<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2000:AA4852</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T06:58:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA4852</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2000-02-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">1272</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_omgevingsrecht">Bestuursrecht; Omgevingsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2000:AA4852" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA4852</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 2001, 11</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2000, 418 met annotatie van P.C.E. van Wijmen</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2000, 47</rdf:li>
          <rdf:li>BR 2000, p. 429</rdf:li>
          <rdf:li>Module Ruimtelijke ordening 2000/5529</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA4852">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA4852</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:58:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2000:AA4852 Parket bij de Hoge Raad , 09-02-2000 / 1272</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA4852:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA4852:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
  <parablock>
    <para>Nr. 1272                          Mr. Ilsink</para>
    <para>Derde Kamer B                     Conclusie inzake:</para>
    <para>Onteigening                   1. Strijpse Kampen B.V.</para>
    <para>Zitting, 20 oktober 1999          2. Rhee-Bra C.V.</para>
    <para>3. Bouwbedrijf Van Rhee</para>
    <para>B.V.</para>
    <para>4. Francina Johanna Maria</para>
    <para>van Alphen                             5. Johannes</para>
    <para>Wilhelmus Cornelis Brands</para>
    <para>tegen</para>
    <para>1. de gemeente Eindhoven</para>
    <para>2. de gemeente Oirschot</para>
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para>1. Feiten en procesverloop</para>
    <para>1.1. Bij besluit van 7 april 1997, nr. 65, heeft de</para>
    <para>raad van de gemeente Eindhoven besloten ingevolge het</para>
    <para>bepaalde bij art. 77, eerste lid, onder 1°, van de</para>
    <para>Onteigeningswet (Ow.), ten behoeve van de uitvoering</para>
    <para>van het bestemmingsplan "PIROC-Strijpsche Kampen"&amp;lt;(1) Dit plan is op 24 juni 1996 vastgesteld door de</para>
    <para>van de gemeente Eindhoven, op 23 januari 1997</para>
    <para>goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant</para>
    <para>en op 4 mei 1998 onherroepelijk geworden.</para>
    <para>&amp;gt;, ten</para>
    <para>name van de gemeente onder meer te onteigenen de</para>
    <para>percelen, kadastraal bekend gemeente Woensel, sectie A,</para>
    <para>nrs. 4117 (grondplannr. 1; weiland; groot 05.77.00 ha),</para>
    <para>3704 (grondplannr. 2; weiland; groot 00.57.50 ha);  en</para>
    <para>3705 (grondplannr. 3; bouwland; groot 00.04.20 ha),</para>
    <para>staande ten name van eiseres tot cassatie sub 1 de</para>
    <para>besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
    <para>Strijpse Kampen B.V. (hierna: Strijpse Kampen). Bij</para>
    <para>Koninklijk Besluit van 10 oktober 1997, no. 97.004830,</para>
    <para>Stcrt. 5 november 1997, nr. 213 is voormeld</para>
    <para>raadsbesluit goedgekeurd.</para>
    <para>1.2. Bij besluit van 26 november 1996, nr. 145, heeft</para>
    <para>de raad van de gemeente Oirschot besloten ingevolge het</para>
    <para>bepaalde bij art. 77, eerste lid, onder 1°, Ow., ten</para>
    <para>behoeve van de uitvoering van het bestemmingsplan</para>
    <para>"PIROC-Strijpsche Kampen"&amp;lt;(2) Dit plan is op 28 mei 1996 vastgesteld door de</para>
    <para>van de gemeente Oirschot, op 19 december 1996</para>
    <para>goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant</para>
    <para>en op 4 mei 1998 onherroepelijk geworden.</para>
    <para>&amp;gt;, ten name van de gemeente</para>
    <para>onder meer te onteigenen het perceel, kadastraal bekend</para>
    <para>gemeente Oirschot, sectie E, nr. 1100 (grondplannr. 12;</para>
    <para>huis, tuin, weiland; groot 09.33.60 ha), staande ten</para>
    <para>name van eiseres tot cassatie sub 4, Francina Johanna</para>
    <para>Maria van Alphen (hierna: Van Alphen) en de percelen</para>
    <para>kadastraal bekend gemeente Oirschot, sectie E, nrs. 755</para>
    <para>(grondplannr. 13; bouwland; groot 00.04.60 ha) en 1099</para>
    <para>(grondplannr. 18; bouwland, weiland; groot 06.83.25</para>
    <para>ha), staande ten name van eiser tot cassatie sub 5</para>
    <para>J.W.C. Brands (hierna: Brands). Bij Koninklijk Besluit</para>
    <para>van 30 juni 1997, no. 97.003107, Stcrt. 18 juli 1997,</para>
    <para>nr. 135 is voormeld raadsbesluit in zoverre</para>
    <para>goedgekeurd.</para>
    <para>1.3. Bij exploit van 19 oktober 1998 heeft de gemeente</para>
    <para>Eindhoven Strijpse Kampen  doen dagvaarden voor de</para>
    <para>rechtbank te `s-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) en</para>
    <para>onder meer gevorderd te harer name vervroegd de</para>
