<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2000:AA4871</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T12:23:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA4871</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2000-02-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C98/211HR</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2000:AA4871" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA4871</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001827&amp;artikel=177&amp;g=2000-02-18">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 177</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001827&amp;artikel=399&amp;g=2000-02-18">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 399</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001827&amp;artikel=401a&amp;g=2000-02-18">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 401a</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2000, 119</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2000, 352</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2000, 65</rdf:li>
          <rdf:li>JAR 2000/82</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA4871">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA4871</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:58:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2000:AA4871 Parket bij de Hoge Raad , 18-02-2000 / C98/211HR</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA4871:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA4871:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
  <parablock>
    <para>Rolnr. C 98/211</para>
    <para>Zitting 3 december 1999</para>
    <para>Conclusie mr Spier</para>
    <para>inzake</para>
    <para>CAAIB BOULABHAR</para>
    <para>(hierna: werknemer of</para>
    <para>Boulabhar)</para>
    <para>tegen</para>
    <para>1.   DE V.O.F. VAN STEYN</para>
    <para>&amp; ZN</para>
    <para>2.   J.M. VAN STEYN</para>
    <para>3.   J.A.M. VAN STEYN</para>
    <para>4.   R.M. VAN STEYN</para>
    <para>(hierna: Van Steyn)</para>
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para>1. Feiten</para>
    <para>1.1 Tussen Boulabhar en Van Steyn heeft een</para>
    <para>arbeidsovereenkomst bestaan. Op 18 december 1996 heeft</para>
    <para>Boulabhar het werk verlaten. Sedertdien heeft hij geen werk</para>
    <para>zaamheden meer voor Van Steyn verricht.</para>
    <para>1.2 Boulabhar heeft Van Steyn op 27 december 1996 bezocht.</para>
    <para>1.3 Van Steyn heeft werknemer bij brief van diezelfde datum be</para>
    <para>richt dat zij ervan uitgaat dat hij zijn werkzaamheden op 30</para>
    <para>december 1996 zal hervatten.</para>
    <para>1.4 Van Steyn heeft de regionaal directeur voor de Arbeids</para>
    <para>voorziening (RDA) verzocht toestemming te verlenen de arbeids</para>
    <para>overeenkomst met Boulabhar te beëindigen.</para>
    <para>1.5.1 Boulabhar heeft zich tegen dat verzoek verweerd. Hij</para>
    <para>stelt in zijn verweerschrift van 11 februari 1997 o.m.:</para>
    <para>"Ik wil nog steeds terug naar mijn werk onder voorwaarde</para>
    <para>dat ik ALLE mijn loonstrookjes van 1991 t/m 1996 krijg en</para>
    <para>over alle gewerkte dagen moet mijn werkgever met terug</para>
    <para>werkende kracht premies en belasting afdragen"</para>
    <para>1.5.2 De reactie van Boulabhar vervolgt (hetgeen door de</para>
