<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1999:AA4066</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T02:16:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA4066</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1999-12-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">33369</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1999:AA4066" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1999:AA4066</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002320&amp;artikel=30f&amp;g=1999-12-15">Algemene wet inzake rijksbelastingen 30f</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>BNB 2000/168 met annotatie van M.W.C. Feteris</rdf:li>
          <rdf:li>FED 2000/16</rdf:li>
          <rdf:li>WFR 2000/32</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2000/5.6</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA4066">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA4066</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:55:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1999:AA4066 Parket bij de Hoge Raad , 15-12-1999 / 33369</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA4066:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA4066:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Nr. 33.369</para>
      <para>Derde Kamer A</para>
      <para>Heffingsrente 1993-1995</para>
      <para>Parket, 30 augustus 1999</para>
      <para>Mr Van den Berge</para>
      <para>Conclusie inzake:</para>
      <para>de staatssecretaris van Financiën</para>
      <para>tegen:</para>
      <para>X</para>
      <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
      <para>1. Beschrijving van de zaak</para>
      <para>1.1. Het beroep in cassatie is gericht tegen de schriftelijke uitspraak van</para>
      <para>het gerechtshof te 's-Gravenhage (het Hof) van 1 mei 1997, nr. 95/2436.&amp;lt;(1) V-N 1997, blz. 2951, pt. 1.2. De schriftelijke uitspraak verving een mondelinge</para>
      <para>uitspraak van 6 december 1996, verzonden op 12 december van dat jaar.</para>
      <para>&amp;gt; Het</para>
      <para> is ingesteld door de staatssecretaris van Financiën (de Staatssecretaris).</para>
      <para>1.2. Over het eerste kwartaal van 1992 heeft de belanghebbende op 12 mei</para>
      <para>1992 op aangifte een bedrag aan omzetbelasting voldaan van ƒ 2.797,-.</para>
      <para>1.3. Bij brief van 9 januari 1993 deelde de belanghebbende aan de fiscus</para>
      <para>mee dat de aangifte onjuist was. Hij verzocht daarbij het bedrag aan</para>
      <para>verschuldigde omzetbelasting te verminderen met ƒ4.381,-.</para>
      <para>1.4. De Inspecteur (het Hoofd van de eenheid van de Belastingdienst</para>
      <para>Particulieren/ Ondernemingen P) heeft daarop bij beschikking van 25 maart</para>
      <para>1993 de door de belanghebbende over het eerste kwartaal van 1992</para>
      <para>verschuldigde omzetbelasting vastgesteld op ƒ 1.584,- negatief.</para>
      <para>1.5. De accountant van de belanghebbende heeft bij brief van 27 februari</para>
      <para>1995 aan de Inspecteur gemeld dat de belanghebbende over het jaar 1992 per</para>
      <para>saldo een bedrag van ƒ 4.381,- te weinig aan omzetbelasting had afgedragen.</para>
      <para>Hij verzocht de Inspecteur voor dat bedrag een naheffingsaanslag op te</para>
      <para>leggen.</para>
      <para>1.6. De Inspecteur heeft vervolgens aan de belanghebbende over het tijdvak</para>
      <para>1 januari 1992 tot en met 31 december 1992 een naheffingsaanslag in de</para>
      <para>omzetbelasting opgelegd voor een bedrag van ƒ 4.381,-. Verder heeft hij een</para>
      <para>bedrag heffingsrente geheven van ƒ 557,-. Dat bedrag betrof de periode van</para>
      <para>1 januari 1993 tot de dag van dagtekening van de naheffingsaanslag, 28</para>
      <para>maart 1995.</para>
