<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2000:AA4985</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T10:34:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA4985</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2000-03-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">34580</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2000:AA4985" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA4985</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>PW 2000, 21204</rdf:li>
          <rdf:li>BNB 2000/170 met annotatie van M.W.C. Feteris</rdf:li>
          <rdf:li>FED 2000/132</rdf:li>
          <rdf:li>WFR 2000/382, 1</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2000/18.12</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA4985">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA4985</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:58:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2000:AA4985 Parket bij de Hoge Raad , 01-03-2000 / 34580</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA4985:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA4985:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Nr. 34.580</para>
      <para>Derde Kamer A</para>
      <para>PH 1987</para>
      <para>Parket, 1 oktober 1999</para>
      <para>Mr Van den Berge</para>
      <para>Conclusie inzake:</para>
      <para>X</para>
      <para>tegen</para>
      <para>de staatssecretaris van Financiën</para>
      <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
      <para>1. Feiten en procesverloop</para>
      <para>1.1. Het cassatieberoep, ingesteld door de belanghebbende, is</para>
      <para>gericht tegen de uitspraak van het gerechtshof te 's-Gravenhage (het</para>
      <para>Hof), 1 juli 1998, nr. 91/03575, en betreft de aan de belanghebbende</para>
      <para>over het jaar 1987 opgelegde navorderingsaanslag premieheffing</para>
      <para>volksverzekeringen. Het Hof - dat deze navorderingsaanslag</para>
      <para>vernietigde - oordeelde omtrent de proceskosten (o. 4):</para>
      <para>"Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling</para>
      <para>proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet</para>
      <para>administratieve rechtspraak belastingzaken, zulks gelet op de</para>
      <para>samenhang met de zaak nummer [91/3574] waarin reeds een</para>
      <para>proceskostenveroordeling is uitgesproken."</para>
      <para>1.2. In genoemde zaak 91/3574 - betreffende de aan de belanghebbende</para>
      <para>over het jaar 1987 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting</para>
      <para>- oordeelde het Hof omtrent de vergoeding van proceskosten:</para>
      <para>"7. Proceskosten</para>
      <para>In de omstandigheid dat het beroep - gedeeltelijk - gegrond is,</para>
      <para>vindt het Hof aanleiding de Inspecteur op grond van artikel 5a,</para>
      <para>eerste lid, van de Wet administratieve rechtspraak</para>
      <para>belastingzaken, juncto het Besluit proceskosten fiscale</para>
      <para>procedures, te veroordelen in de kosten die belanghebbende in</para>
      <para>verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft</para>
      <para>moeten maken. Deze kosten stelt het Hof vast op f 2045,</para>
      <para>gespecificeerd als volgt: kosten van beroepsmatig verleende</para>
      <para>rechtsbijstand groot 1 maal f 710 maal 2 is f 1420 plus reis-</para>
      <para>en verblijfkosten en verletkosten van belanghebbende, welke het</para>
      <para>Hof in goede justitie schat op f 40 respectievelijk 5 maal f</para>
      <para>&amp;lt;</para>
      <para>?</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>117 is f 585."</para>
      <para>Bij arrest van 25 maart 1998 heeft Uw Raad deze navorderingsaanslag</para>
      <para>inkomstenbelasting vernietigd (HR 25 maart 1998, nr. 30438, BNB</para>
      <para>1998/209 m.nt. I.J.F.A. van Vijfeijken). De uitspraak van het Hof op</para>
      <para>het punt van de proceskosten werd in stand gelaten.</para>
      <para>1.3. Het cassatieberoep berust op twee middelen en richt zich tegen</para>
      <para>'s Hofs hiervóór in 1.1 weergegeven oordeel inzake de</para>
      <para>proceskostenvergoeding.</para>
      <para>1.4. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift in</para>
