<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2000:AA4437</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T12:58:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA4437</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2000-01-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C98/187HR</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2000:AA4437" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA4437</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2000, 38</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2000, 189</rdf:li>
          <rdf:li>S&amp;S 2001, 39</rdf:li>
          <rdf:li>VR 2000, 71</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA4437">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA4437</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:56:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2000:AA4437 Parket bij de Hoge Raad , 21-01-2000 / C98/187HR</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA4437:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2000:AA4437:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
  <parablock>
    <para>Rolnr. C98/187</para>
    <para>Zitting d.d. 29 oktober 1999</para>
    <para>Conclusie mr Spier</para>
    <para>inzake</para>
    <para>Andreas Johannes Maria</para>
    <para>Rosenberg</para>
    <para>(hierna: Rosenberg)</para>
    <para>tegen</para>
    <para>"Winterthur" Schweize</para>
    <para>rische Versicherungs-</para>
    <para>Gesellschaft, h.o.d.n.</para>
    <para>Winterthur schadever</para>
    <para>zekering maatschappij</para>
    <para>(hierna: Winterthur)&amp;lt;(1) In de cassatiedagvaarding wordt abusievelijk gerept</para>
    <para>van "Versicheruings-Gesellschaft.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para>1. Feiten&amp;lt;(2) Voor een uitgebreide weergave van de feiten verwijs ik</para>
    <para>naar rov. 1 van het vonnis van de Rechtbank te</para>
    <para>Amsterdam d.d. 27 november 1996.&amp;gt;</para>
    <para>1.1 Van der Bol bracht op of omstreeks 20 juli 1986&amp;lt;(3) Zie rov. 1 van het vonnis van de Rechtbank. Uit het</para>
    <para>procesdossier volgt evenwel dat het voorval zich heeft</para>
    <para>voorgedaan op 20 juni i.p.v. 20 juli 1986.&amp;gt; een</para>
    <para>bezoek aan de woning van Rosenberg.</para>
    <para>1.2 Tijdens dit bezoek gleed Van der Bol uit en viel tegen een</para>
    <para>vitrinekast. De vitrinekast viel om, waardoor de kast, vijf</para>
    <para>porseleinen beelden en het vloerzeil werden beschadigd.</para>
    <para>1.3 Van der Bol was ten tijde van voornoemd voorval verzekerd</para>
    <para>tegen wettelijke aansprakelijkheid bij Winterthur. Paragraaf 3</para>
    <para>van de door Winterthur gehanteerde verzekeringsvoorwaarden</para>
    <para>sluit aansprakelijkheid, verband houdende met het uitoefenen</para>
    <para>van een (neven)bedrijf of (neven)beroep van dekking uit.</para>
    <para>1.4 Rosenberg heeft Van der Bol aansprakelijk gesteld voor de</para>
    <para>door hem geleden schade en hem gedagvaard voor de Rechtbank te</para>
    <para>Maastricht. Hij vorderde de veroordeling van Van der Bol tot</para>
    <para>betaling van schadevergoeding, op te maken bij staat en te</para>
    <para>vereffenen volgens de wet.</para>
    <para>1.5 Van der Bol heeft daarop Winterthur in vrijwaring opgeroe</para>
    <para>pen.</para>
    <para>1.6 Bij vonnis van 25 april 1991 is (in de hoofdzaak) de</para>
    <para>vordering van Rosenberg toegewezen. De vrijwaringsprocedure</para>
    <para>werd bij datzelfde vonnis verwezen naar de rol van 30 mei 1991</para>
    <para>teneinde partijen in de gelegenheid te stellen voort te proce</para>
    <para>deren.</para>