      <para>1.7. Dat bedrag aan heffingsrente werd na bezwaar van de belanghebbende</para>
      <para>door de Inspecteur verminderd tot ƒ545,-, omdat de belanghebbende de</para>
      <para>naheffingsaanslag al op 8 maart 1995 had betaald.</para>
      <para>1.8. Tegen die uitspraak heeft de belanghebbende beroep in gesteld bij het</para>
      <para>&amp;lt;</para>
      <para>?</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>Hof. Voor het Hof voerde de belanghebbende aan dat de Inspecteur ten</para>
      <para>onrechte ook heffingsrente had berekend over de periode 1 januari 1993 tot</para>
      <para>22 april1993 - nader kennelijk: tot medio april 1993 - omdat het bedrag van</para>
      <para>ƒ 4.381,- hem in die periode nog niet ter beschikking stond, maar nog 'in</para>
      <para>beheer was bij de Belastingdienst'. Hij stelde dat bedrag aan te veel</para>
      <para>berekende heffingsrente op ƒ 94,-.&amp;lt;(2) Brief van de belanghebbende aan het Hof van 4 september 1995.</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>1.9. Het Hof was van oordeel dat de Inspecteur in het geheel geen</para>
      <para>heffingsrente had mogen heffen, omdat de belanghebbende over het eerste</para>
      <para>kwartaal van 1992 de wettelijk verschuldigde omzetbelasting had aangegeven</para>
      <para>en de naheffing strekte tot ongedaanmaking van een ambtshalve verleende</para>
      <para>teruggaaf. Het Hof heeft daarom de beschikking inzake de heffingsrente</para>
      <para>vernietigd.</para>
      <para>1.10. In cassatie bestrijdt de Staatssecretaris de beslissing van het Hof</para>
      <para>met twee cassatiemiddelen. In zijn eerste middel betoogt de</para>
      <para>Staatssecretaris dat het Hof buiten de rechtsstrijd is getreden omdat het</para>
      <para>zich niet heeft beperkt tot een oordeel over de verschuldigdheid van het</para>
      <para>door belanghebbende betwiste bedrag van ƒ 94,-, maar zich een oordeel heeft</para>
      <para>aangemeten over de vraag of in dit geval - los van het bedrag -</para>
      <para>heffingsrente kon worden geheven. Overigens is ook de Staatssecretaris van</para>
      <para>mening, dat het geheven bedrag moet worden verminderd met ƒ 94,-. In zijn</para>
      <para>tweede middel bestrijdt de Staatssecretaris 's Hofs oordeel dat de</para>
      <para>beschikking heffingsrente niet in stand kon blijven.</para>
      <para>1.11. De belanghebbende heeft geen vertoogschrift in cassatie ingediend.</para>
      <para>2. Naheffing ter correctie van een ten onrechte verleende teruggaaf</para>
      <para>2.1. Algemeen</para>
      <para>2.1.1. In o. 6.3 heeft het Hof overwogen dat in dit geval 'sprake was van</para>
      <para>een naheffing van ambtshalve teruggegeven belasting', maar dat de vraag 'of</para>
      <para>voor een zodanige naheffing een voldoende wettelijke basis bestaat' niet</para>
      <para>behoefde te worden beantwoord omdat de belanghebbende de rechtsgeldigheid</para>
      <para>van de naheffingsaanslag als zodanig niet betwistte.</para>
      <para>2.1.2. Dat is op zich juist, maar ik vind in de omstandigheid dat het Hof</para>
      <para>die vraag opwerpt, niettemin aanleiding om aan dat punt aandacht te</para>
      <para>besteden.</para>
      <para>2.2. De Wet op de Omzetbelasting 1954</para>
      <para>2.2.1. Hoofdstuk VI van de Wet op de Omzetbelasting 1954 (Wet OB 1954)</para>
      <para>bevatte een aantal bepalingen (art. 26 t/m 28) over de teruggaaf van</para>
      <para>belasting. Teruggaaf vond plaats 'op een daartoe gedaan verzoek' (zie o.a.</para>
      <para>art. 26, lid 1 Wet OB 1954), voor indiening van een dergelijk verzoek moest</para>
      <para>in beginsel gebruik worden gemaakt van een bepaald formulier (art. 51, lid</para>
      <para>2 Uitvoeringsbesluit OB 1954), dat binnen een bepaalde termijn moest worden</para>