      <para>cassatie ingediend.</para>
      <para>2. De proceskostenvergoeding in belastingzaken</para>
      <para>2.1. Op grond van artikel 5a Wet administratieve rechtspraak</para>
      <para>belastingzaken (WARB) - welke regeling op de onderhavige zaak van</para>
      <para>toepassing is - is het gerechtshof bij uitsluiting bevoegd een</para>
      <para>partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband</para>
      <para>met de behandeling van het beroep bij het gerechtshof redelijkerwijs</para>
      <para>heeft moeten maken.</para>
      <para>2.2. Toekenning van een proceskostenvergoeding vindt plaats aan de</para>
      <para>hand van het Besluit proceskosten fiscale procedures (het Besluit),</para>
      <para>waarbij het bedrag van de kosten van door een derde beroepsmatig</para>
      <para>verleende rechtsbijstand wordt vastgesteld overeenkomstig de in de</para>
      <para>bijlage bij dat besluit opgenomen berekeningswijze. Dit vindt plaats</para>
      <para>door aan de verrichte proceshandelingen punten toe te kennen en die</para>
      <para>punten te vermenigvuldigen met de waarde per punt en met de</para>
      <para>toepasselijke wegingsfactoren.</para>
      <para>2.3. Eén van de wegingsfactoren - in de bijlage bij het Besluit</para>
      <para>aangeduid als 'C2' - betreft samenhangende zaken. Samenhangende</para>
      <para>zaken worden voor de toekenning van een vergoeding wegens kosten van</para>
      <para>door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand beschouwd als</para>
      <para>één zaak (artikel 3, lid 1 van het Besluit). Onder samenhangende</para>
      <para>zaken worden verstaan: gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig door</para>
      <para>een of meer belanghebbenden tegen nagenoeg identieke besluiten op</para>
      <para>vergelijkbare gronden ingestelde beroepen waarin rechtsbijstand is</para>
      <para>verleend door één of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde</para>
      <para>samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken</para>
      <para>nagenoeg identiek konden zijn (lid 2). In de Nota van Toelichting</para>
      <para>bij het Besluit is opgenomen:</para>
      <para>"Wegingsfactor C2 is bedoeld om de werking van artikel 3 van</para>
      <para>het besluit te verzachten. (?) Ingevolge artikel 3 omvat in</para>
      <para>dergelijke samenhangende zaken een kostenveroordeling voor</para>
      <para>rechtsbijstand slechts het bedrag dat in één zaak zou worden</para>
      <para>toegekend. Voor de rechtsbijstandverlener maakt het immers</para>
      <para>inhoudelijk niet uit of hij een procedure over één of bij</para>
      <para>voorbeeld vier gelijksoortige besluiten voert. Aangezien vier</para>
      <para>besluiten, en zeker vier cliënten, praktisch meer werk (?)</para>
      <para>meebrengen dan één, is het redelijk dit in de</para>
      <para>proceskostenvergoeding tot uitdrukking te brengen. Daartoe is</para>
      <para>in de regeling vermenigvuldigingsfactor C2 opgenomen, die</para>
      <para>meebrengt dat de rechtsbijstandvergoeding in de voor dat doel</para>
      <para>als één zaak beschouwde samenhangende zaken, wordt</para>
      <para>vermenigvuldigd met een factor 1,5 als het om vier of meer</para>
      <para>samenhangende zaken gaat. Die - onvermijdelijk enigszins</para>
      <para>arbitraire - grens van vier is ontleend aan de regeling van de</para>
      <para>Centrale Raad van Beroep in ambtenarenzaken (?)."</para>
      <para>2.4. In bijzondere omstandigheden kan van de onder 2.2 bedoelde</para>
      <para>normering worden afgeweken (artikel 2, lid 3 van het Besluit).</para>
      <para>2.5. Verzoeken om toekenning van een vergoeding voor proceskosten op</para>
      <para>basis van werkelijke kosten werden door Uw Raad steevast afgewezen</para>
      <para>(zie o.a. HR 21 juni 1995, BNB 1995/267 na conclusie Plv. P-G Van</para>
      <para>Soest en m.nt. J.P. Scheltens; HR 21 juni 1995, BNB 1995/268 na</para>
      <para>conclusie Plv. P-G Van Soest en m.nt. Scheltens; HR 4 oktober 1995,</para>
      <para>BNB 1996/32 na conclusie Plv. P-G Van Soest en m.nt. P.J. Wattel)&amp;lt;(1) Een uitzonderingsgeval is HR 8 juli 1996, BNB 1996/370 na mijn conclusie en m.nt.</para>
