<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1999:ZD1527</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-15T10:00:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZD1527</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1999-09-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">111.101E</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1999:ZD1527" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1999:ZD1527</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 1999, 189</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 1999, 786</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:ZD1527">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:ZD1527</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-01T16:31:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-05-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1999:ZD1527 Parket bij de Hoge Raad , 21-09-1999 / 111.101E</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1999:ZD1527:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1999:ZD1527:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Nr. 111.101 E </para>
  <para>zitting 25 mei 1999</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">mr N. Keijzer </emphasis>
    </para>
    <para>conclusie inzake </para>
    <para>
      <emphasis role="underline">
        [verdachte]
      </emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>1. Bij arrest van 10 november 1997 heeft het Gerechtshof te Arnhem de verdachte ter zake van overtredingen van krachtens de Rijtijdenwet 1936 gegeven voorschriften veroordeeld tot vier geldboeten.</para>
  <para />
  <para>2. De verdachte heeft tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld. Namens hem heeft mr H.G. Ruis, advocaat te Zwolle, bij schriftuur vier middelen van cassatie voorgesteld.</para>
  <para />
  <para>3. Het <emphasis role="bold">eerste</emphasis> middel behelst de klacht dat het Hof het verkorte arrest pas op 11 september 1998 met bewijsmiddelen heeft aangevuld en dus heeft gehandeld in strijd met art. 365a, derde lid, Sv, hetwelk voorschrijft dat aanvulling geschiedt binnen vier maanden na het aanwenden van het rechtsmiddel. De steller van het middel verbindt hieraan de conclusie dat, gelet op de extreme mate van overschrijding van de wettelijke termijn, de in de aanvulling op het verkorte arrest vermelde bewijsmiddelen buiten beschouwing moeten blijven en, met vernietiging van het bestreden arrest, vrijspraak moet volgen.</para>
  <para />
  <para>4. Zoals uiteengezet in HR 24 maart 1998, NJ 1998, 557, heeft de wetgever op niet-naleving van de in art. 365a Sv bepaalde termijnen bewust geen sanctie gesteld. Een klacht over de enkele niet-naleving van die termijnen treft dus geen doel.</para>
  <para />
  <para>5. Gelet op de aangevoerde "extreme mate van overschrijding van de gestelde wettelijke termijn" moet het middel echter worden opgevat als mede klagende over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.</para>
  <para />
  <para>6. Het cassatieberoep werd ingesteld op 24 november 1997. De aanvulling van het verkorte arrest vond eerst plaats op 11 september 1998. De stukken van het geding zijn op 16 september 1998 bij de Hoge Raad binnengekomen. Door Uw Raad wordt thans als uitgangspunt genomen dat tussen het instellen van cassatieberoep en de aankomst van de stukken bij de Hoge Raad niet meer dan acht maanden mogen verstrijken en dat bij overschrijding van die termijn en een klacht daarover in het algemeen het oordeel zal volgen dat de redelijke termijn is overschreden.<footnote-ref linkend="_a3630086-09a5-4cee-b973-cfc261563610" /> Van bijzondere omstandigheden die in casu tot een ander oordeel zouden moeten leiden blijkt niet uit de stukken. Het middel treft derhalve doel. Nu de overschrijding van die termijn van acht maanden, welke nog geen twee maanden bedraagt, groot niet zodanig is dat deze niet-tot ontvankelijk-verklaring van het openbaar ministerie zou moeten leiden, kan Uw Raad met vermindering volstaan van de bedragen der opgelegde geldboeten.</para>
  <para />
  <para>7. Het <emphasis role="bold">tweede</emphasis> middel behelst de klacht dat de inhoud van de in een voor het bewijs gebezigd proces-verbaal vermelde registratiebladen/tachograafschijven niet in het bestreden arrest is opgenomen.</para>
  <para />
