<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2000:AA4717</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T17:57:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA4717</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2000-02-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">112622 E</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2000:AA4717" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA4717</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2000, 88</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2000/245</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA4717">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA4717</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:57:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2003-11-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2000:AA4717 Parket bij de Hoge Raad , 01-02-2000 / 112622 E</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA4717:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA4717:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
  <parablock>
    <para>Mr Jörg</para>
    <para>Nr. 112.622 E                          Conclusie inzake:</para>
    <para>Parket 30 november 1999                Toko Cheung Kong B.V.</para>
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para>1. Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verzoekster bij</para>
    <para>arrest van 18 december 1998 vrijgesproken van het haar</para>
    <para>tenlastegelegde handelen in strijd met art. 7 van de Vogelwet</para>
    <para>1936.</para>
    <para>2. De procureur-generaal bij het hof heeft tegen dit arrest</para>
    <para>beroep in cassatie ingesteld. Dit beroep is tegengesproken door</para>
    <para>mr J.A. Huijgen, advocaat te 's-Gravenhage.</para>
    <para>De ontvankelijkheid van het cassatieberoep (I)</para>
    <para>3. De procureur-generaal heeft op 31 december 1998 beroep in</para>
    <para>cassatie ingesteld. Ingevolge art. 433, eerste lid (oud)&amp;lt;(1)  Dit artikel is gewijzigd bij de wet van 1 oktober</para>
    <para>1998 tot wijziging van het Wetboek van</para>
    <para>Strafvordering, de Uitleveringswet, de Wet</para>
    <para>economische delicten en de Wet overdracht</para>
    <para>tenuitvoerlegging strafvonnissen betreffende de</para>
    <para>bepalingen aangaande de procedure in cassatie in</para>
    <para>strafzaken, herzieningszaken, uitleveringszaken en</para>
    <para>zaken in het kader van de Wet overdracht</para>
    <para>tenuitvoerlegging strafvonnissen die op 1 juni 1999</para>
    <para>in werking is getreden. Ingevolge art. VII van die</para>
    <para>wet is deze wijziging niet van toepassing op zaken</para>
    <para>waarin op het moment van inwerkingtreding van die wet</para>
    <para>de stukken van het geding reeds bij de griffier van</para>
    <para>de Hoge Raad zijn ingekomen. In de onderhavige zaak</para>
    <para>zijn de stukken ingekomen op 31 maart 1999.</para>
    <para>&amp;gt;, Sv</para>
    <para>diende dit beroep binnen een maand te worden gevolgd door een</para>
    <para>schriftuur. Blijkens het daarop geplaatste stempel is de</para>
    <para>schriftuur op 23 maart 1999 ter griffie van het hof ingediend.</para>
    <para>4.          Uw Raad heeft in zijn arrest van 16 april 1996, NJ 1996,</para>
    <para>527 geoordeeld dat indien de procureur-generaal binnen de in</para>
    <para>art. 433, eerste lid, Sv bedoelde termijn van een maand niet</para>
    <para>kan beschikken over het proces-verbaal van de terechtzitting en</para>
    <para>het (uitgewerkte) arrest van het hof, redelijke wetstoepassing</para>
    <para>meebrengt dat hij nog gedurende een maand nadat vorenbedoelde</para>