    <para>1.7 Van der Bol is op 16 februari 1991 overleden. Zijn enig</para>
    <para>erfgename, Simone van der Bol, heeft op 21 oktober 1992 de</para>
    <para>nalatenschap verworpen.</para>
    <para>1.8 Op 26 november 1992 volgde de uitspraak in de</para>
    <para>schadestaatprocedure. Simone van der Bol werd in de hoeda</para>
    <para>nigheid van erfgename van Van der Bol&amp;lt;(4) Zulks terwijl zij de nalatenschap op dat moment al had</para>
    <para>verworpen.&amp;gt; bij verstek veroordeeld</para>
    <para>tot betaling van een bedrag van ƒ 43.431,44 aan Rosenberg, ver</para>
    <para>meerderd met de wettelijke rente over ƒ 28.000 vanaf 25 augus</para>
    <para>tus 1992 tot aan de dag der algehele voldoening.</para>
    <para>1.9 De vrijwaringsprocedure is op 17 september 1992 geroyeerd</para>
    <para>(prod. 1 bij de cva).</para>
    <para>1.10 Bij brief van 4 december 1992 heeft Rosenberg zich gewend</para>
    <para>tot Winterthur met het verzoek de schade, zoals in de</para>
    <para>procedure tussen Rosenberg en Van der Bol bij vonnis d.d. 26</para>
    <para>november 1992 vastgesteld, aan hem te vergoeden.</para>
    <para>1.11 Winterthur heeft dat bij brief van 8 januari 1993</para>
    <para>geweigerd.</para>
    <para>1.12 Rosenberg heeft zich op 16 december 1992 gewend tot de</para>
    <para>Rechtbank te Maastricht met het verzoek een curator te</para>
    <para>benoemen over de onbeheerde nalatenschap van Van der Bol. Dat</para>
    <para>verzoek is bij beschikking van 18 februari 1993 toegewezen.</para>
    <para>1.13 Rosenberg heeft de curator niet bereid gevonden</para>
    <para>Winterthur tot uitkering van de schadepenningen te bewegen.</para>
    <para>Daarop heeft Rosenberg Winterthur in rechte betrokken.</para>
    <para>2. Procedureverloop</para>
    <para>2.1 Rosenberg heeft Winterthur gedagvaard voor de Rechtbank te</para>
    <para>Amsterdam. Hij vorderde de veroordeling van Winterthur tot</para>
    <para>betaling aan hem van een bedrag</para>
    <para>ƒ 43.431,44, vermeerderd met de wettelijke rente over ƒ 28.000</para>
    <para>vanaf 25 augustus 1992 tot aan de dag der algehele voldoening.</para>
    <para>2.2 Rosenberg heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd</para>
    <para>dat Winterthur, door te weigeren tot uitkering van de</para>
    <para>schadepenningen over te gaan, tekortschiet in haar contrac</para>
    <para>tuele verplichtingen jegens Van der Bol, diens erfgename en</para>
    <para>(de curator in de) onbeheerde nalatenschap van Van der Bol</para>
    <para>waardoor Winterthur "onzorgvuldig en derhalve onrechtmatig"</para>
    <para>handelt jegens Rosenberg en gehouden is de schade die</para>
    <para>Rosenberg daardoor lijdt, te vergoeden.</para>
    <para>2.3 Winterthur heeft zich tegen de vordering van Rosenberg ver</para>
    <para>weerd. Winterthur kwalificeerde de vordering van Van der Bol</para>
    <para>als een "afgeleide vordering" (cva onder 2) en stelde zich op</para>
    <para>het standpunt dat de vordering van Rosenberg niet toewijsbaar</para>
    <para>is omdat:</para>
    <para>- de vordering van Rosenberg is afgeleid van de vordering van</para>
    <para>Van der Bol op Winterthur en die vordering inmiddels is</para>
    <para>verjaard, althans,</para>
    <para>- geen sprake is van een toerekenbare tekortkoming van Wintert</para>
    <para>hur. De schade zou krachtens Paragraaf 3 van de verzekerings</para>
    <para>voorwaarden niet gedekt zijn nu Van der Bol zich bij zijn</para>
    <para>bezoek aan de woning van Rosenberg zou hebben beziggehouden</para>
    <para>met het uitoefenen van een (neven-)bedrijf of (neven-)beroep,</para>
    <para>te weten de verkoop van vis.</para>