    <para>Rechtbank niet is vastgesteld, doch uit de stukken blijkt)&amp;lt;(1) Ik vermeld dit gegeven omdat hetgeen onder 1.6 wordt</para>
    <para>geciteerd - en door de Rechtbank wél is vastgesteld -</para>
    <para>anders moeilijk te begrijpen is.</para>
    <para>&amp;gt;:</para>
    <para>"Ook laat ik u weten dat ik mijn werk op 24 februari 1997</para>
    <para>zal hervatten."</para>
    <para>1.6 Van Steyn heeft werknemer bij brief van 21 februari 1997</para>
    <para>o.m. meegedeeld:</para>
    <para>"Daar u mondeling heeft opgezegd delen wij u mede dat</para>
    <para>arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden met ingang</para>
    <para>van 30 december is ontbonden. U hoeft dus per 24-2-1997</para>
    <para>niet op de werkplek te verschijnen."</para>
    <para>1.7 De Kantonrechter te Leiden heeft de arbeidsovereenkomst</para>
    <para>ontbonden bij beschikking van 17 december 1997, met ingang van</para>
    <para>1 oktober 1997, zulks onder toekenning aan werknemer van een</para>
    <para>vergoeding van ƒ 10.000 bruto.</para>
    <para>1.8 Met het oog op het cassatieberoep, dat in het bijzonder</para>
    <para>steunt op een veelheid van feitelijke stellingen, voeg ik nog</para>
    <para>enkele gegevens toe die, naar ik uit de stukken afleid, tussen</para>
    <para>partijen in confesso zijn.</para>
    <para>1.9 Boulabhar heeft rond 4 april 1997 de bijstand van Mr De</para>
    <para>Boorder ingeroepen. Z.E.G. heeft de RDA bij brief van 4 april</para>
    <para>1997 o.m. bericht:</para>
    <para>"Cliënt is onverkort werkwillig."</para>
    <para>1.10 Bij brief van 10 april 1997 deelt Mr De Boorder aan Ruis,</para>
    <para>klaarblijkelijk de accountant van Van Steyn, mee:</para>
    <para>"Uit de mij ter beschikking staande stukken blijkt dat</para>
    <para>cliënt vanaf 18 december 1996 onverkort werkwillig is en</para>
    <para>zich op 30 december 1996 ter werkhervatting bij Uw</para>
    <para>cliënten heeft gemeld.</para>
    <para>Voor de goede orde bericht ik U nadrukkelijk dat cliënt</para>
    <para>onverkort werkwillig is en op de eerste afroep beschik</para>
    <para>baar is om zijn werkzaamheden te hervatten."</para>
    <para>1.11 De RDA heeft op 14 mei 1997 geweigerd toestemming te</para>
    <para>verlenen tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst.</para>
    <para>2. Procedureverloop</para>
    <para>2.1 Werknemer heeft zich op 9 juni 1997 gewend tot de Kanton</para>
    <para>rechter te Leiden. Hij vorderde doorbetaling van loon vanaf 27</para>
    <para>december 1996 tot aan het rechtsgeldige einde van de ar</para>
    <para>beidsovereenkomst, wedertewerkstelling en - zou hij door Van</para>
    <para>Steyn zijn ontslagen - nietig-verklaring van dit ontslag.</para>
    <para>2.2 Werknemer heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd</para>
    <para>dat hij door Van Steyn op 27 december 1996 van het werk is</para>
    <para>weggestuurd en, hoewel hij herhaaldelijk bij Van Steyn is</para>
    <para>langsgeweest, niet meer tot de werkplek is toegelaten.</para>
    <para>2.3 Van Steyn heeft zich tegen de vorderingen van werknemer</para>
    <para>verweerd. Zij stelde zich op het standpunt dat werknemer de</para>
    <para>werkplek uit vrije wil heeft verlaten en dat hij zijn werk</para>
    <para>zaamheden niet meer wilde hervatten.</para>
    <para>2.4 Van Steyn stelde voorts: Boulabhar heeft sedert 1991 op</para>
    <para>"ad hoc basis" gewerkt. De afspraak was dat hij op 17 december</para>
