<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1999:AA3883</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T12:13:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3883</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1999-12-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C98/134HR</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1999:AA3883" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1999:AA3883</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 1999, 249</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2000, 184</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA3883">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA3883</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:54:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1999:AA3883 Parket bij de Hoge Raad , 17-12-1999 / C98/134HR</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA3883:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA3883:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>Mr. Hartkamp</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>						Conclusie inzake</para>
      <para>nr. C 98/134 HR</para>
      <para>						[EISERES] Transport Efficiency B.V.</para>
      <para>zitting 1 oktober 1999</para>
      <para>						tegen</para>
    </parablock>
    <para>						</para>
    <para>						[VERWEERSTER] B.V.</para>
    <para />
    <para />
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para />
    <para />
    <para>Feiten en procesverloop</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1) Bij 'beheersovereenkomst' van 29 december 1989, </para>
      <para>ondertekend op 12 januari 1990, zijn eiseres tot </para>
      <para>cassatie, [..], en verweerster in cassatie, [..], </para>
      <para>overeengekomen dat [verweerster] met ingang van 1 januari </para>
      <para>1990 voor onbepaalde tijd is benoemd tot directeur van </para>
      <para>[eiseres] tegen een vergoeding van / 350.000,- per jaar. </para>
      <para>In het handelsregister is [de directeur], die sedert 1 </para>
      <para>januari 1988 in dienst was van [eiseres] en die enig </para>
      <para>directeur en aandeelhouder is van [verweerster], als </para>
      <para>statutair directeur van [eiseres] ingeschreven.</para>
      <para>Een brief van [eiseres] aan [verweerster] d.d. 6 fe-</para>
      <para>bruari 1990 luidt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>"De vennootschap zal naar alle redelijkheid en </para>
      <para>billijkheid voor 30-06-1990 overgaan tot het ef-</para>
      <para>fectueren van een stock-optie regeling ten behoe-</para>
      <para>ve van de beheersvennootschap, op basis van de </para>
      <para>waarde van de aandelen van de vennootschap per </para>
      <para>01-01-1990, op nader door partijen overeen te ko-</para>
      <para>men wijze, voor een belang groot 5% van het to-</para>
      <para>taal gestorte en geplaatste aandelenkapitaal van </para>
      <para>de vennootschap. Mocht de algemeen direkteur van </para>
      <para>de vennootschap om formele redenen dit niet kun-</para>
      <para>nen effektueren, dan zullen partijen een andere </para>
      <para>vorm van compensatie voor de beheersvennootschap </para>
      <para>dienen te regelen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een brief van [eiseres] aan [verweerster] d.d. 21 juni 1990 </para>
      <para>luidt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"Verwijzende naar mijn schrijven 89-12.704 van 6 </para>
      <para>februari 1990, bevestig ik U het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gezien het feit dat de in opgemeld schrijven ver-</para>
      <para>melde transaktie meer tijd in beslag neemt dan op </para>
      <para>6 februari 1990 was te voorzien, bevestig ik U </para>
      <para>hierbij de in opgemeld schrijven vastgelegde ter-</para>
      <para>mijn te willen verlengen tot 30 september 1990, </para>
      <para>op dezelfde kondities als omschreven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gaarne verzoek ik U een kopie, voor akkoord on-</para>
      <para>dertekend, retour te zenden als blijk van Uw in-</para>
      <para>stemming."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een brief van [eiseres] aan [verweerster] d.d. 28 september </para>
