<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2000:AA4848</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T12:55:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA4848</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2000-02-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">1276</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_omgevingsrecht">Bestuursrecht; Omgevingsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2000:AA4848" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA4848</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Jurisprudentie gebieds- en projectontwikkelingspraktijk 2010/1.1</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA4848">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA4848</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:58:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2000:AA4848 Parket bij de Hoge Raad , 09-02-2000 / 1276</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA4848:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA4848:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
  <parablock>
    <para>Nr. 1276                          Mr. Ilsink</para>
    <para>Derde Kamer B                     Conclusie inzake:</para>
    <para>Onteigening                   1. Aannemersbedrijf M.</para>
    <para>Huybregts en Zonen B.V.</para>
    <para>Zitting, 20 oktober 1999          2. Rhee-Bra C.V.</para>
    <para>3. Bouwbedrijf Van Rhee</para>
    <para>B.V.</para>
    <para>tegen</para>
    <para>de gemeente Oirschot</para>
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para>1. Feiten en procesverloop</para>
    <para>1.1. Bij besluit van 26 november 1996, nr. 145, heeft</para>
    <para>de raad van de gemeente Oirschot (hierna: de gemeente)</para>
    <para>besloten ingevolge het bepaalde bij art. 77, eerste</para>
    <para>lid, onder 1°, van de Onteigeningswet (Ow.), ten</para>
    <para>behoeve van de uitvoering van het bestemmingsplan</para>
    <para>"PIROC-Strijpsche Kampen"&amp;lt;(1) Dit plan is op 28 mei 1996 vastgesteld door de</para>
    <para>gemeenteraad, op 19 december 1996 goedgekeurd door</para>
    <para>Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant en op 4 mei 1998</para>
    <para>onherroepelijk geworden.</para>
    <para>&amp;gt;, ten name van de gemeente</para>
    <para>onder meer te onteigenen de percelen, kadastraal bekend</para>
    <para>gemeente Oirschot, sectie E, nrs. 710 (grondplannr.</para>
    <para>23), groot 04.08.15 ha, zijnde bouwland en nr. 711</para>
    <para>(grondplannr. 24), groot 03.88.00 ha, zijnde eveneens</para>
    <para>bouwland. Deze percelen stonden ten name van eiseres</para>
    <para>tot cassatie sub 1 de besloten vennootschap met</para>
    <para>beperkte aansprakelijkheid Aannemersbedrijf M.</para>
    <para>Huybregts en Zonen B.V. (hierna: Huybregts B.V.). Bij</para>
    <para>Koninklijk Besluit van 30 juni 1997, no. 97.003107,</para>
    <para>Stcrt. 18 juli 1997, nr. 135 (hierna: het KB) is</para>
    <para>voormeld raadsbesluit inzoverre goedgekeurd.</para>
    <para>1.2. Bij exploit van 20 oktober 1998 heeft de gemeente</para>
    <para>&amp;lt;</para>
    <para>?</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>Huybregts B.V. doen dagvaarden voor de rechtbank te `s-</para>
    <para>Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) en onder meer</para>
    <para>gevorderd te harer name vervroegd de onteigening uit te</para>
    <para>spreken van voormelde onroerende zaken.</para>
    <para>1.3. Bij vonnis van 26 maart 1999,  nr. 31232 /  HA ZA</para>
    <para>98-2546, heeft de rechtbank het verzoek van eiseres tot</para>
    <para>cassatie sub 2 de commanditaire vennootschap Rhee-Bra</para>
    <para>C.V. (hierna: Rhee-Bra C.V.) en van eiseres tot</para>
    <para>cassatie sub 3 de besloten vennootschap met beperkte</para>
    <para>aansprakelijkheid Bouwbedrijf Van Rhee B.V. (hierna:</para>
    <para>Van Rhee B.V.), beherend vennote van Rhee-Bra C.V., om</para>
    <para>in het onteigeningsgeding te mogen tussenkomen,</para>
    <para>afgewezen. Voorts heeft de rechtbank de gevorderde</para>
    <para>onteigening uitgesproken, het voorschot op de</para>
    <para>schadeloosstelling voor Huybregts B.V. bepaald op ƒ</para>
    <para>682.916,40 en drie deskundigen en een rechter-</para>
    <para>commissaris benoemd.</para>
    <para>1.4. Tegen dit vonnis hebben eisers tot cassatie beroep</para>
    <para>in cassatie ingesteld, onder aanvoering van twee met</para>
    <para>Romeinse cijfers genummerde cassatiemiddelen.</para>
    <para>1.5. De gemeente heeft voorwaardelijk incidenteel</para>
    <para>cassatieberoep ingesteld, onder aanvoering van één</para>