    <para>stukken te zijner beschikking zijn gekomen een schriftuur kan</para>
    <para>indienen.</para>
    <para>5. Uit door mij bij de strafgriffie van het hof ingewonnen</para>
    <para>&amp;lt;</para>
    <para>?</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>informatie is gebleken dat de procureur-generaal op 25 februari</para>
    <para>1999 de beschikking heeft gekregen over het uitgewerkte proces-</para>
    <para>verbaal van de terechtzitting en het arrest van het hof.</para>
    <para>Daaruit volgt dat - anders dan verzoekster in haar</para>
    <para>schriftelijke tegenspraak van het beroep van de procureur-</para>
    <para>generaal meent - het bepaalde in art. 433, eerste lid (oud), Sv</para>
    <para>niet aan de ontvankelijkheid van het cassatieberoep in de weg</para>
    <para>staat.</para>
    <para>De ontvankelijkheid van het cassatieberoep (II)</para>
    <para>6. Nu het beroep zich richt tegen een vrijspraak moet, gelet op</para>
    <para>art. 430, eerste lid, Sv, allereerst worden bepaald of de</para>
    <para>procureur-generaal in dat beroep kan worden ontvangen. Daartoe</para>
    <para>dient te worden onderzocht of de gegeven vrijspraak een andere</para>
    <para>is dan die welke wordt bedoeld in de hierboven vermelde</para>
    <para>wetsbepaling. Dit brengt mee dat voor het onderhavige geval</para>
    <para>eerst moet worden beantwoord of het hof is uitgegaan van een</para>
    <para>juiste uitleg van het in de tenlastelegging voorkomende begrip</para>
    <para>"beschermde vogels", welk woord in de tenlastelegging kennelijk</para>
    <para>in dezelfde betekenis is gebruikt als in art. 1, aanhef en</para>
    <para>onder 2°, Vogelwet 1936.</para>
    <para>7. Aan verzoekster is bij inleidende dagvaarding</para>
    <para>tenlastegelegd, - voorzover voor de beoordeling van het middel</para>
    <para>van belang - dat:</para>
    <para>"zij () in strijd met het bepaalde bij en/of</para>
    <para>krachtens de Vogelwet 1936, (ongeveer) 60.000,</para>
    <para>in elk geval een hoeveelheid, (ingevroren)</para>
    <para>ringmussen (Passer montanus), en/of/althans</para>
    <para>produkt(en) van die vogels, zijnde (een)</para>
    <para>beschermde vogel(s) en/of (een) (een) vogel(s)</para>
    <para>als bedoeld in artikel 2 van de Vogelwet 1936,</para>
    <para>binnen het grondgebied van Nederland heeft</para>
    <para>gebracht, althans heeft doen brengen"</para>
    <para>en/of/althans</para>
    <para>"() heeft gekocht en/of te koop heeft gevraagd."</para>
    <para>8. De stukken van het geding houden in dat verzoekster handelt</para>
    <para>in Chinees-Indische levensmiddelen en dat zij ingevroren vogels</para>
    <para>uit China importeert ten behoeve van de verkoop. Bij de stukken</para>
    <para>bevindt zich een factuur die inhoudt dat aan verzoekster onder</para>
    <para>meer 60.000 stuks Passer montanus saturatus zijn geleverd. Het</para>
    <para>betrof diepgevroren exemplaren die waren gevild maar nog waren</para>
    <para>voorzien van kop en poten. Blijkens een proces-verbaal van de</para>
    <para>AID heeft een vogeldeskundige vastgesteld dat de geleverde</para>
    <para>vogels ringmussen (Passer montanus) zijn, een in Nederland</para>
    <para>voorkomende soort die onder de bescherming van de Vogelwet 1936</para>
    <para>valt.</para>
    <para>9. Navraag bij het CITES-bureau in Dordrecht heeft geleerd dat</para>
    <para>de Passer montanus saturatus een ondersoort is van de soort</para>
    <para>Passer montanus.</para>
    <para>10. Het hof heeft de vrijspraak als volgt gemotiveerd:</para>
    <para>"Ten laste is gelegd een overtreding van artikel</para>
    <para>7 van de Vogelwet 1936. Dit artikel dient te</para>
    <para>worden bezien tegen de achtergrond van de</para>
