<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2000:AA4850</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-10T14:01:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA4850</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2000-02-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">1274</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_omgevingsrecht">Bestuursrecht; Omgevingsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2000:AA4850" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA4850</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA4850">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA4850</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:58:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2000:AA4850 Parket bij de Hoge Raad , 09-02-2000 / 1274</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA4850:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA4850:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
  <parablock>
    <para>Nr. 1274                          Mr. Ilsink</para>
    <para>Derde Kamer B                     Conclusie inzake:</para>
    <para>Onteigening                   1. Antonius Franciscus</para>
    <para>Henricus van de Sande</para>
    <para>Zitting, 20 oktober 1999          2. Rhee-Bra C.V.</para>
    <para>3. Bouwbedrijf Van Rhee</para>
    <para>B.V.</para>
    <para>tegen</para>
    <para>de gemeente Oirschot</para>
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para>1. Feiten en procesverloop</para>
    <para>1.1. Bij besluit van 26 november 1996, nr. 145, heeft</para>
    <para>de raad van de gemeente Oirschot (hierna: de gemeente)</para>
    <para>besloten ingevolge het bepaalde bij art. 77, eerste</para>
    <para>lid, onder 1°, van de Onteigeningswet (Ow.), ten</para>
    <para>behoeve van de uitvoering van het bestemmingsplan</para>
    <para>"PIROC-Strijpsche Kampen"&amp;lt;(1) Dit plan is op 28 mei 1996 vastgesteld door de</para>
    <para>gemeenteraad, op 19 december 1996 goedgekeurd door</para>
    <para>Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant en op 4 mei 1998</para>
    <para>onherroepelijk geworden.</para>
    <para>&amp;gt;, ten name van de gemeente</para>
    <para>onder meer te onteigenen het perceel, kadastraal bekend</para>
    <para>gemeente Oirschot, sectie E, nr. 930 (grondplannr. 27),</para>
    <para>groot 01.67.20 ha, zijnde bouwland. Dit perceel stond</para>
    <para>ten name van Antonius Franciscus Henricus van de Sande</para>
    <para>(hierna: Van de Sande). Bij Koninklijk Besluit van 30</para>
    <para>juni 1997, no. 97.003107, Stcrt. 18 juli 1997, nr. 135</para>
    <para>(hierna: het KB) is voormeld raadsbesluit inzoverre</para>
    <para>goedgekeurd.</para>
    <para>1.2. Bij exploit van 19 oktober 1998 heeft de gemeente</para>
    <para>Van de Sande doen dagvaarden voor de rechtbank te `s-</para>
    <para>Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) en onder meer</para>
    <para>gevorderd te harer name vervroegd de onteigening uit te</para>
    <para>&amp;lt;</para>
    <para>?</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>spreken van voormelde onroerende zaak.</para>
    <para>1.3. Bij vonnis van 26 maart 1999,  nr. 31233 /  HA ZA</para>
    <para>98-2547, heeft de rechtbank het verzoek van eiseres tot</para>
    <para>cassatie sub 2 de commanditaire vennootschap Rhee-Bra</para>
    <para>C.V. (hierna: Rhee-Bra C.V.) en van eiseres tot</para>
    <para>cassatie sub 3 de besloten vennootschap met beperkte</para>
    <para>aansprakelijkheid Bouwbedrijf Van Rhee B.V. (hierna:</para>
    <para>Van Rhee B.V.), beherend vennote van Rhee-Bra C.V., om</para>
    <para>in het onteigeningsgeding te mogen tussenkomen,</para>
    <para>afgewezen. Voorts heeft de rechtbank de gevorderde</para>
    <para>onteigening uitgesproken; het voorschot op de</para>
    <para>schadeloosstelling voor Van de Sande bepaald op ƒ</para>
    <para>144.569,70; en drie deskundigen en een rechter-</para>
    <para>commissaris benoemd.</para>
    <para>1.4. Tegen dit vonnis hebben eisers tot cassatie beroep</para>