    <para>onteigening uit te spreken van de onder 1.1 vermelde</para>
    <para>onroerende zaken.</para>
    <para>1.4. Bij exploiten van 19 oktober 1998 heeft de</para>
    <para>gemeente Oirschot Brands en Van Alphen doen dagvaarden</para>
    <para>voor de rechtbank en onder meer gevorderd te harer name</para>
    <para>vervroegd de onteigening uit te spreken van de onder</para>
    <para>1.2. vermelde onroerende zaken.</para>
    <para>1.5. Bij vonnis van 26 maart 1999 heeft de rechtbank:</para>
    <para>&amp;lt;</para>
    <para>?</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>- in de zaken tussen de gemeente Eindhoven en Strijpse</para>
    <para>Kampen (rolnummer 31228 / HA ZA 98-2542), tussen de</para>
    <para>gemeente Oirschot en Van Alphen (rolnummer 31229 / HA</para>
    <para>ZA 98-2543) en tussen de gemeente Oirschot en Brands</para>
    <para>(rolnummer 31230 / HA ZA 98-2544) het verzoek van</para>
    <para>eiseres tot cassatie sub 2 de commanditaire</para>
    <para>vennootschap Rhee-Bra C.V. (hierna: Rhee-Bra C.V.) en</para>
    <para>van eiseres tot cassatie sub 3 de besloten vennootschap</para>
    <para>met beperkte aansprakelijkheid Bouwbedrijf Van Rhee</para>
    <para>B.V. (hierna: Van Rhee B.V.), beherend vennote van</para>
    <para>Rhee-Bra C.V., om in het onteigeningsgeding te mogen</para>
    <para>tussenkomen, afgewezen;</para>
    <para>- in de zaken met de rolnummers 31229 / HA ZA 98-2543</para>
    <para>en 31230 / HA ZA 98-2544 Strijpse Kampen als</para>
    <para>tussenkomende partij toegelaten;</para>
    <para>- de voeging wegens verknochtheid bevolen van de drie</para>
    <para>zaken;</para>
    <para>- de onteigening uitgesproken van de hiervóór onder 1.1</para>
    <para>en 1.2 vermelde percelen;</para>
    <para>- in de zaak 31228 / HA ZA 98-2542 het voorschot op de</para>
    <para>schadeloosstelling voor Strijpse Kampen bepaald op ƒ</para>
    <para>517.671,--;</para>
    <para>- in de zaak 31229 / HA ZA 98-2543 de voorschotten op</para>
    <para>de schadeloosstelling voor onderscheidenlijk Van</para>
    <para>Alphen, Strijpse Kampen en de huurder Teunissen bepaald</para>
    <para>op ƒ 157.571,10, ƒ 1.460.259,-- en ƒ 12.960;</para>
    <para>- in de zaak 31230 / HA ZA 98-2544 het voorschot op de</para>
    <para>schadeloosstelling voor Strijpse Kampen bepaald op</para>
    <para>ƒ557.158,50; en</para>
    <para>- in alledrie de zaken dezelfde drie deskundigen en een</para>
    <para>rechter-commissaris benoemd.</para>
    <para>1.6. Tegen dit vonnis hebben eisers tot cassatie beroep</para>
    <para>in cassatie ingesteld, onder aanvoering van twee met</para>
    <para>Romeinse cijfers genummerde cassatiemiddelen.</para>
    <para>1.7. De gemeenten Eindhoven en Oirschot hebben</para>
    <para>voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld,</para>
    <para>onder aanvoering van één middel.</para>
    <para>1.8. Partijen hebben hun onderscheiden standpunten ter</para>
    <para>zitting van Uw Raad van 9 juli 1999 schriftelijk doen</para>
    <para>toelichten, waarna eisers tot cassatie ter zitting van</para>
    <para>13 augustus 1999 nog hebben gerepliceerd.</para>
    <para>1.9. Heden neem ik ook mijn conclusie in de</para>
    <para>soortgelijke zaken die bij Uw Raad onder de nrs. 1273</para>
    <para>tot en met 1276 zijn geregistreerd. Er zitten geen</para>
    <para>wezenlijke verschillen in de conclusies; voorzover er</para>
    <para>verschillen zijn, met name in de onderdelen 3 en 4,</para>
    <para>vinden die hun verklaring in verschillen in de</para>
    <para>feitelijke constellatie.</para>
    <para>2. De ontvankelijkheid van Rhee-Bra C.V. en Van Rhee</para>
    <para>B.V. in het cassatieberoep</para>
    <para>2.1. In hun schriftelijke toelichting van 9 juli 1999</para>
    <para>hebben de gemeenten betoogd dat  Rhee-Bra C.V. en Van</para>
    <para>Rhee B.V. niet in hun cassatieberoep kunnen worden</para>
    <para>ontvangen, omdat de rechtbank hun verzoeken om in de</para>
    <para>onteigeningsgedingen te mogen tussenkomen heeft</para>
    <para>afgewezen, op de grond dat zij geen derde-</para>
    <para>belanghebbenden zijn in de zin van art. 3, tweede lid,</para>
    <para>Ow.</para>
    <para>2.2. Dat is niet juist. De rechtbank heeft de verzoeken</para>
    <para>van Rhee-Bra C.V. en van Van Rhee B.V. om in de</para>
    <para>onteigeningsgedingen te mogen tussenkomen afgewezen, op</para>
    <para>de grond dat zich in dit geval de situatie van</para>
    <para>"tegenspraak der hoedanigheid" als bedoeld in art. 3,</para>
    <para>derde lid, Ow. voordoet. Daartoe heeft de rechtbank</para>
    <para>overwogen dat uit akten van (inbreng en) levering d.d.</para>
    <para>22 januari 1999 weliswaar blijkt dat Rhee-Bra C.V. een</para>
    <para>onverdeeld aandeel heeft verkregen in (een of meer van)</para>
    <para>de daarin genoemde in het geding zijnde percelen, doch</para>
    <para>dat van de inschrijving van de notariële akten in de</para>
    <para>daartoe bestemde openbare registers, benodigd voor de</para>
    <para>voltooiing van de voor de overdracht van onroerende</para>
    <para>zaken vereiste levering, geen bewijs is overgelegd,</para>
