<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2000:AA4894</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T22:59:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA4894</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2000-02-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">112611</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2000:AA4894" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA4894</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001854&amp;artikel=362&amp;g=2000-02-22">Wetboek van Strafrecht 362</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2000, 143</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2000, 557 met annotatie van T.M. Schalken</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA4894">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA4894</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:58:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2000:AA4894 Parket bij de Hoge Raad , 22-02-2000 / 112611</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA4894:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA4894:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
  <parablock>
    <para>Nr. 112.611                                    Mr Machielse</para>
    <para>Zitting: 7 december 1999                       Conclusie inzake:</para>
    <para>P.C.M. van Nijnatten</para>
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para>1. Bij arrest van 27 oktober 1998 heeft het gerechtshof</para>
    <para>te 's-Hertogenbosch het openbaar ministerie niet</para>
    <para>ontvankelijk verklaard in zijn vervolging voor wat</para>
    <para>betreft het aan verzoeker onder 5 en 6 tenlastegelegde.</para>
    <para>Voorts heeft genoemd hof verzoeker - voorzover in</para>
    <para>cassatie van belang - veroordeeld ter zake van de feiten</para>
    <para>1 subsidiair, 3 subsidiair en 4 subsidiair, telkens</para>
    <para>opleverende "als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat</para>
    <para>zij hem wordt gedaan teneinde hem te bewegen om, zonder</para>
    <para>daardoor in strijd met zijn plicht te handelen, in zijn</para>
    <para>bediening iets te doen". Verzoeker is daarbij veroordeeld</para>
    <para>tot een geldboete van ƒ 25.000,-, subsidiair 130 dagen</para>
    <para>hechtenis.</para>
    <para>2. De procureur-generaal bij genoemd hof heeft beroep in</para>
    <para>cassatie ingesteld. Dit beroep is uitsluitend gericht</para>
    <para>tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar</para>
    <para>ministerie ten aanzien van het onder 5 en 6</para>
    <para>tenlastegelegde. De procureur-generaal heeft hiertoe bij</para>
    <para>schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.</para>
    <para>Voorts heeft, namens verzoeker, mr H.H.M. van Dijk,</para>
    <para>advocaat te Uden, drie middelen van cassatie voorgesteld.</para>
    <para>In zijn schriftuur heeft mr Van Dijk bovendien het     mi</para>
    <para>ddel</para>
    <para>van de procureur-generaal tegengesproken.</para>
    <para>3. Ten aanzien van de bespreking van het middel van de</para>
    <para>procureur-generaal is het volgende van belang.</para>
    <para>4.1. Aan verzoeker is onder 5 en 6 - kort samengevat -</para>
    <para>&amp;lt;</para>
    <para>?</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>het volgende tenlastegelegd. Onder 5 wordt aan verzoeker</para>
    <para>verweten dat hij in de periode van 1 januari 1993 tot en</para>
    <para>met 2 februari 1993 een aangiftebiljet voor de</para>
    <para>Inkomstenbelasting/Premie Volksverzekeringen over het</para>
    <para>jaar 1992 opzettelijk onjuist zou hebben ingevuld. En wel</para>
    <para>in die zin dat hij in werkelijkheid een hoger belastbaar</para>
    <para>inkomen zou hebben dan dat hij had opgegeven. Onder 6</para>
    <para>wordt aan verzoeker hetzelfde grondfeit verweten. Hier</para>
    <para>betreft het evenwel het aangiftebiljet over het jaar 1993</para>
    <para>dat in de periode van 25 februari 1994 tot en met 10</para>
    <para>maart 1994 zou zijn ingevuld.</para>
    <para>4.2.1. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting</para>
    <para>van het hof van 13 oktober 1998 heeft verzoekers raadsman</para>
    <para>aldaar onder meer het volgende verweer gevoerd. Ik citeer</para>
    <para>uit 's hofs samenvatting van het verweer in de bestreden</para>
    <para>uitspraak:</para>
    <para>De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn</para>
    <para>strafvervolging.</para>
    <para>De raadsman heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie</para>