    <para>Richtlijn 79/409/EEG van 2 april 1979 inzake het</para>
    <para>behoud van de vogelstand. In aanmerking nemende</para>
    <para>het doel van die richtlijn - de bescherming van</para>
    <para>de vogelstand op het Europese grondgebied van de</para>
    <para>lidstaten - en mede gelet op de vanuit dat doel</para>
    <para>begrijpelijke beslissing van het Hof van</para>
    <para>Justitie van de Europese Gemeenschappen van 8</para>
    <para>februari 1996 (in de zaak C-202/94 tegen G. van</para>
    <para>der Feesten), is duidelijk dat de richtlijn</para>
    <para>aldus moet worden uitgelegd dat de bepalingen</para>
    <para>daarvan niet van toepassing zijn op buiten het</para>
    <para>Europese grondgebied van de lidstaten legaal</para>
    <para>gedode vogels, van een ondersoort die binnen dat</para>
    <para>grondgebied niet voorkomt. Gelet op de</para>
    <para>wetsgeschiedenis beoogt artikel 7 van de</para>
    <para>Vogelwet 1936 niet een bescherming die verder</para>
    <para>gaat dan die van de richtlijn. Daarom is een</para>
    <para>vrijspraak van de tenlastegelegde overtreding op</para>
    <para>zijn plaats."</para>
    <para>11. Art. 1, eerste lid, Richtlijn 79/409/EEG van 2 april 1997</para>
    <para>inzake het behoud van de vogelstand (hierna: de Vogelrichtlijn)</para>
    <para>luidt:</para>
    <para>"Deze richtlijn heeft betrekking</para>
    <para>instandhouding van alle natuurlijk in het wild</para>
    <para>levende vogelsoorten op het Europees grondgebied</para>
    <para>van de Lid-Staten waarop het Verdrag van</para>
    <para>toepassing is. Zij betreft de bescherming, het</para>
    <para>beheer en de regulering van deze soorten en</para>
    <para>stelt regels voor de exploitatie daarvan."</para>
    <para>12.In het arrest van het HvJEG van 8 februari 1996 in de zaak</para>
    <para>C-202/94 (van der Feesten) is bepaald dat de Vogelrichtlijn van</para>
    <para>toepassing is op ondersoorten van vogels die alleen buiten het</para>
    <para>Europese grondgebied van de Lid-Staten natuurlijk in het wild</para>
    <para>levend voorkomen, wanneer de soort waartoe zij behoren of</para>
    <para>andere ondersoorten van deze soort natuurlijk in het wild</para>
    <para>levend op dit grondgebied voorkomen.</para>
    <para>13.Een van de overwegingen die het EG-Hof aan die beslissing</para>
    <para>ten grondslag heeft gelegd luidt:</para>
    <para>"Het begrip ondersoort blijkt derhalve niet</para>
    <para>zijn gebaseerd op onderscheidingscriteria die</para>
    <para>even nauwkeurig en objectief zijn als de</para>
    <para>criteria op basis waarvan de soorten onderling</para>
    <para>worden afgebakend. In wetenschappelijke kringen</para>
    <para>bestaat er dan ook niet zelden een verschil van</para>
    <para>mening over de mogelijkheid om bepaalde</para>
    <para>ondersoorten te isoleren en van elkaar te</para>
    <para>onderscheiden.</para>
    <para>Uit het voorgaande volgt dat, indien de</para>
    <para>werkingssfeer van de richtlijn zou worden</para>
    <para>beperkt tot de op het Europese grondgebied</para>
    <para>voorkomende ondersoorten en niet eveneens de</para>
    <para>niet-Europese ondersoorten zou omvatten, de</para>
    <para>richtlijn () moeilijk in de Lid-Staten zou</para>
    <para>kunnen worden toegepast, met het daaraan</para>
    <para>verbonden risico van een niet-eenvormige</para>
    <para>toepassing in de Gemeenschap. Dit resultaat zou</para>
    <para>indruisen tegen de doelstelling van een</para>
    <para>doeltreffende bescherming van de Europese</para>
    <para>vogelstand ()."</para>
    <para>14.Het hof is van oordeel dat de Vogelrichtlijn te dezen niet</para>
    <para>van toepassing is, aangezien de Passer montanus saturatus</para>
