker, NJ 1989/798 m.nt. MB, NJO 1989/5; zie</para>
    <para>ook C.W. Claassen, Toerekening van voordelen (bij de vaststelling van de</para>
    <para>schadeloosstelling voor onteigening), Kluwer - Deventer - 1982, § 116.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>2.4 Uit HR 2 juni 1916, NJ 1916, 658; W 9998, volgt dat bij de</para>
    <para>bepaling van de huurprijs niet slechts naar betalingen in geld</para>
    <para>gekeken wordt, maar ook naar eventuele andere verplichtingen</para>
    <para>die de huurder tegenover de verhuurder op zich neemt. Ook</para>
    <para>dienstverlening en het verrichten van arbeid kunnen als</para>
    <para>tegenprestatie gelden.&amp;lt;(13) HR 17 maart 1961, NJ 1961, 237 (dienstwoningarrest) en 16 mei 1975, NJ 1975, 437</para>
    <para>(verzorging verhuurder). Zie ook HR 10 november 1989, nr. 13651, na conclusie A-G</para>
    <para>Biegman-Hartogh, NJ 1990/273 m.nt. PAS.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>2.5 Ook eventueel door een huurder op zich genomen kosten van</para>
    <para>groot onderhoud zijn van belang. U besliste&amp;lt;(14) HR 4 juni 1997, na conclusie A-G Loeb, NJ 1998, 30, NJO 1998 nr. 2.</para>
    <para>&amp;gt; dat art. 42, lid 2</para>
    <para>Ow niet wordt miskend door de schadevergoeding voor een</para>
    <para>huurder te stellen op het bedrag van de huur plus een bedrag</para>
    <para>per maand in verband met door de huurder voor haar rekening</para>
    <para>genomen kosten van groot onderhoud.</para>
    <para>2.6 In de zaak Rotterdam/V.d. Blink&amp;lt;(15) HR 24 mei 1967, NJ 1968, 66 m.nt. N.J.P.</para>
    <para>&amp;gt; overwoog u:</para>
    <para>"dat (?) de enkele omstandigheid dat een onteigende partij,</para>
    <para>die in het te onteigenen goed woont, na de onteigening in</para>
    <para>een haar passend goedkoper huis zal gaan wonen en daardoor</para>
    <para>van het aan haar uit te keren bedrag van de werkelijke</para>
    <para>waarde een gedeelte ter vrije beschikking overhoudt, nog</para>
    <para>niet medebrengt dat, zoals deskundigen hebben gemeend, haar</para>
    <para>door de te onteigenen partij geen kosten als voormeld</para>
    <para>zouden behoren te worden vergoed, zeker niet wanneer niet</para>
    <para>gebleken is dat zij, ware haar goed niet onteigend,</para>
    <para>voornemens was te verhuizen; dat derhalve de Rb. in het</para>
    <para>onderhavige geval aan partij van den Blink terecht een</para>
    <para>vergoeding wegens verhuis- en wederinrichtingskosten heeft</para>
    <para>toegekend, wat er zij van haar daartoe gebezigde</para>
    <para>redengeving".</para>
    <para>Claassen&amp;lt;(16) C.W. Claassen, a.w. § 124.</para>
    <para>&amp;gt; merkt naar aanleiding van dit arrest op:</para>
    <para>"Als de onteigende ook zonder de onteigening verhuisd zou</para>
    <para>zijn, dan zijn de verhuiskosten e.d. geen gevolg van de</para>
    <para>onteigening; de onteigening is dan niet condicio sine qua</para>
    <para>non voor deze nadelen."</para>
    <para>2.7 In uw arrest van 17 november 1971&amp;lt;(17) Na conclusie A-G Bakhoven, NJ 1972/44.</para>
    <para>&amp;gt; merkte u als onjuist aan</para>
    <para>het uitgangspunt dat de situatie waarin de onteigende na de</para>
    <para>onteigening verkeert zoveel mogelijk gelijk moet zijn aan de</para>
    <para>situatie waarin hij verkeerde voor de onteigening. U overwoog:</para>
    <para>"dat dit uitgangspunt geen steun vindt in het</para>
    <para>onteigeningsrecht, bepaaldelijk niet in de regel dat de</para>
    <para>onteigende volledig moet worden schadeloos gesteld, welke</para>
    <para>regel enkel medebrengt, dat de toe te kennen</para>
    <para>schadeloosstelling de onteigende in beginsel zal behoren te</para>
    <para>brengen in financiële omstandigheden gelijkwaardig aan die,</para>
    <para>waarin hij zich zonder onteigening zou hebben bevonden;</para>
    <para>dat, overeenkomstig deze regel, ingeval iemand door</para>
    <para>onteigening het woongenot van een hem in eigendom</para>
    <para>toebehorende woning verliest hem te dier zake een</para>
    <para>vergoeding zal moeten worden toegekend, die hem in staat</para>
    <para>stelt zich een gelijkwaardig woongenot te verschaffen;</para>
    <para>dat die vergoeding op zakelijke basis en naar objectieve</para>
    <para>maatstaf behoort te worden vastgesteld en hiertoe zal</para>
    <para>moeten worden onderzocht of er al dan niet gegronde redenen</para>
    <para>bestaan om die vergoeding af te stemmen op het in eigendom</para>
    <para>verwerven van een vervangende woning".</para>
    <para>2.8 De schadeloosstelling dient volgens u in staat te stellen</para>
    <para>tot verwerving van een vergelijkbaar woongenot:&amp;lt;(18) HR 22 september 1993, na conclusie A-G Moltmaker, NJ 1994/702 m.nt. MB; NJO</para>
    <para>1994/10.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>"3.3. (?) ingeval iemand door onteigening het woongenot van</para>