    <para>ten aanzien van het onder 5 en 6 ten laste gelegde niet</para>
    <para>ontvankelijk is in zijn vervolging, aangezien het</para>
    <para>openbaar ministerie terzake deze feiten heeft gehandeld</para>
    <para>in strijd met de aanmeldings-, transactie- en</para>
    <para>vervolgingsrichtlijnen voor fiscale delicten en</para>
    <para>douanedelicten, vastgesteld in de vergadering van de</para>
    <para>procureurs-generaal d.d. 7 april 1993 en gepubliceerd in</para>
    <para>de Staatscourant (1993, 75) (hierna: de Richtlijnen;</para>
    <para>A.M.). De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat ingevolge</para>
    <para>deze richtlijnen een particulier eerst voor</para>
    <para>strafrechtelijke vervolging in aanmerking komt indien de</para>
    <para>ontdoken belasting gedurende de onderzoeksperiode ƒ</para>
    <para>12.000,-- of meer bedraagt en de zaak tenminste 3 punten</para>
    <para>krijgt krachtens de bij de richtlijn behorende lijst</para>
    <para>prioriteitsbepaling. De raadsman heeft (ten aanzien van</para>
    <para>feit 5; A.M.) betoogd dat, nu verdachte in totaal een</para>
    <para>bedrag van ƒ 12.810,-- niet aan de belasting heeft</para>
    <para>opgegeven, hij daarover zeker niet eenzelfde bedrag aan</para>
    <para>de belasting verschuldigd is en kan aan de cumulatief</para>
    <para>gestelde voorwaarde van de vereiste punten niet meer</para>
    <para>toegekomen worden.</para>
    <para>4.2.2. Ten aanzien van feit 6 heeft verzoekers raadsman</para>
    <para>blijkens zijn aan genoemd proces-verbaal van de</para>
    <para>terechtzitting in appel gevoegde pleitnota in hetzelfde</para>
    <para>verband ter zitting betoogd dat verzoeker over het jaar</para>
    <para>1993 in werkelijkheid niet een hoger belastbaar inkomen</para>
    <para>heeft gehad dan dat hij heeft opgegeven en zelfs een</para>
    <para>teruggave heeft ontvangen van een bedrag van ƒ 22.408,-</para>
    <para>van de belastingdienst. Ten bewijze hiervan heeft</para>
    <para>verzoekers raadsman ter zitting een kopie van de</para>
    <para>uitspraak op verzoekers bij de belastingen ingediende</para>
    <para>bezwaarschrift 1993 overgelegd.</para>
    <para>4.2.3. Blijkens het al genoemde proces-verbaal heeft de</para>
    <para>procureur-generaal van het hof op dat verweer -</para>
    <para>uitsluitend - aldus gereageerd, dat de Richtlijnen niet</para>
    <para>zijn "geschreven voor gevallen waarin samenloop met</para>
    <para>andere delicten aan de orde is".</para>
    <para>4.2.4. Het bestreden arrest houdt ten aanzien van het</para>
    <para>niet-ontvankelijkeheidsverweer de volgende beslissing in:</para>
    <para>Het hof deelt de zienswijze van de raadsman en zal</para>
    <para>mitsdien het openbaar ministerie ten aanzien van het</para>
    <para>onder 5 en 6 ten laste gelegde niet ontvankelijk</para>
    <para>verklaren in zijn vervolging.</para>
    <para>4.3. Voor de beoordeling van het middel is vooropgesteld</para>
    <para>het volgende van belang:</para>
    <para>- Het hiervoor weergegeven betoog van de raadsman ten</para>
    <para>aanzien van feit 5 kan niet anders worden begrepen dan</para>
    <para>dat de raadsman daarin heeft gesteld dat verzoeker over</para>
    <para>19923 in totaal weliswaar een bedrag van ƒ 12.810,-- niet</para>
    <para>aan de belasting heeft opgegeven maar dat het bedrag aan</para>
    <para>te weinig geheven belasting of premiehij, gelet op het</para>
    <para>belastingpercentage dat hij verzoeker over dat bedrag in</para>
    <para>werkelijkheid aan belastingen verschuldigd is, beneden de</para>
    <para>grens van ƒ 12.000,- blijft. Ingevolge Als gevolg hiervan</para>
    <para>kan aan de cumulatief gestelde voorwaarde van de vereiste</para>
    <para>punten niet meer toegekomen worden. Nu het hof zich</para>
    <para>hiermee heeft verenigd dient in cassatie van de in dit</para>
    <para>betoog vervatte feiten en omstandigheden uit te worden</para>
    <para>gegaan.</para>
    <para>- Nu het hof voorts het ten aanzien van feit 6 gevoerde</para>
    <para>verweer in het midden heeft gelaten dat verzoeker over</para>
    <para>het jaar 1993 een teruggave heeft ontvangen van een</para>
    <para>bedrag van ƒ 22.408,- van de belastingdienst zal ook</para>
    <para>hiervan in cassatie moeten worden uitgegaan.</para>
    <para>5. In het middel van de procureur-generaal worden met</para>
    <para>juistheid de volgende uitgangspunten in stelling</para>
    <para>gebracht. Gelet op de tenlastgelegde periode onder 5 die</para>