      <para>1990 luidt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"Verwijzende naar mijn schrijven 89-12.704 van 6 </para>
      <para>februari 1990, bevestig ik U het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gezien het feit dat de in opgemeld schrijven ver-</para>
      <para>melde transaktie meer tijd in beslag neemt dan op </para>
      <para>6 februari 1990 was te voorzien, bevestig ik U </para>
      <para>hierbij de in opgemeld schrijven vastgelegde ter-</para>
      <para>mijn te willen verlengen tot 30 november 1990, op </para>
      <para>dezelfde kondities als omschreven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gaarne verzoek ik U een kopie, voor akkoord on-</para>
      <para>dertekend, retour te zenden als blijk van Uw in-</para>
      <para>stemming."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Medio november 1990 heeft [verweerster] aan [eiseres] </para>
      <para>een concept van een overeenkomst toegezonden, waarin wordt </para>
      <para>verwezen naar de brief van [eiseres] aan [verweerster] d.d. </para>
      <para>6 februari 1990.</para>
      <para>Een brief van [verweerster] aan [eiseres] d.d. 29 no-</para>
      <para>vember 1990 luidt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>"Op uw verzoek hebben wij u uitstel verleend voor </para>
      <para>het effectueren van de aan ons verleende stock-</para>
      <para>optie, als vermeld in uw brief aan ons d.d. 6 fe-</para>
      <para>bruari 1990, tot 30 dezer. Tot op heden bent u </para>
      <para>niet tot effectuering overgegaan, noch hebt u een </para>
      <para>daartoe strekkend nader voorstel aan ons gedaan. </para>
      <para>Ik wijs u erop dat ik wel onzerzijds voorstellen </para>
      <para>heb gedaan tot effectuering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Formeel moge ik u hierdoor verzoeken om alsnog uw </para>
      <para>medewerking tot effectuering van deze optie vóór </para>
      <para>30 dezer te verlenen, en voorzoveel dat niet meer </para>
      <para>mogelijk mocht blijken, stellen wij u hierdoor </para>
      <para>uitdrukkelijk in gebreke onder voorbehoud van al </para>
      <para>onze rechten."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 30 november 1990 heeft [eiseres] [verweerster] ver-</para>
      <para>zocht deze brief in te trekken, hetgeen door H. is gewei-</para>
      <para>gerd. Op 3 december 1990 is [verweerster] door [eiseres] op </para>
      <para>non-actief gesteld. Op 18 december 1990 heeft [eiseres] de </para>
      <para>beheersovereenkomst met [verweerster] opgezegd, met inacht-</para>
      <para>neming van de in die overeenkomst gesteld termijn van zes </para>
      <para>maanden, tegen 1 juli 1991.</para>
      <para>Het geschil tussen partijen betreft de uitleg van de </para>
      <para>brief d.d. 6 februari 1990. [verweerster] heeft gesteld dat </para>
      <para>in die brief een stockoptierecht aan haar is verleend, ter-</para>
      <para>wijl [eiseres] heeft aangevoerd dat in de brief slechts een </para>
      <para>intentie is vastgelegd om tot een nadere regeling van een </para>
      <para>stockoptie te komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2) De rechtbank te Dordrecht heeft in haar vonnis van </para>
      <para>22 januari 1992 de brief in de door [eiseres] bepleite zin </para>
      <para>uitgelegd: in de gegeven omstandigheden was (slechts) spra-</para>
      <para>ke van een toezegging van [eiseres] om voor [verweerster] </para>
      <para>een nadere regeling te treffen. Nu deze regeling niet ge-</para>
      <para>troffen is en de oorzaak daarvan naar het oordeel van de </para>
      <para>rechtbank niet aan [eiseres] toerekenbaar was, heeft de </para>
      <para>rechtbank de vorderingen van [verweerster] afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3) Tegen dit vonnis heeft [verweerster] hoger beroep </para>
      <para>ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Het hof </para>
      <para>heeft bij (eerste) tussenarrest van 27 april 1994 voors-</para>
      <para>hands geoordeeld:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>"De wederkerige overeenkomst welke in de brief-</para>
      <para>wisseling tussen partijen is vastgelegd behelsde </para>
      <para>een voorovereenkomst. Deze voorovereenkomst </para>
      <para>strekte ertoe dat partijen vóór B uiteindelijk B </para>
      <para>30 november 1990 een overeenkomst tot stand zou-</para>