    <para>een hem in eigendom toebehorende woning verliest, zal hem</para>
    <para>te dier zake een vergoeding moeten worden toegekend, die</para>
    <para>hem in staat stelt zich een gelijkwaardig woongenot te</para>
    <para>verschaffen. De Rechtbank had met het oog daarop, nu zij</para>
    <para>feitelijk en in cassatie onaantastbaar heeft vastgesteld</para>
    <para>dat de wintertuin voor hobbydoeleinden werd gebruikt,</para>
    <para>behoren te onderzoeken of het wegvallen daarvan de aard van</para>
    <para>het woongenot wezenlijk zou veranderen en had bij een</para>
    <para>bevestigende beantwoording van die vraag aan Steenkamer te</para>
    <para>dier zake op zakelijke basis en naar objectieve maatstaf</para>
    <para>een vergoeding moeten toekennen."</para>
    <para>De A-G Moltmaker betoogde voorafgaand aan dit arrest:</para>
    <para>"2.1.6 Naar vaste jurisprudentie heeft een onteigende die</para>
    <para>door de onteigening het woongenot van een hem in eigendom</para>
    <para>toebehorende woning verliest het recht op een</para>
    <para>schadeloosstelling die hem in staat stelt een gelijkwaardig</para>
    <para>woongenot te verschaffen. Zie bijv. HR 27 november 1968, NJ</para>
    <para>1971, 1 m.nt. W. Bl. (Kluytmans/Tilburg), HR 8 juli 1974,</para>
    <para>NJ 1975, 27 m.nt. MB (Wijchen/Geurts), HR 29 oktober 1975,</para>
    <para>NJO 1976, 15 (Assen/Stobbe), HR 12 november 1975, NJO 1976,</para>
    <para>11 m.nt. MB (ook betreffende NJO 1976, 15)</para>
    <para>(Assen/Seubring), HR 14 januari 1976, NJO 1976, 8 m.nt. MB</para>
    <para>(Eindhoven/Van Dooren), HR 29 juni 1977, NJO 1977, 13 m.nt.</para>
    <para>MB (Van Iersel/Goirle) en HR 10 april 1991, NJ 1991, 832</para>
    <para>m.nt. MB (Van Haaren/Heumen).</para>
    <para>2.1.7 Uit deze jurisprudentie blijkt voorts, dat onder een</para>
    <para>gelijkwaardig woongenot in beginsel ook begrepen is hetgeen</para>
    <para>voor liefhebberij is ingericht en in gebruik is, zie bijv.</para>
    <para>NJO 1977, 13 (tweede woning) en NJ 1991, 832</para>
    <para>(ponyhouderij). Wel zal een vergoeding op zakelijke basis</para>
    <para>en naar objectieve maatstaf moeten worden vastgesteld, zie</para>
    <para>NJ 1971, 1, NJ 1975, 27 en NJ 1977, 13. Ik verwijs nog naar</para>
    <para>de conclusie van mijn ambtgenoot Van Soest voor het arrest</para>
    <para>NJ 1975, 27, waar hij betoogt: "Op zakelijke basis en naar</para>
    <para>objectieve maatstaf dient derhalve uitgemaakt te worden,</para>
    <para>wat een gelijkwaardig woongenot is. Daarbij moeten</para>
    <para>affectieve factoren worden uitgeschakeld op grond van het</para>
    <para>in art. 40 Ow. tot uitdrukking gebrachte beginsel dat de</para>
    <para>vergoeding dient te worden vastgesteld op zakelijke basis</para>
    <para>... Het is dan ook uitgesloten de onteigende een nauwkeurig</para>
    <para>gelijk woongenot te bezorgen; precies hetzelfde bestaat</para>
    <para>niet. Van de onteigende wordt m.a.w. een zekere aanpassing</para>
    <para>gevergd, een aanpassing nodig om de sprong van het gelijke</para>
    <para>naar het gelijkwaardige te overbruggen. De aanpassing die</para>
    <para>gevergd wordt, gaat echter niet verder: de onteigende komt</para>
    <para>volledige schadeloosstelling toe (C.H. Telders,</para>
    <para>Schadeloosstelling voor onteigening, 1968, nr. 501) en hij</para>
    <para>behoeft zich geen aanpassing te getroosten naar een lager</para>
    <para>niveau. Het gaat hierbij intussen om niet meer, maar ook</para>
    <para>niet minder dan financiële gelijkwaardigheid: door de</para>
    <para>schadeloosstelling wordt de onteigende in financiële</para>
    <para>omstandigheden gebracht, gelijkwaardig aan die waarin hij</para>
    <para>zich zonder onteigening zou hebben bevonden."</para>
    <para>2.1.8 Vaststelling op zakelijke basis en naar een</para>
    <para>objectieve maatstaf betekent ook, dat met de belangen van</para>
    <para>de onteigenende overheid rekening wordt gehouden in dier</para>
    <para>voege, dat in een geval als het onderhavige de</para>
    <para>schadeloosstelling niet hoger mag zijn dan het bedrag dat</para>
    <para>iemand die in gelijke financiële en andere omstandigheden</para>
    <para>verkeert als de onteigende zich redelijkerwijs nog als</para>
    <para>offer voor het verwerven van het genot van een</para>
    <para>gelijkwaardige wintertuin zou getroosten. Zie het arrest</para>
    <para>NJO 1977, 13, waar de HR overwoog: "Die vraag behoort ...</para>
    <para>beantwoord te worden door zich af te vragen of van een</para>
    <para>eigenaar van een tweede woning, die als rechtstreeks en</para>
    <para>noodzakelijk gevolg van de onteigening het door hem aan</para>
    <para>zijn eigendom van die woning ontleende genot zal moeten</para>
    <para>derven, in redelijkheid kan worden gevergd dat hij, met het</para>
    <para>oog op de geldelijke belangen van de onteigenende overheid,</para>