      <para>ingediend (art. 51, lid 3 Uitv. besl. OB 1954). De inspecteur besliste bij</para>
      <para>beschikking (zie o.a. art. 26, lid 3 Wet OB 1954). Tegen die beschikking</para>
      <para>stond bezwaar en daarna beroep open (art. 38 en 39 Wet OB 1954).</para>
      <para>2.2.2. In § 100 van de Leidraad bij de Wet OB 1954&amp;lt;(3) Wet OB 1954, editie Schuurman &amp; Jordens, 1e dr. 1955 blz. 366.</para>
      <para>&amp;gt; was voorgeschreven:</para>
      <para>"1. In gevallen, waarin wegens het te laat indienen van een</para>
      <para>bezwaarschrift of van een verzoekschrift om teruggaaf, dan wel om</para>
      <para>andere redenen van formele aard, de reclamant of adressant niet</para>
      <para>ontvankelijk moet worden verklaard, verleent de inspecteur (...)</para>
      <para>ambtshalve de vermindering op de aanslag c.q. de (hogere) teruggaaf,</para>
      <para>waarop de belanghebbende naar het oordeel van de inspecteur</para>
      <para>redelijkerwijs aanspraak heeft.</para>
      <para>2. Naar de gegrondheid van een niet-ontvankelijk bezwaar- of</para>
      <para>verzoekschrift stelt de inspecteur dan ook steeds&amp;lt;(4) Van die regel kon in een aantal in de leidraad omschreven gevallen worden</para>
      <para>afgeweken.</para>
      <para>&amp;gt; een onderzoek in</para>
      <para>(...)."</para>
      <para>2.2.3. Indien een teruggaaf ten onrechte was verleend, kon worden</para>
      <para>nagevorderd [art. 37, lid 1 onder c Wet OB 1954; zie ook de jurisprudentie</para>
      <para>van de Tariefcommissie vermeld in par. 3.2. e.v. van de conclusie van A-G</para>
      <para>Van Soest voor HR 14 juni 1989, BNB 1989/271 m.nt. J.P. Scheltens].</para>
      <para>2.3. De Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Wet op de omzetbelasting</para>
      <para>1968</para>
      <para>2.3.1. Art. 20, lid 1, eerste volzin, Algemene wet inzake rijksbelastingen</para>
      <para>(AWR) luidt:</para>
      <para>"Indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan (?)</para>
      <para>geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur de te</para>
      <para>weinig geheven belasting naheffen."</para>
      <para>Het begrip 'betaald' wordt opgevat als een saldo van hetgeen op aangifte is</para>
      <para>voldaan en hetgeen daarna eventueel is teruggegeven, zie HR 28 oktober</para>
      <para>1981, nr. 20.635, inzake een naheffingsaanslag opgelegd ter correctie van</para>
      <para>een vermindering, verleend bij uitspraak op een bezwaarschrift tegen de</para>
      <para>belasting die op aangifte was voldaan (art. 24 AWR) [niet gepubliceerd,</para>
      <para>maar door A-G Van Soest vermeld in par 3.5. van zijn conclusie voor HR 14</para>
      <para>juni 1989, BNB 1989/271 m.nt. J.P. Scheltens&amp;lt;(5) FED 1989/459 m.nt. J.A. Smit, V-N 1989, blz. 2160, pt. 3.</para>
      <para>&amp;gt;] en HR 14 juni 1989/271, BNB</para>
      <para>1989/271 inzake een naheffingsaanslag, opgelegd ter correctie van een</para>
      <para>ambtshalve verleende vermindering, zij het dat daarbij niet in aanmerking</para>
      <para>kan worden genomen een bedrag dat door de fiscus abusievelijk is</para>
      <para>terugbetaald, zonder dat de belastingplichtige daarom had verzocht (HR 21</para>
      <para>augustus 1996, BNB 1996/402, na een door mij genomen conclusie en m.nt.</para>
      <para>P.J. Wattel&amp;lt;(6) FED1997/23 m.nt. I.M. Fliers, V-N 1996, blz. 3368, pt. 8.</para>
      <para>&amp;gt;).</para>
      <para>2.3.2. Art. 20, lid 1, tweede volzin, AWR luidt:</para>
      <para>"Met geheel of gedeeltelijk niet betaald zijn wordt gelijkgesteld het</para>
      <para>geval waarin, naar aanleiding van een ingevolge de belastingwet</para>
      <para>gedaan verzoek, ten onrechte of tot een te hoog bedrag, vrijstelling</para>