    <para>1996 zou overwerken. Die dag kwam hij na de avondpauze niet</para>
    <para>meer terug. Boulabhar is daar de volgende dag op aangesproken.</para>
    <para>Toen heeft hij de werkplek zonder nadere verklaring verlaten.</para>
    <para>Werknemer heeft Van Steyn op 27 en 28 december 1996 en begin</para>
    <para>januari 1997 bezocht. Hij werd vergezeld door een derde. Hij</para>
    <para>vroeg o.m. om afgifte van zijn jaaropgaven vanaf 1991; die</para>
    <para>konden hem niet direct worden verstrekt. Tevens werd namens</para>
    <para>Boulabhar gedreigd met een proces, "dat het bedrijf wel eens ƒ</para>
    <para>40.000 zou kunnen kosten". Werknemer zou het wel willen rege</para>
    <para>len voor ƒ 20.000 in contanten. Bij ieder bezoek aan Van Steyn</para>
    <para>is werknemer verzocht het werk te hervatten. Hij is hier niet</para>
    <para>op ingegaan. Werknemer is op 27 december 1996 per brief ge</para>
    <para>vraagd op 30 december 1996 het werk te hervatten. Werknemer is</para>
    <para>echter niet ver schenen. Werknemer heeft zich pas op 4 april</para>
    <para>1997 bereid verklaard zijn werk te hervatten. Die bereidverkla</para>
    <para>ring is vanwege de tijdsspanne tussen 18 december 1996 en 4</para>
    <para>april 1997 "volstrekt ongeloofwaardig" te achten, ook al omdat</para>
    <para>hij sedert februari 1997 elders werkzaam was.</para>
    <para>2.5 De Kantonrechter heeft de vorderingen van werknemer op 17</para>
    <para>december 1997 afgewezen.</para>
    <para>2.6 De Kantonrechter achtte het niet aannemelijk geworden dat</para>
    <para>werknemer in de periode van 27 december 1996 tot 1 oktober</para>
    <para>1997 "ooit daadwerkelijk zijn diensten heeft aangeboden</para>
    <para>beschikbaar is geweest voor arbeid" en noemde het standpunt</para>
    <para>van werknemer dat hij daadwerkelijk bereid was de bedongen</para>
    <para>arbeid te verrichten "volstrekt ongeloofwaardig". Werknemer</para>
    <para>zou dit standpunt, ondanks het verweer terzake van Van Steyn,</para>
    <para>op geen enkele wijze nader hebben onderbouwd. Naar het oordeel</para>
    <para>van de Kantonrechter was werknemer op 18 december 1996 "kenne</para>
    <para>lijk gewoon boos of beledigd weggelopen".</para>
    <para>2.7 Voorzover Van Steyn al in verzuim zou zijn geweest loon</para>
    <para>specificaties te verstrekken, stelde de Kantonrechter dat:</para>
    <para>"dit geen reden is om de arbeidsprestatie (met behoud van</para>
    <para>recht op loon) op te schorten, al was het maar omdat</para>
    <para>Boulabhar Van Steyn toen nog nimmer schriftelijk in</para>
    <para>gebreke had gesteld."</para>
    <para>2.8 De vordering tot wedertewerkstelling werd afgewezen omdat</para>
    <para>de arbeidsovereenkomst inmiddels (per 1 oktober 1997) was</para>
    <para>ontbonden; de nietig-verklaring werd afgewezen omdat "van een</para>
    <para>door Van Steyn gegeven ontslag niets is gesteld of gebleken".</para>
    <para>2.9 Werknemer heeft tegen dit vonnis beroep ingesteld bij de</para>
    <para>Rechtbank te 's-Gravenhage. Hij heeft in appèl zijn eis, strek</para>
    <para>kende tot weder-tewerkstelling, klaarblijkelijk ingetrokken.</para>
    <para>Hij heeft zijn vordering tot doorbetaling van loon gewijzigd,</para>
    <para>in dier voege dat aanspraak wordt gemaakt op loon vanaf 18</para>
    <para>december 1996 in plaats van 27 december 1996.</para>
    <para>2.10 Werknemer heeft in appèl twee grieven geformuleerd. In</para>