  <para>8. Het Hof heeft tot bewijs onder meer gebezigd een door een hoofdagent van politie opgemaakt proces-verbaal, hetwelk onder meer de gegevens inhoudt die de verbalisant aan een aantal door hem ingeziene registratiebladen /tachograafschijven heeft ontleend. Omtrent die gegevens kon de verbalisant op grond van eigen waarneming en ondervinding verklaren.<footnote-ref linkend="_a16918e8-cbbb-4061-9fdb-ebe3baf6ad83" /></para>
  <para />
  <para>9. De aan het middel kennelijk ten grondslag liggende stelling dat naast de door een hoofdagent van politie aan registratiebladen/tachograafschijven ontleende gegevens ook de inhoud van die registratiebladen/tachograafschijven zelf als bewijsmiddel behoort te worden vermeld, vindt geen steun in het recht. (In het bijzonder vloeit die eis niet voort uit HR 3 december 1991, NJ 1992, 251 (r.o. 7.3); in het daar berechte geval waren niet de door de verbalisant aan de tachograafschijven ontleende gegevens als bewijsmiddel gebezigd.)</para>
  <para />
  <para>10. Het middel faalt derhalve.</para>
  <para />
  <para>11. Voorafgaande aan de bespreking van het derde en het vierde middel zij opgemerkt dat de Rijtijdenwet 1936 c.a. met ingang van 1 december 1998<footnote-ref linkend="_6c758f77-1e6b-4136-b406-7b3afe987377" /> is vervangen door de Arbeidstijdenwet, het arbeidstijdenbesluit en het Arbeidstijdenbesluit vervoer. De strafbedreiging, neergelegd in de Wet economische delicten,<footnote-ref linkend="_7215bd82-ca91-4c89-93d0-9d2fe59fa0cf" /> is ongewijzigd gebleven. Al is het begrip diensttijd niet gehandhaafd, blijkt ook overigens niet van een gewijzigd inzicht van de wetgever nopens de strafwaardigheid van feiten als de onderhavige. Een geval als waarop art. 1, tweede lid, Sr betrekking heeft doet zich dus niet voor.</para>
  <para />
  <para>12. Het <emphasis role="bold">derde</emphasis> middel richt zich tegen de verwerping door het Hof van een op artikel 3, tweede lid, Rijtijdenwet 1936 gegrond verweer.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>13.Art. 3 Rijtijdenwet 1936 luidt:</para>
  </parablock>
  <para>1. Indien een persoon, die in een dienstbetrekking als bemanningslid werkzaam is, in strijd handelt met het bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur, als bedoeld in artikel 1, bepaalde, wordt zijn werkgever geacht het feit te hebben gepleegd.</para>
  <para>2. Het bepaalde in het voorgaande lid geldt niet, indien de werkgever aantoont, dat door hem de noodige bevelen zijn gegeven, de noodige maatregelen zijn genomen, de noodige middelen zijn verschaft en het redelijkerwijze te vorderen toezicht is gehouden om de naleving van de daar bedoelde voorschriften in zijn dienst te verzekeren.</para>
  <para />
  <para>14. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 oktober 1997 (pleitnotities) heeft de raadsman aldaar aangevoerd:</para>
  <parablock>
    <para>"De tenlastelegging vermeldt echter (telkens) niet, dat verdachte evenmin een beroep zou kunnen doen op de uitzonderingsbepaling van het tweede lid van artikel 3 van de Rijtijdenwet 1936. Mijns inziens blijkt uit de tekst van artikel 3 van de Rijtijdenwet 1936 dat de leden 1 en 2 van dat artikel als één onlosmakelijk geheel moeten worden beschouwd, zodanig dat het niet van toepassing zijn van de uitzonderingsbepaling als bedoeld in het tweede lid in de tenlastelegging dient te worden opgenomen. Nu de tenlastelegging op dit punt (telkens) onvolledig is, is er geen sprake van een volwaardige omschrijving van de aan de verdachte verweten strafbare gedragingen, zodat cliënt - subsidiair - van alle rechtsvervolging dient te worden ontslagen.</para>
    <para>Zulks klemt temeer, waar client wel degelijk de nodige bevelen heeft gegeven, de nodige maatregelen heeft genomen, de nodige middelen heeft verschaft en het redelijkerwijze te vorderen toezicht heeft gehouden, een en ander om de naleving van de in de Rijtijdenwet c.a. bedoelde voorschriften in zijn dienst te verzekeren.</para>
    <para>Cliënt kan het echter ook niet helpen en niet of nauwelijks controleren, indien zijn chauffeurs tachograafschijven te vroeg uit de tachograaf nemen, vergeten tijdig een nieuwe schijf te monteren, of zelfs welbewust gebruikte schijven achterhouden en/of vernietigen."</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>15. Met het oog op de strafmaat heeft de raadsman voorts nog aangevoerd: </para>
  <parablock>