    <para>in cassatie ingesteld, onder aanvoering van twee met</para>
    <para>Romeinse cijfers genummerde cassatiemiddelen.</para>
    <para>1.5. De gemeente heeft voorwaardelijk incidenteel</para>
    <para>cassatieberoep ingesteld, onder aanvoering van één</para>
    <para>middel.</para>
    <para>1.6. Partijen hebben hun onderscheiden standpunten ter</para>
    <para>zitting van Uw Raad van 9 juli 1999 schriftelijk doen</para>
    <para>toelichten, waarna eisers tot cassatie ter zitting van</para>
    <para>13 augustus 1999 nog hebben gerepliceerd.</para>
    <para>1.7. Heden neem ik ook mijn conclusie in de</para>
    <para>soortgelijke zaken die bij Uw Raad onder de nrs. 1272,</para>
    <para>1273, 1275 en 1276 zijn geregistreerd. Er zitten geen</para>
    <para>wezenlijke verschillen in de conclusies; voorzover er</para>
    <para>verschillen zijn, met name in de onderdelen 3 en 4,</para>
    <para>vinden die hun verklaring in verschillen in de</para>
    <para>feitelijke constellatie.</para>
    <para>2. De ontvankelijkheid van Rhee-Bra C.V. en Van Rhee</para>
    <para>B.V. in het cassatieberoep</para>
    <para>2.1. In haar schriftelijke toelichting van 9 juli 1999</para>
    <para>heeft de gemeente betoogd dat  Rhee-Bra C.V. en Van</para>
    <para>Rhee B.V. niet in hun cassatieberoep kunnen worden</para>
    <para>ontvangen, omdat de rechtbank hun verzoek om in het</para>
    <para>onteigeningsgeding te mogen tussenkomen heeft</para>
    <para>afgewezen, op de grond dat zij geen derde-</para>
    <para>belanghebbenden zijn in de zin van art. 3, tweede lid,</para>
    <para>Ow.</para>
    <para>2.2. Dat is niet juist. De rechtbank heeft de verzoeken</para>
    <para>van Rhee-Bra C.V. en van Van Rhee B.V. om in het</para>
    <para>onteigeningsgeding te mogen tussenkomen afgewezen, op</para>
    <para>de grond dat zich in dit geval de situatie van</para>
    <para>"tegenspraak der hoedanigheid" als bedoeld in art. 3,</para>
    <para>derde lid, Ow. voordoet. Daartoe heeft de rechtbank</para>
    <para>overwogen dat uit de overgelegde akte van levering d.d.</para>
    <para>22 januari 1999 weliswaar blijkt dat Van de Sande aan</para>
    <para>Rhee-Bra C.V. en Van Rhee B.V. een onverdeeld aandeel</para>
    <para>heeft geleverd in het in het geding zijnde perceel,</para>
    <para>doch dat van de inschrijving van de notariële akte in</para>
    <para>de daartoe bestemde openbare registers, benodigd voor</para>
    <para>de voltooiing van de voor de overdracht van onroerende</para>
    <para>zaken vereiste levering, geen bewijs is overgelegd,</para>
    <para>zodat, gelet op de betwisting door de gemeente, niet in</para>
    <para>rechte vast staat dat Rhee-Bra C.V. en Van Rhee B.V.</para>
    <para>mede-eigenaar zijn geworden van het  te onteigenen</para>
    <para>perceel.</para>
    <para>2.3. Niettemin zal ik ambtshalve moeten onderzoeken of</para>
    <para>de exceptie van niet-ontvankelijkheid opgaat. Hoewel de</para>
    <para>exceptie niet bij conclusie van antwoord is</para>
    <para>voorgedragen, zoals bij art. 411, tweede lid, Rv. is</para>
    <para>voorgeschreven, ga ik ervan uit dat het hier een grond</para>
    <para>van niet-ontvankelijkheid betreft die van openbare orde</para>
    <para>is.&amp;lt;(2) Vgl. Veegens/Korthals Altes/Groen, Cassatie, derde</para>
    <para>druk (1989), § 143.</para>
    <para>&amp;gt; In wezen betoogt de gemeente immers dat Rhee-Bra</para>
    <para>C.V. en Van Rhee B.V. geen partij zijn bij het</para>
    <para>onteigeningsgeding.</para>
    <para>2.4. Bij art. 3, derde lid, Ow. is bepaald dat bij</para>
    <para>tegenspraak van de hoedanigheid van eigenaar,</para>
    <para>rechthebbende of derde belanghebbende, de onteigening</para>
    <para>met de overigen wordt voortgezet, en hij, die beweert</para>
    <para>gerechtigde te zijn, zijn recht alleen op de</para>
    <para>schadevergoeding zal kunnen uitoefenen, die in dat</para>
    <para>geval wordt geconsigneerd overeenkomstig de Wet op de</para>
    <para>consignatie van gelden.&amp;lt;(3) In de onderhavige zaak heeft de rechtbank consignatie</para>
    <para>van een gedeelte van de schadeloosstelling achterwege</para>