    <para>de aanvang van het jaar 1993 bestrijkt zijn ten aanzien</para>
    <para>van dat feit de oude Richtlijnen van toepassing: te weten</para>
    <para>de Herziene richtlijnen bij het aanbieden van een</para>
    <para>transactie ingevolge art. 76 AWR (Stct. 1990, 243, datum</para>
    <para>inwerkingtreding 1 januari 1991). Ten aanzien van het</para>
    <para>onder 6 aan verzoeker verweten feit dat de periode van</para>
    <para>begin 1994 bestrijkt zijn de huidige Richtlijnen van</para>
    <para>toepassing, waarvan de datum van inwerkingtreding is</para>
    <para>bepaald op 1 juni 1993 (Stct. 1993, 75).</para>
    <para>6. De oude Richtlijnen die dus uitsluitend van belang</para>
    <para>zijn voor feit 5 hebben - kort samengevat - als</para>
    <para>uitgangspunt, dat in een zaak, waarin de te weinig</para>
    <para>geheven belasting/premie beneden de grens van circa ƒ</para>
    <para>50.000,- blijft, door het openbaar ministerie een</para>
    <para>transactie wordt aangeboden. Uitzonderingen en</para>
    <para>nuanceringen hierop zijn mogelijk en deze worden ook</para>
    <para>uitdrukkelijk genoemd in de oude Richtlijnen. Dat</para>
    <para>evenwel, zoals door de procureur-generaal ter zitting is</para>
    <para>betoogd, de Richtlijnen niet zouden zijn "geschreven voor</para>
    <para>gevallen waarin samenloop met andere delicten aan de orde</para>
    <para>is", valt uit die oude Richtlijnen allerminst</para>
    <para>destilleren. Weliswaar houden deze onder meer het</para>
    <para>volgende in:</para>
    <para>"Fiscale delicten, die in georganiseerd verband en/of met</para>
    <para>een zekere listigheid zijn gepleegd, komen in beginsel,</para>
    <para>ongeacht de hoogte van de te weinig geheven belasting</para>
    <para>en/of premie, voor (verdere) strafrechtelijke vervolging</para>
    <para>in aanmerking. Te denken valt hier aan gevallen, die zijn</para>
    <para>gepleegd met (...) op een zodanige wijze, dat ook andere</para>
    <para>(commune) delicten zijn gepleegd, zoals bedreiging,</para>
    <para>omkoping (...) e.d." (par. II en par. III onder b. van</para>
    <para>oude Richtlijnen).</para>
    <para>maar hieruit volgt slechts dat, indien sprake zou zijn</para>
    <para>van samenhangloop van een of meer fiscale delicten met</para>
    <para>een of meer commune delicten, hiermede van een</para>
    <para>uitzondering op de hoofdregel van de</para>
    <para>vervolgingsrichtlijnenen sprake is. Hiervan isDat geval doet zich hier evenwel</para>
    <para>thans geen sprakeniet voor. De tenlastegelegde commune</para>
    <para>en fiscale delicten vertonen geen samenhang. In het</para>
    <para>requisitoir in hoger beroep gevoerd is evenmin gewezen op</para>
    <para>een uitzondering volgens de Richtlijnen van 1990, die</para>
    <para>vervolging toch rechtvaardigt. Voorzover de procureur-</para>
    <para>generaal zich dan ook in cassatie op deze</para>
    <para>uitzonderingsgrond van de oude Richtlijnen beroept, faalt</para>
    <para>het middel.</para>
    <para>7. In aanmerking genomen dat voorts in cassatie vast</para>
    <para>staat dat verzoeker ten aanzien van feit 5. in totaal een</para>
    <para>bedrag van ƒ 12.810,-- niet aan de belasting heeft</para>
    <para>opgegeven , de onjuiste stelling van de procureur-</para>
    <para>generaal in aanmerking genomen, alsmede erop geleten dat</para>
    <para>het uitgangspunt van de oude Richtlijnen inhoudt dat</para>
    <para>beneden de grens van ƒ 50.000,- een transactie wordt</para>
    <para>aangeboden, is 's hofs oordeel dat het openbaar</para>
    <para>ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in</para>
    <para>zijn vervolging ten aanzien van het onder 5</para>
    <para>tenlastgelegde niet onbegrijpelijk. 's Hofs op feitelijke</para>
    <para>waardering berustende honorering van het beroep op niet-</para>
    <para>ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kan in</para>
    <para>cassatie niet verder worden getoetst.&amp;lt;(1) Vgl. HR NJ 1989, 575.</para>
    <para>&amp;gt; Dat het hof op dit</para>
    <para>punt kennelijk per abuis in het midden heeft gelaten dat</para>
    <para>ten aanzien van dit feit de oude Richtlijnen van</para>
    <para>toepassing zijn, is slordig, maar maakt dit niet anders.</para>
    <para>Uitermate slordig vind ik dit overigens wel.</para>
    <para>8. De huidige Richtlijnen welke dus van belang zijn voor</para>
    <para>feit 6 houden - zoals in het middel van de procureur-</para>
    <para>generaal met juistheid wordt aangevoerd - ten aanzien van</para>
    <para>de algemene uitgangspunten (onder par. 3) en voor zover</para>