    <para>grief I maakte hij de Kantonrechter (kort samengevat) het</para>
    <para>verwijt op onjuiste gronden tot het oordeel te zijn gekomen,</para>
    <para>dat hij niet werkelijk bereid was de bedongen arbeid te ver</para>
    <para>richten, waarbij de Kantonrechter tevens ten onrechte zou</para>
    <para>hebben overwogen dat werknemer zich "niet onderbouwd werkwil</para>
    <para>lig heeft verklaard" (zie onder de derde subgrief).</para>
    <para>2.11 In grief II verwijt werknemer de Kantonrechter dat hij</para>
    <para>hem niet tot het bewijs van zijn stellingen heeft toegelaten.</para>
    <para>2.12 Van Steyn heeft verweer gevoerd. Zij voert - samengevat -</para>
    <para>aan dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de periode vóór</para>
    <para>en na 24 februari 1997. Voordien bestond de</para>
    <para>arbeidsovereenkomst nog, maar bestaat geen verplichting tot</para>
    <para>loonbetaling. Boulabhar was niet bereid te werken. Nadien is</para>
    <para>de arbeidsovereenkomst ten einde gekomen. Van Steyn leidt dit</para>
    <para>af uit haar brief van 21 februari 1997 waarin zij Boulabhar</para>
    <para>doet weten dat hij mondeling heeft opgezegd, ten gevolge</para>
    <para>waarvan de arbeidsovereenkomst "met ingang van 30 december</para>
    <para>1996 is ontbonden." "Dus", zo gaat de brief verder, behoeft</para>
    <para>hij "per 24-2-1997 niet op de werkplek te verschijnen"</para>
    <para>sub 8 e.v. en voor de opmerkelijke stellingname over de</para>
    <para>beëindiging sub 16, waar wordt aangegeven wat in de brief "natuur</para>
    <para>lijk" is bedoeld). Voor het geval het appèl zou leiden tot</para>
    <para>vernietiging van het vonnis van de Kantonrechter, heeft Van</para>
    <para>Steyn de Rechtbank verzocht de loonvordering naar analogie van</para>
    <para>artikel 7:680 lid 5 BW te matigen (mva onder 28 en 36).</para>
    <para>2.13.1 De Rechtbank heeft een tussenvonnis gewezen op 3 juni</para>
    <para>1998. Zij heeft, voorzover thans van belang, overwogen:</para>
    <para>"Nu vaststaat dat Boulabhar na 18 december 1996 niet meer</para>
    <para>voor de vof heeft gewerkt en hij niettemin doorbetaling</para>
    <para>van zijn loon heeft gevorderd, rust op hem de bewijslast</para>
    <para>van zijn stellingen. Hij heeft in hoger beroep aangeboden</para>
    <para>te bewijzen dat hij op 18 december 1996 van zijn werk is</para>
    <para>gestuurd, en dat hij vervolgens, ondanks zijn getoonde</para>
    <para>werkwilligheid, niet meer tot zijn werk is toegelaten. De</para>
    <para>rechtbank acht dit bewijsaanbod voldoende concreet, zodat</para>
    <para>zij Boulabhar tot bewijslevering zal toelaten" (rov 4.4)</para>
    <para>2.13.2 Het dictum van dit vonnis luidt:</para>
    <para>"- laat Boulabhar toe te bewijzen dat hij op 18 december</para>
    <para>van zijn werk is gestuurd, en dat hij vervolgens, ondanks</para>
    <para>zijn getoonde werkwilligheid, niet meer tot zijn werk is</para>
    <para>toegelaten."</para>
    <para>2.14 Boulabhar heeft tegen dit vonnis tijdig beroep in</para>
    <para>cassatie ingesteld. Van Steyn heeft verweer gevoerd.</para>
    <para>3. Bespreking van het middel</para>
    <para>3.1 Alvorens het middel te kunnen bespreken moet onder ogen</para>
    <para>worden gezien wat de betekenis is van rov. 3.2, waartegen geen</para>
    <para>klacht is gericht. Ik versta deze rov. aldus dat de Rechtbank</para>