      <para>of vermindering van belasting dan wel teruggaaf van belasting is</para>
      <para>verleend."</para>
      <para>2.3.3. In het Voorlopig verslag inzake de AWR werd gevraagd&amp;lt;(7) Kamerstukken II, 1955-1956 - 4080, nr. 4, blz. 5, r.k., Artikel 20, lid 1.</para>
      <para>&amp;gt;:</para>
      <para>"Wat is de betekenis van de woorden 'naar aanleiding van een</para>
      <para>ingevolge de belastingwet gedaan verzoek'? Kan ter zake van een ten</para>
      <para>onrechte ambtshalve verleende vermindering e.d. dus niet worden</para>
      <para>nagevorderd?"</para>
      <para>De laatste zin zag op art. 63 van het ontwerp, later art. 65 AWR en thans</para>
      <para>art. 65, lid 1 AWR, dat luidt:</para>
      <para>"Een onjuiste belastingaanslag of beschikking kan door de inspecteur</para>
      <para>ambtshalve worden verminderd. Een in de belastingwet voorziene</para>
      <para>vermindering (...) of teruggaaf kan door hem ambtshalve worden</para>
      <para>verleend."</para>
      <para>2.3.4. In de Memorie van antwoord werden als voorbeelden van de bedoelde</para>
      <para>teruggaven op verzoek genoemd de teruggaaf van omzetbelasting bij uitvoer</para>
      <para>(art. 26 Wet OB 1954) en de teruggaaf van ingehouden dividendbelasting aan</para>
      <para>een lichaam dat niet aan de vennootschapsbelasting was onderworpen (art. 8</para>
      <para>Besluit op de Dividendbelasting 1941).&amp;lt;(8) MvA inzake de AWR, blz. 10, l.k., eerste al.</para>
      <para>&amp;gt; Verder werd opgemerkt &amp;lt;(9) Memorie van antwoord inzake de AWR, Kamerstukken II, 1955-1956-4080, nr. 5, blz.</para>
      <para>9, r.k., Artikel 20, lid 1.</para>
      <para>&amp;gt;:</para>
      <para>"Het is inderdaad de bedoeling, dat in gevallen, waarin ambtshalve</para>
      <para>een te hoge (...) vermindering van inhouding of teruggaaf is</para>
      <para>verleend, het opleggen van een naheffingsaanslag achterwege blijft."</para>
      <para>2.3.5. Warning&amp;lt;(10) G.H. Warning, Belastingbeschouwingen, juli/augustus 1965, OB 37/3.</para>
      <para>&amp;gt; dacht aan</para>
      <para>"ambtshalve door de inspecteur verleende restituties, zonder dat hier</para>
      <para>een formeel verzoek aan is voorafgegaan [bijv. naar aanleiding van</para>
      <para>een controle]."</para>
      <para>2.3.6. Die uitleg is, gelet op de formulering van de vraagstelling in het</para>
      <para>Voorlopig verslag, verdedigbaar. In het merendeel van de gevallen zal de</para>
      <para>ambtshalve vermindering of teruggaaf echter worden verleend op verzoek van</para>
      <para>de belastingplichtige en ik neem aan, dat de toezegging ook sloeg op die</para>
      <para>gevallen. De Bewindslieden gaven niet aan waarom naheffing in die gevallen</para>
      <para>van ambtshalve ten onrechte verleende verminderingen en teruggaven</para>
      <para>achterwege diende te blijven, maar ik neem aan dat zij ervan uitgingen, dat</para>
      <para>een dergelijke vermindering zou berusten op een grondig onderzoek (zie ook</para>
      <para>de hiervóór in par. 2.2.2 geciteerde § 100 van de leidraad OB 1954). Ik</para>
      <para>beschouw de in de Memorie van antwoord gedane toezegging daarom als een</para>
      <para>toezegging tot toepassing van het vertrouwensbeginsel als algemeen beginsel</para>
      <para>van behoorlijk bestuur zoals dat in latere jaren voor alle gevallen van</para>
      <para>naheffing in de jurisprudentie is erkend. Dat betekent dat naheffing ter</para>
      <para>correctie van een ten onrechte verleende ambtshalve teruggaaf of</para>
      <para>vermindering in beginsel mogelijk is, zij het dat de algemene beginselen</para>
      <para>van behoorlijk bestuur - en met name het vertrouwensbeginsel - naheffing</para>