    <para>gelaten, omdat door geen van de partijen is duidelijk</para>
    <para>gemaakt voor welk bedrag zou dienen te worden</para>
    <para>geconsigneerd, het belang van interveniënten zeer</para>
    <para>gering is en zij een samenwerkingsovereenkomst hebben</para>
    <para>met Van de Sande.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>2.5. In HR 28 augustus 1934, NJ 1934, blz. 1689, m. nt.</para>
    <para>E.M.M. overwoog Uw Raad:</para>
    <para>" (blz. 1692) O. dat de gemeente</para>
    <para>ontvankelijkheid van het door de Vries Lentsch</para>
    <para>tegen de(?) uitspraak[, waarbij de rechtbank de</para>
    <para>onteigening heeft uitgesproken met vaststelling</para>
    <para>van het bedrag der schadevergoeding en bepaling</para>
    <para>dat dat bedrag zal worden geconsigneerd]</para>
    <para>ingestelde beroep in cassatie bestrijdt op grond,</para>
    <para>dat hij daarbij niet partij is, nu de door hem</para>
    <para>beweerde hoedanigheid van eigenaar van de te</para>
    <para>onteigenen percelen is tegengesproken;</para>
    <para>dat dit verweer moet worden verworpen;</para>
    <para>(?)</para>
    <para>dat uit de geschiedenis der wet blijkt, dat de</para>
    <para>bedoeling van [art. 3, derde lid, Ow.] niet is om</para>
    <para>[een] derde [die verzoekt op grond van eenig recht</para>
    <para>op het goed in het geding te mogen tusschenkomen]</para>
    <para>te beletten in het geding tot onteigening te</para>
    <para>blijven waken tegen krenking van de door hem</para>
    <para>beweerde rechten op het goed, doch alleen om ter</para>
    <para>voorkoming van vertraging daarin elk onderzoek</para>
    <para>naar het bestaan dier betwiste rechten uit te</para>
    <para>sluiten;</para>
    <para>dat dan ook in aansluiting hieraan de artt. 35</para>
    <para>en volgende der wet hem, wiens beweerd recht op</para>
    <para>het te onteigenen goed is tegengesproken,</para>
    <para>desondanks rangschikken onder de belanghebbenden</para>
    <para>en toelaten tot uitoefening van zekere</para>
    <para>bevoegdheden, gelijk in het onderhavige geval de</para>
    <para>Vries Lentsch zijn bezwaren tegen het advies der</para>
    <para>deskundigen heeft ingebracht, ter terechtzitting</para>
    <para>heeft geconcludeerd en zijn conclusieën bij</para>
    <para>pleidooi heeft ontwikkeld;</para>
    <para>dat de Vries Lentsch dus deel genomen heeft aan</para>
    <para>het voor de Rechtbank gevoerde geding, dat geleid</para>
    <para>heeft tot een vonnis, waarbij in strijd met zijn</para>
    <para>conclusieën de onteigening is uitgesproken van</para>
    <para>perceelen, waarvan hij beweert eigenaar te zijn en</para>
    <para>waarbij de schadevergoeding is vastgesteld op een</para>
    <para>naar zijn stellingen te laag bedrag;</para>
    <para>dat daarom ook voor hem het beroep in cassatie</para>
    <para>open staat tegen dit vonnis, dat beslist over</para>
    <para>rechten, die alsnog kunnen blijken de zijne te</para>
    <para>zijn, en het voor de bescherming van zijn -</para>
    <para>mogelijk - recht noodzakelijk rechtsmiddel hem</para>
    <para>niet mag worden onthouden, alleen omdat een - niet</para>
    <para>onberispelijke woordenkeus der [Ow.] den naam van</para>
    <para>"partij" slechts schijnt te willen geven, behalve</para>
    <para>aan eischer en gedaagde, aan die deelnemers aan</para>
    <para>het onteigeningsgeding, wier beweerd recht op het</para>
    <para>goed niet wordt tegengesproken;  dat toch uit die</para>
    <para>woordenkeus niet blijkt van een bedoeling om - in</para>
    <para>strijd met redelijkheid en eigen stelsel der wet -</para>
    <para>den kring van hen, voor wie de voorziening in</para>
    <para>cassatie openstaat, te beperken, terwijl ook in de</para>
    <para>artikelen der [Ow.], die de cassatie regelen,</para>
    <para>niets wordt aangetroffen, dat wijst op een</para>
    <para>beperking van het rechtsmiddel tot hen, die deze</para>
    <para>wet partijen noemt"&amp;lt;(4) Zie over dit arrest uitvoerig H.J.M. van Mierlo</para>
    <para>Onteigening, eigendomsbeperking en kostenverhaal, Bijz.</para>