    <para>middel.</para>
    <para>1.6. Partijen hebben hun onderscheiden standpunten ter</para>
    <para>zitting van Uw Raad van 9 juli 1999 schriftelijk doen</para>
    <para>toelichten, waarna eisers tot cassatie ter zitting van</para>
    <para>13 augustus 1999 nog hebben gerepliceerd.</para>
    <para>1.7. Heden neem ik ook mijn conclusie in de</para>
    <para>soortgelijke zaken die bij Uw Raad onder de nrs. 1272</para>
    <para>tot en met 1275 zijn geregistreerd. Er zitten geen</para>
    <para>wezenlijke verschillen in de conclusies; voorzover er</para>
    <para>verschillen zijn, met name in de onderdelen 3 en 4,</para>
    <para>vinden die hun verklaring in verschillen in de</para>
    <para>feitelijke constellatie.</para>
    <para>2. De ontvankelijkheid van Rhee-Bra C.V. en Van Rhee</para>
    <para>B.V. in het cassatieberoep</para>
    <para>2.1. In haar schriftelijke toelichting van 9 juli 1999</para>
    <para>heeft de gemeente betoogd dat  Rhee-Bra C.V. en Van</para>
    <para>Rhee B.V. niet in hun cassatieberoep kunnen worden</para>
    <para>ontvangen, omdat de rechtbank hun verzoek om in het</para>
    <para>onteigeningsgeding te mogen tussenkomen heeft</para>
    <para>afgewezen, op de grond dat zij geen derde-</para>
    <para>belanghebbenden zijn in de zin van art. 3, tweede lid,</para>
    <para>Ow.</para>
    <para>2.2. Dat is niet juist. De rechtbank heeft de verzoeken</para>
    <para>van Rhee-Bra C.V. en van Van Rhee B.V. om in het</para>
    <para>onteigeningsgeding te mogen tussenkomen afgewezen, op</para>
    <para>de grond dat zich in dit geval de situatie van</para>
    <para>"tegenspraak der hoedanigheid" als bedoeld in art. 3,</para>
    <para>derde lid, Ow. voordoet. Daartoe heeft de rechtbank</para>
    <para>overwogen dat uit de overgelegde akte van levering d.d.</para>
    <para>22 januari 1999 weliswaar blijkt dat Huybregts B.V. aan</para>
    <para>Rhee-Bra C.V. en Van Rhee B.V. een onverdeeld aandeel</para>
    <para>heeft geleverd in de in het geding zijnde percelen,</para>
    <para>doch dat van de inschrijving van de notariële akte in</para>
    <para>de daartoe bestemde openbare registers, benodigd voor</para>
    <para>de voltooiing van de voor de overdracht van onroerende</para>
    <para>zaken vereiste levering, geen bewijs is overgelegd,</para>
    <para>zodat, gelet op de betwisting door de gemeente, niet in</para>
    <para>rechte vast staat dat Rhee-Bra C.V. en Van Rhee B.V.</para>
    <para>mede-eigenaar zijn geworden van de te onteigenen</para>
    <para>percelen.</para>
    <para>2.3. Niettemin zal ik ambtshalve moeten onderzoeken of</para>
    <para>de exceptie van niet-ontvankelijkheid opgaat. Hoewel de</para>
    <para>exceptie niet bij conclusie van antwoord is</para>
    <para>voorgedragen, zoals bij art. 411, tweede lid, Rv. is</para>
    <para>voorgeschreven, ga ik ervan uit dat het hier een grond</para>
    <para>van niet-ontvankelijkheid betreft die van openbare orde</para>
    <para>is.&amp;lt;(2) Vgl. Veegens/Korthals Altes/Groen, Cassatie, derde</para>
    <para>druk (1989), § 143.</para>
    <para>&amp;gt; In wezen betoogt de gemeente immers dat Rhee-Bra</para>
    <para>C.V. en Van Rhee B.V. geen partij zijn bij het</para>
    <para>onteigeningsgeding.</para>
    <para>2.4. Bij art. 3, derde lid, Ow. is bepaald dat bij</para>
    <para>tegenspraak van de hoedanigheid van eigenaar,</para>
    <para>rechthebbende of derde belanghebbende, de onteigening</para>
    <para>met de overigen wordt voortgezet, en hij, die beweert</para>
    <para>gerechtigde te zijn, zijn recht alleen op de</para>
    <para>schadevergoeding zal kunnen uitoefenen, die in dat</para>
    <para>geval wordt geconsigneerd overeenkomstig de Wet op de</para>
    <para>consignatie van gelden.&amp;lt;(3) In de onderhavige zaak heeft de rechtbank consignatie</para>
    <para>van een gedeelte van de schadeloosstelling achterwege</para>
    <para>gelaten, omdat door geen van de partijen duidelijk is</para>
    <para>gemaakt voor welk bedrag zou dienen te worden</para>
    <para>geconsigneerd, het belang van interveniënten zeer</para>
    <para>gering is en zij een samenwerkingsovereenkomst hebben</para>
    <para>met Huybregts B.V.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>2.5. In HR 28 augustus 1934, NJ 1934, blz. 1689, m. nt.</para>
    <para>E.M.M. overwoog Uw Raad:</para>
    <para>" (blz. 1692) O. dat de gemeente</para>
    <para>ontvankelijkheid van het door de Vries Lentsch</para>
    <para>tegen de(?) uitspraak[, waarbij de rechtbank de</para>
    <para>onteigening heeft uitgesproken met vaststelling</para>