      <para>kunnen verhinderen. Uit HR 14 juni 1989, BNB 1989/271, inzake een naheffing</para>
      <para>ter correctie van een op verzoek van de belanghebbende op grond art. 25 Wet</para>
      <para>op de omzetbelasting 1968 (Wet OB 1968) - ten onrechte - verleende</para>
      <para>ambtshalve vermindering, maak ik op dat Uw Raad die mening deelt.&amp;lt;(11) De zaak werd verwezen voor onderzoek van de stelling van de inspecteur dat</para>
      <para>algemeen bekend is dat verzoeken om teruggaaf in het belang van de ondernemers zo</para>
      <para>snel mogelijk werden afgedaan van (in de teruggaaf beschikking was ook gesteld dat</para>
      <para>de vermindering werd verleend 'onder voorbehoud van correctie bij later onderzoek')</para>
      <para>en van de stelling van de belanghebbende dat de vermindering in dat concrete geval</para>
      <para>wèl op een onderzoek naar de gegrondheid daarvan berustte. De zaak werd</para>
      <para>uiteindelijk in HR 11 september 1991, BNB 1991/303 in het nadeel van belanghebbende</para>
      <para>beslist.</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>2.3.7. Art. 17 Wet OB 1968 luidt:</para>
      <para>"Ingeval de voor aftrek in aanmerking komende belasting meer bedraagt</para>
      <para>dan de in het tijdvak verschuldigd geworden belasting, wordt het</para>
      <para>verschil aan de ondernemer op zijn verzoek terugbetaald."</para>
      <para>Een in Nederland wonende ondernemer moet dat verzoek in beginsel in zijn</para>
      <para>aangifte doen (art. 33, lid 1 Wet OB 1968), maar hij kan het ook later</para>
      <para>doen, bij voorbeeld in zijn bezwaarschrift tegen hetgeen hij op aangifte</para>
      <para>aan belasting heeft voldaan (art. 24 AWR) of - als de termijn voor bezwaar</para>
      <para>is verstreken - bij aparte brief waarbij hij de inspecteur verzoekt de</para>
      <para>teruggaaf op grond van art. 65, lid 1 AWR ambtshalve te verlenen. In al die</para>
      <para>gevallen is naar mijn mening sprake van een teruggaaf die is verleend 'naar</para>
      <para>aanleiding van een ingevolge de belastingwet gedaan verzoek' als bedoeld in</para>
      <para>art. 20, lid 1, tweede volzin AWR.</para>
      <para>2.3.8. In het onderhavige geval gaat het niet alleen om een teruggaaf ex</para>
      <para>art. 65, lid 1 AWR j° art. 17 Wet OB 1968, maar is ook teruggaaf verleend</para>
      <para>van hetgeen de belanghebbende al op aangifte had betaald. De teruggaaf van</para>
      <para>dat laatste bedrag was gebaseerd op het bij Wet van 8 november 1984, Stb.</para>
      <para>531 aan 65 AWR toegevoegde tweede lid, waarin is bepaald:</para>
      <para>"Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van</para>
      <para>degene die een onjuist bedrag op aangifte heeft voldaan (...)."</para>
      <para>Ten aanzien van dat bedrag zou ik niet meer willen spreken van een</para>
      <para>teruggaaf, verleend 'naar aanleiding van een ingevolge de belastingwet</para>
      <para>gedaan verzoek' als bedoeld in art. 20, lid 1, tweede volzin AWR. Niettemin</para>
      <para>is ook ten aanzien van dat bedrag naheffing mogelijk, en wel op grond van</para>
      <para>art. 20, lid 1, eerste volzin AWR (zie par. 2.3.1).</para>
      <para>2.3.9. Gelet op een en ander kan niet worden gezegd dat de aan de</para>
      <para>belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag geen wettelijke basis had.</para>
      <para>3. Middel I</para>
      <para>3.1. Het eerste middel bevat de klacht dat het Hof 'het geschil ten</para>
      <para>onrechte niet heeft beperkt tot de vraag of de in rekening gebrachte</para>
      <para>heffingsrente met ƒ 94,- moest worden verlaagd'.</para>
      <para>3.2. De rechter is verplicht de rechtsgronden aan te vullen. Het kan zijn</para>
      <para>dat hij, die gronden aanvullend, tot de conclusie komt dat de</para>