    <para>deel I.B. III, §§ 25 en 33, en W. Wijting, Een studie</para>
    <para>tot hervorming van het onteigeningsprocesrecht, diss.</para>
    <para>RUU (1984), blzz. 530-535.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>2.6. Voormeld arrest uit 1934 betrof een eindvonnis als</para>
    <para>bedoeld in art. 37, tweede lid, Ow. In het onderhavige</para>
    <para>geval hebben wij te maken met een vonnis waarbij de</para>
    <para>vervroegde onteigening is uitgesproken. In hoeverre</para>
    <para>kunnen nu aan dat arrest aanknopingspunten worden</para>
    <para>ontleend voor de beantwoording van de vraag of  Rhee-</para>
    <para>Bra C.V. en Van Rhee B.V. partij waren bij het geding</para>
    <para>tot vervroegde onteigening?</para>
    <para>2.7. Rhee-Bra C.V. en Van Rhee B.V. hebben niet</para>
    <para>deelgenomen en ook niet kunnen deelnemen aan het voor</para>
    <para>de rechtbank gevoerde geding. De Ow. biedt hun de</para>
    <para>mogelijkheid aan de rechtbank te verzoeken in het</para>
    <para>onteigeningsgeding te mogen tussenkomen, maar indien de</para>
    <para>rechtbank dat verzoek afwijst, zijn hun processuele</para>
    <para>mogelijkheden in het geding tot vervroegde onteigening</para>
    <para>voor de rechtbank&amp;lt;(5) Tegen het vonnis waarbij het verzoek tot tussenkomst</para>
    <para>wordt afgewezen, staat uiteraard wel cassatieberoep</para>
    <para>open. Zie bijvoorbeeld HR 31 januari 1996, NJ 1996,</para>
    <para>615, m. nt. MB.</para>
    <para>&amp;gt; uitgeput. Op hetgeen verzoeksters tot</para>
    <para>tussenkomst anders dan ter staving van hun verzoek tot</para>
    <para>tussenkomst hebben aangevoerd, kon de rechtbank</para>
    <para>derhalve geen acht slaan. Hoezeer ook voor Rhee-Bra</para>
    <para>C.V. en Van Rhee B.V geldt dat het thans bestreden</para>
    <para>vonnis beslist over rechten, die alsnog kunnen blijken</para>
    <para>de hunne te zijn, kan dus niet worden gezegd dat zij</para>
    <para>partij waren bij het geding tot vervroegde onteigening.</para>
    <para>2.8. De conclusie is dat Rhee-Bra C.V. en Bouwbedrijf</para>
    <para>Van Rhee B.V. niet in hun cassatieberoep kunnen worden</para>
    <para>ontvangen.</para>
    <para>Beoordeling van het principaal cassatieberoep</para>
    <para>3. Cassatiemiddel I</para>
    <para>3.1. De rechtbank heeft overwogen dat reeds in de</para>
    <para>procedure voorafgaande aan het onteigeningsgeding op</para>
    <para>het punt van de noodzaak tot onteigening bezwaren naar</para>
    <para>voren zijn gebracht, maar dat uit de eigen stelllingen</para>
    <para>van Van de Sande blijkt dat destijds geen sprake was</para>
    <para>van enige reële mogelijkheid tot zelfrealisatie - hij</para>
    <para>spreekt in dit verband van een inmiddels volledig</para>
    <para>gewijzigde situatie - zodat er in zoverre alleszins</para>
    <para>noodzaak was tot onteigening en de overheid aldus in</para>
    <para>redelijkheid</para>
    <para>tot het onteigeningsbesluit kon komen. De rechtbank is</para>
    <para>van oordeel dat de vraag of in het onteigeningsgeding</para>
    <para>nog ruimte is voor een afwijzing van de gevorderde</para>
    <para>onteigening op de grond dat de gedaagde partij - samen</para>
    <para>met anderen - de bestemming zelf kan realiseren, alleen</para>
    <para>positief kan worden beantwoord indien er op basis van</para>
    <para>de voorhanden gegevens geen redelijke twijfel is over</para>
    <para>de mogelijkheid voor de gedaagde partij om - samen met</para>
    <para>anderen - de bestemming zelf te realiseren. In dat</para>
    <para>geval is de gevorderde onteigening niet rechtmatig,</para>
    <para>althans ontbreekt daaraan elk redelijk belang, aldus de</para>
    <para>rechtbank.</para>
    <para>Vervolgens stelt de rechtbank vast dat Van de</para>
    <para>Sande niet de noodzakelijke</para>
    <para>details geeft over de exacte mogelijkheden tot</para>
    <para>zelfrealisatie en de praktische</para>
    <para>uitvoering daarvan en dat de gemeente gemotiveerd heeft</para>
    <para>bestreden dat zelfrealisatie een reële mogelijkheid is.</para>