    <para>van het bedrag der schadevergoeding en bepaling</para>
    <para>dat dat bedrag zal worden geconsigneerd]</para>
    <para>ingestelde beroep in cassatie bestrijdt op grond,</para>
    <para>dat hij daarbij niet partij is, nu de door hem</para>
    <para>beweerde hoedanigheid van eigenaar van de te</para>
    <para>onteigenen percelen is tegengesproken;</para>
    <para>dat dit verweer moet worden verworpen;</para>
    <para>(?)</para>
    <para>dat uit de geschiedenis der wet blijkt, dat de</para>
    <para>bedoeling van [art. 3, derde lid, Ow.] niet is om</para>
    <para>[een] derde [die verzoekt op grond van eenig recht</para>
    <para>op het goed in het geding te mogen tusschenkomen]</para>
    <para>te beletten in het geding tot onteigening te</para>
    <para>blijven waken tegen krenking van de door hem</para>
    <para>beweerde rechten op het goed, doch alleen om ter</para>
    <para>voorkoming van vertraging daarin elk onderzoek</para>
    <para>naar het bestaan dier betwiste rechten uit te</para>
    <para>sluiten;</para>
    <para>dat dan ook in aansluiting hieraan de artt. 35</para>
    <para>en volgende der wet hem, wiens beweerd recht op</para>
    <para>het te onteigenen goed is tegengesproken,</para>
    <para>desondanks rangschikken onder de belanghebbenden</para>
    <para>en toelaten tot uitoefening van zekere</para>
    <para>bevoegdheden, gelijk in het onderhavige geval de</para>
    <para>Vries Lentsch zijn bezwaren tegen het advies der</para>
    <para>deskundigen heeft ingebracht, ter terechtzitting</para>
    <para>heeft geconcludeerd en zijn conclusieën bij</para>
    <para>pleidooi heeft ontwikkeld;</para>
    <para>dat de Vries Lentsch dus deel genomen heeft aan</para>
    <para>het voor de Rechtbank gevoerde geding, dat geleid</para>
    <para>heeft tot een vonnis, waarbij in strijd met zijn</para>
    <para>conclusieën de onteigening is uitgesproken van</para>
    <para>perceelen, waarvan hij beweert eigenaar te zijn en</para>
    <para>waarbij de schadevergoeding is vastgesteld op een</para>
    <para>naar zijn stellingen te laag bedrag;</para>
    <para>dat daarom ook voor hem het beroep in cassatie</para>
    <para>open staat tegen dit vonnis, dat beslist over</para>
    <para>rechten, die alsnog kunnen blijken de zijne te</para>
    <para>zijn, en het voor de bescherming van zijn -</para>
    <para>mogelijk - recht noodzakelijk rechtsmiddel hem</para>
    <para>niet mag worden onthouden, alleen omdat een - niet</para>
    <para>onberispelijke woordenkeus der [Ow.] den naam van</para>
    <para>"partij" slechts schijnt te willen geven, behalve</para>
    <para>aan eischer en gedaagde, aan die deelnemers aan</para>
    <para>het onteigeningsgeding, wier beweerd recht op het</para>
    <para>goed niet wordt tegengesproken;  dat toch uit die</para>
    <para>woordenkeus niet blijkt van een bedoeling om - in</para>
    <para>strijd met redelijkheid en eigen stelsel der wet -</para>
    <para>den kring van hen, voor wie de voorziening in</para>
    <para>cassatie openstaat, te beperken, terwijl ook in de</para>
    <para>artikelen der [Ow.], die de cassatie regelen,</para>
    <para>niets wordt aangetroffen, dat wijst op een</para>
    <para>beperking van het rechtsmiddel tot hen, die deze</para>
    <para>wet partijen noemt"&amp;lt;(4) Zie over dit arrest uitvoerig H.J.M. van Mierlo</para>
    <para>Onteigening, eigendomsbeperking en kostenverhaal, Bijz.</para>
    <para>deel I.B. III, §§ 25 en 33, en W. Wijting, Een studie</para>
    <para>tot hervorming van het onteigeningsprocesrecht, diss.</para>
    <para>RUU (1984), blzz. 530-535.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>2.6. Voormeld arrest uit 1934 betrof een eindvonnis als</para>
    <para>bedoeld in art. 37, tweede lid, Ow. In het onderhavige</para>
    <para>geval hebben wij te maken met een vonnis waarbij de</para>
    <para>vervroegde onteigening is uitgesproken. In hoeverre</para>
    <para>kunnen nu aan dat arrest aanknopingspunten worden</para>
    <para>ontleend voor de beantwoording van de vraag of  Rhee-</para>
    <para>Bra C.V. en Van Rhee B.V. partij waren bij het geding</para>
    <para>tot vervroegde onteigening?</para>
    <para>2.7. Rhee-Bra C.V. en Van Rhee B.V. hebben niet</para>
    <para>deelgenomen en ook niet kunnen deelnemen aan het voor</para>
    <para>de rechtbank gevoerde geding. De Ow. biedt hun de</para>
    <para>mogelijkheid aan de rechtbank te verzoeken in het</para>
    <para>onteigeningsgeding te mogen tussenkomen, maar indien de</para>
    <para>rechtbank dat verzoek afwijst, zijn hun processuele</para>
    <para>mogelijkheden in het geding tot vervroegde onteigening</para>