      <para>belanghebbende aanspraak kan maken op meer dan hij vraagt. Hij behoort de</para>
      <para>belanghebbende dan de aftrek, vermindering of teruggaaf te verlenen waarop</para>
      <para>hij rechtens aanspraak kan maken en kan niet volstaan met verlening van de</para>
      <para>door de belanghebbende berekende vermindering. Hij treedt daarmee niet</para>
      <para>buiten de rechtsstrijd (zie de conclusie van A-G van Soest voor HR 23</para>
      <para>december 1981, BNB 1982/56, blz. 250, regel 38 e.v. en P. den Boer in zijn</para>
      <para>noot onder dat arrest, BNB 1982/56, blz. 259 regel 17 e.v. ).</para>
      <para>3.3. Daarentegen treedt de rechter buiten de rechtsstrijd als hij een punt</para>
      <para>dat tussen partijen niet in geschil is ambtshalve onderzoekt en zijn</para>
      <para>beslissing vervolgens baseert op het resultaat van dat onderzoek. Zo treedt</para>
      <para>het hof buiten de rechtsstrijd indien hij ambtshalve - zonder dat de</para>
      <para>belanghebbende daarop een beroep heeft gedaan - onderzoekt of de aanslag</para>
      <para>wel is opgelegd binnen de in art. 11, lid 3 AWR bedoelde termijn en</para>
      <para>vervolgens de aanslag wegens het feit dat die termijn is overschreden,</para>
      <para>vernietigt (HR 2 juli 1986, BNB 1986/291 na conclusie A-G Van Soest en</para>
      <para>m.nt. J.P. Scheltens; zie ook HR 29 juni 1988, BNB 1988/263 na conclusie</para>
      <para>van A-G Moltmaker), of een navorderingsaanslag ambtshalve vernietigt omdat</para>
      <para>een nieuw feit als bedoeld in art 16, lid 1 AWR ontbreekt (zie o.a. HR 12</para>
      <para>januari 1977, BNB 1977/74, na conclusie van A-G Van Soest en m.nt.</para>
      <para>Scheltens).</para>
      <para>3.4. In die gevallen gaat het echter om vragen die duidelijk van elkaar</para>
      <para>kunnen worden onderscheiden (de vraag of een aanslag of navorderingsaanslag</para>
      <para>mocht worden opgelegd en de vraag of de aanslag of navorderingsaanslag het</para>
      <para>juiste bedrag aangeeft) en die ook elk voor zich kunnen worden beantwoord.</para>
      <para>In dit geval ligt het anders. De belanghebbende bestreed de beschikking</para>
      <para>heffingsrente aanvoerend dat de heffingsrente niet op het juiste bedrag was</para>
      <para>berekend omdat ten onrechte heffingsrente was berekend over de periode 1</para>
      <para>januari 1993 tot 22 april 1993 althans tot half april 1993. Hij berekende</para>
      <para>het bedrag aan te veel berekende heffingsrente op ƒ 94,- (Hof, o. 4.1 en</para>
      <para>o.5). Bij het onderzoek van die stelling kwam het Hof tot de conclusie dat</para>
      <para>in dit geval in het geheel geen heffingsrente kon worden berekend (Hof, r.</para>
      <para>o. 6.4). Dat standpunt is juist (zie hierna, par. 4 en 5). Dat bracht mee</para>
      <para>dat het Hof de vraag of de heffingsrente juist was berekend, in het geheel</para>
      <para>niet meer kòn onderzoeken. Het Hof kon daarom niet anders doen dan wat het</para>
      <para>heeft gedaan: de beschikking heffingsrente in zijn geheel vernietigen.</para>
      <para>3.5. Derhalve faalt dit middel.</para>
      <para>4. Heffingsrente</para>
      <para>4.1.Volgens art. 30a, lid 2 AWR, tekst 1995, kan met betrekking tot de</para>
      <para>omzetbelasting in drie gevallen heffingsrente worden berekend:</para>
      <para>-1. indien een naheffingsaanslag wordt vastgesteld (art. 30a, lid 2,</para>
      <para>onderdeel a AWR);</para>
      <para>-2. indien een teruggaaf wordt verleend (art. 30a, lid 2, onderdeel b,</para>
      <para>eerste volzin AWR);</para>
      <para>en</para>
      <para>-3. indien de belasting die op aangifte moet worden voldaan, te laat wordt</para>
      <para>betaald (art. 30a, lid 2, onderdeel b, tweede volzin AWR).</para>