    <para>binnen het Europese grondgebied van de Lid-Staten niet voorkomt</para>
    <para>en buiten dat grondgebied legaal is gedood. Op het eerste</para>
    <para>gezicht is dit een zeer plausibele uitleg van de Vogelrichtlijn</para>
    <para>die blijkens haar considerans immers strekt tot het behoud van</para>
    <para>het natuurlijk milieu, met name het instandhouden van het</para>
    <para>biologisch evenwicht van de natuurlijk in het wild levende</para>
    <para>vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lid-Staten. Het</para>
    <para>ligt niet voor de hand dat het doden van ondersoorten die niet</para>
    <para>op dat grondgebied natuurlijk in het wild leven dat biologisch</para>
    <para>evenwicht zal verstoren.</para>
    <para>15.Deze gedachtegang dient mijns inziens echter van de hand te</para>
    <para>worden gewezen omdat zij op praktische bezwaren stuit. Zoals</para>
    <para>het EG-Hof in de zaak C-202/94 heeft overwogen is het vaak</para>
    <para>moeilijk om de verschillende ondersoorten van elkaar te kunnen</para>
    <para>onderscheiden. Dat zal zeker gelden als de desbetreffende</para>
    <para>vogels zijn gedood en van hun veren zijn ontdaan. De</para>
    <para>onderhavige zaak is daarvan een goed voorbeeld. Blijkens de</para>
    <para>factuur zouden aan verzoekster Passer montanus saturatus zijn</para>
    <para>geleverd, maar de door de AID ingeschakelde vogeldeskundige</para>
    <para>heeft slechts kunnen vaststellen tot welke soort de geleverde</para>
    <para>vogels behoorden en was kennelijk niet in staat te determineren</para>
    <para>met welke ondersoort hij te maken had.</para>
    <para>16.De vraag of de Passer montanus saturatus onder de</para>
    <para>bescherming van de Vogelrichtlijn valt dient dan ook te worden</para>
    <para>beantwoord aan de hand van de door het EG-Hof in de zaak C-</para>
    <para>202/94 (Van der Feesten) gegeven regel. Aangezien de Passer</para>
    <para>montanus saturatus een ondersoort is van de soort Passer</para>
    <para>montanus die - zo begrijp ik althans de passage in het proces-</para>
    <para>verbaal van de AID dat de Passer montanus in Nederland voorkomt</para>
    <para>- op het Europese grondgebied van de Lid-Staten natuurlijk in</para>
    <para>het wild levend voorkomt, dient vorenbedoelde vraag bevestigend</para>
    <para>te worden beantwoord.</para>
    <para>17.Dat het in het onderhavige geval om dode vogels gaat doet</para>
    <para>daar niet aan af. Ingevolge art. 5, aanhef en onder a, en art.</para>
    <para>6, eerste lid, Vogelrichtlijn dienen de Lid-Staten immers het</para>
    <para>doden van vogels  die onder de bescherming van de</para>
    <para>Vogelrichtlijn vallen alsmede - kort gezegd - de handel in die</para>
    <para>vogels te verbieden. De uitzonderingen in het tweede en derde</para>
    <para>lid van artikel 6 zijn niet van toepassing, aangezien deze geen</para>
    <para>betrekking hebben op de Passer montanus. (Zie ook het arrest</para>
    <para>van het Hof van Beroep te Antwerpen, 10e kamer, van 30 juni</para>
    <para>1998, nr 998.)</para>
    <para>18.De overwegingen die het hof aan de vrijspraak ten grondslag</para>
    <para>heeft gelegd berusten derhalve op een verkeerde uitleg van de</para>
    <para>Vogelrichtlijn en de uitspraak van het EG-Hof in zaak C-202/94.</para>
    <para>19.Het hof heeft voorts miskend dat het enkele feit dat een</para>
    <para>vogel niet onder de bescherming van de Vogelrichtlijn valt niet</para>
    <para>zonder meer meebrengt dat de Vogelwet 1936 evenmin op de</para>
    <para>desbetreffende vogel van toepassing is (vgl. HR 8 september</para>
    <para>1998, NJ 99,76). Het hof had er dan ook beter aan gedaan om</para>