    <para>van belang het volgende in:</para>
    <para>"De aard van de richtlijnen sluit niet uit, dat</para>
    <para>individuele gevallen van de richtlijnen kan worden</para>
    <para>afgeweken. Hiertoe kan worden besloten indien er gezien</para>
    <para>de ernst van de schendingen of de persoon van de</para>
    <para>verdachte aanleiding toe bestaat. Zulke afwijkingen zijn</para>
    <para>mogelijk zowel 'naar boven' als 'naar beneden'. Voorts</para>
    <para>zijn de richtlijnen niet van toepassing op zaken die</para>
    <para>voortkomen uit onderzoeken door multi-disciplinair</para>
    <para>samengestelde teams".</para>
    <para>Hiernaast houden de Richtlijnen (onder par. 7) ten</para>
    <para>aanzien van de vervolging nog in:</para>
    <para>"Een zaak komt in beginsel voor dagvaarding in aanmerking</para>
    <para>indien een transactie gelet op de ernst van de</para>
    <para>geconstateerde normschending en/of de persoon van de</para>
    <para>verdachte een onvoldoende reactie vormt".</para>
    <para>En voorts (onder par. 7.2):</para>
    <para>"Een particulier komt eerst voor strafrechtelijke</para>
    <para>vervolging in aanmerking, indien de ontdoken belasting</para>
    <para>gedurende de onderzoeksperiode ƒ 12.000,- of meer</para>
    <para>bedraagt en (onderstreping door mij, A.M.)de zaak ten</para>
    <para>minste drie punten krijgt krachtens de bij deze</para>
    <para>richtlijnen behorende lijst prioriteitsbepaling (zie par.</para>
    <para>8)".</para>
    <para>Blijkens de hiervoor genoemde lijst (par. 8) komt</para>
    <para>aan een bedrag aan ontdoken belasting van ƒ 12.000,- tot</para>
    <para>ƒ 50.000,- een punt toe. Aan de status van de verdachte,</para>
    <para>dan wel diens "voorbeeldfunctie", kan eveneens een</para>
    <para>toekomen. Maar ook aan de combinatie van een onjuiste</para>
    <para>aangifte met een of meer andere (niet fiscale) delicten</para>
    <para>kan een punt toe komen.</para>
    <para>9. Anders dan door de procureur-generaal ter zitting is</para>
    <para>gesteld, houden ook de huidige Richtlijnen evenwel niet</para>
    <para>in dat deze niet zouden zijn "geschreven voor gevallen</para>
    <para>waarin samenloop met andere delicten aan de orde is".</para>
    <para>10. Voorzover in het middel - op zich met juistheid -</para>
    <para>wordt gesteld dat de huidige Richtlijnen niet van</para>
    <para>toepassing zijn op zaken die voortvloeien uit onderzoeken</para>
    <para>door multidisciplinair samengestelde teams (par. 3) en</para>
    <para>dat het in de onderhavige zaak om zo een onderzoek gaat,</para>
    <para>mist het middel feitelijke grondslag. Het hof heeft</para>
    <para>hierover de samenstelling van het onderzoeksteam niets</para>
    <para>vastgesteld, terwijl dit evenmin ter zitting als</para>
    <para>omstandigheid is aangevoerd.</para>
    <para>11. Als gezegd staat in cassatie ten aanzien van feit 6</para>
    <para>vast dat verzoeker ten aanzien van de</para>
    <para>inkomstenbelasting/premievolksverzekering over 1993 een</para>
    <para>teruggave heeft ontvangen van de belastingdienst. De</para>
    <para>procureur-generaal heeft hier niets tegenin gebracht.</para>
    <para>Cruciaal is dat de procureur-generaal zich in</para>
    <para>feitelijke aanleg niet heeft beroepen op één of meer van</para>
    <para>de hiervoor weergegeven in de huidige Richtlijnen</para>
    <para>genoemde uitzonderingen op het vervolgingsbeginsel om</para>
    <para>niet te vervolgen onder die grens van ƒ 12.000,-.</para>
    <para>Voorzover hierop in cassatie alsnog een beroep wordt</para>
    <para>gedaan wordt miskend dat in cassatie niet voor het eerst</para>
    <para>een beroep kan worden gedaan op feiten en omstandigheden</para>
    <para>die in cassatie niet vast staan en waaromtrent niet</para>
    <para>eerder een verweer is gevoerd. Hieronder acht ik mede</para>
    <para>begrepen die precieze vervolgingsgronden van het openbaar</para>
    <para>ministerie. Ook in zoverre faalt dus het middel.</para>
    <para>12. Op grond van het vorenoverwogene alsmede het reeds</para>
    <para>genoemde vervolgingsbeginsel van de huidige Richtlijnen</para>
    <para>in aanmerking genomen, acht ik ook 's hofs beslissing om</para>
    <para>het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in</para>
    <para>zijn vervolging ten aanzien van feit 6 niet</para>
    <para>onbegrijpelijk.</para>
    <para>13. Voorzover de procureur-generaal in het middel nog HR</para>
    <para>NJ 1987, 304 in herinnering roept, faalt het middel reeds</para>