      <para>De gevallen 1 en 3 betreffen situaties waarin de belastingplichtige</para>
      <para>heffingsrente in rekening wordt gebracht; de situatie onder 2 betreft een</para>
      <para>geval waarin aan de belastingplichtige een bedrag aan heffingsrente wordt</para>
      <para>vergoed.</para>
      <para>4.2. De regeling van art. 30a, lid 2 AWR is limitatief geformuleerd:</para>
      <para>Heffingsrente kan slechts in rekening worden gebracht of vergoed als zich</para>
      <para>een van de in art. 30a, lid 2 AWR genoemde gevallen voordoet.</para>
      <para>4.3. Uit de tekst van art. 30a, lid 2, onderdeel a AWR blijkt dat het</para>
      <para>opleggen van een naheffingsaanslag niet automatisch leidt tot het in</para>
      <para>rekening brengen van heffingsrente:</para>
      <para>Heffingsrente wordt slechts berekend als</para>
      <para>"de naheffingsaanslag wordt vastgesteld vanwege de omstandigheid dat</para>
      <para>de verschuldigde belasting meer beloopt dan die welke is aangegeven</para>
      <para>(...)".</para>
      <para>waarbij dan weer een uitzondering is gemaakt voor het geval</para>
      <para>"die naheffingsaanslag het gevolg is van een vrijwillige verbetering</para>
      <para>van de aangifte,</para>
      <para>welke wordt gedaan binnen drie maanden na het einde van het</para>
      <para>kalenderjaar (...) waarop de nageheven belasting betrekking heeft."</para>
      <para>4.4. In art. 30c AWR is aangegeven over welk bedrag heffingsrente in</para>
      <para>rekening wordt gebracht. In het geval, bedoeld in art. 30a, lid 2,</para>
      <para>onderdeel a AWR (het geval waarin een naheffingsaanslag wordt opgelegd), is</para>
      <para>dat het bedrag van de naheffingsaanslag (art. 30c, lid 2 AWR).</para>
      <para>5. Middel II</para>
      <para>5.1. Het Hof heeft onder verwijzing naar art. 30a, lid 2 AWR overwogen (o.</para>
      <para>6.4) dat de Inspecteur ten onrechte heffingsrente heeft berekend, omdat de</para>
      <para>belanghebbende over het eerste kwartaal van 1992 de wettelijk verschuldigde</para>
      <para>belasting had aangegeven.</para>
      <para>5.2. Volgens het tweede middel heeft het Hof met dit oordeel artikel 17 Wet</para>
      <para>administratieve rechtspraak belastingzaken (WARB) en de artikelen 20, 30a</para>
      <para>en 30c AWR geschonden.</para>
      <para>5.3. De eerste klacht - schending van art. 17 WARB - faalt, omdat een</para>
      <para>rechtsoordeel niet met een motiveringsklacht kan worden bestreden.</para>
      <para>5.4. Met betrekking tot de tweede klacht - schending van art. 20 AWR -</para>
      <para>wordt in de toelichting op het middel betoogd dat ten aanzien van de vraag</para>
      <para>of de belasting die op aangifte behoort te worden voldaan, geheel of</para>
      <para>gedeeltelijk niet is betaald (art. 20, lid 1, eerste volzin AWR) moet</para>
      <para>worden uitgegaan van het uiteindelijk betaalde bedrag.</para>
      <para>5.5. Uit de bestreden overweging blijkt niet dat het Hof dat heeft miskend.</para>
      <para>Derhalve faalt ook deze klacht.</para>
      <para>5.6. Met betrekking tot de derde klacht - de schending van art. 30a AWR -</para>
      <para>wordt in de toelichting op het middel betoogd dat aan de eis die in art.</para>
      <para>30a, lid 2, onderdeel a AWR wordt gesteld, namelijk dat sprake moet zijn</para>
      <para>van 'een naheffingsaanslag die wordt vastgesteld omdat de verschuldigde</para>
      <para>belasting meer beloopt dan die welke is aangegeven',</para>
      <para>ook wordt voldaan indien wordt nageheven omdat het aanvankelijk aangegeven</para>
      <para>bedrag naderhand in negatieve zin is gecorrigeerd.</para>
      <para>5.7. Tegen die uitleg pleiten in de eerste plaats de formuleringen die in</para>