    <para>van het verwerven van soortgelijk en gelijkwaardig genot</para>
    <para>afziet, en deze laatste vraag moet, nu het bezit van een</para>
    <para>tweede woning geenszins uitzonderlijk meer is, naar huidige</para>
    <para>rechtsopvattingen in beginsel ontkennend worden beantwoord;</para>
    <para>Echter zullen, nu vorenbedoeld genot veelal mede wordt</para>
    <para>bepaald door de persoonlijke voorkeur van de onteigende,</para>
    <para>bij het uitwerken van dit beginsel steeds mede de belangen</para>
    <para>van de onteigenende overheid in het oog gehouden moeten</para>
    <para>worden; Daarvoor zal met name aanleiding zijn in die</para>
    <para>gevallen, waarin - beoordeeld naar objectieve maatstaven,</para>
    <para>doch rekening houdende met de persoonlijke omstandigheden</para>
    <para>van de betrokken eigenaar van een tweede woning en de wijze</para>
    <para>waarop, alsmede de mate waarin hij daarvan gebruik maakt -</para>
    <para>gegronde redenen ertoe nopen om te aanvaarden dat die</para>
    <para>eigenaar zich slechts een genot, soortgelijk als en</para>
    <para>gelijkwaardig aan het genot, dat hij aan die woning</para>
    <para>ontleende, kan verschaffen door het in eigendom verwerven</para>
    <para>en tot tweede woning inrichten van een vervangend onroerend</para>
    <para>goed; Die belangen van de onteigenende overheid brengen</para>
    <para>mede om in zulk een geval de schadeloosstelling niettemin</para>
    <para>niet op een hoger bedrag te stellen dan waarvan</para>
    <para>redelijkerwijs nog aannemelijk is dat iemand, die wat</para>
    <para>financiële en andere omstandigheden betreft in een gelijke</para>
    <para>positie verkeert als de onteigende - gesteld hij zou de</para>
    <para>beschikking hebben over middelen die aankoop van een</para>
    <para>onroerend goed en inrichting daarvan tot tweede woning</para>
    <para>mogelijk zouden maken - zich voor het verwerven van het aan</para>
    <para>zulk een woning verbonden genot nog het offer zou</para>
    <para>getroosten;".</para>
    <para>In zijn aantekening in de NJ onder dit arrest merkte MB op:</para>
    <para>"De onteigende heeft wel recht op een zoveel mogelijk</para>
    <para>gelijkwaardig woongenot, maar niet op een woning die zoveel</para>
    <para>mogelijk gelijk is aan de onteigende woning. Een redelijke</para>
    <para>mate van aanpassing kan van de onteigende gevergd worden."</para>
    <para>2.9 Advocaat-Generaal Berger merkte in zijn conclusie voor uw</para>
    <para>arrest van 27 juni 1974&amp;lt;(19) HR 27 juni 1974 na conclusie A-G Berger, NJ 1974, 513 m.nt. G.J.S.</para>
    <para>&amp;gt; op:</para>
    <para>"Bij kosten van verbetering door de huurder gemaakt,</para>
    <para>waardoor de huurwaarde van het betreffende pand is</para>
    <para>gestegen, komt het in het algemeen onbillijk voor, de</para>
    <para>vruchten van het door de huurder geïnvesteerde bedrag aan</para>
    <para>de verhuurder ten goede te doen komen."</para>
    <para>2.10 Schade wordt in ieder geval vergoed als deze het</para>
    <para>rechtstreekse gevolg van de onteigening is. De in vroege</para>
    <para>jurisprudentie&amp;lt;(20) HR 3 maart 1930, NJ p. 1065 (boeterente, te betalen wegens het vervroegd aflossen</para>
    <para>van een hypotheek).</para>
    <para>&amp;gt; gehanteerde clausule dat de nadelen, opkomende</para>
    <para>uit de bepalingen van een overeenkomst, niet tot</para>
    <para>schadevergoeding kunnen leiden omdat deze niet een</para>
    <para>rechtstreeks gevolg van de onteigening zijn, komt in latere</para>
    <para>jurisprudentie&amp;lt;(21) Zie HR 12 december 1973 (cassatie in het belang der wet) na conclusie A-G Ten</para>
    <para>Kate, NJ 1974/159 m.nt. MB; HR 30 mei 1973 na conclusie A-G Ten Kate, NJ 1973, 492</para>
    <para>m.nt. WPB.</para>
    <para>&amp;gt; niet meer met zoveel nadruk terug. In zijn</para>
    <para>conclusie voor HR 24 april 1996&amp;lt;(22) HR 24 april 1996 na conclusie A-G Loeb, NJ 1996, 641 m.nt. MB, NJO 1996/22.</para>
    <para>&amp;gt; schrijft de A-G Loeb:</para>
    <para>"Bovendien komt ook de schade als gevolg van verlies van</para>
    <para>aanspraken uit contract, indien dat verlies althans het</para>
    <para>rechtsreeks en noodzakelijk geval van het verlies van de</para>
    <para>onteigende zaak is, volgens de jurisprudentie van Uw Raad</para>
    <para>(zie C.H. Telders, Schadeloosstelling voor onteigening,</para>
    <para>1968 + supplement 1975, nrs. 214a en 517 en HR 1 juni 1977,</para>
    <para>NJO 1977, 11 (Van de Werken/Klundert) in aanmerking voor</para>
    <para>vergoeding door de onteigenende partij."</para>
    <para>2.11 Bij het ontbreken van gegevens kan de schadeloosstelling</para>
    <para>niet op nihil worden gesteld, ook niet indien het ontbreken</para>
    <para>voor rekening van de huurder van de onteigende bedrijfsruimte</para>
    <para>moet komen, daar dit de mogelijkheid openlaat dat de huurder</para>