    <para>zodat, gelet op de betwisting door de gemeenten, niet</para>
    <para>in rechte vast staat dat Rhee-Bra C.V. mede-eigenaar is</para>
    <para>geworden van de te onteigenen percelen.</para>
    <para>2.3. Niettemin zal ik ambtshalve moeten onderzoeken of</para>
    <para>de exceptie van niet-ontvankelijkheid opgaat. Hoewel de</para>
    <para>exceptie niet bij conclusie van antwoord is</para>
    <para>voorgedragen, zoals bij art. 411, tweede lid, Rv. is</para>
    <para>voorgeschreven, ga ik ervan uit dat het hier een grond</para>
    <para>van niet-ontvankelijkheid betreft die van openbare orde</para>
    <para>is.&amp;lt;(3) Vgl. Veegens/Korthals Altes/Groen, Cassatie, derde</para>
    <para>druk (1989), § 143.</para>
    <para>&amp;gt; In wezen betogen de gemeenten immers dat Rhee-Bra</para>
    <para>C.V. en Van Rhee B.V. geen partij zijn bij het</para>
    <para>onteigeningsgeding.</para>
    <para>2.4. Bij art. 3, derde lid, Ow. is bepaald dat bij</para>
    <para>tegenspraak van de hoedanigheid van eigenaar,</para>
    <para>rechthebbende of derde belanghebbende, de onteigening</para>
    <para>met de overigen wordt voortgezet, en hij, die beweert</para>
    <para>gerechtigde te zijn, zijn recht alleen op de</para>
    <para>schadevergoeding zal kunnen uitoefenen, die in dat</para>
    <para>geval wordt geconsigneerd overeenkomstig de Wet op de</para>
    <para>consignatie van gelden.&amp;lt;(4) In de onderhavige zaken heeft de rechtbank consignatie</para>
    <para>van een gedeelte van de schadeloosstelling achterwege</para>
    <para>gelaten, aangezien partijen zich niet hebben uitgelaten</para>
    <para>over het te consigneren bedrag, het belang van</para>
    <para>interveniënten gering is en Strijpse Kampen</para>
    <para>commanditair vennoot is van Rhee-Bra C.V.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>2.5. In HR 28 augustus 1934, NJ 1934, blz. 1689, m. nt.</para>
    <para>E.M.M. overwoog Uw Raad:</para>
    <para>" (blz. 1692) O. dat de gemeente</para>
    <para>ontvankelijkheid van het door de Vries Lentsch</para>
    <para>tegen de(?) uitspraak[, waarbij de rechtbank de</para>
    <para>onteigening heeft uitgesproken met vaststelling</para>
    <para>van het bedrag der schadevergoeding en bepaling</para>
    <para>dat dat bedrag zal worden geconsigneerd]</para>
    <para>ingestelde beroep in cassatie bestrijdt op grond,</para>
    <para>dat hij daarbij niet partij is, nu de door hem</para>
    <para>beweerde hoedanigheid van eigenaar van de te</para>
    <para>onteigenen percelen is tegengesproken;</para>
    <para>dat dit verweer moet worden verworpen;</para>
    <para>(?)</para>
    <para>dat uit de geschiedenis der wet blijkt, dat de</para>
    <para>bedoeling van [art. 3, derde lid, Ow.] niet is om</para>
    <para>[een] derde [die verzoekt op grond van eenig recht</para>
    <para>op het goed in het geding te mogen tusschenkomen]</para>
    <para>te beletten in het geding tot onteigening te</para>
    <para>blijven waken tegen krenking van de door hem</para>
    <para>beweerde rechten op het goed, doch alleen om ter</para>
    <para>voorkoming van vertraging daarin elk onderzoek</para>
    <para>naar het bestaan dier betwiste rechten uit te</para>
    <para>sluiten;</para>
    <para>dat dan ook in aansluiting hieraan de artt. 35</para>
    <para>en volgende der wet hem, wiens beweerd recht op</para>
    <para>het te onteigenen goed is tegengesproken,</para>
    <para>desondanks rangschikken onder de belanghebbenden</para>
    <para>en toelaten tot uitoefening van zekere</para>
    <para>bevoegdheden, gelijk in het onderhavige geval de</para>
    <para>Vries Lentsch zijn bezwaren tegen het advies der</para>
    <para>deskundigen heeft ingebracht, ter terechtzitting</para>
    <para>heeft geconcludeerd en zijn conclusieën bij</para>
    <para>pleidooi heeft ontwikkeld;</para>
    <para>dat de Vries Lentsch dus deel genomen heeft aan</para>
    <para>het voor de Rechtbank gevoerde geding, dat geleid</para>
    <para>heeft tot een vonnis, waarbij in strijd met zijn</para>
    <para>conclusieën de onteigening is uitgesproken van</para>
    <para>perceelen, waarvan hij beweert eigenaar te zijn en</para>
    <para>waarbij de schadevergoeding is vastgesteld op een</para>
    <para>naar zijn stellingen te laag bedrag;</para>
    <para>dat daarom ook voor hem het beroep in cassatie</para>
    <para>open staat tegen dit vonnis, dat beslist over</para>
    <para>rechten, die alsnog kunnen blijken de zijne te</para>
    <para>zijn, en het voor de bescherming van zijn -</para>
    <para>mogelijk - recht noodzakelijk rechtsmiddel hem</para>
    <para>niet mag worden onthouden, alleen omdat een - niet</para>
    <para>onberispelijke woordenkeus der [Ow.] den naam van</para>
    <para>"partij" slechts schijnt te willen geven, behalve</para>
    <para>aan eischer en gedaagde, aan die deelnemers aan</para>
    <para>het onteigeningsgeding, wier beweerd recht op het</para>
    <para>goed niet wordt tegengesproken;  dat toch uit die</para>
    <para>woordenkeus niet blijkt van een bedoeling om - in</para>
    <para>strijd met redelijkheid en eigen stelsel der wet -</para>