      <para>art. 30a, lid 2, onderdeel a (slot) AWR en in art. 30a, lid 2, onderdeel b</para>
      <para>AWR zijn gebruikt.</para>
      <para>5.8. Een naheffingsaanslag die wordt opgelegd omdat 'de verschuldigde</para>
      <para>belasting meer beloopt dan die welke is aangegeven', leidt volgens art.</para>
      <para>30a, lid 2, onderdeel a (slot) AWR tot berekening van heffingsrente,</para>
      <para>"tenzij die naheffingsaanslag een gevolg is van een vrijwillige</para>
      <para>verbetering, gedaan binnen drie maanden na het einde van het</para>
      <para>kalenderjaar (...)."</para>
      <para>Met andere woorden: ook een naheffingsaanslag die wordt opgelegd na een</para>
      <para>dergelijke vrijwillige verbetering is een naheffingsaanslag die wordt</para>
      <para>opgelegd omdat 'de verschuldigde belasting meer beloopt dan die welke is</para>
      <para>aangegeven'. De woorden 'die (d.w.z. de belasting, v.d.B.) welke is</para>
      <para>aangegeven' slaan dus op de belasting die oorspronkelijk is aangegeven.</para>
      <para>Indien die woorden zouden slaan op de belasting zoals die uiteindelijk, na</para>
      <para>verbetering van de oorspronkelijke aangifte is aangegeven, dan zou de</para>
      <para>wetgever het slot van onderdeel a anders hebben geformuleerd.</para>
      <para>5.9. Het vorenstaande betreft een aanvulling, waarbij het oorspronkelijk</para>
      <para>aangegeven bedrag wordt verhoogd. Als het oorspronkelijk aangegeven bedrag</para>
      <para>later in negatieve zin wordt aangepast, geldt de regeling van art. 30a, lid</para>
      <para>2 , onderdeel b AWR. Volgens die bepaling wordt aan de belastingplichtige</para>
      <para>een bedrag aan heffingsrente vergoed indien</para>
      <para>"een teruggaaf van (omzet)belasting plaatsvindt vanwege</para>
      <para>omstandigheid dat de verschuldigde belasting minder beloopt dan die</para>
      <para>welke is aangegeven."</para>
      <para>De term 'die welke is aangegeven' slaat ook hier weer op de belasting zoals</para>
      <para>die oorspronkelijk werd aangegeven.</para>
      <para>5.10. Tegen de uitleg die de Staatssecretaris voorstaat pleit verder, dat</para>
      <para>bij een ruime uitleg van de woorden 'de belasting welke is aangegeven'</para>
      <para>logischerwijs niet alleen verbeteringen van de aangifte in negatieve zin,</para>
      <para>maar ook verbeteringen in positieve zin zouden moeten worden meegeteld. Het</para>
      <para>zou dan bovendien niet alleen gaan om positieve verbeteringen, ingediend</para>
      <para>binnen drie maanden na afloop van het kalenderjaar, maar ook om later</para>
      <para>aangebrachte verbeteringen. Dat zou leiden tot een resultaat, dat</para>
      <para>ongetwijfeld niet is bedoeld. Het zou namelijk betekenen dat ook bij een</para>
      <para>verhoging van het oorspronkelijk aangegeven bedrag, die eerst na afloop van</para>
      <para>de termijn van drie maanden na afloop van het kalenderjaar wordt ingediend,</para>
      <para>geen heffingsrente in rekening zou kunnen worden gebracht.</para>
      <para>5.11. Gelet op een en ander faalt ook de tweede klacht.</para>
      <para>5.12. De derde klacht - betreffende schending van art. 30c AWR - faalt</para>
      <para>eveneens. Met die klacht wordt miskend dat die bepaling slechts het bedrag</para>
      <para>betreft waarover heffingsrente wordt berekend en dat die bepaling niets</para>
      <para>zegt over de gevallen waarin heffingsrente in rekening kan worden gebracht.</para>
      <para>6. Conclusie</para>
      <para>Bevindend dat de middelen falen, concludeer ik tot verwerping van het</para>
      <para>beroep.</para>
      <para>De Procureur-Generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
      <para>(a-g)</para>
    </parablock>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>