    <para>voor de rechtbank&amp;lt;(5) Tegen het vonnis waarbij het verzoek tot tussenkomst</para>
    <para>wordt afgewezen, staat uiteraard wel cassatieberoep</para>
    <para>open. Zie bijvoorbeeld HR 31 januari 1996, NJ 1996,</para>
    <para>615, m. nt. MB.</para>
    <para>&amp;gt; uitgeput. Op hetgeen verzoeksters tot</para>
    <para>tussenkomst anders dan ter staving van hun verzoek tot</para>
    <para>tussenkomst hebben aangevoerd, kon de rechtbank</para>
    <para>derhalve geen acht slaan. Hoezeer ook voor Rhee-Bra</para>
    <para>C.V. en Van Rhee B.V geldt dat het thans bestreden</para>
    <para>vonnis beslist over rechten, die alsnog kunnen blijken</para>
    <para>de hunne te zijn, kan dus niet worden gezegd dat zij</para>
    <para>partij waren bij het geding tot vervroegde onteigening.</para>
    <para>2.8. De conclusie is dat Rhee-Bra C.V. en Bouwbedrijf</para>
    <para>Van Rhee B.V. niet in hun cassatieberoep kunnen worden</para>
    <para>ontvangen.</para>
    <para>Beoordeling van het principaal cassatieberoep</para>
    <para>3. Cassatiemiddel I</para>
    <para>3.1. De rechtbank heeft overwogen dat reeds in de</para>
    <para>procedure voorafgaande aan het onteigeningsgeding op</para>
    <para>het punt van de noodzaak tot onteigening bezwaren naar</para>
    <para>voren zijn gebracht, maar dat uit de eigen stelllingen</para>
    <para>van eiseres tot cassatie sub 1 blijkt dat destijds geen</para>
    <para>sprake was van enige reële mogelijkheid tot</para>
    <para>zelfrealisatie</para>
    <para>- zij spreekt in dit verband van een inmiddels volledig</para>
    <para>gewijzigde situatie - zodat er inzoverre alleszins</para>
    <para>noodzaak was tot onteigening en de overheid aldus in</para>
    <para>redelijkheid tot het onteigeningsbesluit kon komen. De</para>
    <para>rechtbank is van oordeel dat de vraag of in het</para>
    <para>onteigeningsgeding nog ruimte is voor een afwijzing van</para>
    <para>de gevorderde onteigening op de grond dat de gedaagde</para>
    <para>partij - samen met anderen - de bestemming zelf kan</para>
    <para>realiseren, alleen positief kan worden beantwoord</para>
    <para>indien er op basis van de voorhanden gegevens geen</para>
    <para>redelijke twijfel is over de mogelijkheid voor de</para>
    <para>gedaagde partij om - samen met anderen - de bestemming</para>
    <para>zelf te realiseren. In</para>
    <para>dat geval</para>
    <para>is de gevorderde onteigening niet rechtmatig, althans</para>
    <para>ontbreekt daaraan elk redelijk belang, aldus de</para>
    <para>rechtbank.</para>
    <para>Vervolgens stelt de rechtbank vast dat eiseres tot</para>
    <para>cassatie sub 1 niet de noodzakelijke details geeft over</para>
    <para>de exacte mogelijkheden tot zelfrealisatie en de</para>
    <para>praktische uitvoering daarvan en dat de gemeente</para>
    <para>gemotiveerd heeft bestreden dat zelfrealisatie een</para>
    <para>reële mogelijkheid is. Zij kan zich op basis hiervan in</para>
    <para>feite geen goed oordeel vormen over de vraag of eiseres</para>
    <para>tot cassatie sub 1 in samenwerking met Rhee-Bra en met</para>
    <para>anderen inderdaad technisch, financieel en praktisch</para>
    <para>tot zelfrealisatie van de op grondeigendommen waar het</para>
    <para>om gaat rustende bestemming in staat is. De rechtbank</para>
    <para>acht een nader tijdrovend feitenonderzoek door middel</para>
    <para>van bewijslevering op dit punt in strijd met de spoed</para>
    <para>die in een onteigeningsprocedure betracht dient te</para>
    <para>worden.</para>
    <para>Op grond van het voorafgaande beantwoordt de</para>
    <para>rechtbank voormelde vraag ontkennend.</para>
    <para>3.2. Het middel klaagt er over dat de rechtbank ten</para>
    <para>onrechte heeft geoordeeld dat de vraag of in het</para>
    <para>onteigeningsgeding nog ruimte is voor een afwijzing van</para>
    <para>de gevorderde onteigening op de grond dat de gedaagde</para>
    <para>partij - samen met anderen - de bestemming zelf kan</para>
    <para>realiseren, alleen positief kan worden beantwoord</para>
    <para>indien er op basis van de voorhanden gegevens geen</para>
    <para>redelijke twijfel is over de mogelijkheid voor de</para>
    <para>gedaagde partij - samen met anderen - zelf de</para>
    <para>bestemming te realiseren. Geen rechtsregel zou zich</para>
    <para>verzetten tegen feitenonderzoek door middel van</para>
    <para>bewijslevering in een onteigeningsprocedure. De</para>
    <para>overweging dat een nader tijdrovend feitenonderzoek</para>
    <para>door middel van bewijslevering van de gestelde</para>
    <para>mogelijkheid tot zelfrealisatie in strijd is met de</para>