    <para>Zij kan zich op basis hiervan in feite geen goed</para>
    <para>oordeel vormen over de vraag of Van de Sande in</para>
    <para>samenwerking met Rhee-Bra en met anderen inderdaad</para>
    <para>technisch, financieel en praktisch tot zelfrealisatie</para>
    <para>van de op grondeigendommen waar het om gaat rustende</para>
    <para>bestemming in staat is. De rechtbank acht een nader</para>
    <para>tijdrovend feitenonderzoek door middel van</para>
    <para>bewijslevering op dit punt in strijd met de spoed die</para>
    <para>in een onteigeningsprocedure betracht dient te worden.</para>
    <para>Op grond van het voorafgaande beantwoordt de</para>
    <para>rechtbank voormelde vraag ontkennend.</para>
    <para>3.2. Het middel klaagt er over dat de rechtbank ten</para>
    <para>onrechte heeft geoordeeld dat de vraag of in het</para>
    <para>onteigeningsgeding nog ruimte is voor een afwijzing van</para>
    <para>de gevorderde onteigening op de grond dat de gedaagde</para>
    <para>partij - samen met anderen - de bestemming zelf kan</para>
    <para>realiseren, alleen positief kan worden beantwoord</para>
    <para>indien er op basis van de voorhanden gegevens geen</para>
    <para>redelijke twijfel is over de mogelijkheid voor de</para>
    <para>gedaagde partij - samen met anderen - zelf de</para>
    <para>bestemming te realiseren. Geen rechtsregel zou zich</para>
    <para>verzetten tegen feitenonderzoek door middel van</para>
    <para>bewijslevering in een onteigeningsprocedure. De</para>
    <para>overweging dat een nader tijdrovend feitenonderzoek</para>
    <para>door middel van bewijslevering van de gestelde</para>
    <para>mogelijkheid tot zelfrealisatie in strijd is met de</para>
    <para>spoed die in een onteigeningsprocedure betracht dient</para>
    <para>te worden, is volgens eiser tot cassatie sub 1 zonder</para>
    <para>nadere redengeving onbegrijpelijk.</para>
    <para>3.3. In zijn conclusie van antwoord voor de rechtbank</para>
    <para>d.d. 11 december 1998  heeft Van de Sande aangevoerd:</para>
    <para>"14. (?) [T]hans [is er] een verbond (?) binnen</para>
    <para>Rhee-Bra van 50 ha gronden van eigenaren die ook</para>
    <para>voor een groot gedeelte nagenoeg aaneengesloten</para>
    <para>liggen en bovendien bestaan er middels Bouwbedrijf</para>
    <para>Van Rhee B.V. voldoende mogelijkheden en</para>
    <para>technische kennis om het geheel te kunnen</para>
    <para>uitvoeren. Het bouwbedrijf heeft reeds informatie</para>
    <para>gevraagd bij het Ministerie van Defensie [in] de</para>
    <para>persoon van Kolonel Ir. C. van den Dungen zoals</para>
    <para>blijkt uit bijgaand schrijven van 9 november 1998</para>
    <para>(?) .</para>
    <para>15. Bouwbedrijf Van Rhee B.V. alsmede de Beheer-</para>
    <para>en Beleggingsmaatschappij Van Rhee B.V. tezamen</para>
    <para>met de Strijpse Kampen B.V. en de overige</para>
    <para>inbrengende eigenaren beschikken over voldoende</para>
    <para>financiële middelen, de gronden en technische</para>
    <para>middelen en mogelijkheden om de door de overheid</para>
    <para>voorgestane planuitvoering binnen de door de</para>
    <para>overheid gestelde termijnen en voorwaarden en</para>
    <para>voorschriften te realiseren. Gedaagden zijn dan</para>
    <para>ook bereid om binnen het door de overheid te</para>
    <para>stellen kader het bestemmingsplan te realiseren.</para>
    <para>Er bestaat derhalve voor de gemeente gelet op de</para>
    <para>mogelijkheid van zelfrealisatie geen enkele</para>
    <para>noodzaak tot onteigening."</para>
    <para>Voorts heeft Van de Sande bewijs aangeboden, in het</para>
    <para>bijzonder door middel van het horen van getuigen, van</para>
    <para>zijn stelling dat hij in staat is het bestemmingsplan</para>
    <para>zelf te realiseren (zie onderdeel 21 van de conclusie</para>
    <para>van antwoord).</para>
    <para>3.4. Het door Van de Sande voor het eerst bij de</para>
    <para>rechtbank aangevoerde bezwaar dat er gelet op de</para>
    <para>mogelijkheid tot zelfrealisatie geen noodzaak tot</para>