    <para>heeft geconstateerd dat Boulabhar na 18 december 1996 niet</para>
    <para>meer heeft gewerkt, zonder een oordeel te geven over de vraag</para>
    <para>of dit het gevolg is van ontslag of het opstappen van</para>
    <para>Boulabhar. Deze interpretatie is in het bijzonder gestoeld op</para>
    <para>de omstandigheid dat de Rechtbank verderop (in rov 4.2)</para>
    <para>aangeeft dat partijen van mening verschillen over hetgeen die</para>
    <para>datum is voorgevallen; ook de bewijsopdracht wijst duidelijk</para>
    <para>in deze richting.</para>
    <para>3.2 Onderdeel 1 stelt dat het vonnis van de Rechtbank lijdt</para>
    <para>aan een motiveringsgebrek omdat de feitenvaststelling onjuist,</para>
    <para>althans onvolledig is. De Rechtbank zou hebben verzuimd een</para>
    <para>aantal feiten te vermelden, terwijl die feiten voor de beoor</para>
    <para>deling van de zaak wel van belang zouden zijn. Kennelijk</para>
    <para>strekt dit onderdeel ertoe te betogen dat sprake is van een</para>
    <para>motiveringsgebrek omdat de Rechtbank essentiële stellingen van</para>
    <para>werknemer onbesproken heeft gelaten.</para>
    <para>3.3 Alhoewel de Rechtbank op een aantal mogelijk relevante</para>
    <para>feiten niet is ingegaan, kan deze klacht niet tot cassatie</para>
    <para>leiden. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt</para>
    <para>uit het bepaalde in (thans) art. 399 Rv dat tegen een</para>
    <para>interlocutoir vonnis geen beroep in cassatie openstaat als de</para>
    <para>feitenrechter nog niet uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een</para>
    <para>beslissing heeft gegeven.&amp;lt;(2) Zie onder HR 9 maart 1956, NJ 1956, 159; HR 23 maart</para>
    <para>1956, NJ 1956, 267; HR 3 februari 1967, NJ 1968, 32 DJV</para>
    <para>en HR 12 juni 1970, NJ 1970, 388.&amp;gt; In dat geval kan evenmin worden</para>
    <para>geklaagd over een motiveringsgebrek.&amp;lt;(3) HR 23 maart 1956, NJ 1956, 267.&amp;gt;</para>
    <para>3.4 In zoverre is Boulabhar niet-ontvankelijk in zijn cassatie</para>
    <para>beroep. Voorzover de door werknemer gesignaleerde stellingen,</para>
    <para>na bewijslevering, van belang zouden zijn, zal de Rechtbank</para>
    <para>daaraan alsnog aandacht moeten schenken. Voorzover de</para>
    <para>stellingen van belang zijn voor de bewijslastverdeling, wordt</para>
    <para>daaraan aandacht besteed bij de bespreking van het derde</para>
    <para>onderdeel.</para>
    <para>3.5 Subonderdeel 1 van onderdeel 2 bouwt voort op de klacht</para>
    <para>zoals in onderdeel 1 geformuleerd; het is een inleiding op</para>
    <para>subonderdeel II. De klacht mist in zoverre zelfstandige</para>
    <para>betekenis.</para>
    <para>3.6 Subonderdeel II verwijt de Rechtbank in de eerste plaats</para>
    <para>de stellingen van Van Steyn onjuist te hebben weergegeven.</para>
    <para>Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is de uitleg van</para>
    <para>processtukken - behoudens ingeval die uitleg onbegrijpelijk is</para>
    <para>- van feitelijke aard en in cassatie onaantastbaar. De uitleg</para>
    <para>die de Rechtbank aan de stellingen van Van Steyn heeft gegeven</para>
    <para>is zeker niet onbegrijpelijk Daarop stuit deze klacht af.</para>
    <para>3.7 De tweede klacht die in subonderdeel II besloten ligt,</para>
    <para>heeft betrekking op de bewijsopdracht en de daaraan ten</para>