    <para>spoed die in een onteigeningsprocedure betracht dient</para>
    <para>te worden, is volgens eiseres tot cassatie sub 1</para>
    <para>zonder nadere redengeving onbegrijpelijk.</para>
    <para>3.3. In het KB van 30 juni 1997 overwoog de Kroon naar</para>
    <para>aanleiding van de door eiseres tot cassatie sub 1 tegen</para>
    <para>het raadsbesluit naar voren gebrachte bedenkingen onder</para>
    <para>meer:</para>
    <para>"(Stcrt. 1997, 135, blz. 14, vierde kolom) (?)</para>
    <para>Mede gelet op de onderlinge samenhang van de in</para>
    <para>het plangebied uit te voeren werkzaamheden en de</para>
    <para>beperkte omvang van de eigendommen van de</para>
    <para>reclamante ten opzichte van het gehele plangebied</para>
    <para>kan naar Ons oordeel van een zelf verrichten van</para>
    <para>werkzaamheden door de reclamante uit een oogpunt</para>
    <para>van een doelmatige realisering van het</para>
    <para>bestemmingsplan geen sprake zijn."</para>
    <para>3.4. In haar conclusie van antwoord voor de rechtbank</para>
    <para>d.d. 13 november 1998  heeft eiseres tot cassatie sub 1</para>
    <para>aangevoerd:</para>
    <para>"5. Huybregts is inmiddels met [Rhee-Bra C.V.]</para>
    <para>3 juli 1998 (?) een  overeenkomst aangegaan</para>
    <para>waarbij partijen hebben uitgesproken dat zij samen</para>
    <para>willen werken met als doel de eigendom van</para>
    <para>gedaagde zo spoedig mogelijk te gaan ontwikkelen</para>
    <para>en daartoe een exploitatieovereenkomst aan te gaan</para>
    <para>met de gemeenten Eindhoven c.q. Oirschot en/of</para>
    <para>eventuele derden daaronder begrepen het Ministerie</para>
    <para>van Defensie teneinde het bestemmingsplan "Piroc-</para>
    <para>Strijpsche Kampen" van de gemeente Oirschot/</para>
    <para>Eindhoven zelf te realiseren.  (?) Rhee-Bra is</para>
    <para>uitermate in staat om met en in opdracht van</para>
    <para>gedaagde het bestemmingsplan te realiseren. Immers</para>
    <para>Rhee-Bra heeft inmiddels door met verschillende</para>
    <para>eigenaren/belanghebbenden binnen het plangebied</para>
    <para>gelijkluidende overeenkomsten te sluiten, de</para>
    <para>beschikking over een zeer groot grondoppervlak -</para>
    <para>circa 50 ha - binnen voornoemd plan. Voorts</para>
    <para>beschikt Rhee-Bra over een bouwbedrijf met</para>
    <para>voldoende technische en financiële middelen om de</para>
    <para>door de overheid voorgestane planuitvoering binnen</para>
    <para>de door de overheid gestelde termijnen en binnen</para>
    <para>de door de overheid te stellen voorwaarden en</para>
    <para>voorschriften te realiseren. Huybregts is bereid</para>
    <para>om binnen het door de overheid te stellen kader</para>
    <para>het bestemmingsplan te realiseren. Er bestaat</para>
    <para>derhalve voor de gemeente gelet op de mogelijkheid</para>
    <para>van zelfrealisatie geen enkele noodzaak tot</para>
    <para>onteigening.</para>
    <para>6. Huybregts exploiteert een aannemings- en</para>
    <para>grondverzetbedrijf in de grond weg- en</para>
    <para>waterbouwsector zodat hij alle civiel- en</para>
    <para>cultuurtechnische werken binnen het plangebied</para>
    <para>zelf kan en wil uitvoeren. Sedert 1990 heeft</para>
    <para>Huybregts met alle betrokken overheden overleg</para>
    <para>gevoerd over het ontwikkelen van zijn gronden.</para>
    <para>Huybregts is bereid om binnen het door de overheid</para>
    <para>te stellen kader het bestemmingsplan te</para>
    <para>realiseren. In de administratieve procedure heeft</para>
    <para>Huybregts zich op het standpunt gesteld dat zij</para>
    <para>tot zelfrealisatie in staat is. (?)</para>
    <para>7.  Ten opzichte van het [KB van 30 juni 1997], is</para>
    <para>er thans sprake van een volledig gewijzigde</para>
    <para>situatie. Was er ten tijde van het nemen van</para>
    <para>genoemd besluit nog geen sprake van dat de</para>
    <para>betrokken eigenaren/belanghebbende zelf in staat</para>
    <para>waren tot zelfrealisatie, nu is dat wel het geval.</para>
    <para>Thans beschikken zij door het sluiten van de</para>
    <para>hiervoor genoemde overeenkomst over een</para>
    <para>grondoppervlakte van circa 50 ha, zijnde 50% van</para>
    <para>het plangebied. Zoals gezegd is een samenwerking</para>
    <para>aangegaan met een deskundige ontwikkelaar/aannemer</para>
    <para>die in staat is tot realisering van het</para>
    <para>bestemmingsplan. Huybregts concludeert derhalve</para>
    <para>dat gegeven deze nieuwe omstandigheden de toetsing</para>
    <para>van de onteigeningstitel ten aanzien van de</para>