    <para>schade heeft geleden. De rechter moet bij onvolledigheid van</para>
    <para>de beschikbare gegevens de schade zo goed mogelijk schatten.&amp;lt;(23) HR 9 november 1994 na conclusie A-G Loeb, NJ 1996/175 m.nt. MB onder HR 9 nov.</para>
    <para>1994, NJ 1996, 176; NJO 1996/9; RvdW 1994, 234.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>2.12 De gemeente haalt in haar schriftelijke toelichting uw</para>
    <para>arrest van 1 juli 1994&amp;lt;(24) HR 1 juli 1994, na conclusie A-G Moltmaker, NJ 1996, 50 m.nt. MB.</para>
    <para>&amp;gt; aan waarin u overwoog:</para>
    <para>"3.3. Ingeval iemand door onteigening het woongenot van een</para>
    <para>hem in eigendom toebehorende woning verliest zal hem te</para>
    <para>dier zake een vergoeding moeten worden toegekend, die hem</para>
    <para>in staat stelt zich een gelijkwaardig woongenot te</para>
    <para>verschaffen. Die vergoeding behoort op zakelijke basis en</para>
    <para>naar objectieve maatstaf te worden vastgesteld (HR 17</para>
    <para>november 1971, NJ 1972, 44). Derhalve zal ter beantwoording</para>
    <para>van de vraag of in een geval als het onderhavige - verlies</para>
    <para>van het woongenot van een in eigendom toebehorende woning</para>
    <para>en verkrijging van het woongenot van een huurwoning - grond</para>
    <para>bestaat voor vergoeding ter zake van zwaardere woonlasten</para>
    <para>een vergelijking moeten worden gemaakt van de objectieve</para>
    <para>woonlasten van de onteigende woning als omschreven in punt</para>
    <para>2.2.3 van de Conclusie van de Advocaat-Generaal met de</para>
    <para>objectieve woonlasten verbonden aan de vervangende</para>
    <para>huurwoning, zijnde de huurprijs, vermeerderd met de</para>
    <para>gemiddelde kosten van reparaties voor zover deze niet ten</para>
    <para>laste van de verhuurder komen en de huurderslasten, zoals</para>
    <para>de onroerende-zaakbelasting voor de feitelijke gebruiker</para>
    <para>enz.</para>
    <para>3.4. Anders dan in het middel wordt betoogd, strookt het</para>
    <para>niet met het op zakelijke basis en naar objectieve maatstaf</para>
    <para>vaststellen van voormelde vergoeding om bij die</para>
    <para>vergelijking rekening te houden met subjectieve - aan</para>
    <para>wisseling onderhevige - omstandigheden, zoals bij voorbeeld</para>
    <para>het feit dat de onteigende woning was gefinancierd met een</para>
    <para>(hypothecaire) geldlening of de mogelijkheid om ter zake</para>
    <para>van de huur van de nieuwe woning huursubsidie te ontvangen.</para>
    <para>(?).</para>
    <para>3.5. (?) vergelijking van de huurwaarde - dat is de</para>
    <para>geschatte huurprijs van het onteigende - met de huurprijs</para>
    <para>van de aangeboden huurwoning (is) in het algemeen en ook in</para>
    <para>het onderhavige geval een eenvoudige en aanvaardbare</para>
    <para>methode (?) om na te gaan of sprake is van schade ter zake</para>
    <para>van zwaardere woonlasten.</para>
    <para>3.6. Immers, behoudens bijzondere omstandigheden van welke</para>
    <para>in het onderhavige geval niet is gebleken, zal de voor een</para>
    <para>onteigende woning te bedingen huurprijs een redelijke</para>
    <para>benadering geven van en - in verband met de huurwetgeving -</para>
    <para>zelfs veelal lager uitkomen dan de objectieve woonlasten</para>
    <para>van die woning nadat deze zijn verminderd met de daarin</para>
    <para>begrepen woonlasten die bij verhuur naast de huurprijs voor</para>
    <para>rekening van de huurder komen, terwijl in het onderhavige</para>
    <para>geval ook niet is gebleken dat laatstvermelde woonlasten</para>
    <para>van de aangeboden huurwoning hoger zijn dan die van de</para>
    <para>onteigende woning."</para>
    <para>Punt 2.2.3 van de conclusie van A-G Moltmaker luidt:</para>
    <para>"2.2.3. De objectieve woonlasten voor degene die een eigen</para>
    <para>woning bewoont zijn:</para>
    <para>a. de rente van het geïnvesteerde eigen vermogen, waarbij</para>
    <para>dus (zie punt 2.2.1) onder eigen vermogen wordt verstaan de</para>
    <para>waarde van de woning als vrij opleverbaar object (d.w.z. in</para>
    <para>het onderhavige geval f 72 000).</para>
    <para>b. de afschrijving;</para>
    <para>c. de gemiddelde uitgaven aan onderhoud;</para>
    <para>d. de eigenaarslasten, zoals verzekering, de onroerende-</para>
    <para>zaakbelastingen, waterschapslasten enz."</para>
    <para>MB annoteerde onder dit arrest in de NJ:</para>
    <para>"Hoe begroot men nu de huurwaarde van een [krakkemikkig,</para>
    <para>PJW] pand? De staat waarin het pand verkeert beïnvloedt de</para>
    <para>prijs waarvoor het kan worden verhuurd negatief. Het is</para>
    <para>wellicht niet verhuurbaar voordat eerst het achterstallig</para>
    <para>onderhoud is verricht.</para>
    <para>De huurwaarde, d.w.z. de prijs waarvoor het zou kunnen</para>
    <para>worden verhuurd, geeft in zo'n situatie geen reëel beeld</para>