    <para>2.4 Voor het geval de vordering van Rosenberg aldus zou moeten</para>
    <para>worden begrepen dat Rosenberg zich beroept op een "eigen</para>
    <para>recht" van Rosenberg jegens Winterthur heeft Winterthur</para>
    <para>verwezen naar HR 10 mei 1985, NJ 1985, 794 G en HR 3 april</para>
    <para>1992, NJ 1992, 397. Winterthur stelde (cva onder 5 e.v.):</para>
    <para>- Rosenberg heeft geen eigen recht op uitkering van de</para>
    <para>verzekeringspenningen. Winterthur heeft niet het vertrouwen</para>
    <para>gewekt tot rechtstreekse betaling aan Rosenberg te zullen</para>
    <para>overgaan.</para>
    <para>- Subsidiair stelde zij dat de vordering van Rosenberg is</para>
    <para>verjaard.</para>
    <para>- Meer subsidiair voerde zij aan dat de vordering van</para>
    <para>Rosenberg niet toewijsbaar is omdat Winterthur slechts</para>
    <para>bevrijdend kan betalen aan (de rechtsopvolgers) van Van der</para>
    <para>Bol.</para>
    <para>Tot slot heeft Winterthur "uiterst subsidiair" de omvang van</para>
    <para>de door Rosenberg gevorderde schade betwist.</para>
    <para>2.5 De Rechtbank heeft bij vonnis van 27 november 1996 de</para>
    <para>vordering van Rosenberg afgewezen.</para>
    <para>2.6 De vordering van Rosenberg steunt, aldus de Rechtbank,</para>
    <para>primair op de contractuele relatie tussen Van der Bol en</para>
    <para>Winterthur. Om die reden heeft de Rechtbank onderzocht of Van</para>
    <para>der Bol zelf aanspraak had kunnen maken op een verzekeringsuit</para>
    <para>kering. De Rechtbank kwam tot het oordeel dat dat niet het</para>
    <para>geval is. Zij oordeelde (rov. 8):</para>
    <para>"(...) dat het verkopen van vis door Van der Bol</para>
    <para>geschiedde in de uitoefening van een (neven-)bedrijf of</para>
    <para>(neven-)beroep, en dat hij de woning van Rosenberg betrad</para>
    <para>in verband met de uitoefening van dit (neven-)bedrijf of</para>
    <para>(neven-)beroep (...)"</para>
    <para>zodat (rov. 9):</para>
    <para>"(...) Winterthur op grond van paragraaf 3 van</para>
    <para>polisvoorwaarden niet gehouden was tot het doen van een</para>
    <para>verzekeringsuitkering aan Van der Bol of zijn rechtver</para>
    <para>krijgenden. Dit brengt op zijn beurt weer mee dat</para>
    <para>Winterthur door uitkering aan Van der Bol te weigeren</para>
    <para>niet is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplich</para>
    <para>tingen jegens Van der Bol. Het niet uitkeren van de</para>
    <para>verzekeringspenningen kan dus evenmin de grond voor een</para>
    <para>jegens Rosenberg gepleegde onrechtmatige daad vormen</para>
    <para>(...)."</para>
    <para>2.7 Met betrekking tot een eventueel eigen recht van Rosenberg</para>
    <para>jegens Winterthur (zie hiervoor onder 2.4) overwoog de</para>
    <para>Rechtbank (rov. 10):</para>
    <para>"Voor zover in de stellingen van Rosenberg nog een beroep</para>
    <para>op een eigen recht jegens Winterthur tot uitkering van de schadepenningen</para>
    <para>moet worden gelezen, moet ook dit beroep worden</para>
    <para>verworpen. De benadeelde heeft in een geval als het</para>
    <para>onderhavige alleen dan een eigen recht op schadever</para>
    <para>goeding jegens de verzekeraar indien dit recht hem met</para>
    <para>zoveel woorden is toegekend dan wel indien de verzekeraar</para>
    <para>jegens de benadeelde het vertrouwen heeft gewekt tot</para>
    <para>rechtstreekse betaling te zullen overgaan. Winterthur</para>
    <para>heeft in dit verband aangevoerd dat de onderhavige verze</para>
    <para>kering de benadeelde geen eigen recht toekent en Rosen</para>
    <para>berg heeft dit niet betwist. Voorts heeft Winterthur</para>