    <para>zelfrealisatie door Uw Rechtbank voor de hand</para>
    <para>ligt."</para>
    <para>Voorts heeft eiseres tot cassatie sub 1 bewijs</para>
    <para>aangeboden, in het bijzonder door middel van het horen</para>
    <para>van getuigen, van haar stelling dat zij in staat is het</para>
    <para>bestemmingsplan zelf te realiseren (zie onderdeel 12</para>
    <para>van de conclusie van antwoord).</para>
    <para>3.5. Uit de hiervoor geciteerde overwegingen van het</para>
    <para>onteigenings-KB blijkt dat Huybregts B.V. haar bezwaar</para>
    <para>dat zij zelf tot verwezenlijking van het</para>
    <para>bestemmingsplan wil overgaan niet voor het eerst in het</para>
    <para>onteigeningsgeding naar voren heeft gebracht. De</para>
    <para>beoordeling van dit bezwaar noopte de gemeenteraad en</para>
    <para>de Kroon tot een belangenafweging. De</para>
    <para>onteigeningsrechter mag die belangenafweging slechts</para>
    <para>marginaal toetsen. Voorts mag de onteigeningsrechter</para>
    <para>zich niet over die belangenafweging uitlaten naar</para>
    <para>aanleiding van feiten en omstandigheden, die de raad</para>
    <para>en/of de Kroon niet bekend waren. Dat zou de</para>
    <para>onteigeningsrechter immers op de stoel van het bestuur</para>
    <para>zetten.&amp;lt;(6) Zie onderdeel 2.2.13 van de conclusie van de A-G Loeb</para>
    <para>voor HR 2 april 1997, NJ 1997, 730, m. nt. P.C.E. van</para>
    <para>Wijmen, BR 1997, blz. 770, m. nt. E. van der Schans</para>
    <para>(Semler/Assen).</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>3.6. In het onteigeningsgeding heeft eiseres tot</para>
    <para>cassatie sub 1 haar bezwaar met nieuwe stellingen</para>
    <para>onderbouwd. Zoals gezegd mag de onteigeningsrechter</para>
    <para>daar in beginsel geen acht op slaan. Waarom heeft de</para>
    <para>rechtbank dat dan wel gedaan? Misschien heeft de</para>
    <para>rechtbank zich (mede) laten leiden door de vonnissen</para>
    <para>van de rechtbank te `s-Hertogenbosch van 12 mei 1989,</para>
    <para>NJ 1990, 490 (Helmond/Van Mullekom) en van de rechtbank</para>
    <para>te Arnhem van 28 maart 1996, nr. ON 1995/1041</para>
    <para>(Nijkerk/Van Hell en Landman en Bouwfonds Woningbouw</para>
    <para>B.V.), waarvan ik de relevante overwegingen heb</para>
    <para>geciteerd in de onderdelen 3.4 en 3.5 van mijn</para>
    <para>conclusie voor HR 30 september 1998, NJ 1999, 411, m.</para>
    <para>nt. PCEvW (Willemsens-Maassen en Burgfonds/Dordrecht).</para>
    <para>3.7. Indien de rechtbank, zoals in de onder 3.6</para>
    <para>vermelde vonnissen het geval was, vaststelt dat de</para>
    <para>noodzaak tot onteigening (thans) niet (meer) aanwezig</para>
    <para>is, omdat de onteigenende partij dat niet, althans</para>
    <para>onvoldoende heeft weersproken, berust die vaststelling</para>
    <para>niet op een toetsing van de aan (de goedkeuring van)</para>
    <para>het</para>
    <para>onteigeningsbesluit ten grondslag liggende</para>
    <para>belangenafweging, maar op een vaststelling van de</para>
    <para>feiten.</para>
    <para>3.8. De gemeente heeft, anders dan de gemeenten in de</para>
    <para>onder 3.6 vermelde zaken, gemotiveerd bestreden dat</para>
    <para>zelfrealisatie een reële mogelijkheid is. Mij dunkt dat</para>
    <para>daarmee voor eiseres tot cassatie sub 1 het doek valt.</para>
    <para>Ik meen voor die opvatting voldoende aanknopingspunten</para>
    <para>te kunnen vinden in rov. 3.3. van HR NJ 1999, 411,</para>
    <para>waarin Uw Raad onderdeel 2 van het middel heeft</para>
    <para>verworpen, zulks onder verwijzing naar, onder meer,</para>
    <para>onderdeel 3.9 van mijn conclusie in die zaak. Weliswaar</para>
    <para>heeft eiseres tot cassatie sub 1 aangeboden te bewijzen</para>
    <para>dat zelfrealisatie een reële mogelijkheid is, maar dat</para>
    <para>aanbod kan niet tot iets leiden. Immers, de vraag of</para>
    <para>zelfrealisatie een reële mogelijkheid is, kan slechts</para>
    <para>worden beantwoord in het kader van een bestuurlijke</para>
    <para>belangenafweging en niet van een rechterlijke. De</para>
    <para>klacht dat de rechtbank het bewijsaanbod ten onrechte</para>
    <para>heeft gepasseerd, faalt dus bij gebrek aan belang.</para>
    <para>3.9. Het eerste cassatiemiddel is derhalve tevergeefs</para>
    <para>voorgesteld.</para>
    <para>4. Cassatiemiddel II</para>
    <para>4.1. Het middel klaagt erover dat de rechtbank zonder</para>
    <para>meer is voorbijgegaan aan de gemotiveerde stelling -</para>
    <para>waarvan bewijs is aangeboden - dat de gemeente</para>