    <para>grondslag liggende rov. 4.4. De Rechtbank heeft werknemer</para>
    <para>uitdrukkelijk en zonder voorbehoud met het bewijs van zijn</para>
    <para>stellingen belast. Daarom staat tegen deze beslissing</para>
    <para>cassatieberoep open.&amp;lt;(4) HR 24 september 1993, NJ 1994, 226 rov 3 en HR 9</para>
    <para>oktober 1998, NJ 1999, 195, ARB rov 4. &amp;gt;</para>
    <para>3.8 Werknemer betoogt, kort samengevat, dat de Rechtbank hem</para>
    <para>ten onrechte voor de gehele periode van 18 december 1996 tot 1</para>
    <para>oktober 1997 heeft belast met het bewijs dat hij zich bereid</para>
    <para>heeft verklaard de bedongen arbeid te verrichten. De Rechtbank</para>
    <para>zou uit het oog hebben verloren dat hij onbetwist heeft</para>
    <para>gesteld (en aangetoond) dat hij zich meermalen schriftelijk</para>
    <para>bereid heeft verklaard de bedongen arbeid te verrichten. Hij</para>
    <para>acht het onbegrijpelijk dat hij dat nader zou moeten aantonen.</para>
    <para>3.9 Ter afwering van de loonvordering heeft Van Steyn -</para>
    <para>voorzover thans van belang - betoogd dat van een serieus</para>
    <para>aanbod van Boulabhar geen sprake was. Zij heeft in dat verband</para>
    <para>betoogd dat Boulabhar op herhaalde verzoeken om weer te komen</para>
    <para>werken niet is ingegaan.</para>
    <para>3.10.1 Waarom de Rechtbank Boulabhar bewijs opdraagt komt niet</para>
    <para>uit de verf. Tegen de achtergrond van zijn stellingen en de</para>
    <para>door hem overgelegde stukken - die op zich slechts ten dele</para>
    <para>door Van Steyn zijn bestreden - is voor een dergelijk oordeel</para>
    <para>slechts plaats als de stellingen van Boulabhar ongeloofwaardig</para>
    <para>worden geacht, bijvoorbeeld omdat het aanbod om weer te komen</para>
    <para>werken niet serieus valt te nemen. Deze stelling is door Van</para>
    <para>Steyn betrokken. Ook de Kantonrechter was die mening</para>
    <para>toegedaan. Mogelijk geldt hetzelfde voor de Rechtbank. Als de</para>
    <para>Rechtbank Boulabhar inderdaad op deze grond met het bewijs zou</para>
    <para>hebben belast, had zij dat oordeel moeten motiveren. Bij de</para>
    <para>bespreking van onderdeel 3 kom ik op deze kwestie terug.</para>
    <para>3.10.2 Volledigheidshalve merk ik over de kwestie van de</para>
    <para>aannemelijkheid van het relaas van Boulabhar nog het volgende</para>
    <para>op. De stellingen van beide partijen roepen, in elk geval bij</para>
    <para>mij, vragen op.</para>
    <para>3.10.3 Boulabhar heeft bijvoorbeeld onverenigbare stellingen</para>
    <para>betrokken over hetgeen 30 december 1996 zou zijn gebeurd (hij</para>
    <para>zou toen op het bedrijf zijn geweest en hebben verklaard weer</para>
    <para>aan de slag te willen, doch Van Steyn stelde geen prijs op</para>
    <para>zijn diensten&amp;lt;(5) Brief van Mr De Boorder van 4 april 1997 aan Arbeidsbu</para>
    <para>reau Lisse onder 8 en 9, prod. bij cvr. &amp;gt;; in de appèldagvaarding wordt gesteld dat</para>
    <para>Boulabhar niet meer weet wat er op 30 december 1996 is</para>
    <para>gebeurd; in de brief van Mr De Boorder van 24 april 1997 heet</para>
    <para>het dat Boulabhar 30 december 1996 bewust niet meer naar het</para>
    <para>bedrijf is gegaan omdat hij eerder was geweigerd&amp;lt;(6) Deze brief is gehecht aan de mvg.&amp;gt;).</para>
    <para>3.10.4 Van Steyn heeft weliswaar omstandig uiteengezet dat</para>