      <para>A.L.C. Simons. Uw Raad liet de beslissing in stand van Hof 's-Hertogenbosch om de</para>
      <para>belanghebbende een proceskostenvergoeding toe te kennen op basis van werkelijke</para>
      <para>kosten. Voor deze vergoeding was aanleiding, omdat de procedure - aldus dat hof -</para>
      <para>volledig een gevolg was van een zeer ernstige vorm van onzorgvuldig handelen van de</para>
      <para>inspecteur en zijn medewerkers.</para>
      <para>&amp;gt;.</para>
      <para>Zo werd in HR 19 juni 1996, BNB 1996/285, m.nt. Scheltens,</para>
      <para>geoordeeld:</para>
      <para>"4.2. Belanghebbende heeft in cassatie gesteld dat artikel</para>
      <para>van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken en het</para>
      <para>Besluit proceskosten fiscale procedures niet van toepassing</para>
      <para>zijn op de onderhavige zaak, omdat zulks strijd zou opleveren</para>
      <para>met het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, de</para>
      <para>beginselen van behoorlijk bestuur, het BW, het EVRM en het</para>
      <para>IVBPR (?).</para>
      <para>4.3. Zou deze stelling door de Hoge Raad worden aanvaard, dan</para>
      <para>zou dit betekenen dat het mogelijk wordt dat belanghebbende,</para>
      <para>voor zover hij aanspraak maakt op een hoger bedrag dan met het</para>
      <para>Besluit proceskosten fiscale procedures in overeenstemming is,</para>
      <para>schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad vordert. Voor</para>
      <para>het toekennen van een dergelijke schadevergoeding is echter in</para>
      <para>een procedure voor de administratieve rechter in belastingzaken</para>
      <para>geen plaats. Daarom kan het met voormelde stelling door</para>
      <para>belanghebbende beoogde gevolg in de onderhavige procedure niet</para>
      <para>worden bereikt en heeft belanghebbende bij die stelling in deze</para>
      <para>procedure geen belang."</para>
      <para>2.6. In zijn annotatie bij BNB 1996/32 vat Wattel de beslissing van</para>
      <para>Uw Raad samen:</para>
      <para>"(?) ook al zou de belanghebbende gelijk hebben, zijn verzoek</para>
      <para>om volledige kostenvergoeding is hoe dan ook niet-ontvankelijk,</para>
      <para>want elke kostenvergoeding boven die van het besluit is in</para>
      <para>feite een schadevergoeding op grond van onrechtmatige</para>
      <para>(overheids)daad en daarvoor is in de belastingprocedure 'geen</para>
      <para>plaats'. De belanghebbende heeft dus geen belang bij zijn</para>
      <para>beroep op fundamentele rechten."</para>
      <para>2.7. Als bezwaar tegen deze benadering voert Wattel aan:</para>
      <para>"dat de belanghebbende nog steeds de kans loopt dat</para>
      <para>burgerlijke rechter oordeelt dat niet hij, maar de</para>
      <para>belastingrechter de aangewezen rechter is om zich uit te laten</para>
      <para>over het uitputtende karakter van de forfaitaire fiscale</para>
      <para>kostenvergoedingsregeling en over de verenigbaarheid van die</para>
      <para>uitputtendheid met direct werkend internationaal recht."</para>
      <para>2.8. Zie voor een toetsing van het Besluit aan het EVRM de conclusie</para>
      <para>van Van Soest voor HR21 juni 1995 BNB 1995/267, de noot van</para>
      <para>Scheltens onder dat arrest (BNB 1995/268) en de noot van M.W.C.</para>
      <para>Feteris onder EHRM 20 november 1995, BNB 1996/123.</para>
      <para>3. Beoordeling van de middelen</para>
      <para>3.1. Vooropgesteld moet worden dat de belanghebbende - terecht -</para>
      <para>niet opkomt tegen 's Hofs oordeel dat de onderhavige zaak met de</para>
      <para>hiervóór genoemde zaak 91/3574 samenhangt in de zin van artikel 3</para>
      <para>van het Besluit&amp;lt;(2)2 Aan de stukken ontleen ik het volgende. De navorderingsaanslagen</para>
      <para>inkomstenbelasting en premieheffing</para>
      <para>volksverzekeringen dragen beiden als dagtekening: 18 oktober 1991. Tegen die</para>
      <para>navorderingsaanslagen heeft de</para>
      <para>belanghebbende bij brieven van 20 november 1991, aangevuld bij brieven van 14</para>
      <para>januari 1993, beroep</para>
      <para>ingesteld. Het beroep inzake de premieheffing had uitsluitend betrekking op</para>
      <para>aangelegenheden waarbij feiten en</para>
