<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1999:ZD3047</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-15T10:00:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZD3047</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1999-09-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">111.142</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1999:ZD3047" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1999:ZD3047</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:ZD3047">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:ZD3047</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-07T12:42:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-05-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1999:ZD3047 Parket bij de Hoge Raad , 21-09-1999 / 111.142</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1999:ZD3047:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1999:ZD3047:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Nr. 111.142 </para>
  <para>Zitting 25 mei 1999</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Mr van Dorst </emphasis>
    </para>
    <para>Conclusie inzake: </para>
    <para>
      <emphasis role="underline">
        [verzoeker]
      </emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>1. Wegens gekwalificeerde diefstal, meermalen gepleegd, heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage verzoeker veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk.</para>
  <para />
  <para>2. Namens verzoeker heeft mr. G. Spong, advocaat te 's- Gravenhage, twee middelen van cassatie voorgesteld.</para>
  <para />
  <para>3. Het <emphasis role="underline">eerste middel</emphasis> behelst de klacht dat het hof heeft verzuimd te responderen op het door verzoekers raadsvrouwe gevoerde verweer dat in casu de (systematische ofwel juridische) specialis van (medeplegen van) verduistering in dienstbetrekking van toepassing is.</para>
  <para />
  <para>4. Bij inleidende dagvaarding is aan verzoeker tenlastegelegd primair diefstal door twee of meer verenigde personen, subsidiair medeplegen van verduistering in dienstbetrekking en meer subsidiair opzetheling. Het hof heeft het primair tenlastegelegde bewezenverklaard en te dier zake (dus wegens diefstal door twee of meer verenigde personen) straf opgelegd.</para>
  <para />
  <para>5. Blijkens de pleitnota in hoger beroep heeft de raadsvrouwe van verzoeker, voor zover te dezen van belang, opgemerkt dat het bij de behandeling in hoger beroep </para>
  <parablock>
    <para>"met name [zal] gaan om de straftoemetingskwestie nu de bewezenverklaring mijns inziens geen onoverkomelijke hindernissen zal opleveren. Zij het dat ik meen dat het juister zou zijn in dien het subsidiair ten laste gelegde bewezen zou worden verklaard nu er m.i. sprake is van medeplegen van verduistering in dienstbetrekking".</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>6. Deze passage kan, dunkt mij, bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een uiting van de hoogst persoonlijke appreciatie van de raadsvrouwe, in die zin dat het 'materiële gebeuren' volgens haar medeplegen van verduistering in dienstbetrekking oplevert, zonder dat ze daarmee overigens gezegd wilde hebben dat bewezenverklaring van diefstal door twee of meer verenigde personen onjuist zou zijn. Een stellig en tot verantwoording dwingend verweer valt er bepaaldelijk niet in te lezen. Maar ook al zou het aangevoerde wel als een verweer moeten worden opgevat, dan strekt het op z'n hoogst tot vrijspraak van de primair tenlastegelegde diefstal in vereniging. Op een dergelijk verweer behoeft echter niet gemotiveerd te worden beslist.</para>
  <para />
  <para>7. De in het middel verwoorde stelling dat de in art. 322 jo. art. 321 Sr strafbaar gestelde gekwalificeerde verduistering een systematische of juridische geprivilegieerde specialis vormt ten opzichte van diefstal door twee of meer verenigde personen als bedoeld in art. 311 Sr, kan ik trouwens niet goed volgen. Dat bedoelde specialiteit ontbreekt volgt immers reeds uit de omstandigheid dat de beide delictsomschrijvingen in verschillende titels van het WvSr zijn ondergebracht, te weten titel XXIV (verduistering) en titel XXII (diefstal en stroperij), alsmede de omstandigheid dat ook anderszins aanknopingspunten ontbreken op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat de wetgever desalniettemin een specialis-verhouding voor ogen heeft gestaan. Anders dan het middel meent, dwingt de wetsgeschiedenis geenszins tot bedoelde opvatting. Want de aangehaalde passage uit de MvT ziet op de afgrenzing tussen enerzijds diefstal en anderzijds verduistering en niet op een verhouding als bedoeld in art. 55 lid 2 Sr. De MvT geeft veeleer voedsel aan de gedachte dat het bij de beoordeling van de strafbepaling waar het feit onder valt (art. 310 ev resp. art. 321 ev Sr), óf óf is en niet én én, zoals voor toepassing van art. 55 lid 2 Sr vereist is.</para>
  <para />
  <para>8. In het <emphasis role="underline">tweede middel</emphasis> wordt aangevoerd dat het hof in de kwalificatie van het bewezenverklaarde ten onrechte het suffix "meermalen gepleegd" heeft opgenomen omdat slechts sprake is geweest van één materiële handeling ten aanzien van één benadeelde.</para>
  <para />
  <para>9. Het hof heeft bewezenverklaard dat het tenlastegelegde is begaan "op tijdstippen gelegen in de periode van 16 juli 1995 en 04 augustus 1995". Voorts blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder de verklaring van een mededader (bewijsmiddel 5), dat er op twee verschillende tijdstippen goederen zijn gestolen, te weten op 26 juli 1995 en op 4 augustus 1995. Bij die stand van zaken getuigt het oordeel van het hof dat de tenlastegelegde diefstal "meermalen gepleegd" is, niet van een onjuiste rechtsopvatting.</para>
  <para>10. In verband met de mogelijke toepasselijkheid van art. 56 Sr citeer ik W. Nieboer, Schets materieel strafrecht, blz. 310:</para>
  <parablock>
    <para>"Een klassiek voorbeeld is dat van een dief die het gestolene niet in één keer kan vervoeren en daarom maar af en aan loopt. Telkens neemt hij enig goed weg - dus diefstal meermalen gepleegd (meerdaadse, immers meer bewegingen). Maar de diefstallen zijn gelijksoortigen bovendien uiting van hetzelfde "ongeoorloofde besluit" (de "misdadige wil") - derhalve: voortgezette handeling."</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Op de toepasselijkheid van art. 56 Sr is echter geen beroep gedaan en uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt evenmin dat de beide diefstallen het uitvloeisel vormden van één en hetzelfde ongeoorloofde wilsbesluit. Mitsdien bestond er voor het hof geen aanleiding te onderzoeken of aan art. 56 lid 1 Sr toepassing diende te worden gegeven.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>11. De klacht inzake de schending van art. 4 van het Zevende Protocol bij het EVRM kan reeds hierom niet tot cassatie leiden omdat dit Protocol hier te lande niet van kracht is. Bovendien zou die bepaling toepassing gemist hebben aangezien bij een cumulatieve tenlastelegging als de onderhavige geen sprake is van een nieuwe vervolging ter zake van het hetzelfde feit waaromtrent "already ... finally" is beslist. Vgl. HR 15 juni 1982, DD 82.372 en 17 januari 1995, NJ 1995, 372 tav het vergelijkbare begrip "andermaal vervolgen" als bedoeld in art. 68 Sr.</para>
  <para />
  <para>12. De middelen falen. Gronden waarop Uw Raad gebruik zou behoren te maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.</para>
  <para />
  <para>13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>