    <para>den kring van hen, voor wie de voorziening in</para>
    <para>cassatie openstaat, te beperken, terwijl ook in de</para>
    <para>artikelen der [Ow.], die de cassatie regelen,</para>
    <para>niets wordt aangetroffen, dat wijst op een</para>
    <para>beperking van het rechtsmiddel tot hen, die deze</para>
    <para>wet partijen noemt"&amp;lt;(5) Zie over dit arrest uitvoerig H.J.M. van Mierlo</para>
    <para>Onteigening, eigendomsbeperking en kostenverhaal, Bijz.</para>
    <para>deel I.B. III, §§ 25 en 33, en W. Wijting, Een studie</para>
    <para>tot hervorming van het onteigeningsprocesrecht, diss.</para>
    <para>RUU (1984), blzz. 530-535.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>2.6. Voormeld arrest uit 1934 betrof een eindvonnis als</para>
    <para>bedoeld in art. 37, tweede lid, Ow. In het onderhavige</para>
    <para>geval hebben wij te maken met een vonnis waarbij de</para>
    <para>vervroegde onteigening is uitgesproken. In hoeverre</para>
    <para>kunnen nu aan dat arrest aanknopingspunten worden</para>
    <para>ontleend voor de beantwoording van de vraag of  Rhee-</para>
    <para>Bra C.V. en Van Rhee B.V. partij waren bij het geding</para>
    <para>tot vervroegde onteigening?</para>
    <para>2.7. Rhee-Bra C.V. en Van Rhee B.V. hebben niet</para>
    <para>deelgenomen en ook niet kunnen deelnemen aan het voor</para>
    <para>de rechtbank gevoerde geding. De Ow. biedt hun de</para>
    <para>mogelijkheid aan de rechtbank te verzoeken in het</para>
    <para>onteigeningsgeding te mogen tussenkomen, maar indien de</para>
    <para>rechtbank dat verzoek afwijst, zijn hun processuele</para>
    <para>mogelijkheden in het geding tot vervroegde onteigening</para>
    <para>voor de rechtbank uitgeput&amp;lt;(6) Tegen het vonnis waarbij het verzoek tot tussenkomst</para>
    <para>wordt afgewezen, staat uiteraard wel cassatieberoep</para>
    <para>open. Zie bijvoorbeeld HR 31 januari 1996, NJ 1996,</para>
    <para>615, m. nt. MB.</para>
    <para>&amp;gt;. Op hetgeen verzoeksters tot</para>
    <para>tussenkomst anders dan ter staving van hun verzoek tot</para>
    <para>tussenkomst hebben aangevoerd, kon de rechtbank</para>
    <para>derhalve geen acht slaan. Hoezeer ook voor Rhee-Bra</para>
    <para>C.V. en Van Rhee B.V geldt dat het thans bestreden</para>
    <para>vonnis beslist over rechten, die alsnog kunnen blijken</para>
    <para>de hunne te zijn, kan dus niet worden gezegd dat zij</para>
    <para>partij waren bij het geding tot vervroegde onteigening.</para>
    <para>2.8. De conclusie is dat Rhee-Bra C.V. en Bouwbedrijf</para>
    <para>Van Rhee B.V. niet in hun cassatieberoep kunnen worden</para>
    <para>ontvangen.</para>
    <para>Beoordeling van het principaal cassatieberoep</para>
    <para>3. Cassatiemiddel I</para>
    <para>3.1. Dit middel richt zich tegen hetgeen de rechtbank</para>
    <para>met betrekking tot de noodzaak van de onteigening heeft</para>
    <para>overwogen op de blzz. 12 en 13 (in de zaak met</para>
    <para>rolnummer 31228 / HA ZA 98-2542),  24 en 25 (in de zaak</para>
    <para>met rolnummer 31229 / HA ZA 98-2543), en 36 en 37 (in</para>
    <para>de zaak met rolnummer 31230 / HA ZA 98-2544) van het</para>
    <para>bestreden vonnis. De overwegingen zijn in alledrie de</para>
    <para>zaken nagenoeg gelijkluidend; dat geldt ook voor het</para>
    <para>middel.</para>
    <para>3.2. De rechtbank heeft overwogen dat reeds in de</para>
    <para>procedure voorafgaande aan het onteigeningsgeding op</para>
    <para>het punt van de noodzaak tot onteigening bezwaren naar</para>
    <para>voren zijn gebracht, maar dat uit de eigen stellingen</para>
    <para>van thans eisers tot cassatie blijkt dat destijds geen</para>
    <para>sprake was van enige reële mogelijkheid tot</para>
    <para>zelfrealisatie - zij spreken in dit verband van een</para>
    <para>inmiddels volledig gewijzigde situatie - zodat er in</para>
    <para>zoverre alleszins noodzaak was tot onteigening en de</para>
    <para>overheid aldus in redelijkheid tot het</para>
    <para>onteigeningsbesluit kon komen. De rechtbank is van</para>
    <para>oordeel dat de vraag of in het onteigeningsgeding nog</para>
    <para>ruimte is voor een afwijzing van de gevorderde</para>
    <para>onteigening op de grond dat de gedaagde partij - samen</para>
    <para>met anderen - de bestemming zelf kan realiseren, alleen</para>
    <para>positief kan worden beantwoord indien er op basis van</para>
    <para>de voorhanden gegevens geen redelijke twijfel is over</para>
    <para>de mogelijkheid voor de gedaagde partij om - samen met</para>
    <para>anderen - de bestemming zelf te realiseren. In dat</para>
    <para>geval is de gevorderde onteigening niet rechtmatig,</para>
    <para>althans ontbreekt daaraan elk redelijk belang, aldus de</para>
    <para>rechtbank.</para>
    <para>Vervolgens stelt de rechtbank vast dat eisers tot</para>
    <para>cassatie sub 1, 4 en 5 niet de noodzakelijke details</para>
    <para>geven over de exacte mogelijkheden tot zelfrealisatie</para>
    <para>en de praktische uitvoering daarvan en dat de gemeente</para>
    <para>gemotiveerd heeft bestreden dat zelfrealisatie een</para>