    <para>aangevoerd dat zij in het onderhavige geval niet jegens</para>
    <para>Rosenberg het vertrouwen heeft gewekt zich sterk te maken</para>
    <para>voor betaling aan Rosenberg (...). Rosenberg heeft het</para>
    <para>verweer van Winterthur op dit punt niet weersproken</para>
    <para>(...)."</para>
    <para>2.8 Rosenberg heeft appèl ingesteld bij het Hof Amsterdam en</para>
    <para>twee grieven aangevoerd. Winterthur heeft verweer gevoerd.</para>
    <para>2.9 Grief I van Rosenberg richtte zich, kort samengevat, tegen</para>
    <para>het oordeel van de Rechtbank dat Van der Bol handelde in de</para>
    <para>uitoefening van een (neven-)bedrijf of (neven)beroep (zie rov.</para>
    <para>8 van het vonnis van de Rechtbank).</para>
    <para>2.10 Grief II keerde zich tegen de overweging van de Rechtbank</para>
    <para>dat Winterthur "niet jegens Rosenberg het vertrouwen heeft</para>
    <para>gewekt zich sterk te maken voor betaling aan Rosenberg" (zie</para>
    <para>rov. 10 van het vonnis). Deze tweede grief is in cassatie niet</para>
    <para>meer aan de orde.</para>
    <para>2.11  Het Hof heeft bij arrest van 26 februari 1998 het vonnis</para>
    <para>van de Rechtbank bekrachtigd.</para>
    <para>2.12 Het Hof heeft primair grief II van Rosenberg behandeld.</para>
    <para>Deze grief werd ongegrond bevonden (4.2 van het arrest van het</para>
    <para>Hof). Vervolgens heeft het Hof overwogen (rov. 4.3):</para>
    <para>"Nu Rosenberg de afwijzing door de rechtbank van zijn</para>
    <para>aanvankelijke stelling, dat hem een rechtstreekse actie</para>
    <para>uit onrechtmatige daad tegen Winterthur zou toekomen,</para>
    <para>niet door een grief aan het oordeel van het hof heeft</para>
    <para>onderworpen, en op grond van het zojuist overwogene is</para>
    <para>komen vast te staan, dat Winterthur geen toezegging aan</para>
    <para>Rosenberg heeft gedaan, tot nakoming waarvan zij gehouden</para>
    <para>zou zijn, moet de slotsom zijn, dat Rosenberg geen recht</para>
    <para>streekse vordering tegen Winterthur heeft. Zijn vordering</para>
    <para>dient hem reeds daarom ontzegd te worden. Bij een aparte</para>
    <para>behandeling van de eerste grief heeft Rosenberg mitsdien</para>
    <para>geen belang meer. De eerste grief kan immers evenmin als de tweede tot vernietiging</para>
    <para>van het bestreden vonnis leiden."</para>
    <para>2.13 Rosenberg heeft tegen het arrest van het Hof tijdig</para>
    <para>beroep in cassatie ingesteld. Winterthur is in cassatie niet</para>
    <para>verschenen.</para>
    <para>3. Bespreking van het middel</para>
    <para>3.1 Rosenberg heeft één middel geformuleerd tegen het arrest</para>
    <para>van het Hof. Het middel ziet op rov. 4.3 van het arrest van</para>
    <para>het Hof.</para>
    <para>3.2 Het middel verwijt het Hof, kort samengevat, dat het ten</para>
    <para>onrechte tot het oordeel is gekomen dat Rosenberg geen belang</para>
    <para>heeft bij een aparte behandeling van grief I op grond van het</para>
    <para>feit dat Rosenberg "de afwijzing door de rechtbank van zijn</para>
    <para>aanvankelijke stelling, dat hem een rechtstreekse actie uit</para>
    <para>onrechtmatige daad tegen Winterthur zou toekomen, niet door</para>
    <para>een grief aan het oordeel van het Hof heeft onderworpen."</para>
    <para>3.3 De door het Hof bedoelde afwijzing van de vordering door</para>
    <para>de Rechtbank is neergelegd in rov. 9 van haar vonnis. In rov.</para>
    <para>9 oordeelt de Rechtbank dat de omstandigheid dat het</para>
    <para>schadevoorval niet onder dekking valt (welk oordeel in rov. 8</para>
    <para>is gemotiveerd) meebrengt dat het niet uitkeren van</para>