    <para>op de door de procureur-generaal zelf aangevoerde</para>
    <para>omstandigheden. Immers, in die zaak betrof het een</para>
    <para>vervolging die niet zozeer - zoals in casu - was geënt op</para>
    <para>een vervolgingsrichtlijn maar één die veeleer en</para>
    <para>uitsluitend was gestoeld op art. 80 AWR. Maar ook</para>
    <para>overigens betrof het in die zaak een totaal andere,</para>
    <para>strikt formele kwestie (de inzending van de processen-</para>
    <para>verbaal bij het bestuur van 's Rijks belastingen), waarop</para>
    <para>naar 's hofs oordeel - anders de Hoge Raad - de</para>
    <para>vervolging diende af te stuiten. Thans is van een</para>
    <para>dergelijke formaliteit geen sprake.</para>
    <para>Ook voorzover de steller van het middel zich nog</para>
    <para>beroept op een eerdere - door de Hoge Raad in stand</para>
    <para>gelaten - beslissing van het gerechtshof te 's-</para>
    <para>Hertogenbosch om het openbaar ministerie wèl ontvankelijk</para>
    <para>te achten in zijn vervolging, faalt het middel. Immers,</para>
    <para>in die op 19 augustus 1994 gegeven uitspraak heeft het</para>
    <para>hof - zoals in het middel zelf ook staat aangegeven -</para>
    <para>zeer uitdrukkelijk gelet op de functie van de verdachte,</para>
    <para>te weten die van burgemeester. In casu is bij verzoekers</para>
    <para>- ook nog eens voormalige - functie in beduidend mindere</para>
    <para>mate sprake van een voorbeeldfunctie, namelijk die van</para>
    <para>wethouder.</para>
    <para>Ook in zoverre faalt derhalve het middel.</para>
    <para>14. Tenslotte wijs ik erop dat de oude en de huidige</para>
    <para>Richtlijnen "recht" conform art. 99 Wet R.O. vormen nu</para>
    <para>deze deugdelijk zijn bekend gemaakt en het openbaar</para>
    <para>ministerie daaraan is gebonden, alsmede nu deze zich</para>
    <para>jegens betrokkenen lenen om als rechtsregel te worden</para>
    <para>toegepast.&amp;lt;(2) Onder meer HR NJ 1997, 724 en 1991, 119.</para>
    <para>&amp;gt; Dat in art. 167 Sv het opportuniteitsbeginsel</para>
    <para>is neergelegd waaruit volgt dat aan de officier van</para>
    <para>justitie - ook in dit verband - binnen de door de wet en</para>
    <para>de beginselen van behoorlijk bestuur gestelde grenzen</para>
    <para>enige beleidsvrijheid toekomt, betekent in mijn visie niet</para>
    <para>dat van de zijde van het openbaar ministerie met vrucht</para>
    <para>eerst in cassatie (deugdelijke) redenen kunnen worden</para>
    <para>aangevoerd op grond waarvan van de in de richtlijnen</para>
    <para>neergelegde vervolgingsbeginselen zou dienen te worden</para>
    <para>afgeweken, dan wel dat voor het eerst op feitelijke</para>
    <para>gronden wordt aangevoerd dat deze op bepaalde gronden</para>
    <para>toepassing missen.</para>
    <para>In HR NJ 1991, 694 m.nt.C. heeft de Hoge Raad</para>
    <para>geoordeeld dat de opvatting dat art. 167 lid 2 het</para>
    <para>Openbaar Ministerie onder alle omstandigheden de vrijheid</para>
    <para>geeft al dan niet van vervolging af te zien, zonder</para>
    <para>daarvoor verantwoording af te leggen, in zijn</para>
    <para>algemeenheid niet als juist kan worden aanvaard.</para>
    <para>Beginselen van een behoorlijke procesorde kunnen - aldus</para>
    <para>de Hoge Raad - onder omstandigheden meebrengen dat het</para>
    <para>openbaar ministerie naar aanleiding van een desbetreffend</para>
    <para>verweer motiveert waarom het in een individueel geval tot</para>
    <para>vervolging overgaat, in afwijking van bij de verdachte</para>
    <para>gewekt vertrouwen dat van vervolging zou worden afgezien.</para>
    <para>Van dit laatste is naar mijn mening thans sprake, gelet</para>
    <para>op de inhoud van de oude en huidige Richtlijnen.</para>
    <para>Mijn voormalig ambtgenoot Leijten heeft in zijn</para>
    <para>conclusie vóór genoemd arrest nog het volgende</para>
    <para>neergelegd. Indien er een algemeen vervolgingsbeleid -</para>
    <para>uitgaande van het Openbaar Ministerie - voor handen is,</para>
    <para>zal "flagrante afwijking van dat beleid - zoals dat</para>
    <para>praktijk wordt toegepast - motivering behoeven en kan het</para>
    <para>ontbreken daarvan zozeer in strijd zijn met de regels van</para>
    <para>fatsoenlijke vervolging, dat zulks tot niet-</para>
    <para>ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de</para>
    <para>vervolging moet leiden". Ik sluit me hier bij aan en voeg</para>
    <para>daar nog aan toe dat ik een ondeugdelijke motivering in</para>