    <para>van de woonlasten van de eigenaar bewoner.</para>
    <para>Beter bruikbaar is de methode bij "normale", in goede staat</para>
    <para>van onderhoud verkerende woningen, die ook voor de verhuur</para>
    <para>een courant object vormen. Een verhuurder wenst een huur te</para>
    <para>ontvangen, waardoor al zijn lasten worden gedekt en hij een</para>
    <para>redelijke rente maakt op het geïnvesteerde kapitaal. Aldus</para>
    <para>kan men zeggen dat de huurwaarde ook een goed beeld geeft</para>
    <para>van de eigenaarslasten. (?)</para>
    <para>Men kan zich nog afvragen of er na de vaststelling van het</para>
    <para>woonlasten-verschil op basis van objectieve gegevens, er</para>
    <para>nog plaats is voor een beoordeling van eventuele</para>
    <para>subjectieve inkomens- c.q. belastingschade. Als voordeel</para>
    <para>van de eigen woning wordt immers dikwijls aangevoerd dat</para>
    <para>men de hypotheekrente fiscaal mag aftrekken en de huur</para>
    <para>niet. De formulering van de HR wekt niet de indruk dat</para>
    <para>daarvoor ruimte is. Bovendien is dit voordeel slechts</para>
    <para>betrekkelijk. Zo zou men de fiscale bijtelling van het</para>
    <para>huurwaarde-forfait en de mogelijkheden om met het</para>
    <para>vrijkomend kapitaal een fiscaal aantrekkelijke belegging te</para>
    <para>kiezen in de beoordeling moeten betrekken. Men komt aldus</para>
    <para>terecht in speculatieve berekeningen die zozeer samenhangen</para>
    <para>met persoonlijke keuzen, dat eventuele schade niet meer als</para>
    <para>een onteigeningsgevolg kan worden gezien."</para>
    <para>Terecht betoogt Alsem dat dit arrest geen licht werpt op de</para>
    <para>thans te beslissen zaak omdat in casu oude huur moet worden</para>
    <para>vergeleken met nieuwe huur. Er hoeft geen huurwaarde bepaald</para>
    <para>te worden van een in eigendom toebehorend niet-verhuurd pand.</para>
    <para>De huurwaarde van een niet-verhuurd pand in eigendom kan, bij</para>
    <para>gebreke van een bestaande huurovereenkomst met een</para>
    <para>onafhankelijke derde, niet anders dan objectief worden bepaald</para>
    <para>om te kunnen worden vergeleken met de (werkelijke) huur van</para>
    <para>een vervangend huurpand. In casu is echter al sprake van een</para>
    <para>bestaande huurovereenkomst op een kennelijk zakelijke basis</para>
    <para>met een onafhankelijke derde.</para>
    <para>d. De literatuur</para>
    <para>2.13 Den Drijver-van Rijckevorsel schrijft in het "praktijkboek</para>
    <para>onroerend goed"&amp;lt;(25) Losbladig Deel 4, Onteigening, schadeloosstelling Hfdst VC.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>"(121) De mogelijkheid kan zich voordoen dat een bedrijf</para>
    <para>de verplaatsing ervan minder winst zal behalen dan zonder</para>
    <para>onteigening het geval zou zijn geweest. Behalve de</para>
    <para>omstandigheid dat wellicht extra rente moet worden betaald,</para>
    <para>de exploitatiekosten zullen verschillen en in de beginfase</para>
    <para>aanpassingsproblemen zullen optreden (?), kan de oorzaak</para>
    <para>van de inkomensdaling bij voorbeeld hierin zijn gelegen,</para>
    <para>dat het vervangende object kleiner is of minder gunstig</para>
    <para>gelegen dan het onteigende. Het verschil in het jaarlijkse</para>
    <para>inkomen dient te worden berekend, waarbij ook gelet dient</para>
    <para>te worden op de investeringsschade en de exploitatiekosten</para>
    <para>(?). Ter bepaling van het inkomen dat zonder onteigening</para>
    <para>zou zijn verworven, wordt aan de hand van de winstgegevens</para>
    <para>over de laatste jaren een gemiddeld inkomen voor de</para>
    <para>schadeloosstellingsperiode geschat. Voor zover nodig worden</para>
    <para>evenwel correcties toegepast. De mogelijkheid kan zich bij</para>
    <para>voorbeeld voordoen, dat indien van de onteigening geen</para>
    <para>sprake zou zijn geweest, de onteigende bepaalde</para>
    <para>investeringen zou hebben moeten verrichten hetzij om bij de</para>
    <para>tijd te blijven, hetzij om te voldoen aan van overheidswege</para>
    <para>aan het bedrijf te stellen voorschriften. (?) Het jaarlijks</para>
    <para>te derven bedrag dient in de regel te worden</para>
    <para>gekapitaliseerd met (?) de factor 7 danwel een lagere</para>
    <para>factor, indien de onteigende huurder was van een</para>
    <para>bedrijfsruimte (?). (?)</para>
    <para>(147) De onteigende heeft recht op vergoeding van de schade</para>
    <para>die hij lijdt omdat hij na de onteigening duurder zal wonen</para>
    <para>dan zonder onteigening het geval zou zijn geweest. (?)</para>
    <para>(207) Aan de bedrijfshuurder komt volledige vergoeding toe</para>
    <para>van persoonlijke schade die hij lijdt als gebruiker van het</para>
    <para>onteigende. (?)</para>
    <para>(208) De huurders die niet een bedrijfsruimte huren (?),</para>