    <para>meermalen (ook na 27 december 1996) is aangedrongen op het aan</para>
    <para>de slag gaan van Boulabhar, maar dit is niet zonder meer te</para>
    <para>rijmen met de omstandigheid dat zij 2 januari 1997 een</para>
    <para>ontslagvergunning aanvraagt wegens de ernstig verstoorde</para>
    <para>arbeidsverhouding.&amp;lt;(7) De brief maakt onderdeel uit van prod. 10 bij mvg.&amp;gt;</para>
    <para>3.10.5 Het is uiteindelijk aan de feitenrechter om een oordeel</para>
    <para>te vellen over de aannemelijkheid en geloofwaardigheid van</para>
    <para>stellingen. Een oordeel daarover zal zich in het algemeen</para>
    <para>onttrekken aan toetsing in cassatie. De Rechtbank heeft</para>
    <para>evenwel geen enkel oordeel gegeven.</para>
    <para>3.11 Wellicht heeft de Rechtbank willen voortborduren op de</para>
    <para>eigen stellingen van Boulabhar dat over deze kwestie tot 4</para>
    <para>april 1997 "nog discussie mogelijk" was, waaruit zij mogelijk</para>
    <para>de conclusie heeft getrokken dat de latere brieven door Van</para>
    <para>Steyn als niet ernstig gemeend konden worden opgevat. Ook hier</para>
    <para>geldt evenwel dat het bestreden vonnis ten minste een</para>
    <para>aanknopingspunt moet bieden voor een dergelijk oordeel. Dat</para>
    <para>valt er niet in te lezen. De klacht van subonderdeel II houd</para>
    <para>ik daarom voor gegrond.</para>
    <para>3.12 Onderdeel 3 (blz. 11 t/m 19) herhaalt in de eerste plaats</para>
    <para>de hiervoor met betrekking tot subonderdeel II besproken</para>
    <para>klacht. De door het onderdeel breed uitgemeten feiten en in</para>
    <para>feitelijke aanleg betrokken stellingen zullen door de</para>
    <para>verwijzingsrechter moeten worden beoordeeld. Het onderdeel</para>
    <para>kaart deze goeddeels prematuur aan. In dit stadium behoeft er,</para>
    <para>zoals hiervoor bij de bespreking van onderdeel 1 aangegeven,</para>
    <para>niet op te worden ingegaan. Daarbij verdient nog opmerking dat</para>
    <para>de verschillende processtukken en de daaraan gehechte</para>
    <para>producties niet alle even duidelijk zijn, zodat er eens te</para>
    <para>meer reden is de uitleg ervan over te laten aan de</para>
    <para>feitenrechter.</para>
    <para>3.13 Voorts behelst het onderdeel een beschouwing over de</para>
    <para>vraag of de verhindering al of niet aan Van Steyn kan worden</para>
    <para>toegerekend (blz. 15). Ik heb daarin geen klacht kunnen</para>
    <para>ontwaren.</para>
    <para>3.14 Het onderdeel staat vervolgens stil bij het verweer van</para>
    <para>Van Steyn dat de door Boulabhar uitgesproken bereidheid om</para>
    <para>weer te komen werken niet serieus was (blz. 15 e.v.). Betoogd</para>
    <para>wordt dat Van Steyn zulks dient te bewijzen. In beginsel is</para>
    <para>die stelling juist, in elk geval in een situatie waarin de</para>
    <para>werknemer is ontslagen.&amp;lt;(8) HR 30 mei 1997, NJ 1997, 611 rov 3.3.2. &amp;gt; Op grond van de stellingen van</para>
    <para>partijen en de door hen in geding gebrachte stukken kan de</para>
    <para>rechter, in een voorkomend geval, tot de slotsom komen dat de</para>
    <para>werkgever een en ander voorshands zodanig aannemenlijk heeft</para>
    <para>gemaakt dat de bewijslast verschuift naar de werknemer. Voorts</para>
    <para>is voor de bewijslastverdeling van belang of Boulabhar is</para>
    <para>ontslagen&amp;lt;(9) Volgens het onderdeel (blz. 17) zou van ontslag geen</para>