    <para>dit verband op één lijn wil stellen met het ontbreken van</para>
    <para>een motivering.</para>
    <para>Ook wil ik nog wijzen op de noot onder genoemd</para>
    <para>arrest. De annotator stelt hierin onder meer dat het</para>
    <para>"voor de hand ligt" dat verzaking van de hiervoor</para>
    <para>bedoelde motiveringsplicht leidt tot niet-</para>
    <para>ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. "Het</para>
    <para>volkomen acceptabel dat een orgaan als het Openbaar</para>
    <para>Ministerie dat over veel macht beschikt, moet uitleggen</para>
    <para>waarom het anders handelt dan mag worden verwacht".</para>
    <para>15. Kortom: 's hofs oordeel omtrent de niet-</para>
    <para>ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn</para>
    <para>vervolging ten aanzien van het onder 5 en 6 aan verzoeker</para>
    <para>tenlastegelegde acht ik gelet op het namens verzoeker</para>
    <para>gevoerde verweer en de respons daarop van het openbaar</para>
    <para>ministerie toereikend gemotiveerd.</para>
    <para>16. Het middel van de procureur-generaal faalt derhalve.</para>
    <para>17. Voorzover namens verzoeker het middel van cassatie</para>
    <para>van de procureur-generaal is tegengesproken behoeft dit</para>
    <para>gelet op het vorenoverwogene geen bespreking meer. Ik kom</para>
    <para>dan nu ook toe aan de bespreking van de namens verzoeker</para>
    <para>ingediende cassatiemiddelen.</para>
    <para>18. Het eerste middel heeft betrekking op de feiten 1, 3</para>
    <para>en 4. In het middel wordt - in essentie - ten eerste</para>
    <para>betoogd dat 's hofs bewijsmiddelen ontoereikend zijn voor</para>
    <para>de bewezenverklaring dat verzoeker giften heeft</para>
    <para>aangenomen, "wetende" dat die giften hem werd gedaan om</para>
    <para>hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen. Te</para>
    <para>weten (a) het in de gelegenheid stellen om een goede naam</para>
    <para>bij (de/een ambtena(a)r(en) van) de gemeente Eindhoven te</para>
    <para>krijgen of te houden in verband met het verstrekken van</para>
    <para>projecten, en (b) het in stand houden of verbeteren van</para>
    <para>de zakelijke relatie(s) met (de/een ambtena(a)r(en) van)</para>
    <para>de gemeente Eindhoven.</para>
    <para>19. Het hof heeft aan zijn bewezenverklaringen de</para>
    <para>volgende nadere overweging omtrent het bewijs gewijd:</para>
    <para>Met betrekking tot de feiten 1, 3 en 4 overweegt het hof</para>
    <para>verder dat, gelet op de volgende feiten en</para>
    <para>omstandigheden:</para>
    <para>- de belangrijke positie die verdachte inzake ruimtelijke</para>
    <para>ordening en standsontwikkeling in het ambtelijk apparaat</para>
    <para>van de gemeente Eindhoven bekleedde;</para>
    <para>- de omstandigheid dat de giften werden gedaan door de</para>
    <para>ondernemers die er, ook volgens hun eigen verklaringen,</para>
    <para>alle belang bij hadden goodwill te kweken bij het</para>
    <para>ambtelijk apparaat van de gemeente, voorzover direct of</para>
    <para>indirect belast met bouwaangelegenheden;</para>
    <para>- de omstandigheden waaronder de giften werden gedaan (de</para>
    <para>Arubareis werd door verdachte bewust niet gemeld bij zijn</para>
    <para>chef, aan van Rijswijck en Horyon werden door verdachte</para>
    <para>"zwarte" betalingen verricht en voor de</para>
    <para>betalingsconstructie met betrekking tot de keuken werd</para>
    <para>een valse factuur gebruikt),</para>
    <para>het niet anders kan zijn dan dat verdachte heeft geweten</para>
    <para>dat de giften door de verschillende ondernemers aan hem</para>
    <para>werden gedaan teneinde een tegenprestatie te verkrijgen</para>
    <para>zoals deze in de bewezenverklaring is omschreven.</para>
    <para>Ander dan door de verdediging is betoogd acht het hof</para>
    <para>deze omschrijvingen voldoende concreet.</para>
    <para>20. Vooropgesteld ligt - anders dan de steller van het</para>
    <para>middel veronderstelt - in 's hofs hiervoor weergegeven</para>
    <para>overweging als zijn kennelijke oordeel besloten dat</para>
    <para>verzoeker niet alleen "heeft geweten", maar dus ook dat</para>
    <para>hij "moet hebben begrepen" en "heeft begrepen", dat de</para>
    <para>door hem aangenomen giften aan hem werd gedaan om hem te</para>
    <para>bewegen om in zijn bediening iets te doen.</para>
    <para>21. In het middel wordt ten tweede naar ik begrijp</para>
    <para>geklaagd over de begrijpelijkheid van het hiervoor</para>