    <para>hebben recht op een gefixeerde schadeloosstelling. Voor hen</para>
    <para>geldt dus niet het beginsel dat de schade door de</para>
    <para>onteigening geleden volledig moet worden vergoed. (?) Bij</para>
    <para>de hoogte van de huurprijs is maatgevend de werkelijk</para>
    <para>overeengekomen huurprijs. Hierbij worden ook in aanmerking</para>
    <para>genomen de lasten die gewoonlijk voor rekening van de</para>
    <para>verhuurder plegen te komen, maar in het concrete geval door</para>
    <para>de huurder worden betaald, alsmede betaling in andere vorm</para>
    <para>dan geld." (cursiveringen van Den Drijver-van Rijckevorsel)</para>
    <para>2.14 Over duurdere bedrijfshuisvesting merkt Van Gelder op:&amp;lt;(26) Onteigening, eigendomsbeperking, kostenverhaal a.w. hfdst V § 22.4 blz. 141.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>"Zodra het bedrag (van de exploitatiekosten) is vastgesteld</para>
    <para>en tevens, welke lasten en kosten waren verbonden aan het</para>
    <para>gebruik van het onteigende perceel, zal kunnen worden</para>
    <para>bepaald, of het gebruik van het nieuwe perceel terzake van</para>
    <para>diezelfde kosten en lasten, eventueel ook nieuwe, een</para>
    <para>nadelig of voordelig saldo oplevert. Is het eerste het</para>
    <para>geval, zo komt het bedrag daarvan als schade voor</para>
    <para>vergoeding in aanmerking."</para>
    <para>2.15 De vergoeding voor huurders van woningen wordt volgens Van</para>
    <para>Gelder&amp;lt;(27) Onteigening, eigendomsbeperking, kostenverhaal a.w. hfdst VI §2.5 blz. 31.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>"bepaald naar de tussen huurder en verhuurder</para>
    <para>overeengekomen, c.q. werkelijk betaalde huurprijs, en niet</para>
    <para>naar de huurwaarde van hetgeen onteigend wordt, zoals die</para>
    <para>huurwaarde - bijvoorbeeld - op grond van de Huurprijzenwet</para>
    <para>woonruimte met het puntenstelsel zou kunnen worden bepaald</para>
    <para>en dan tevens de hoogst toelaatbare huurprijs zou</para>
    <para>opleveren." (cursiveringen van Van Gelder)</para>
    <para>2.16 Onder verwijzing naar jurisprudentie schrijft Telders over</para>
    <para>duurder wonen:&amp;lt;(28) C.H. Telders, schadeloosstelling voor onteigening, 1968, nr. 535.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>"Tenslotte zal de rechter hebben na te gaan,</para>
    <para>vervangende woning, hetzij in huurprijs, hetzij in</para>
    <para>huurwaarde, groter offer van de onteigende betekent dan de</para>
    <para>onteigende woning. Indien moet worden aangenomen, dat dit</para>
    <para>zich zal voordoen, is dit duurdere wonen te vergoeden."</para>
    <para>2.17 P.C.E. van Wijmen&amp;lt;(29) P.C.E. van Wijmen, Het administratief schadevergoedingsrecht: onteigeningsrecht,</para>
    <para>BouwRecht 1987 blz. 505 ev.</para>
    <para>&amp;gt; gaat in op de vraag of in het</para>
    <para>onteigeningsrecht een abstract of concreet schadebegrip wordt</para>
    <para>gehanteerd. Over die vraag is naar zijn weten nauwelijks</para>
    <para>discussie gevoerd:</para>
    <para>"zo vanzelfsprekend was en is het, dat wordt uitgegaan van</para>
    <para>een concreet schadebegrip: het gaat om een algeheel</para>
    <para>(doorgaans financieel) herstel van al de nadelige gevolgen</para>
    <para>die dèze onteigende zal ondergaan van de ontneming van zijn</para>
    <para>onroerend goed door de overheid."</para>
    <para>3 De invloed van verwachtingen</para>
    <para>1.  De rechtbank baseert zich (zie 1.10 hierboven) op het</para>
    <para>oordeel van de deskundigen waar het gaat om de bepaling van</para>
    <para>het nulpunt van de berekening van de huurkostenschade, dat</para>
    <para>is het bedrag van de huurlasten van het oude pand. De</para>
    <para>rechtbank gaat, met de deskundigen, niet uit van de</para>
    <para>feitelijk door Alsem betaalde (zeer lage) huur, maar van</para>
    <para>een normale huur, een en ander op grond van de mogelijkheid</para>
    <para>van toekomstige (opwaartse) huuraanpassing. Ik schenk</para>
    <para>daarom enige aandacht aan de invloed van het verschiet op</para>
    <para>de bepaling van de werkelijke waarde van het onteigende.</para>
    <para>3.2 In de zaak Verwaaijen/Staat&amp;lt;(30) HR 5 maart 1877, W. 4087, Onteigeningsrechtspraak, extracten van arresten van de</para>
    <para>Hoge Raad van 1864 tot en met 1980 inzake onteigening, Staatsuitgeverij 's-</para>
    <para>Gravenhage - 1983, blz. 78.</para>
    <para>&amp;gt; oordeelde u dat voor de</para>
    <para>bepaling van de schadeloosstelling geen rekening gehouden kan</para>
    <para>worden met loutere eventualiteit, dus met een onzekere</para>
    <para>toekomstige gebeurtenis.</para>
    <para>3.3 In de zaak Wintgens/Staat&amp;lt;(31) HR 19 maart 1909, W. 8843, Onteigeningsrechtspraak a.w., blz. 201.</para>
    <para>&amp;gt; overwoog u dat de mogelijkerwijs</para>