    <para>"De onderhavige feiten hebben plaatsgehad in het kader van de (jaarlijks terugkerende) uitzonderlijke drukte ter gelegenheid van de zgn. "suikerbietencampagne", waarbij in een stroom van wel zo'n honderd vrachtauto's per dag gedurende korte tijd ongeveer 2500 ton suikerpulp per etmaal wordt geladen en vervoerd. Buiten de korte tijdsduur van deze "suikerbietencampagne" is het veel rustiger in het bedrijf, en komen overtredingen van de rijtijdenwet in het geheel niet aan de orde. De overtredingen worden in belangrijke mate in de hand gewerkt door de feitelijke gang van zaken bij de suikerfabriek in Groningen, welke mijn cliënt niet kan beïnvloeden."</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>16.Omtrent het gevoerde verweer heeft het Hof overwogen en beslist:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>"Door de raadsman is aangevoerd dat verdachte niet strafbaar is en mitsdien moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging terzake van het bewezenverklaarde feit. </para>
    <para>Hij heeft daartoe het navolgende aangevoerd:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>De telastelegging is onvolledig gezien het feit dat uit de tekst van artikel 3 Rijtijdenwet 1963 blijkt dat de leden 1 en 2 van dat artikel als één onlosmakelijk geheel moeten worden beschouwd, zodanig dat het niet van toepassing zijn van de uitzonderingsbepaling als bedoeld in het tweed lid in de tenlastelegging dient te worden opgenomen, en het ontbreken ervan - zo begrijpt het hof het verweer - tot niet-kwalificeerbaarheid van het feit leidt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het Hof oordeelt hieromtrent als volgt:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Gezien de opbouw van artikel 3 Rijtijdenwet en de toelichting daarop, staat ten aanzien van chauffeurs in dienstbetrekking de aansprakelijkheid van de werkgever voorop. Het tweede lid is als een strafuitsluitingsgrond geformuleerd.</para>
    <para>Het hof acht overigens niet aannemelijk geworden dat verdachte de nodige bevelen heeft gegeven, de nodige maatregelen heeft genomen, de nodige middelen heeft verschaft en het redelijkerwijze te vorderen toezicht heeft gehouden, een en ander om de naleving van de in de Rijtijdenwet bedoelde voorschriften in zijn dienst te verzekeren.</para>
    <para>Verdachte is strafbaar, nu ook geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn."</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>17. Aldus heeft het Hof, zonder blijk te geven van een verkeerde rechtsopvatting nopens art. 3, tweede lid, Rijtijdenwet 1936, het verweer op toereikende grond verworpen.</para>
  <para />
  <para>18. In de toelichting op het middel wordt tevergeefs betoogd dat het Hof zijn beslissing dat door de verdachte het redelijkerwijs te vorderen toezicht niet was gehouden heeft doen steunen op de enkele grond dat is gebleken dat de chauffeur in dienst van de verdachte op 6 december 1995 is vergeten de tachograafschijf te verwisselen, met als gevolg dat de reeds gebruikte schijf werd overschreven. Deze stelling mist immers feitelijke grondslag; het bestreden arrest houdt geen overweging van die strekking in.</para>
  <para />
  <para>19. Voorts wordt in de toelichting op het middel aangevoerd dat het Hof heeft veronachtzaamd dat in casu geen enkel bevel of handelen zijdens verzoeker de overtreding zou hebben kunnen voorkomen, daar deze is voortgekomen uit louter vergeetachtigheid van de chauffeur. Aldus wordt echter miskend dat in cassatie niet met vrucht een beroep kan worden gedaan op feiten en omstandigheden die niet in feitelijke aanleg zijn vastgesteld of althans aangevoerd. Weliswaar heeft de raadsman blijkens de pleitnotities aangevoerd:</para>
  <parablock>
    <para>"Client kan het echter ook niet helpen en niet of nauwelijks controleren, indien zijn chauffeurs tachograafschijven te vroeg uit de tachograaf nemen, vergeten tijdig een nieuwe schijf te monteren, of zelfs welbewust gebruikte schijven achterhouden en/of vernietigen."</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Deze ontboezeming is echter van zo algemene aard dat niet onbegrijpelijk is dat het Hof daarin niet de stelling heeft ontwaard dat in casu de overtredingen zijn voortgekomen uit louter vergeetachtigheid van de chauffeur. Reeds om die reden faalt de klacht, nog daargelaten dat - in aanmerking genomen dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte de nodige bevelen heeft gegeven, de nodige maatregelen heeft genomen, de nodige middelen heeft verschaft en het redelijkerwijze te vorderen toezicht heeft gehouden - vergeetachtigheid van de chauffeur niet zonder meer meebrengt dat bij de verdachte alle strafrechtelijke schuld met betrekking tot het bewezenverklaarde feit ontbreekt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>20. Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>21.Het vierde middel keert zich met rechts- en motiveringsklachten tegen 's Hofs verwerping van het verweer, inhoudende dat in de telastelegging van feit 3 onder b is uitgegaan van een onjuiste uitleg van het begrip "diensttijd", door daaronder mede te verstaan de tijd gedurende welke de chauffeur - hetzij voorafgaande aan, hetzij na zijn optreden als zodanig - in het bedrijf van zijn werkgever heeft gewerkt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>22. Als feit 3 is aan de verdachte telastegelegd, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, dat </para>