    <para>deze problematiek te benaderen niet vanuit de</para>
    <para>Europeesrechtelijke maar vanuit de nationaalrechtelijke</para>
    <para>invalshoek. Dat had tot de volgende redenering geleid.</para>
    <para>20.Aan verzoekster is tenlastegelegd overtreding van art. 7</para>
    <para>Vogelwet 1936, welk artikel als volgt luidt:</para>
    <para>"Het is verboden beschermde vogels, vogels als</para>
    <para>bedoeld in artikel 2 of produkten van vogels</para>
    <para>onder zich te hebben, te koop te vragen, te</para>
    <para>kopen, te koop aan te bieden, ten verkoop</para>
    <para>voorhanden of voorradig te hebben, te verkopen,</para>
    <para>af te leveren, te vervoeren, ten vervoer aan te</para>
    <para>bieden, tentoon te stellen of binnen of buiten</para>
    <para>het grondgebied van Nederland te brengen."</para>
    <para>21.Ingevolge art. 1, aanhef en onder 2°, van de Vogelwet 1936</para>
    <para>worden onder beschermde vogels verstaan:</para>
    <para>"alle vogels, welke behoren tot een der</para>
    <para>Europa in het wild levende soorten, met</para>
    <para>uitzondering van de tamme duiverassen, de tamme</para>
    <para>knobbelzwanen en de in artikel 2 van de Jachtwet</para>
    <para>genoemde vogels."</para>
    <para>22.In het Vogelbesluit 1994 wordt in art. 1, eerste lid aanhef</para>
    <para>en onder c, dezelfde definitie van beschermde vogels gehanteerd</para>
    <para>als in de Vogelwet 1936. De toelichting bij het Vogelbesluit</para>
    <para>1994 houdt met betrekking tot deze definitie in:</para>
    <para>"De definitie van beschermde vogels</para>
    <para>overgenomen uit de Vogelwet 1936. Onder dit</para>
    <para>begrip worden alle vogels begrepen welke behoren</para>
    <para>tot in Europa in het wild levende soorten. Dat</para>
    <para>betekent dat ook vogels die behoren tot een</para>
    <para>bepaalde variant of ondersoort van de soort</para>
    <para>behoren tot de beschermde vogels. Daarbij maakt</para>
    <para>het niet uit of de betreffende variant wel of</para>
    <para>niet in Europa voorkomt. Een soort wordt gevormd</para>
    <para>door alle varianten en ondersoorten."</para>
    <para>23.Voorts is nog van belang art. 3, aanhef en onder 1°,</para>
    <para>Vogelwet 1936 waarin is bepaald dat die wet onder vogels mede</para>
    <para>begrijpt:</para>
    <para>"lichamen van dode vogels en delen van vogels</para>
    <para>dan niet geprepareerd of op andere wijze</para>
    <para>geschikt gemaakt om duurzaam te worden bewaard".</para>
    <para>24.Nu de Passer montanus saturatus een ondersoort is van de in</para>
    <para>Europa in het wild levende soort Passer montanus volgt uit de</para>
    <para>toelichting bij art. 1, aanhef en onder c, Vogelbesluit 1994</para>
    <para>dat het hier vogels betreft die behoren tot de beschermde</para>
    <para>vogels als bedoeld in art. 1, aanhef en onder 2°, Vogelwet</para>
    <para>1936. Dat het gevilde en ingevroren exemplaren betreft doet</para>
    <para>daar - gelet op het bepaalde in art. 3, aanhef en onder 1°,</para>
    <para>Vogelwet 1936 - niet aan af.</para>
    <para>25.'s Hofs kennelijke oordeel dat geen sprake is van een</para>
    <para>"beschermde vogel" in de zin van art. 1, aanhef en onder 2°,</para>
    <para>Vogelwet 1936 getuigt dan ook van een onjuiste rechtsopvatting.</para>
    <para>26.Door uit te gaan van een onjuiste uitleg van het begrip</para>
    <para>"beschermde vogels" heeft het hof de grondslag van de</para>
    <para>tenlastelegging verlaten. Dat betekent dat de procureur-</para>
    <para>generaal ontvankelijk is in het door hem ingestelde beroep, dat</para>
    <para>het middel terecht is voorgesteld en dat de bestreden uitspraak</para>
    <para>moet worden vernietigd.</para>