    <para>schadepenningen aan Rosenberg dus niet onrechtmatig kan zijn.</para>
    <para>3.4 Het middel voert aan dat Rosenberg wél belang had bij</para>
    <para>bespreking van de eerste grief waarin het oordeel van de</para>
    <para>Rechtbank dat het schadevoorval niet onder de dekking viel</para>
    <para>werd bestreden. Zou die grief gegrond worden bevonden, dan zou</para>
    <para>dat meebrengen dat het fundament onder de op rov. 8</para>
    <para>voortbouwende rov. 9 zou worden weggeslagen. Daarom, aldus het</para>
    <para>middel, behoefde Rosenberg geen afzonderlijke grief te richten</para>
    <para>tegen rov. 9. Het middel bestrijdt 's Hofs andersluidende</para>
    <para>rechtsopvatting.</para>
    <para>3.5 De klacht snijdt hout. Zou grief I gegrond zijn (en</para>
    <para>daarmee komen vast te staan dat het schade-evenement wél onder</para>
    <para>de dekking viel), dan zou moeten worden onderzocht of</para>
    <para>Rosenberg een - wat het Hof noemt - "rechtstreekse actie uit</para>
    <para>onrechtmatige daad" jegens Winterthur heeft.</para>
    <para>3.6 Gegrondbevinding van de klacht kan m.i. evenwel niet tot</para>
    <para>cassatie leiden. 's Hofs arrest is immers, waar het de door</para>
    <para>het college bereikte uitkomst betreft, juist.&amp;lt;(5) Veegens/Korthals Altes/Groen, Cassatie in burgerlijke</para>
    <para>zaken, 1989, blz. 104: "Theoretisch gegronde cassatie</para>
    <para>klachten blijven buiten onderzoek, indien herstel van</para>
    <para>de gemaakte fout voor de eiser geen nuttig effect zou</para>
    <para>teweegbrengen."&amp;gt;</para>
    <para>3.7 Na een eventuele verwijzing zou het nog slechts gaan om de</para>
    <para>vraag of Winterthur jegens Rosenberg onrechtmatig handelt door</para>
    <para>niet te betalen. Dat betekent dat sprake moet zijn van een</para>
    <para>onrechtmatig handelen van Winterthur jegens Rosenberg.</para>
    <para>Rosenberg heeft in feitelijke aanleg niet wezenlijk meer of</para>
    <para>anders gedaan dan deze stelling betrekken (zie dagvaarding</para>
    <para>onder 11; cvr onder 2, 5 in fine en 7; in appèl komt de</para>
    <para>kwestie niet aan de orde). Met name heeft hij geen feiten of</para>
    <para>omstandigheden aangevoerd die duidelijk maken waarom</para>
    <para>Winterthur onrechtmatig zou hebben gehandeld.</para>
    <para>3.8 Wanneer de enkele bewering dat niet-betaling door de</para>
    <para>aansprakelijkheidsverzekeraar aan de benadeelde voldoende zou</para>
    <para>zijn om aan te nemen dat de verzekeraar onrechtmatig handelt,</para>
    <para>dan zou in feite een action directe worden erkend. Daarvoor is</para>
    <para>m.i. een wettelijke basis nodig; deze ontbreekt. De wetgever</para>
    <para>heeft haar niet in het leven willen roepen.&amp;lt;(6) PG boek 3 blz. 877.&amp;gt; In het ontwerp</para>
    <para>van titel 7.17 BW komt evenmin een bepaling voor waarin een</para>
    <para>rechtstreeks recht jegens de verzekeraar in het leven wordt</para>
    <para>gecreëerd.</para>
    <para>3.9 De rechtspraak van Uw Raad heeft een rechtstreeks</para>
    <para>vorderingsrecht van de benadeelde jegens de</para>
    <para>aansprakelijkheidsverzekeraar niet erkend.&amp;lt;(7) HR 10 mei 1985, NJ 1985, 794 rov 3.5 en de aan het</para>
    <para>arrest voorafgaande conclusie van A-G Franx onder 6,</para>
    <para>zomede de noot van Van der Grinten; HR 3 april 1992, NJ</para>
    <para>1992, 397 rov 3.2; in gelijke zin de aan het arrest</para>
    <para>voorafgaande conclusie van A-G Asser onder 3.3.&amp;gt; Deze opvatting</para>
    <para>wordt - onder verwijzing naar de rechtspraak - in de doctrine</para>
    <para>gevolgd.&amp;lt;(8) J.H. Wansink, De algemene</para>