    <para>reële mogelijkheid is. Zij kan zich op basis hiervan in</para>
    <para>feite geen goed oordeel vormen over de vraag of eisers</para>
    <para>tot cassatie sub 1, 4 en 5 in samenwerking met Rhee-Bra</para>
    <para>en met anderen inderdaad technisch, financieel en</para>
    <para>praktisch tot zelfrealisatie van de op grondeigendommen</para>
    <para>waar het om gaat rustende bestemming in staat zijn. De</para>
    <para>rechtbank acht een nader tijdrovend feitenonderzoek</para>
    <para>door middel van bewijslevering op dit punt in strijd</para>
    <para>met de spoed die in een onteigeningsprocedure betracht</para>
    <para>dient te worden.</para>
    <para>Op grond van het voorafgaande beantwoordt de</para>
    <para>rechtbank voormelde vraag ontkennend.</para>
    <para>3.3. Het middel klaagt er over dat de rechtbank ten</para>
    <para>onrechte heeft geoordeeld dat de vraag of in het</para>
    <para>onteigeningsgeding nog ruimte is voor een afwijzing van</para>
    <para>de gevorderde onteigening op de grond dat de gedaagde</para>
    <para>partij - samen met anderen - de bestemming zelf kan</para>
    <para>realiseren, alleen positief kan worden beantwoord</para>
    <para>indien er op basis van de voorhanden gegevens geen</para>
    <para>redelijke twijfel is over de mogelijkheid voor de</para>
    <para>gedaagde partij - samen met anderen - zelf de</para>
    <para>bestemming te realiseren. Geen rechtsregel zou zich</para>
    <para>verzetten tegen feitenonderzoek door middel van</para>
    <para>bewijslevering in een onteigeningsprocedure. De</para>
    <para>overweging dat een nader tijdrovend feitenonderzoek</para>
    <para>door middel van bewijslevering van de gestelde</para>
    <para>mogelijkheid tot zelfrealisatie in strijd is met de</para>
    <para>spoed die in een onteigeningsprocedure betracht dient</para>
    <para>te worden, is volgens eisers tot cassatie zonder nadere</para>
    <para>redengeving onbegrijpelijk.</para>
    <para>3.4. In het KB van 10 oktober 1997 overwoog de Kroon</para>
    <para>naar aanleiding van de door eisers tot cassatie sub 1,</para>
    <para>4 en 5 tegen het raadsbesluit naar voren gebrachte</para>
    <para>bedenkingen onder meer:</para>
    <para>"(Stcrt. 1997, 213, blz. 11, eerste kolom) (?) Met</para>
    <para>betrekking tot de bedenking van de reclamanten,</para>
    <para>dat zij zelf tot verwezenlijking van het</para>
    <para>bestemmingsplan wil[len] overgaan, merken Wij op,</para>
    <para>dat(?) hun gronden in het bestemmingsplan zijn</para>
    <para>gelegen binnen de bestemmingen 'Militaire</para>
    <para>doeleinden en bos, zone B' en</para>
    <para>'Natuurontwikkelingsgebied'. Binnen zone B wordt</para>
    <para>gestreefd naar een zodanige aanleg en behoud van</para>
    <para>bos of anderszins natuurlijke terreintypen, dat er</para>
    <para>sprake is van een groene aankleding en</para>
    <para>ondersteuning van ecologische functies in de</para>
    <para>omgeving. Voorts worden binnen deze zone verharde</para>
    <para>wegen aangelegd. Mede gelet op de onderlinge</para>
    <para>samenhang van de in het plangebied uit te voeren</para>
    <para>werkzaamheden kan naar Ons oordeel van een zelf</para>
    <para>verrichten van werkzaamheden door de reclamanten</para>
    <para>uit een oogpunt van een doelmatige realisering van</para>
    <para>het bestemmingsplan geen sprake zijn."</para>
    <para>In het KB van 30 juni 1997 overwoog de Kroon naar</para>
    <para>aanleiding van de door eisers tot cassatie sub 1, 4 en</para>
    <para>5 tegen het raadsbesluit naar voren gebrachte</para>
    <para>bedenkingen onder meer:</para>
    <para>"(Stcrt. 1997, 135, blz. 15, tweede kolom) (?)</para>
    <para>Voor de beoordeling van de bedenkingen inzake de</para>
    <para>bereidheid zelf tot verwezenlijking van de</para>
    <para>bestemmingen over te gaan verwijzen Wij naar</para>
    <para>hetgeen Wij overwogen hebben bij soortgelijke</para>
    <para>bedenkingen van de reclamante onder b."</para>
    <para>en bij bedoelde bedenkingen van reclamante onder b:</para>
    <para>"(blz. 14, vierde kolom) (?) Mede gelet</para>
    <para>onderlinge samenhang van de in het plangebied uit</para>
    <para>te voeren werkzaamheden en de beperkte omvang van</para>
    <para>de eigendommen van de reclamante ten opzichte van</para>
    <para>het gehele plangebied kan naar Ons oordeel van een</para>
    <para>zelf verrichten van werkzaamheden door de</para>
    <para>reclamante uit een oogpunt van een doelmatige</para>
    <para>realisering van het bestemmingsplan geen sprake</para>
    <para>zijn."</para>
    <para>3.5. In hun conclusie(s) van antwoord voor de rechtbank</para>
    <para>d.d. 11 december 1998  hebben eisers tot cassatie sub</para>
    <para>1, 4 en 5 aangevoerd:</para>
    <para>"16. [D]e [onder 3.4. geciteerde] overwegingen</para>
    <para>[zijn] achterhaald omdat er thans een verbond is</para>
    <para>binnen Rhee-Bra van 50 ha gronden van eigenaren</para>
    <para>die ook voor een groot gedeelte nagenoeg</para>
    <para>aaneengesloten liggen en bovendien bestaan er</para>