    <para>weergegeven oordeel van het hof. In dit licht wordt</para>
    <para>erover geklaagd dat uit de door het hof gebezigde</para>
    <para>bewijsmiddelen niet zou blijken dat tussen verzoeker en</para>
    <para>Van der Hoeven (feit 1) als ook tussen verzoeker en Van</para>
    <para>Rijswijck (feit 3) na de bewezenverklaarde gift nog enig</para>
    <para>contact zou zijn geweest.</para>
    <para>22. De hiervoor weergegeven klacht geeft blijk van een</para>
    <para>onjuiste rechtsopvatting van art. 362 Sr. Dat art. 362 Sr</para>
    <para>een beloning vooraf eist, en niet achteraf, zoals door de</para>
    <para>steller van het middel in dit verband wordt aangevoerd,</para>
    <para>staat hier geheel los van. Het gaat er immers gelet op de</para>
    <para>bewoordingen en bestanddelen van dat artikel om dat de</para>
    <para>ambtenaar - op het moment dat die de gift aanneemt - weet</para>
    <para>dat die gift hem is gedaan om in de toekomst iets te doen</para>
    <para>of na te laten. Zoals in de losbladige editie van het</para>
    <para>WvSr staat weergegeven, is niet noodzakelijk dat één qua</para>
    <para>tijd en plaats en verdere details nauwkeurig vaststaande</para>
    <para>handeling wordt beoogd.&amp;lt;(3) NLR aant. 2 op art. 362 Sr.</para>
    <para>&amp;gt; Hieruit volgt onder meer dat niet</para>
    <para>behoeft vast te staan dat het beoogde handelen of nalaten</para>
    <para>ook daadwerkelijk is gevolgd. Dit zou ook vreemd zijn.</para>
    <para>Immers, zou een ambtenaar, die vandaag een gift heeft</para>
    <para>aangenomen in de wetenschap dat zij hem wordt gedaan om</para>
    <para>in de toekomst iets te doen of na te laten, en die al na</para>
    <para>een week na de gift onvoorzien wordt ontslagen, niet</para>
    <para>vervolgd kunnen worden op grond van art. 362 Sr omdat de</para>
    <para>door de gever beoogde handeling niet is gevolgd? En zou</para>
    <para>een ambtenaar evenmin kunnen worden vervolgd voor</para>
    <para>handelen in strijd met art. 362 Sr omdat de beoogde</para>
    <para>handeling van de gever nog niet is gevolgd? In mijn</para>
    <para>optiek moeten deze vragen ontkennend beantwoord worden,</para>
    <para>zodat het middel op dit punt geen verdere bespreking</para>
    <para>behoeft.</para>
    <para>23. Zuiver ten overvloede wijs ik erop dat tussen</para>
    <para>verzoeker en Van der Houven (feit 1) na de</para>
    <para>bewezenverklaarde gift nog wel degelijk contact is</para>
    <para>geweest. Dit volgt uit de verklaring van Wouters dat Van</para>
    <para>der Houven hem heeft medegedeeld dat er, na de reis naar</para>
    <para>Aruba die van der Houven onder andere verzoeker en een</para>
    <para>andere gemeenteambtenaar heeft aangeboden "omdat ze hem</para>
    <para>in het zadel geholpen hadden" nog "regelmatig contact"</para>
    <para>tussen Van der Houven en verzoeker is geweest. Voorts</para>
    <para>heeft Wouters verklaard: "Van der Houven zei toen dat</para>
    <para>deze reis zeker niet onrendabel was geweest omdat hij na</para>
    <para>deze reis voor de B.V. gunstige projecten heeft kunnen</para>
    <para>realiseren" (bewijsmiddel 5).</para>
    <para>Voor het bewijs van de - veel belangrijker -</para>
    <para>"link" tussen de gift en het daarmee beoogde doel van de</para>
    <para>gever is van belang dat Van der Houven in dit verband</para>
    <para>heeft verklaard dat hij verzoeker uit "een commerciële</para>
    <para>reden" en "met een zuiver commercieel doel" op de reis</para>
    <para>naar Aruba heeft gefêteerd (bewijsmiddel 6) en dat hij</para>
    <para>zulks zag "als goodwill" (bewijsmiddel 8).</para>
    <para>Voor de "link" tussen de gift en het daarmee</para>
    <para>beoogde doel van de gever is - wat betreft feit 3 - van</para>
    <para>belang dat Van Rijswijck (feit 3) heeft verklaard dat hij</para>
    <para>de bevoordeling van verzoeker door de gift ter besparing</para>
    <para>op verzoekers keuken van ƒ 2500,- heeft gedaan met het</para>
    <para>oog op verzoekers positie bij de gemeente en uit</para>
    <para>"goodwill", uit een "oogpunt van acquisitie omdat</para>
    <para>verzoeker de naam van Van Rijswijck zou kunnen laten</para>
    <para>vallen bij projectontwikkelaars, de gronduitgifte van de</para>
    <para>gemeente en door hem nader aangeduide plannen</para>
    <para>(bewijsmiddel 15).</para>
    <para>24. Voorzover in cassatie erover wordt geklaagd dat het</para>
    <para>hof een bepaalde in een later stadium afgelegde</para>
    <para>verklaring van Van der Houven met betrekking tot de gift</para>