    <para>in de toekomst te verwachten prijsverhoging niet kan behoren</para>
    <para>tot de werkelijke waarde in de zin van art. 40 Ow op het</para>
    <para>beslissende ogenblik van onteigening.</para>
    <para>3.4 Niettemin oordeelde u in de zaak Staat/Ned. Herv. Gem.</para>
    <para>Beverwijk&amp;lt;(32) HR 26 juni 1957, NJ 1957, 530, C.H. Telders, Schadeloosstelling voor Onteigening,</para>
    <para>nr. 506.</para>
    <para>&amp;gt; dat ter bepaling van de "werkelijke waarde" van</para>
    <para>landbouwgronden rekening is te houden met de verwachting dat</para>
    <para>zij een niet-agrarische bestemming zullen krijgen. De</para>
    <para>werkelijke waarde ligt dan op grond van die verwachtingen</para>
    <para>boven de agrarische waarde.</para>
    <para>3.5 In zijn noot onder HR 27 november 1974&amp;lt;(33) NJO 1976, 1 m.nt. MB.</para>
    <para>&amp;gt; schrijft MB:</para>
    <para>"Bij onteigening moet men rekening houden met</para>
    <para>redelijkerwijze te verwachten toekomstige gebeurtenissen</para>
    <para>(bijv. een te verwachten wijziging van een bestemmingsplan,</para>
    <para>o.m. H.R. 5-6-1968, N.J. 288), maar niet met vage</para>
    <para>mogelijkheden of blote eventualiteiten. Uiteraard geldt dit</para>
    <para>zowel voor nadelen als voor voordelen." (cursiveringen van</para>
    <para>MB)</para>
    <para>3.6 In zijn conclusie voor de zaak HR 21 april 1993, nr. 1149,&amp;lt;(34) NJ 1994/104 m.nt. MB, NJO 1994/5.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>schrijft Moltmaker:</para>
    <para>"2.1.6. Dat de vraag of er een te honoreren</para>
    <para>verwachtingswaarde is, sterk afhangt van de omstandigheden</para>
    <para>van het geval en dus van feitelijke aard is, blijkt o.m.</para>
    <para>uit HR 28 juni 1967, NJ 1968, 65, m.nt. NJP, HR 5 juni</para>
    <para>1968, NJ 1968, 288, m.nt. NJP, HR 27 mei 1970, NJ 1972,</para>
    <para>302, HR 28 juni 1972, NJ 1972, 501, m.nt. WPB, HR 29 nov.</para>
    <para>1972, NJ 1973, 185 en HR 10 juni 1981, NJO 1981, 4, m.nt.</para>
    <para>MB."</para>
    <para>In zijn noot onder dit arrest schrijft MB:</para>
    <para>"Zoals steeds in onteigeningen moet de te verwachten</para>
    <para>situatie zonder onteigening worden beoordeeld; enkele</para>
    <para>voorbeelden:</para>
    <para>- ligt een wijziging van het bestemmingsplan in de lijn der</para>
    <para>verwachtingen dan mag daarmee rekening worden gehouden; (?)&amp;lt;(35) HR 28 juni 1967, NJ 1968, 65 (m.nt. NJP); HR 5 juni 1968, NJ 1968, 288 (m.nt.</para>
    <para>NJP); HR 29 nov. 1972, NJ 1973, 185.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>- behoort een dergelijke wijziging niet tot de redelijke</para>
    <para>verwachtingen dan wordt daarmede geen rekening gehouden;</para>
    <para>(?)&amp;lt;(36) HR 10 juni 1981, NJO 1981, 4 (m.nt. MB).</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>- is een opstal zonder vergunning gebouwd, dan moet men</para>
    <para>beoordelen wat de te verwachten handelwijze van de gemeente</para>
    <para>zonder onteigening zou zijn geweest, waarbij men er van uit</para>
    <para>moet gaan, dat de gemeente zich gedraagt overeenkomstig de</para>
    <para>algemene beginselen van behoorlijk bestuur;(?)&amp;lt;(37) HR 1 dec. 1976, NJO 1977, 1 (m.nt. MB); HR 27 april 1977, NJO 1977, 8 (m.nt. MB).</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>- als aannemelijk is dat een bedrijf bij gebreke van een</para>
    <para>geldige vergunning onafhankelijk van de onteigening zou</para>
    <para>zijn beëindigd, komt inkomensschade slechts over de periode</para>
    <para>tot de te verwachten beëindiging in aanmerking; (?)&amp;lt;(38) HR 11 april 1984, NJ 1984, 728 (m.nt. MB).</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>- met een onzekere toekomstige gebeurtenis wordt geen</para>
    <para>rekening gehouden; (?)&amp;lt;(39) HR 13 mei 1970, NJ 1972, 279; HR 27 nov. 1974, NJO 1976, 1 (m.nt. MB).</para>
    <para>&amp;gt;"</para>
    <para>4   Beoordeling van het cassatiemiddel</para>
    <para>4.1 Alsem huurde winkelruimte (Hoefkade 731) met een totale</para>
    <para>bruto vloeroppervlakte van circa 120 m2, omvattende een</para>
    <para>verkoopruimte annex overdekte plaats, toilet, en kantoor met</para>
    <para>achterliggende magazijnruimte. De bedrijfsruimte is voorzien</para>
    <para>van centrale verwarming en een inbraak/alarminstallatie. De</para>
    <para>bouwkundige staat is redelijk, de onderhoudstoestand inwendig</para>
    <para>redelijk en uitwendig matig. Alsem huurde de bedrijfsruimte</para>
    <para>voor ƒ 330 per maand.</para>
    <para>4.2 Het uitgangspunt bij onteigening is vergoeding van de</para>
    <para>volledige door de onteigening geleden schade, te bepalen op</para>
    <para>zakelijke, objectieve wijze. In dit stelsel past het niet om</para>
    <para>uit te gaan van genormaliseerde huurlasten die niet</para>
    <para>overeenkomen met de werkelijk betaalde huur indien die</para>