    <para>middels Bouwbedrijf Van Rhee B.V. voldoende</para>
    <para>mogelijkheden en technische kennis om het geheel</para>
    <para>te kunnen uitvoeren. Het bouwbedrijf heeft reeds</para>
    <para>informatie gevraagd bij het Ministerie van</para>
    <para>Defensie [in] de persoon van Kolonel Ir. C. van</para>
    <para>den Dungen zoals blijkt uit bijgaand schrijven van</para>
    <para>9 november 1998 (?) .</para>
    <para>17. Bouwbedrijf Van Rhee B.V. alsmede de Beheer-</para>
    <para>en Beleggingsmaatschappij Van Rhee B.V. tezamen</para>
    <para>met de Strijpse Kampen B.V. en de overige</para>
    <para>inbrengende eigenaren beschikken over voldoende</para>
    <para>financiële middelen, de gronden en technische</para>
    <para>middelen en mogelijkheden om de door de overheid</para>
    <para>voorgestane planuitvoering binnen de door de</para>
    <para>overheid gestelde termijnen en voorwaarden en</para>
    <para>voorschriften te realiseren. Gedaagden zijn dan</para>
    <para>ook bereid om binnen het door de overheid te</para>
    <para>stellen kader het bestemmingsplan te realiseren.</para>
    <para>Er bestaat derhalve voor de gemeente gelet op de</para>
    <para>mogelijkheid van zelfrealisatie geen enkele</para>
    <para>noodzaak tot onteigening."</para>
    <para>Voorts hebben eisers tot cassatie sub 1, 4 en 5 bewijs</para>
    <para>aangeboden, in het bijzonder door middel van het horen</para>
    <para>van getuigen, van hun stelling dat zij in staat zijn</para>
    <para>het bestemmingsplan zelf te realiseren (zie onderdeel</para>
    <para>23 van de conclusie(s) van antwoord).</para>
    <para>3.6. Uit de hiervoor geciteerde overwegingen van de</para>
    <para>onteigenings-KB`s blijkt dat  eisers tot cassatie sub</para>
    <para>1, 4 en 5 hun bezwaar dat zij zelf tot verwezenlijking</para>
    <para>van het bestemmingsplan willen overgaan niet voor het</para>
    <para>eerst in het onteigeningsgeding naar voren hebben</para>
    <para>gebracht. De beoordeling van dit bezwaar noopte de raad</para>
    <para>van de gemeente Eindhoven, die van de gemeente Oirschot</para>
    <para>en de Kroon tot een belangenafweging. De</para>
    <para>onteigeningsrechter mag die belangenafweging slechts</para>
    <para>marginaal toetsen. Voorts mag de onteigeningsrechter</para>
    <para>zich niet over die belangenafweging uitlaten naar</para>
    <para>aanleiding van feiten en omstandigheden, die de raad</para>
    <para>en/of de Kroon niet bekend waren. Dat zou de</para>
    <para>onteigeningsrechter immers op de stoel van het bestuur</para>
    <para>zetten.&amp;lt;(7) Zie onderdeel 2.2.13 van de conclusie van de A-G Loeb</para>
    <para>voor HR 2 april 1997, NJ 1997, 730, m. nt. P.C.E. van</para>
    <para>Wijmen, BR 1997, blz. 770, m. nt. E. van der Schans</para>
    <para>(Semler/Assen).</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>3.7. In het onteigeningsgeding hebben eisers tot</para>
    <para>cassatie sub 1, 4 en 5 hun bezwaar met nieuwe</para>
    <para>stellingen onderbouwd. Zoals gezegd mag de</para>
    <para>onteigeningsrechter daar in beginsel geen acht op</para>
    <para>slaan. Waarom heeft de rechtbank dat dan wel gedaan?</para>
    <para>Misschien heeft de rechtbank zich (mede) laten leiden</para>
    <para>door de vonnissen van de rechtbank te `s-Hertogenbosch</para>
    <para>van 12 mei 1989, NJ 1990, 490 (Helmond/Van Mullekom) en</para>
    <para>van de rechtbank te Arnhem van 28 maart 1996, nr. ON</para>
    <para>1995/1041 (Nijkerk/Van Hell en Landman en Bouwfonds</para>
    <para>Woningbouw B.V.), waarvan ik de relevante overwegingen</para>
    <para>heb geciteerd in de onderdelen 3.4 en 3.5 van mijn</para>
    <para>conclusie voor HR 30 september 1998, NJ 1999, 411, m.</para>
    <para>nt. PCEvW (Willemsens-Maassen en Burgfonds/Dordrecht).</para>
    <para>3.8. Indien de rechtbank, zoals in de onder 3.7</para>
    <para>vermelde vonnissen het geval was, vaststelt dat de</para>
    <para>noodzaak tot onteigening (thans) niet (meer) aanwezig</para>
    <para>is, omdat de onteigenende partij dat niet, althans</para>
    <para>onvoldoende heeft weersproken, berust die vaststelling</para>
    <para>niet op een toetsing van de aan (de goedkeuring van)</para>
    <para>het onteigeningsbesluit ten grondslag liggende</para>
    <para>belangenafweging, maar op een vaststelling van de</para>
    <para>feiten.</para>
    <para>3.9. De gemeenten Eindhoven en Oirschot hebben, anders</para>
    <para>dan de gemeenten in de onder 3.7 vermelde zaken,</para>
    <para>gemotiveerd bestreden dat zelfrealisatie een reële</para>
    <para>mogelijkheid is. Mij dunkt dat daarmee voor de eisers</para>
    <para>tot cassatie sub 1, 4 en 5 het doek valt. Ik meen voor</para>
    <para>die opvatting voldoende aanknopingspunten te kunnen</para>
    <para>vinden in rov. 3.3. van HR NJ 1999, 411, waarin Uw Raad</para>
    <para>onderdeel 2 van het middel heeft verworpen, zulks onder</para>
    <para>verwijzing naar, onder meer, onderdeel 3.9 van mijn</para>
    <para>conclusie in die zaak. Weliswaar hebben eisers tot</para>
    <para>cassatie sub 1, 4 en 5 aangeboden te bewijzen dat</para>