    <para>niet geloofwaardig heeft geacht, kan het middel niet tot</para>
    <para>cassatie leiden. Dit is een feitelijk, met de selectie</para>
    <para>van de bewijsmiddelen samenhangend, oordeel dat typisch</para>
    <para>tot het terrein van de feitenrechter behoort. Volgens</para>
    <para>vaste rechtspraak van de Hoge Raad is zo'n oordeel aan de</para>
    <para>feitenrechter voorbehouden en kan daarover in cassatie</para>
    <para>niet worden geklaagd, uitzonderingen daargelaten die zich</para>
    <para>hier niet voordoen.</para>
    <para>25. Voorzover tot slot - zonder enige nadere adstructie -</para>
    <para>erover wordt geklaagd dat met betrekking tot feit 4 uit</para>
    <para>de bewijsmiddelen niet kan worden opgemaakt dat Horyon</para>
    <para>verzoeker "een gift of belofte zou hebben gedaan waarvan</para>
    <para>verzoeker tot cassatie wist dat zij hem werd gedaan om</para>
    <para>hem te bewegen om zonder daardoor in strijd met zijn</para>
    <para>plicht in zijn bediening iets te doen of na te laten",</para>
    <para>acht ik de klacht te weinig specifiek om te bespreken.</para>
    <para>Overigens is deze weergave van de bewezenverklaring ook</para>
    <para>nog eens te veelomvattend.</para>
    <para>26. Het eerste middel faalt dus.</para>
    <para>27. Het tweede middel klaagt erover dat de door het hof</para>
    <para>gebezigde bewijsmiddelen voor feit 3 en 4 innerlijk</para>
    <para>tegenstrijdig zouden zijn omdat daaruit zou volgen dat</para>
    <para>bij verzoeker "maar liefst 2 aanrechtbladen zijn geleverd</para>
    <para>en geplaatst" in zijn "relatief kleine" nieuwe keuken.</para>
    <para>Ten aanzien van feit 3 zou de levering van "een</para>
    <para>keukenblad" blijken uit de voor het bewijs gebezigde</para>
    <para>"orderbevestiging van Van Nunen Keukens B.V.".</para>
    <para>28. Het middel mist feitelijke grondslag. Uit de hiervoor</para>
    <para>genoemde orderbevestiging kan niet worden opgemaakt dat</para>
    <para>"een keukenblad" zou zijn geleverd, maar hooguit dat een</para>
    <para>"keuken" is geleverd, alsmede kunststof plateaus voor de</para>
    <para>magnetron en twee steunen, een mengkraan, spoelbakken,</para>
    <para>verlichting en een krans- en lichtlijst.</para>
    <para>28. Het tweede middel kan dus niet tot cassatie leiden.</para>
    <para>29. Het derde middel berust op de stelling dat het hof</para>
    <para>een zwaardere straf heeft opgelegd dan door de procureur-</para>
    <para>generaal is gevorderd.</para>
    <para>30. Blijkens het proces-verbaal ter zitting van het hof</para>
    <para>van 13 oktober 1998 heeft de procureur-generaal aldaar</para>
    <para>gevorderd de bewezenverklaring van de feiten 2 primair, 3</para>
    <para>primair, 4 primair, 5 en 6 en daarvoor een</para>
    <para>gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, waarvan</para>
    <para>drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee</para>
    <para>jaar en een geldboete van ƒ 15.000,-, subsidiair 130</para>
    <para>dagen hechtenis geëist.</para>
    <para>31. Het hof heeft een straf opgelegd als hiervoor onder 1</para>
    <para>is weergegeven.</para>
    <para>32. Het middel mist feitelijke grondslag. In art. 9 Sr</para>
    <para>staat de relatieve zwaarte van de te onderscheiden</para>
    <para>straffen weergegeven. De door het hof opgelegde geldboete</para>
    <para>is als ingevolge hiervan reeds een lichtere straf dan de</para>
    <para>door de procureur-generaal gevorderde vrijheidsstraf. Het</para>
    <para>feit dat het hof bij zijn strafoplegging boven de</para>
    <para>eveneens gevorderde geldboete is gaan zitten, doet</para>
    <para>hieraan niet af. Evenmin doet hieraan af - zoals de</para>
    <para>steller van het middel onder aanhaling van HR NJ 1979,</para>
    <para>275 ook zelf al veronderstelt - de omstandigheid dat het</para>
    <para>hof geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid ex</para>
    <para>art. 27 lid 3 Sr, aangezien zulks in cassatie niet kan</para>
    <para>worden getoetst.</para>
    <para>33. De klacht tenslotte dat het hof niet op verzoekers</para>
    <para>draagkracht zou hebben gelet deelt hetzelfde lot, gezien</para>
    <para>'s hofs strafmotivering en zijn opnemen van art. 24c Sr</para>
    <para>onder de aangehaalde artikelen.</para>
    <para>34. Nu ik ambtshalve geen gronden tot cassatie heb</para>
    <para>aangetroffen, concludeer ik tot verwerping van het</para>
    <para>beroep.</para>
    <para>De Procureur-Generaal</para>
    <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>