  <parablock>
    <para>"A. van Keulen op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 december 1995 tot en met 13 december 1995 in Nederland, als bemanningslid van een vrachtauto - met betrekking tot wegvervoer - ( ... ) op 12 december 1995 en/of 13 december 1995 een diensttijd heeft gehad van ongeveer 30 uur, in elk geval van meer dan ten hoogste 12 uur, terwijl verdachte de werkgever was in wiens/wier onderneming genoemd bemanningslid als zodanig in dienstbetrekking werkzaam was."</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>23. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 oktober 1997 (de daaraan gehechte pleitnotities) heeft de raadsman aldaar aangevoerd hetgeen in de toelichting op het middel met juistheid is weergegeven, en door het Hof in zijn arrest als volgt is samengevat:</para>
  <parablock>
    <para>"Ten aanzien van feit 3 sub b is van een onjuist begrip "diensttijd" uitgegaan. De raadsman stelt zich op het standpunt dat een werknemer slechts als bemanningslid kan worden aangemerkt indien en zolang hij daadwerkelijk als bestuurder, bijrijder of conducteur optreedt, en derhalve niet indien hij in dienst van zijn werkgever werkzaamheden van andere aard uitvoert op diens bedrijf. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken nu de diensttijden op 12 december en die op 13 december niet als aaneengesloten kunnen worden aangemerkt, daar er een voldoende rusttijd c.q. onderbreking heeft plaats gevonden."</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>24. Het Hof heeft het verweer verworpen, na te hebben overwogen:</para>
  <parablock>
    <para>"Uit de toelichting op het Rijtijdenbesluit blijkt dat onder diensttijd moet worden begrepen: het totale tijdsverloop tussen het begin en het einde van de dagtaak. Derhalve kan de werknemer tevens als zodanig aangemerkt worden indien hij werkzaamheden van andere aard verricht voor het bedrijf van zijn werkgever."</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>25. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat tekst en systeem van de Rijtijdenwet en het Rijtijdenbesluit dwingen tot een andere opvatting nopens het begrip "diensttijd" dan die van het Hof. Daartoe wordt aangevoerd dat de opvatting van het Hof onverenigbaar is met de bewoording van art. 2, aanhef en onder f, Rijtijdenbesluit, en dat een bemanningslid door het wegzetten van zijn voertuig en het aanvangen met geheel andersoortige werkzaamheden zijn hoedanigheid van bemanningslid verliest. Voorts wordt betoogd dat de opvatting van het Hof tot de onaanvaardbare consequentie leidt dat degene die direct na zijn functioneren als vrachtwagenchauffeur werkzaamheden verricht ten behoeve van hemzelf, althans van een ander dan zijn werkgever, deze niet in diensttijd verricht, en degene, die onder dezelfde omstandigheden werkzaamheden verricht ten behoeve van zijn werkgever, wel.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>26.Allereerst moet worden opgemerkt dat doel en strekking van de Rijtijdenwetgeving<footnote-ref linkend="_70dddcef-352b-4e4b-85ae-fb82dd65307c" />, in het licht waarvan de desbetreffende bepalingen zullen dienen te worden uitgelegd, vallen af te leiden uit de considerans van de Wet van 9 november 1936, Stb. 802 (Rijtijdenwet 1936), welke inhoudt: </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>"( ... ) Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het zoowel uit een oogpunt van arbeidersbescherming als ter bevordering van de veiligheid van het verkeer gewenscht is, bepalingen vast te stellen, beoogende het tegengaan van oververmoeidheid van bestuurders van motorrijtuigen ( ... )".</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>27. Art. 13, tweede lid, Rijtijdenwet 1936 luidt:</para>
  <parablock>