    <para>onteigening is, noopt tot een nieuwe belangenafweging,</para>
    <para>die de (onteigenings)rechter niet mag uitvoeren. Dan</para>
    <para>zou de rechter immers op de stoel van het bestuur gaan</para>
    <para>zitten. De noodzaak tot onteigening moet ook in het</para>
    <para>onteigeninsgeding worden beoordeeld, maar dat kan</para>
    <para>slechts aan de hand van op die noodzaak betrekking</para>
    <para>hebbende bezwaren, die zozeer aan de rechtmatigheid van</para>
    <para>de onteigening in de weg staan dat de belangenafweging,</para>
    <para>die aan (de goedkeuring van) het onteigeningsbesluit</para>
    <para>ten grondslag ligt, niet aan de orde komt. Het door Van</para>
    <para>de Sande aangevoerde bezwaar stelt die belangenafweging</para>
    <para>nu juist wel aan de orde.&amp;lt;(6) Zie onderdeel 3.8 van mijn conclusie voor HR 30</para>
    <para>september 1998, NJ 1999, 411, m. nt. PCEvW (Willemsens-</para>
    <para>Maassen en Burgfonds/Dordrecht).</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>3.5. Waarom heeft de rechtbank daar dan wel acht op</para>
    <para>geslagen? Misschien heeft de rechtbank zich (mede)</para>
    <para>laten leiden door de vonnissen van de rechtbank te</para>
    <para>`s-Hertogenbosch van 12 mei 1989, NJ 1990, 490</para>
    <para>(Helmond/Van Mullekom) en van de rechtbank te Arnhem</para>
    <para>van 28 maart 1996, nr. ON 1995/1041 (Nijkerk/Van Hell</para>
    <para>en Landman en Bouwfonds Woningbouw B.V.), waarvan ik de</para>
    <para>relevante overwegingen heb geciteerd in de onderdelen</para>
    <para>3.4 en 3.5 van mijn conclusie</para>
    <para>voor HR 30 september 1998, NJ 1999, 411, m. nt. PCEvW</para>
    <para>(Willemsens-Maassen en Burgfonds/Dordrecht).</para>
    <para>3.6. Indien de rechtbank, zoals in de onder 3.5</para>
    <para>vermelde vonnissen het geval was, vaststelt dat de</para>
    <para>noodzaak tot onteigening (thans) niet (meer) aanwezig</para>
    <para>is, omdat de onteigenende partij dat niet, althans</para>
    <para>onvoldoende heeft weersproken, berust die vaststelling</para>
    <para>niet op een toetsing van de aan (de goedkeuring van)</para>
    <para>het onteigeningsbesluit ten grondslag liggende</para>
    <para>belangenafweging, maar op een vaststelling van de</para>
    <para>feiten.</para>
    <para>3.7. De gemeente heeft, anders dan de gemeenten in de</para>
    <para>onder 3.5 vermelde zaken, gemotiveerd bestreden dat</para>
    <para>zelfrealisatie een reële mogelijkheid is. Mij dunkt dat</para>
    <para>daarmee voor Van de Sande het doek valt. Ik meen voor</para>
    <para>die opvatting voldoende aanknopingspunten te kunnen</para>
    <para>vinden in rov. 3.3 van HR NJ 1999, 411, waarin Uw Raad</para>
    <para>onderdeel 2 van het middel heeft verworpen, zulks onder</para>
    <para>verwijzing naar, onder meer, onderdeel 3.9 van mijn</para>
    <para>conclusie in die zaak. Weliswaar heeft Van de Sande</para>
    <para>aangeboden te bewijzen dat zelfrealisatie een reële</para>
    <para>mogelijkheid is, maar dat aanbod kan niet tot iets</para>
    <para>leiden. Immers, de vraag of zelfrealisatie een reële</para>
    <para>mogelijkheid is, kan slechts worden beantwoord in het</para>
    <para>kader van een bestuurlijke belangenafweging en niet van</para>
    <para>een rechterlijke. De klacht dat de rechtbank het</para>
    <para>bewijsaanbod ten onrechte heeft gepasseerd, faalt dus</para>
    <para>bij gebrek aan belang.</para>
    <para>3.8. Het eerste cassatiemiddel is derhalve tevergeefs</para>
    <para>voorgesteld.</para>
    <para>4. Cassatiemiddel II</para>
    <para>4.1. Het middel klaagt erover dat de rechtbank zonder</para>
    <para>meer is voorbijgegaan aan de gemotiveerde stelling -</para>
    <para>waarvan bewijs is aangeboden - dat de gemeente</para>
    <para>onvoldoende serieus heeft onderhandeld. Voorts zou de</para>
    <para>rechtbank niet inzichtelijk hebben gemaakt hoe zij -</para>
    <para>tegen de stelling van het tegendeel in - tot het</para>
    <para>oordeel is gekomen dat het aanbod van de gemeente niet</para>
    <para>reeds a prima vista als onredelijk kan worden</para>