      <para>omstandigheden in geding waren, welke tevens van belang waren voor de heffing van</para>
      <para>de inkomstenbelasting.</para>
      <para>Zo merkte de belanghebbende in de aanvulling van het beroepschrift tegen de</para>
      <para>navorderingsaanslag</para>
      <para>premieheffing op: "Aangezien de feiten dezelfde zijn en de motivering hetzelfde</para>
      <para>als omschreven is in mijn</para>
      <para>brief van vandaag inzake (het beroep tegen de navorderingsaanslag</para>
      <para>inkomstenbelasting) moge ik volstaan met</para>
      <para>verwijzing naar deze brief waarvan ik een copie (...) insluit." Het Hof heeft</para>
      <para>daarna in beide zaken tweemaal een</para>
      <para>(gevoegde) mondelinge behandeling gehouden. In de inkomstenbelastingzaak deed het</para>
      <para>Hof uitspraak op 16 juni</para>
      <para>1994. De uitspraak ten aanzien van de premieheffing werd aangehouden totdat de</para>
      <para>beslissing op het beroep</para>
      <para>tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting onherroepelijk was komen vast te</para>
      <para>staan en volgde, nadat Uw</para>
      <para>Raad de uitspraak inzake de inkomstenbelasting en de navorderingsaanslag</para>
      <para>inkomstenbelasting bij arrest van</para>
      <para>25 maart 1998 had vernietigd (zie de uitspraak van het Hof, o. 3.1 e.v.).</para>
      <para>&amp;gt;.</para>
      <para>3.2. Middel 1 betoogt dat artikel 3 van het Besluit onverbindend is,</para>
      <para>omdat de besluitgever niet mag bepalen dat ten aanzien van een</para>
      <para>samenhangende zaak niets wordt vergoed.</para>
      <para>3.3. Uw Raad heeft het Besluit in het verleden al getoetst aan</para>
      <para>artikel 5a WARB. Uit het hiervóór in 2.5 genoemde arrest BNB</para>
      <para>1995/267 volgt,</para>
      <para>"dat het Besluit proceskosten fiscale procedures (?)</para>
      <para>overeenstemming is met tekst en strekking van artikel 5a van de</para>
      <para>Wet administratieve rechtspraak belastingzaken (?)"</para>
      <para>3.4. Naar ik meen, mocht de besluitgever bepalen dat samenhangende</para>
      <para>zaken voor de toekenning van een vergoeding wegens kosten van door</para>
      <para>een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden beschouwd als</para>
      <para>één zaak. Nu het daarbij slechts gaat om gelijktijdig of nagenoeg</para>
      <para>gelijktijdig door een of meer belanghebbenden tegen nagenoeg</para>
      <para>identieke besluiten op vergelijkbare gronden ingestelde beroepen</para>
      <para>waarbij de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek</para>
      <para>konden zijn, zal het voeren van een procedure in zo'n samenhangende</para>
      <para>zaak - mede door het gebruik van tekstverwerkers en kopieermachines</para>
      <para>- doorgaans weinig extra tijd en moeite kosten. Het is mijns inziens</para>
      <para>redelijk dat met die omstandigheid bij de bepaling van de</para>
      <para>proceskostenvergoeding rekening wordt gehouden.</para>
      <para>3.5. Middel 1 kan derhalve niet tot cassatie leiden.</para>
      <para>3.6. In middel 2 neemt de belanghebbende het standpunt in dat het</para>
      <para>Besluit onverbindend is voorzover minder wordt vergoed dan de</para>
      <para>werkelijke proceskosten. Hij betoogt:</para>
      <para>"Het recht op een vergoeding behoort tot mijn vermogen. Het</para>
      <para>een bestaande claim op de overheid. Door geen vergoeding te</para>
      <para>geven - zelfs geen forfaitaire - word ik onteigend door de</para>
      <para>overheid zonder dat de overheid daarvoor een vergoeding</para>
      <para>betaalt. In dit verband is het hele Besluit onverbindend voor</para>
      <para>zover lagere kosten worden vergoed, dan in werkelijkheid zijn</para>
      <para>gemaakt."</para>
      <para>Hij eindigt zijn beroepschrift in cassatie echter met de opmerking:</para>
      <para>"Gezien het bovenstaande verzoek ik de Hoge Raad te beslissen</para>
      <para>dat de kostenvergoeding op zijn minst wordt vastgesteld op</para>
      <para>basis van het Besluit zonder toepassing van artikel 3 van het</para>
      <para>Besluit zodat mij op zijn minst de forfaitaire vergoeding</para>
      <para>toekomt. Daar kan ik in casu om praktische redenen wel mee</para>