    <para>Onder bemanning verstaat deze wet de bemanning van een motorrijtuig en onder bemanningslid een lid van een zodanige bemanning.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>28. Ingevolge art. 2, aanhef en onder a, Rijtijdenbesluit<footnote-ref linkend="_e9a5acbe-788b-42de-958b-db275e983e2b" /> dient voor de toepassing van dat besluit te worden verstaan onder bemanningslid: een bestuurder, bijrijder of conducteur.</para>
  <para />
  <para>29. Ingevolge art. 2, aanhef en onder f, Rijtijdenbesluit dient voor de toepassing van dat besluit te worden verstaan onder diensttijd: De rijtijd, de pauzes en de tijd waarin een bemanningslid niet vrij over zijn tijd kan beschikken.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>30.In de Nota van Toelichting bij het Rijtijdenbesluit wordt als "dagelijkse diensttijd" aangemerkt; het totale tijdsverloop tussen het begin en het einde van de dagtaak.<footnote-ref linkend="_d28f4b03-6c65-426a-a8c3-e037eb291627" /></para>
  </parablock>
  <para />
  <para>31. Het voorgaande brengt mee dat de stelling van het middel, dat tekst en systeem van de Rijtijdenwet en het Rijtijdenbesluit dwingen tot een andere opvatting nopens het begrip "diensttijd" dan die van het Hof, onjuist is. De tekst van art. 2, aanhef en onder f, Rijtijdenbesluit, ingevolge hetwelk tot de diensttijd behoort de tijd waarin een bemanningslid niet vrij over zijn tijd kan beschikken, dwingt niet tot het oordeel dat de tijd, gedurende welke de chauffeur - hetzij voorafgaande aan hetzij na zijn optreden als zodanig - in het bedrijf van zijn werkgever werkt, niet als diensttijd kan worden aangemerkt. Voorts staat noch art. 13, tweede lid, Rijtijdenwet 1936, noch art. 2, aanhef en onder a, Rijtijdenbesluit eraan in de weg, als bemanningslid degene aan te merken die als bestuurder, bijrijder of conducteur is aangewezen, ook indien deze op zeker ogenblik geen werkzaamheden als zodanig verricht.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>32.Dat de in de toelichting op het middel aangewezen consequentie, dat werkzaamheden verricht onmiddellijk na het functioneren als chauffeur binnen diensttijd vallen als ze worden verricht voor de werkgever, en anders niet, onaanvaardbaar is, bestrijd ik. Het is immers niet het bemanningslid maar de werkgever, die in art. 3 Rijtijdenwet strafrechtelijk verantwoordelijk wordt gesteld voor de naleving van de krachtens de Rijtijdenwet 1936 gegeven voorschriften door personen in zijn dienstbetrekking; voor werkzaamheden die door een bemanningslid buiten die dienstbetrekking worden verricht kan de werkgever bezwaarlijk aansprakelijk worden gesteld.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>33.Ook dit middel is derhalve vruchteloos voorgesteld.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>34.Ambtshalve heb ik geen reden aangetroffen waarom de bestreden uitspraak niet in stand zou mogen blijven.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>35. Deze conclusie strekt ertoe dat Uw Raad het bestreden arrest zal vernietigen, doch uitsluitend ten aanzien van de bedragen der opgelegde geldboeten, deze bedragen zal vervangen door lagere zoals Uw Raad passend acht, en het beroep voor het overige zal verwerpen.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Voor de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <footnote id="_a3630086-09a5-4cee-b973-cfc261563610" label="1">
    <para>HR 26 januari 1999, nr. 110.127A, r.o. 5.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a16918e8-cbbb-4061-9fdb-ebe3baf6ad83" label="2">
    <para>Vgl. HR 18 september 1989, NJ 1990, 166.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6c758f77-1e6b-4136-b406-7b3afe987377" label="3">
    <para>Ingevolge Besluit van 17 november 1998, Stb. 1998, 645.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7215bd82-ca91-4c89-93d0-9d2fe59fa0cf" label="4">
    <para>Art. 5.3, tweede lid, en 5.5, tweede lid, Arbeidstijdenwet jo. art. 2.5:1 Arbeidstijdenbesluit vervoer jo. art. 1 onder 4° jo. art. 2, vierde lid, jo. art. 6, eerste lid onder 4°, WED.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_70dddcef-352b-4e4b-85ae-fb82dd65307c" label="5">
    <para>De Rijtijdenwet 1936 c.a. is opgenomen in Schuurman &amp; Jordens deel 130.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e9a5acbe-788b-42de-958b-db275e983e2b" label="6">
    <para>Besluit van 21 september 1977, Stb. 547, zoals nadien veelvuldig gewijzigd.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d28f4b03-6c65-426a-a8c3-e037eb291627" label="7">
    <para>Staatsblad 197, 547, blz. 15.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>