    <para>zelfrealisatie een reële mogelijkheid is, maar dat</para>
    <para>aanbod kan niet tot iets leiden. Immers, de vraag of</para>
    <para>zelfrealisatie een reële mogelijkheid is, kan slechts</para>
    <para>worden beantwoord in het kader van een bestuurlijke</para>
    <para>belangenafweging en niet van een rechterlijke. De</para>
    <para>klacht dat de rechtbank het bewijsaanbod ten onrechte</para>
    <para>heeft gepasseerd, faalt dus bij gebrek aan belang.</para>
    <para>3.10. Het eerste cassatiemiddel is derhalve tevergeefs</para>
    <para>voorgesteld.</para>
    <para>4. Cassatiemiddel II</para>
    <para>4.1. Dit middel keert zich tegen hetgeen de rechtbank</para>
    <para>met betrekking tot de minnelijke onderhandelingen heeft</para>
    <para>overwogen op de blzz. 11 en 12 (in de zaak met</para>
    <para>rolnummer 31228 / HA ZA 98-2542),  23 en 24 (in de zaak</para>
    <para>met rolnummer 31229 / HA ZA 98-2543), en 35 en 36 (in</para>
    <para>de zaak met rolnummer 31230 / HA ZA 98-2544) van het</para>
    <para>bestreden vonnis. De overwegingen zijn in alledrie de</para>
    <para>zaken nagenoeg gelijkluidend; dat geldt ook voor het</para>
    <para>middel.</para>
    <para>4.2. Het middel klaagt erover dat de rechtbank zonder</para>
    <para>meer is voorbijgegaan aan de gemotiveerde stelling -</para>
    <para>waarvan bewijs is aangeboden - dat de gemeenten</para>
    <para>onvoldoende serieus hebben onderhandeld. Voorts zou de</para>
    <para>rechtbank niet inzichtelijk hebben gemaakt hoe zij -</para>
    <para>tegen de stelling van het tegendeel in - tot het</para>
    <para>oordeel is gekomen dat de aanbiedingen van de gemeenten</para>
    <para>niet reeds a prima vista als onredelijk kunnen worden</para>
    <para>aangemerkt.</para>
    <para>4.3. Voor beschouwingen met betrekking tot art. 17 Ow.,</para>
    <para>waarin de eis wordt gesteld dat voor de</para>
    <para>ontvankelijkheid van de vordering tot onteigening de</para>
    <para>onteigenende partij de te onteigenen zaak bij</para>
    <para>minnelijke overeenkomst moet hebben getracht te</para>
    <para>verwerven, moge ik verwijzen naar de onderdelen 4.4 en</para>
    <para>4.5 van mijn conclusie voor HR 8 april 1998, NJ 1999,</para>
    <para>24, m. nt. P.C.E. van Wijmen (Van den</para>
    <para>Boogert/Rotterdam) en onderdeel 2.10, eerste citaat,</para>
    <para>van mijn conclusie voor HR 30 september 1998, NJ 1999,</para>
    <para>411, eveneens m. nt. P.C.E. van Wijmen (Willemsens-</para>
    <para>Maassen en Burgfonds/Dordrecht).</para>
    <para>4.4. Uw Raad overwoog in HR NJ 1999, 24, onder 3.5:</para>
    <para>"Artikel 17 [Ow.] schrijft de onteigenende partij</para>
    <para>gebiedend voor te trachten hetgeen onteigend moet</para>
    <para>worden bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen.</para>
    <para>Daarbij dient die partij niet te werk te gaan</para>
    <para>alsof dit voorschrift een te verwaarlozen</para>
    <para>formaliteit is, in welk geval immers te kort zou</para>
    <para>worden gedaan aan de strekking van het artikel dat</para>
    <para>is gericht op het zo mogelijk vermijden van een</para>
    <para>rechtsgeding. Voorts vereist artikel 17 (...) dat</para>
    <para>de pogingen om hetgeen moet worden onteigend bij</para>
    <para>minnelijke overeenkomst te verkrijgen, moeten</para>
    <para>worden ondernomen in de periode tussen het</para>
    <para>definitief worden van het besluit tot onteigening</para>
    <para>(...) en het uitbrengen van de dagvaarding (...)."</para>
    <para>4.5. In onderdeel 23 van hun conclusies van antwoord</para>
    <para>voor de rechtbank hebben eisers tot cassatie sub 1, 4</para>
    <para>en 5 bewijs aangeboden, in het bijzonder door middel</para>
    <para>van getuigen, van hun stelling dat de gemeenten in de</para>
    <para>periode gelegen tussen het besluit tot goedkeuring van</para>
    <para>het onteigeningsbesluit en de dagvaarding geen serieuze</para>
    <para>en in de Ow. bedoelde pogingen hebben ondernomen om te</para>
    <para>komen tot minnelijk overleg.</para>
    <para>4.6. De rechtbank heeft - terecht uitgaande van de in §</para>
    <para>4.4 hiervoor geciteerde rechtsregels - de</para>
    <para>correspondentie besproken die tussen de raadsman van de</para>
    <para>gemeenten enerzijds en de raadsman van eisers tot</para>
    <para>cassatie sub 1, 4 en 5 anderzijds in de periode tussen</para>
    <para>21 juli en 14 oktober 1998 is gevoerd naar aanleiding</para>
    <para>van de aanbiedingen die de raadsman van de gemeenten</para>
    <para>bij brieven van 21 juli 1998 aan de raadsman van eisers</para>
    <para>tot cassatie sub 1, 4 en 5 heeft gedaan om te trachten</para>
    <para>de eigendom van de ter onteigening aangewezen percelen</para>
    <para>bij minnelijke overeenkomst te verwerven.&amp;lt;(8) Deze correspondentie is door de raadsman van de</para>
    <para>gemeenten ter zitting van 26 januari 1999 in het geding</para>
    <para>gebracht.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>De rechtbank komt op basis daarvan tot de</para>
    <para>conclusie dat:</para>
    <para>"de gemeente[n] in de relevante periode een aanbod</para>