    <para>werkelijk betaalde huur bepaald is tussen van elkaar</para>
    <para>onafhankelijke marktpartijen en er geen reden is om te</para>
    <para>twijfelen aan de zakelijkheid van de hoogte van de huur.</para>
    <para>4.3 De rechtbank overweegt (r.o. 20; zie 1.10) dat de lage</para>
    <para>huurprijs in casu beïnvloed is door "subjectieve, aan</para>
    <para>wisseling onderhevige, omstandigheden". Er zijn in casu echter</para>
    <para>geen aanwijzingen dat de verhuurder een speciaal zwak voor</para>
    <para>Alsem had of anderszins onzakelijk handelde. Evenmin zijn er</para>
    <para>aanwijzingen voor de genoemde wisselende omstandigheden. In</para>
    <para>r.o. 13 overweegt de rechtbank juist dat Alsem "het onteigende</para>
    <para>reeds zo'n 18 jaar voor een relatief zeer lage huurprijs in</para>
    <para>gebruik heeft". Dat lijkt niet erg "wisselend".</para>
    <para>4.4 De rechtbank overweegt voorts (r.o. 20; zie 1.10) dat bij</para>
    <para>de berekening van de kosten van de hogere bedrijfslasten op de</para>
    <para>nieuwe lokatie rekening moet worden gehouden met de</para>
    <para>mogelijkheid dat de huurprijs van de onteigende</para>
    <para>bedrijfsruimte, ware deze niet onteigend, in de toekomst</para>
    <para>verhoogd zou worden. De rechtbank gaat uit van een "reële"</para>
    <para>huurprijs (ƒ 1.000), ook omdat de door Alsem aangebrachte</para>
    <para>omvangrijke voorzieningen lang geleden zijn aangebracht en</para>
    <para>inmiddels volledig "uitgebaat" zijn (bedoeld zal wellicht</para>
    <para>zijn: afgeschreven). Mijns inziens miskent de rechtbank dat</para>
    <para>met de mogelijkheid van huuraanpassing slechts rekening mag</para>
    <para>worden gehouden indien een dergelijke huuraanpassing</para>
    <para>redelijkerwijze te verwachten is. Zolang zodanige aanpassing</para>
    <para>slechts een vage mogelijkheid (blote eventualiteit) is, kan</para>
    <para>daarmee bij het bepalen van de schadevergoeding geen rekening</para>
    <para>worden gehouden. Zoals gezegd: uit niets blijkt dat de</para>
    <para>verhuurder onzakelijk handelde. Gegeven is dat Alsem in zijn</para>
    <para>huurrecht heeft geinvesteerd en daardoor een in beginsel op</para>
    <para>zijn balans activeerbaar immaterieel activum heeft verworven.</para>
    <para>Dat dit aktivum, ware het geactiveerd, inmiddels mogelijk</para>
    <para>geheel afgeschreven zou zijn, neemt niet weg dat het huurrecht</para>
    <para>voor de bedrijfsvoering feitelijk nog steeds meer waard is dan</para>
    <para>het kost: de winkel is nog steeds als winkel bruikbaar,</para>
    <para>terwijl de bedrijfsruimte voorafgaand aan Alsems investeringen</para>
    <para>slechts een pakhuis zonder voorzieningen was dat niet als</para>
    <para>winkel bruikbaar was. Die gebruiksmogelijkheid (winkel) voor</para>
    <para>die (lage) prijs raakt Alsem door de onteigening kwijt. De</para>
    <para>boekwaarde van een immaterieel activum (in casu wellicht</para>
    <para>inderdaad nihil na afschrijvingen) hoeft niets te maken te</para>
    <para>hebben met de bedrijfswaarde (gebruikswaarde) ervan.</para>
    <para>4.5 De vraag of een huurverhoging te verwachten was, is van</para>
    <para>feitelijke aard. De rechtbank heeft zich niet uitgesproken</para>
    <para>over de mate van (on)concreetheid van die verwachting. Uit de</para>
    <para>stukken van het geding kan geen concrete aanwijzing worden</para>
    <para>geput dat de huurprijs ver-hoogd zou worden. De deskundigen</para>
    <para>gewagen slechts van de mogelijkheid van een huuraanpassing.</para>
    <para>Evenmin valt uit de stukken af te leiden dat, indien een</para>
    <para>huuraanpassing te verwachten zou zijn geweest, deze</para>
    <para>aanpassing, de onteigening weggedacht, een verhoging tot</para>
    <para>ƒ 1.000 zou hebben ingehouden. Door uit te gaan van een</para>
    <para>"reële" huur van ƒ 1.000 heeft de rechtbank mitsdien een</para>
    <para>onjuiste maatstaf aangelegd, althans haar uitgangspunt</para>
    <para>onvoldoende gemotiveerd. De blote opvatting van de deskundigen</para>
    <para>is onvoldoende, gezien de boven gereleveerde contra-</para>
    <para>indicaties.</para>
    <para>4.6 Verwijzing dient te volgen voor een onderzoek naar de vraag</para>
    <para>of een verhoging van de huurprijs redelijkerwijze te</para>
    <para>verwachten was en zo ja, tot welk bedrag, dan wel of zo'n</para>
    <para>verhoging slechts een voor de schadevaststelling irrelevante</para>
    <para>blote eventualiteit vormde.</para>
    <para>5   Conclusie</para>
    <para>Ik geef u in overweging het vonnis van de rechtbank te</para>
    <para>vernietigen voorzover dat het bedrag van schadeloosstelling</para>
    <para>betreft en de zaak te verwijzen voor nader feitenonderzoek.</para>
    <para>De Procureur-Generaal</para>
    <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
    <para>a-g</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>