    <para>onvoldoende serieus heeft onderhandeld. Voorts zou de</para>
    <para>rechtbank niet inzichtelijk hebben gemaakt hoe zij -</para>
    <para>tegen de stelling van het tegendeel in - tot het</para>
    <para>oordeel is gekomen dat het standpunt van de gemeente</para>
    <para>niet reeds a prima vista als onredelijk kan worden</para>
    <para>aangemerkt.</para>
    <para>4.2. Voor beschouwingen met betrekking tot art. 17 Ow.,</para>
    <para>waarin de eis wordt gesteld dat voor de</para>
    <para>ontvankelijkheid van de vordering tot onteigening de</para>
    <para>onteigenende partij de te onteigenen zaak bij</para>
    <para>minnelijke overeenkomst moet hebben getracht te</para>
    <para>verwerven, moge ik verwijzen naar de onderdelen 4.4 en</para>
    <para>4.5 van mijn conclusie voor HR 8 april 1998, NJ 1999,</para>
    <para>24, m. nt. P.C.E. van Wijmen (Van den</para>
    <para>Boogert/Rotterdam) en onderdeel 2.10, eerste citaat,</para>
    <para>van mijn conclusie voor HR 30 september 1998, NJ 1999,</para>
    <para>411, eveneens m. nt. P.C.E. van Wijmen (Willemsens-</para>
    <para>Maassen en Burgfonds/Dordrecht).</para>
    <para>4.3. Uw Raad overwoog in HR NJ 1999, 24, onder 3.5:</para>
    <para>"Artikel 17 [Ow.] schrijft de onteigenende partij</para>
    <para>gebiedend voor te trachten hetgeen onteigend moet</para>
    <para>worden bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen.</para>
    <para>Daarbij dient die partij niet te werk te gaan</para>
    <para>alsof dit voorschrift een te verwaarlozen</para>
    <para>formaliteit is, in welk geval immers te kort zou</para>
    <para>worden gedaan aan de strekking van het artikel dat</para>
    <para>is gericht op het zo mogelijk vermijden van een</para>
    <para>rechtsgeding. Voorts vereist artikel 17 (...) dat</para>
    <para>de pogingen om hetgeen moet worden onteigend bij</para>
    <para>minnelijke overeenkomst te verkrijgen, moeten</para>
    <para>worden ondernomen in de periode tussen het</para>
    <para>definitief worden van het besluit tot onteigening</para>
    <para>(...) en het uitbrengen van de dagvaarding (...)."</para>
    <para>4.4. In onderdeel 12 van haar conclusie van antwoord</para>
    <para>voor de rechtbank heeft eiseres tot cassatie sub 1</para>
    <para>bewijs aangeboden, in het bijzonder door middel van</para>
    <para>getuigen, van haar stelling dat de gemeente in de</para>
    <para>periode gelegen tussen het besluit tot goedkeuring van</para>
    <para>het onteigeningsbesluit en de dagvaarding geen serieuze</para>
    <para>pogingen heeft ondernomen om te komen tot minnelijk</para>
    <para>overleg.</para>
    <para>4.5. De rechtbank heeft - terecht uitgaande van de in §</para>
    <para>4.3 hiervoor geciteerde rechtsregels - de</para>
    <para>correspondentie besproken die tussen de raadsman van de</para>
    <para>gemeente enerzijds en de raadsman van eiseres tot</para>
    <para>cassatie sub 1 anderzijds in de periode van 21 juli tot</para>
    <para>en met  23 oktober 1998 is gevoerd naar aanleiding van</para>
    <para>het aanbod dat de raadsman van de gemeente bij brief</para>
    <para>van 21 juli 1998 aan de raadsman van eiseres tot</para>
    <para>cassatie sub 1 heeft gedaan om te trachten de eigendom</para>
    <para>van de ter onteigening aangewezen percelen bij</para>
    <para>minnelijke overeenkomst te verwerven.&amp;lt;(7) Deze correspondentie is door de raadsman van de</para>
    <para>gemeente ter zitting van 26 januari 1999 in het geding</para>
    <para>gebracht.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>De rechtbank komt op basis daarvan tot de</para>
    <para>conclusie dat:</para>
    <para>"de gemeente in de relevante periode een aaanbod</para>
    <para>heeft gedaan en een redelijke tijd heeft gegeven</para>
    <para>om daarop inhoudelijk in te gaan. Gesteld noch</para>
    <para>gebleken is dat in de contacten tussen</para>
    <para>vertegenwoordigers c.q. taxateurs van de gemeente</para>
    <para>en Huybregts voordien door of zijdens de gemeente</para>
    <para>een bindend aanbod is gedaan.</para>
    <para>Tevens heeft de gemeente een specificatie</para>
    <para>verschaft. Op basis van de briefwisseling kan</para>
    <para>worden geconcludeerd dat de standpunten van</para>
    <para>partijen ver uiteen lagen en dat er geen redelijke</para>
    <para>kans was op een vergelijk. Nu het standpunt van de</para>
    <para>gemeente niet reeds a prima vista als onredelijk</para>
    <para>kan worden aangemerkt heeft zij aldus, mede in</para>
    <para>aanmerking genomen het door Huybregts bij (?)</para>
    <para>brief d.d. 23 oktober 1998 ingenomen standpunt,</para>