    <para>aangemerkt.</para>
    <para>4.2. Voor beschouwingen met betrekking tot art. 17 Ow.,</para>
    <para>waarin de eis wordt gesteld dat voor de</para>
    <para>ontvankelijkheid van de vordering tot onteigening de</para>
    <para>onteigenende partij de te onteigenen zaak bij</para>
    <para>minnelijke overeenkomst moet hebben getracht te</para>
    <para>verwerven, moge ik verwijzen naar de onderdelen 4.4 en</para>
    <para>4.5 van mijn conclusie voor HR 8 april 1998, NJ 1999,</para>
    <para>24, m. nt. P.C.E. van Wijmen (Van den</para>
    <para>Boogert/Rotterdam) en onderdeel 2.10, eerste citaat,</para>
    <para>van mijn conclusie voor HR 30 september 1998, NJ 1999,</para>
    <para>411, eveneens m. nt. P.C.E. van Wijmen (Willemsens-</para>
    <para>Maassen en Burgfonds/Dordrecht).</para>
    <para>4.3. Uw Raad overwoog in HR NJ 1999, 24, onder 3.5:</para>
    <para>"Artikel 17 [Ow.] schrijft de onteigenende partij</para>
    <para>gebiedend voor te trachten hetgeen onteigend moet</para>
    <para>worden bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen.</para>
    <para>Daarbij dient die partij niet te werk te gaan</para>
    <para>alsof dit voorschrift een te verwaarlozen</para>
    <para>formaliteit is, in welk geval immers te kort zou</para>
    <para>worden gedaan aan de strekking van het artikel dat</para>
    <para>is gericht op het zo mogelijk vermijden van een</para>
    <para>rechtsgeding. Voorts vereist artikel 17 (...) dat</para>
    <para>de pogingen om hetgeen moet worden onteigend bij</para>
    <para>minnelijke overeenkomst te verkrijgen, moeten</para>
    <para>worden ondernomen in de periode tussen het</para>
    <para>definitief worden van het besluit tot onteigening</para>
    <para>(...) en het uitbrengen van de dagvaarding (...)."</para>
    <para>4.4. In onderdeel 21 van zijn conclusie van antwoord</para>
    <para>voor de rechtbank heeft Van de Sande bewijs aangeboden,</para>
    <para>in het bijzonder door middel van het horen van</para>
    <para>getuigen, van zijn stelling dat de gemeente in de</para>
    <para>periode gelegen tussen het besluit tot goedkeuring van</para>
    <para>het onteigeningsbesluit en de dagvaarding geen serieuze</para>
    <para>en in de Ow. bedoelde pogingen heeft ondernomen om te</para>
    <para>komen tot minnelijk overleg.</para>
    <para>4.5. De rechtbank heeft - terecht uitgaande van de in §</para>
    <para>4.3 hiervoor geciteerde rechtsregels - de</para>
    <para>correspondentie besproken die tussen de raadsman van de</para>
    <para>gemeente enerzijds en Van de Sande anderzijds in de</para>
    <para>periode tussen 21 juli en 15 oktober 1998 is gevoerd</para>
    <para>naar aanleiding van het aanbod dat de raadsman van de</para>
    <para>gemeente bij brief van 21 juli 1998 aan Van de Sande</para>
    <para>heeft gedaan om te trachten de eigendom van het ter</para>
    <para>onteigening aangewezen perceel bij minnelijke</para>
    <para>overeenkomst te verwerven.&amp;lt;(7) Deze correspondentie is door de raadsman van de</para>
    <para>gemeente ter zitting van 26 januari 1999 in het geding</para>
    <para>gebracht.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>De rechtbank komt op basis daarvan tot de</para>
    <para>conclusie dat:</para>
    <para>"de gemeente in de relevante periode een aanbod</para>
    <para>heeft gedaan en een redelijke tijd heeft gegeven</para>
    <para>om daarop inhoudelijk in te gaan. Gesteld noch</para>
    <para>gebleken is dat door of zijdens de gemeente</para>
    <para>tevoren reeds een bindend aanbod is gedaan. Van de</para>
    <para>Sande heeft niet om een specificatie van het</para>
    <para>aanbod gevraagd en slechts het aanbod als</para>
    <para>volstrekt onaanvaardbaar van de hand gewezen,</para>
    <para>zonder aan te geven wat volgens hem een redelijke</para>
    <para>schadeloosstelling zou kunnen zijn. Onder die</para>
    <para>omstandigheden heeft de gemeente, mede in</para>
    <para>aanmerking genomen dat het aanbod van de gemeente</para>
    <para>niet reeds a prima vista als onredelijk kan worden</para>