    <para>[hebben] gedaan, [hun aanbiedingen hebben]</para>
    <para>gespecificeerd en een redelijke tijd [hebben]</para>
    <para>gegeven om daarop inhoudelijk in te gaan. [Eisers</para>
    <para>tot cassatie sub 1, 4 en 5 zijn] niet inhoudelijk</para>
    <para>op het aanbod ingegaan en [hebben] ook niet</para>
    <para>aangegeven wat volgens [hun] een redelijke</para>
    <para>schadeloosstelling zou zijn. Onder die</para>
    <para>omstandigheden [hebben] de gemeente[n], mede in</para>
    <para>aanmerking genomen dat [de aanbiedingen] van de</para>
    <para>gemeente[n] niet reeds a prima vista als</para>
    <para>onredelijk [kunnen] worden aangemerkt, voldoende</para>
    <para>serieus onderhandeld. Meer kon gelet op de</para>
    <para>opstelling van [eisers tot cassatie sub 1, 4 en 5]</para>
    <para>niet van [hun] verwacht worden. Het moge zo zijn</para>
    <para>geweest dat al voorafgaand aan [de aanbiedingen]</para>
    <para>van 21 juli 1998 een aanzet tot onderhandelingen</para>
    <para>heeft plaatsgevonden, doch gesteld noch gebleken</para>
    <para>is dat toen [(hogere) bindende aanbiedingen zijn]</para>
    <para>gedaan.</para>
    <para>De rechtbank komt aldus tot de slotsom dat de</para>
    <para>gemeente[n] niet in strijd met [art. 17 Ow.</para>
    <para>hebben] gehandeld."</para>
    <para>4.7. Aldus gemotiveerd geeft het oordeel van de</para>
    <para>rechtbank dat de gemeenten niet in strijd met art. 17</para>
    <para>Ow. hebben gehandeld mijns inziens geen blijk van een</para>
    <para>onjuiste rechtsopvatting. Nu de gemeenten in ieder</para>
    <para>geval vanaf 21 juli 1998 voldoende serieus onderhandeld</para>
    <para>hebben en de rechtbank - in cassatie onbestreden -</para>
    <para>heeft vastgesteld dat in de periode daarvoor geen</para>
    <para>(hogere) bindende aanbiedingen zijn gedaan, hoefde de</para>
    <para>rechtbank niet op het bewijsaanbod in te gaan.</para>
    <para>4.8. Bij brieven van 8 september 1998 heeft de raadsman</para>
    <para>van de gemeenten de aanbiedingen van 21 juli 1998</para>
    <para>desverzocht gespecificeerd: geboden werd een bedrag van</para>
    <para>ƒ 9,-- per m?. In het licht van het feit dat eisers tot</para>
    <para>cassatie sub 1, 4 en 5 niet inhoudelijk op deze</para>
    <para>aanbiedingen zijn ingegaan en ook niet hebben</para>
    <para>aangegeven wat volgens hun een redelijke</para>
    <para>schadeloosstelling zou zijn, hoefde de rechtbank niet</para>
    <para>nader te motiveren waarom deze aanbiedingen niet reeds</para>
    <para>a prima vista als onredelijk kunnen worden aangemerkt.</para>
    <para>4.9. Het tweede cassatiemiddel treft evenmin doel.</para>
    <para>5. Beoordeling van het incidenteel cassatiemiddel</para>
    <para>5.1. De gemeenten hebben een incidenteel cassatiemiddel</para>
    <para>voorgesteld, louter voor het geval één of meer grieven</para>
    <para>in het principale cassatieberoep zouden slagen. Voor</para>
    <para>het geval Uw Raad mij niet mocht volgen in mijn</para>
    <para>conclusie tot verwerping van het principaal</para>
    <para>cassatieberoep, merk ik het volgende op.</para>
    <para>5.2. De klacht dat de rechtbank het bezwaar dat de</para>
    <para>onteigening niet noodzakelijk is, omdat gedaagden c.q.</para>
    <para>de tussengekomen partij na de onteigenings-KB's bereid</para>
    <para>en in staat zouden zijn de bestemming waarvoor</para>
    <para>onteigend wordt, zelf te realiseren, ten onrechte</para>
    <para>inhoudelijk heeft behandeld, mist feitelijke grondslag.</para>
    <para>De rechtbank heeft slechts onderzocht of eisers tot</para>
    <para>cassatie sub 1, 4 en 5 de noodzakelijke details over de</para>
    <para>exacte mogelijkheden tot zelfrealisatie en de</para>
    <para>praktische uitvoering daarvan hebben verschaft en</para>
    <para>vastgesteld dat dit niet het geval is en dat de</para>
    <para>gemeenten bovendien gemotiveerd hebben bestreden dat</para>
    <para>zelfrealisatie een reële mogelijkheid is. Dat moest de</para>
    <para>rechtbank ook onderzoeken. Indien de rechtbank namelijk</para>
    <para>feitelijk kan vaststellen dat de noodzaak tot</para>
    <para>onteigening thans niet meer aanwezig is, omdat de</para>
    <para>onteigenende partij de desbetreffende stelling van de</para>
    <para>onteigende niet, althans onvoldoende heeft weersproken,</para>
    <para>berust die vaststelling immers niet op een toetsing van</para>
    <para>de aan (de goedkeuring van) het onteigeningsbesluit ten</para>
    <para>grondslag liggende bestuurlijke belangenafweging, maar</para>
    <para>op een aan de rechter opgedragen vaststelling van de</para>
    <para>feiten.</para>
    <para>6. Conclusie</para>
    <para>Ik concludeer tot niet-ontvankelijkverklaring van</para>
    <para>eisers tot cassatie sub 2 en 3 in hun cassatieberoep</para>
    <para>en, beide middelen van het principaal cassatieberoep</para>
    <para>ongegrond bevindend, tot verwerping van het beroep.</para>
    <para>De Procureur-</para>
    <para>Generaal bij de Hoge</para>
    <para>Raad der Nederlanden</para>
    <para>A-G</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>