    <para>voldoende serieus onderhandeld.</para>
    <para>De rechtbank komt aldus tot de slotsom dat de</para>
    <para>gemeente niet in strijd met [art. 17 Ow.] heeft</para>
    <para>gehandeld."</para>
    <para>4.6. Aldus gemotiveerd geeft het oordeel van de</para>
    <para>rechtbank dat de gemeente niet in strijd met art. 17</para>
    <para>Ow. heeft gehandeld mijns inziens geen blijk van een</para>
    <para>onjuiste rechtsopvatting. Nu de gemeente in ieder geval</para>
    <para>vanaf 21 juli 1998 voldoende serieus heeft onderhandeld</para>
    <para>en de rechtbank - in cassatie onbestreden - heeft</para>
    <para>vastgesteld dat in de contacten tussen</para>
    <para>vertegenwoordigers c.q. taxateurs van de gemeente en</para>
    <para>Huybregts B.V. in de periode daarvoor door of zijdens</para>
    <para>de gemeente geen bindend aanbod is gedaan, hoefde de</para>
    <para>rechtbank niet op het bewijsaanbod in te gaan.</para>
    <para>4.7. Bij brief van 10 september 1998 heeft de raadsman</para>
    <para>van de gemeente desverzocht het aanbod van 21 juli 1998</para>
    <para>gespecificeerd. Vervolgens heeft hij bij brief van 14</para>
    <para>oktober 1998 aan de raadsman van eiseres tot cassatie</para>
    <para>sub 1 meegedeeld: dat de gemeente niet bereid is</para>
    <para>accoord te gaan met de door hem gevraagde</para>
    <para>schadeloosstelling die meer dan het dubbele is van het</para>
    <para>aangeboden bedrag; dat en waarom de waarde van de grond</para>
    <para>niet meer is dan ƒ 9,-- per m?: dat en waarom voor een</para>
    <para>toeslag wegens zandexploitatie geen reden is; en dat en</para>
    <para>waarom van de door hem gevraagde bijkomende</para>
    <para>vergoedingen slechts de kosten van aankoop van</para>
    <para>vervangend terrein (gedeeltelijk) en de makelaarskosten</para>
    <para>(op de voet van art. 50 Ow.) voor vergoeding in</para>
    <para>aanmerking komen.</para>
    <para>In dit licht bezien hoefde de rechtbank niet nader</para>
    <para>te motiveren waarom het standpunt van de gemeente niet</para>
    <para>reeds a prima vista als onredelijk kan worden</para>
    <para>aangemerkt.</para>
    <para>4.8. Het tweede cassatiemiddel treft evenmin doel.</para>
    <para>5. Beoordeling van het incidenteel cassatiemiddel</para>
    <para>5.1. De gemeente heeft een incidenteel cassatiemiddel</para>
    <para>voorgesteld, louter voor het geval één of meer grieven</para>
    <para>in het principale cassatieberoep zouden slagen. Voor</para>
    <para>het geval Uw Raad mij niet mocht volgen in mijn</para>
    <para>conclusie tot verwerping van het principaal</para>
    <para>cassatieberoep, merk ik het volgende op.</para>
    <para>5.2. De klacht dat de rechtbank het bezwaar dat de</para>
    <para>onteigening niet noodzakelijk is, omdat gedaagde na het</para>
    <para>Koninklijk Besluit van 30 juni 1997 bereid en in staat</para>
    <para>zou  zijn de bestemming waarvoor onteigend wordt, zelf</para>
    <para>te realiseren, ten onrechte inhoudelijk heeft</para>
    <para>behandeld, mist feitelijke grondslag. De rechtbank</para>
    <para>heeft slechts onderzocht of eiseres tot cassatie sub 1</para>
    <para>de noodzakelijke details over de exacte mogelijkheden</para>
    <para>tot zelfrealisatie en de praktische uitvoering daarvan</para>
    <para>heeft verschaft en vastgesteld dat dit niet het geval</para>
    <para>is en dat de gemeente bovendien gemotiveerd heeft</para>
    <para>bestreden dat zelfrealisatie een reële mogelijkheid is.</para>
    <para>Dat moest de rechtbank ook onderzoeken. Indien de</para>
    <para>rechtbank namelijk feitelijk kan vaststellen dat de</para>
    <para>noodzaak tot onteigening thans niet meer aanwezig is,</para>
    <para>omdat de onteigenende partij de desbetreffende stelling</para>
    <para>van de onteigende niet, althans onvoldoende heeft</para>
    <para>weersproken, berust die vaststelling immers niet op een</para>
    <para>toetsing van de aan (de goedkeuring van) het</para>
    <para>onteigeningsbesluit ten grondslag liggende bestuurlijke</para>
    <para>belangenafweging, maar op een aan de rechter opgedragen</para>
    <para>vaststelling van de feiten.</para>
    <para>6. Conclusie</para>
    <para>Ik concludeer tot niet-ontvankelijkverklaring van</para>
    <para>eisers tot cassatie sub 2 en 3 in hun cassatieberoep</para>
    <para>en, beide middelen van het principaal cassatieberoep</para>
    <para>ongegrond bevindend, tot verwerping van het beroep.</para>
    <para>De Procureur-</para>
    <para>Generaal bij de Hoge</para>
    <para>Raad der Nederlanden</para>
    <para>A-G</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>