    <para>aangemerkt, voldoende serieus onderhandeld.</para>
    <para>De rechtbank komt aldus tot de slotsom dat de</para>
    <para>gemeente niet in strijd met [art. 17 Ow.] heeft</para>
    <para>gehandeld."</para>
    <para>4.6. Aldus gemotiveerd geeft het oordeel van de</para>
    <para>rechtbank dat de gemeente niet in strijd met art. 17</para>
    <para>Ow. heeft gehandeld mijns inziens geen blijk van een</para>
    <para>onjuiste rechtsopvatting. Nu de gemeente in ieder geval</para>
    <para>vanaf 21 juli 1998 voldoende serieus heeft onderhandeld</para>
    <para>en de rechtbank - in cassatie onbestreden - heeft</para>
    <para>vastgesteld dat door of zijdens de gemeente in de</para>
    <para>periode daarvoor niet reeds een bindend aanbod is</para>
    <para>gedaan, hoefde de rechtbank niet op het bewijsaanbod in</para>
    <para>te gaan.</para>
    <para>4.7. Bij brief van 21 juli 1998 heeft de raadsman van</para>
    <para>de gemeente Van de Sande meegedeeld dat de gemeente</para>
    <para>thans een bedrag biedt van ƒ 160.633,--. Dat komt neer</para>
    <para>op een bedrag van ƒ 9,60 per m?. In het licht van het</para>
    <para>feit dat Van de Sande niet om</para>
    <para>een specificatie van het aanbod heeft gevraagd en</para>
    <para>slechts het aanbod als volstrekt onaanvaardbaar van de</para>
    <para>hand heeft gewezen, zonder aan te geven wat volgens hem</para>
    <para>een redelijke schadeloosstelling zou kunnen zijn,</para>
    <para>hoefde de rechtbank niet nader te motiveren waarom het</para>
    <para>aanbod van de gemeente niet reeds a prima vista als</para>
    <para>onredelijk kan worden aangemerkt.</para>
    <para>4.8. Het tweede cassatiemiddel treft evenmin doel.</para>
    <para>5. Beoordeling van het incidenteel cassatiemiddel</para>
    <para>5.1. De gemeente heeft een incidenteel cassatiemiddel</para>
    <para>voorgesteld, louter voor het geval één of meer grieven</para>
    <para>in het principale cassatieberoep zouden slagen. Voor</para>
    <para>het geval Uw Raad mij niet mocht volgen in mijn</para>
    <para>conclusie tot verwerping van het principaal</para>
    <para>cassatieberoep, merk ik het volgende op.</para>
    <para>5.2. De klacht dat de rechtbank het bezwaar dat de</para>
    <para>onteigening niet noodzakelijk is, omdat gedaagde na het</para>
    <para>Koninklijk Besluit van 30 juni 1997 bereid en in staat</para>
    <para>zou  zijn de bestemming waarvoor onteigend wordt, zelf</para>
    <para>te realiseren, ten onrechte inhoudelijk heeft</para>
    <para>behandeld, mist feitelijke grondslag. De rechtbank</para>
    <para>heeft slechts onderzocht of Van de Sande de</para>
    <para>noodzakelijke details over de exacte mogelijkheden tot</para>
    <para>zelfrealisatie en de praktische uitvoering daarvan</para>
    <para>heeft verschaft en vastgesteld dat dit niet het geval</para>
    <para>is en dat de gemeente bovendien gemotiveerd heeft</para>
    <para>bestreden dat zelfrealisatie een reële mogelijkheid is.</para>
    <para>Dat moest de rechtbank ook onderzoeken. Indien de</para>
    <para>rechtbank namelijk feitelijk kan vaststellen dat de</para>
    <para>noodzaak tot onteigening thans niet meer aanwezig is,</para>
    <para>omdat de onteigenende partij de desbetreffende stelling</para>
    <para>van de onteigende niet, althans onvoldoende heeft</para>
    <para>weersproken, berust die vaststelling immers niet op een</para>
    <para>toetsing van de aan (de goedkeuring van) het</para>
    <para>onteigeningsbesluit ten grondslag liggende bestuurlijke</para>
    <para>belangenafweging, maar op een aan de rechter opgedragen</para>
    <para>vaststelling van de feiten.</para>
    <para>6. Conclusie</para>
    <para>Ik concludeer tot niet-ontvankelijkverklaring van</para>
    <para>eisers tot cassatie sub 2 en 3 in hun cassatieberoep</para>
    <para>en, beide middelen van het principaal cassatieberoep</para>
    <para>ongegrond bevindend, tot verwerping van het beroep.</para>
    <para>De Procureur-</para>
    <para>Generaal bij de Hoge</para>
    <para>Raad der Nederlanden</para>
    <para>A-G</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>