    <para>aansprakelijkheidsverzekering (2e dr) blz. 381/382; L,</para>
    <para>Mok, Verzekeringsrecht blz. 11 en K.W. Brevet en C.W.M.</para>
    <para>Lieverse, preadv. Ver. Verzekeringswetenschap 1996 blz.</para>
    <para>9.&amp;gt;</para>
    <para>3.10 In een concreet geval kan het ontbreken van een action</para>
    <para>directe stellig onbevredigend zijn. Veronderstellenderwijs</para>
    <para>aannemend dat de litigieuze schadegebeurtenis onder de dekking</para>
    <para>viel - hetgeen de Rechtbank niet heeft aangenomen - en dat de</para>
    <para>vordering niet is verjaard - zoals Winterthur heeft aangevoerd</para>
    <para>- zou het ook in casu niet bijzonder kunnen bekoren dat</para>
    <para>Rosenberg met lege handen blijft staan.</para>
    <para>3.11 Zelfs indien de wetgever op zijn schreden zou terugkeren</para>
    <para>en alsnog een rechtstreeks vorderingsrecht in het leven zou</para>
    <para>roepen, zou dit Rosenberg niet kunnen baten. Het ligt in het</para>
    <para>geheel niet voor de hand te anticiperen op een regeling die</para>
    <para>misschien ooit tot stand komt en waarin voor een aantal</para>
    <para>knelpunten zeer verschillende oplossingen kunnen worden</para>
    <para>gekozen.&amp;lt;(9) Een van de knelpunten is dat verzekeraar en verzekerde</para>
    <para>verschillende belangen kunnen hebben. Zo kan de</para>
    <para>verzekeraar er om allerlei (juridische en commerciële)</para>
    <para>redenen belang bij hebben een geschil met de benadeelde</para>
    <para>te schikken of juist uit te procederen. In dat laatste</para>
    <para>geval kan de verzekerde de mogelijkheid van een</para>
    <para>gunstige schikking mislopen; dat kan onder meer van</para>
    <para>belang zijn wanneer de volle claim groter is dan het</para>
    <para>door verzekering gedekte bedrag en/of er een serieuze</para>
    <para>kans bestaat op premieverhoging of ingeval het (soms</para>
    <para>aanzienlijke) eigen risico in geding is. Het zal niet</para>
    <para>gemakkelijk zijn aan dit probleem op bevredigende wijze</para>
    <para>een mouw te passen. Bij een botsing van belangen tussen</para>
    <para>benadeelde en verzekerde komt m.i. in het algemeen</para>
    <para>voorrang toe aan die van de verzekerde. Hij heeft</para>
    <para>immers premie betaald en hij staat in een - mede door</para>
    <para>redelijkheid en billijkheid bepaalde - contractuele</para>
    <para>relatie met de verzekeraar. Ik stip nog aan dat het in</para>
    <para>de praktijk voorkomt dat een verzekerde met zijn WA-</para>
    <para>verzekeraar een regeling wil treffen ter zake een reeks</para>
    <para>van mogelijke claims; zulks is in het bijzonder</para>
    <para>denkbaar bij verandering van verzekeraar. Het zal niet</para>
    <para>licht vallen voor deze moeilijkheid een geëigende</para>
    <para>oplossing te bedenken, zeker niet wanneer het gaat om</para>
    <para>een verzekering op claims made-basis. De hier kort</para>
    <para>aangeduide problematiek is in rechtsvergelijkend</para>
    <para>perspectief omstreden. Zie voor Nederland Wansink, a.w.</para>
    <para>blz. 347 e.v.&amp;gt; Dit klemt eens te meer nu mag worden aangenomen dat</para>
    <para>zulk een regeling geen terugwerkende kracht zal hebben.&amp;lt;(10) Een andere benadering zou niet stroken met de hoofdre</para>
    <para>gel van art. 69 onder d Overgangsrecht NBW. Vgl. HR 3</para>
    <para>september 1999, C98/313, RvdW 1999, 117.&amp;gt;</para>
    <para>Conclusie</para>
    <para>Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.</para>
    <para>De Procureur-Generaal bij de</para>
    <para>Hoge Raad der Nederlanden,</para>
    <para>Advocaat-Generaal</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>