      <para>akkoord. Ik zie er namelijk geen heil in om nog weer eens de</para>
      <para>feitelijke kosten te moeten narekenen van zaken, die zoveel</para>
      <para>jaren hebben geduurd."</para>
      <para>3.7. De belanghebbende vraagt in wezen om een forfaitaire</para>
      <para>proceskostenvergoeding, doch zonder toepassing van de regeling van</para>
      <para>samenhangende zaken (artikel 3 van het Besluit). Daarvoor beroept</para>
      <para>hij zich op artikel 1 van het Protocol bij het EVRM, welke bepaling</para>
      <para>inhoudt:</para>
      <para>"(?) Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve</para>
      <para>het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet</para>
      <para>en in de algemene beginselen van internationaal recht (?)"</para>
      <para>3.8. Hiervóór (par. 2.5) heb ik aangegeven dat aan Uw Raad in een</para>
      <para>aantal zaken al de vraag is voorgelegd of artikel 5a WARB en het</para>
      <para>Besluit in strijd zijn met bepalingen van internationaal recht. De</para>
      <para>bezwaren richtten zich in die gevallen steeds tegen de forfaitering</para>
      <para>van die vergoeding. Uw Raad liet de vraag of de bestreden regeling</para>
      <para>in strijd was met die bepalingen onbeantwoord, omdat een</para>
      <para>belanghebbende volgens Uw Raad geen belang heeft bij de</para>
      <para>beantwoording van die vraag in een belastingprocedure, aangezien</para>
      <para>over het met die stelling beoogde gevolg - toekenning van een</para>
      <para>schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad - volgens Uw Raad</para>
      <para>in de belastingprocedure geen beslissing kon worden gegeven&amp;lt;(3) In zijn noot onder EHRM 20 november 1995, BNB 1996/123 merkt Feteris op: "De</para>
      <para>gevolgen van dit arrest kunnen aan de orde komen in een civiele procedure tegen de</para>
      <para>Nederlandse overheid over vergoeding van proceskosten. Uit het arrest HR 21 juni</para>
      <para>1995, BNB 1995/267 blijkt dat de administratieve rechter zich niet bevoegd acht</para>
      <para>hierover te beslissen."</para>
      <para>Die onbevoegdheid betreft de beslissing over de toe te kennen schadevergoeding,</para>
      <para>niet de beslissing over de verenigbaarheid van het Besluit met het EVRM als</para>
      <para>zodanig.</para>
      <para>&amp;gt;.</para>
      <para>3.9. In het onderhavige geval is de strekking van de klacht veel</para>
      <para>beperkter. De klacht betreft slechts de verbindendheid van artikel 3</para>
      <para>van het Besluit in het licht van artikel 1 van het Protocol bij het</para>
      <para>EVRM en kan, indien gegrond, slechts leiden tot toekenning van een</para>
      <para>afzonderlijke (forfaitaire) vergoeding van proceskosten in de</para>
      <para>onderhavige zaak conform de regels van het Besluit. De beoordeling</para>
      <para>van de klacht blijft derhalve binnen het door artikel 94 Grondwet en</para>
      <para>artikel 5a WARB bepaalde kader van bevoegdheden.</para>
      <para>3.10. De stelling van de belanghebbende dat artikel 3 van het</para>
      <para>Besluit in het licht van artikel 1 van het Protocol bij het EVRM</para>
      <para>onverbindend is, dient overigens te worden verworpen. De regeling</para>
      <para>van artikel 3 van het Besluit is kennelijk gebaseerd op de</para>
      <para>veronderstelling dat het voeren van een procedure in een</para>
      <para>samenhangende zaak in de regel niet of nagenoeg niet tot extra</para>
      <para>kosten van rechtsbijstand zal leiden. Die veronderstelling acht ik</para>
      <para>in het algemeen genomen alleszins redelijk (zie par. 3.4). Gesteld</para>
      <para>noch gebleken is, dat die veronderstelling in het onderhavige geval</para>
      <para>niet strookte met de realiteit.</para>
      <para>3.11. Uit het voorgaande volgt, dat ook middel 2 faalt.</para>
      <para>4. Conclusie</para>
      <para>De middelen ongegrond bevindend, concludeer ik tot verwerping van</para>
      <para>het beroep.</para>
      <para>De Procureur-Generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der</para>
      <para>Nederlanden,</para>
      <para>(a-g)</para>
    </parablock>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>