    <para>sprake zijn. Zie ik het goed, dan is in de visie van</para>
    <para>werknemer sprake van een situatie die erg veel</para>
    <para>gelijkenis vertoont met ontslag. Reeds de dagvaarding</para>
    <para>(onder 3) vermeldt dat Boulabhar "buitengezet" is en</para>
    <para>dat hij niet meer tot zijn werk werd toegelaten. Hij</para>
    <para>vordert (dan ook) o.m. nietigverklaring van het</para>
    <para>ontslag. Hoe de feiten, indien geen sprake is van</para>
    <para>ontslag, rechtens zouden moeten worden geduid heeft</para>
    <para>Boulabhar niet duidelijk gemaakt.&amp;gt; of vrijwillig - en tot ongenoegen van Van Steyn,</para>
    <para>die heeft benadrukt dat er veel werk te doen viel - zijn</para>
    <para>werkzaamheden heeft beëindigd.&amp;lt;(10) In dit laatste geval ligt immers niet aanstonds voor</para>
    <para>de hand dat de werknemer, die te kennen heeft gegeven</para>
    <para>niet meer te willen werken, later tot andere gedachten</para>
    <para>komt. Voor dergelijke gevallen geldt m.i. nog steeds de</para>
    <para>regel van HR 1 februari 1952, NJ 1953, 366.&amp;gt; Aan de hand van alle</para>
    <para>stellingen en van de in geding gebrachte stukken zal de</para>
    <para>verwijzingsrechter opnieuw moeten beoordelen hoe de bewijslast</para>
    <para>ten deze moet worden verdeeld.</para>
    <para>3.15 Ten slotte voert het onderdeel nog aan dat van belang is</para>
    <para>1) dat het gaat om een buitenlandse werknemer die de</para>
    <para>Nederlandse taal niet goed machtig is, 2) dat Van Steyn</para>
    <para>tegenstrijdige stellingen heeft betrokken en 3) dat er in casu</para>
    <para>geen ontslag is (blz. 18/19). De Rechtbank zou deze stellingen</para>
    <para>ten onrechte geheel buiten beschouwing hebben gelaten.</para>
    <para>3.16 De onder 3.15 1) genoemde omstandigheid is in feitelijke</para>
    <para>aanleg nauwelijks aan de orde geweest. De Rechtbank kon er</para>
    <para>redelijkerwijs aan voorbijgaan, reeds omdat zich bij de</para>
    <para>stukken verschillende - volstrekt duidelijke en in het</para>
    <para>Nederlands gestelde - brieven van Boulabhar bevinden.</para>
    <para>3.17 De onder 3.15 2) weergegeven klacht voldoet niet aan de</para>
    <para>eisen van art. 407 lid 2 Rv.</para>
    <para>3.18 Hiervoor heb ik reeds aangegeven dat m.i. inderdaad van</para>
    <para>belang kan zijn of sprake is van een ontslag of niet</para>
    <para>(omstandigheid 3, zoals vermeld onder 3.15).</para>
    <para>3.19 Voorzover op blz. 19 nog een of meer omstandigheden</para>
    <para>worden vermeld waarmee rekening zou moeten worden gehouden, is</para>
    <para>onvoldoende duidelijk wat deze inhouden en waarom zij van</para>
    <para>belang zouden zijn.</para>
    <para>3.20 Onderdeel 3 bevat klachten die per saldo gegrond zijn. De</para>
    <para>Rechtbank heeft enkele van de daarin aan de orde gestelde</para>
    <para>stellingen niet besproken. Hierboven onder 3.14 en 3.18 heb ik</para>
    <para>trachten aan te geven dat zij zulks met het oog op de</para>
    <para>bewijslastverdeling wél had moeten doen.</para>
    <para>Conclusie</para>
    <para>Deze conclusie strekt tot vernietiging van het tussenvonnis</para>
    <para>van de Rechtbank.</para>
    <para>De Procureur-Generaal</para>
    <para>bij de Hoge Raad der Nederlan</para>
    <para>den,</para>
    <para>Advocaat-Generaal</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>