    <para>De beoordeling van het verweerschrift in cassatie</para>
    <para>1.Nu het cassatieberoep mijns inziens ontvankelijk is, komt het</para>
    <para>namens verzoekster ingediende verweerschrift - dat immers is</para>
    <para>ingediend onder het voorbehoud dat het cassatieberoep</para>
    <para>ontvankelijk mocht zijn - voor bespreking in aanmerking.</para>
    <para>2.Voorzover in het verweerschrift wordt betoogd dat buiten</para>
    <para>Europa legaal gedode niet-Europese ondersoorten niet onder de</para>
    <para>bescherming van de Vogelrichtlijn vallen, verwijs is naar</para>
    <para>hetgeen ik hiervoor onder 14 tot en met 17 heb overwogen. De</para>
    <para>vergelijking met de uitspraak van het EG-Hof van 8 februari</para>
    <para>1996 in zaak C-149/94 gaat niet op, omdat het in die zaak ging</para>
    <para>om vogels die in gevangenschap waren geboren en gekweekt en dus</para>
    <para>nooit natuurlijk in het wild hadden geleefd. Niet blijkt dat</para>
    <para>dit ook geldt voor de vogels waar het in de onderhavige zaak om</para>
    <para>gaat.</para>
    <para>3.In het verweerschrift wordt voorts nog aangevoerd dat de</para>
    <para>bepalingen van de Vogelwet 1936 in strijd zijn met art. 30 EG-</para>
    <para>verdrag aangezien de handel in buiten de EG legaal gedode</para>
    <para>ringmussen in Zuid-Europese landen vrij is.</para>
    <para>4.Ingevolge art. 30 EG-verdrag zijn kwantitatieve</para>
    <para>invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking</para>
    <para>tussen de Lid-Staten verboden. Dat de invoer van buiten de EG</para>
    <para>legaal gedode ringmussen in Zuid-Europa vrij zou zijn - zoals</para>
    <para>wordt gesteld -, levert echter geen kwantitatieve</para>
    <para>invoerbeperking of maatregel van gelijke werking "tussen</para>
    <para>Lid-Staten" op, aangezien het hier om de vrije</para>
    <para>verhandelbaarheid gaat. Het beroep op art. 30 EG-verdrag gaat</para>
    <para>derhalve niet op; hierin onderscheidt de onderhavige zaak zich</para>
    <para>van het geval dat aan de orde was in HR 15 december 1998, NJ</para>
    <para>1999, 553 m.nt. B.H. ter Kuile.</para>
    <para>5.Dat ingevolge art. 1, aanhef en onder b, van de Beschikking</para>
    <para>van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie</para>
    <para>met betrekking tot de bescherming van de vogelstand van 10</para>
    <para>augustus 1972 de Passer montanus niet is aangewezen als</para>
    <para>beschermde vogelsoort in de zin van art. 7 van de Overeenkomst</para>
    <para>tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en</para>
    <para>het Groothertogdom Luxemburg op het gebied van de jacht en de</para>
    <para>vogelbescherming is niet van belang. De aanhef van art. 1 van</para>
    <para>de Tweede Beschikking van het Comité van Ministers van de</para>
    <para>Benelux Economische Unie tot wijziging van de Benelux-</para>
    <para>Overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming</para>
    <para>van 18 juni 1990 houdt immers in dat de Overeenkomst het</para>
    <para>bepaalde in de Vogelrichtlijn onverlet laat.</para>
    <para>6.Hetgeen in het verweerschrift in cassatie wordt aangevoerd</para>
    <para>treft dus geen doel.</para>
    <para>7.Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden</para>
    <para>uitspraak en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te</para>
    <para>Amsterdam, Economische Kamer, teneinde de zaak op het bestaande</para>
    <para>hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.</para>
    <para>De Procureur-Generaal</para>
    <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
    <para>AG</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>