      <para>den brengen, met betrekking tot de inhoud waarvan </para>
      <para>in elk geval vaststaat dat [eiseres] aan [ver-</para>
      <para>weerster] een optie zou verlenen op 5% van haar </para>
      <para>geplaatst en gestort aandelenkapitaal tegen een </para>
      <para>uitoefenprijs gelijk aan de waarde per 1 januari </para>
      <para>1990. Een aantal in die overeenkomst op te nemen </para>
      <para>bijzonderheden stond nog niet vast. Zo laat de </para>
      <para>briefwisseling zich niet uit over de termijn van </para>
      <para>uitoefening van de optie, met dien verstande </para>
      <para>evenwel dat het voor de hand ligt aan te nemen, </para>
      <para>dat daarbij de keus zou gaan vallen op tenminste </para>
      <para>de looptijd van de beheersovereenkomst. Opmerking </para>
      <para>verdient, dat deze laatste overeenkomst zoals uit </para>
      <para>het voorgaande blijkt in feite is geëindigd op 1 </para>
      <para>juli 1991."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het (tweede) tussenarrest van 12 april 1995 is </para>
      <para>[verweerster] toegelaten te bewijzen feiten en omstandighe-</para>
      <para>den waaruit valt af te leiden, dat [eiseres] accoord is ge-</para>
      <para>gaan met de inhoud van de medio november 1990 door [ver-</para>
      <para>weerster] aan [eiseres] gezonden concept-overeenkomst.</para>
      <para>In het (derde) tussenarrest van 31 december 1997 heeft </para>
      <para>het hof [verweerster] niet in dit bewijs geslaagd geacht. </para>
      <para>Voorts heeft het hof geoordeeld dat het, gelet op de over-</para>
      <para>gelegde stukken en hetgeen door partijen verder nog is aan-</para>
      <para>gevoerd, geen aanleiding ziet terug te komen van zijn </para>
      <para>(hierboven geciteerde) voorshands gegeven oordeel. Verder </para>
      <para>heeft het hof onder meer nog het volgende overwogen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>'9. Aan hetgeen door het hof met betrekking tot </para>
      <para>de termijn van uitoefening van de optie is over-</para>
      <para>wogen kan nog worden toegevoegd dat, gelet op het </para>
      <para>feit dat de beheersovereenkomst van 29 december </para>
      <para>1989, welke voor onbepaalde tijd was gesloten, op </para>
      <para>1 juli 1991 is geëindigd, de eisen van redelijk-</para>
      <para>heid en billijkheid meebrengen dat het tijdstip </para>
      <para>van uitoefening van de optie wordt bepaald op een </para>
      <para>datum rond het tijdstip van die beëindiging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(..)</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>11. Ten processe moet thans worden uitgegaan van </para>
      <para>het volgende. Partijen hebben in 1990 een voor-</para>
      <para>overeenkomst gesloten, welke ertoe strekte dat </para>
      <para>zij vóór 30 november 1990 een overeenkomst tot </para>
      <para>stand zouden brengen, waarbij [eiseres] aan [ver-</para>
      <para>weerster] een optie zou verlenen, uit te oefenen </para>
      <para>rond 1 juli 1991, op 5% van haar geplaatst en ge-</para>
      <para>stort aandelenkapitaal tegen de koers per 1 ja-</para>
      <para>nuari 1990.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>12. Voor het geval de inhoud van de nog te slui-</para>
      <para>ten overeenkomst aldus onvoldoende is bepaald - </para>
      <para>een vraag waarover partijen van mening verschil-</para>
      <para>len - zullen de ontbrekende elementen overeenkom-</para>
      <para>stig de eisen van redelijkheid en billijkheid </para>
      <para>moeten worden aangevuld. Zo nodig zullen de na te </para>
      <para>noemen deskundigen dit geschilpunt in hun oordeel </para>
      <para>dienen te betrekken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>13. Vast staat, dat [eiseres] heeft geweigerd de </para>
      <para>gesloten voorovereenkomst na te komen. [verweer-</para>
      <para>ster] heeft jegens [eiseres] aanspraak op vergoe-</para>
      <para>ding van de door haar als gevolg van deze wan-</para>
      <para>prestatie </para>
      <para>geleden schade. Deze schade is gelijk aan de </para>
      <para>eventuele financiële voordelen welke [verweer-</para>
      <para>ster] heeft gemist doordat de ingevolge de voor-</para>
      <para>overeenkomst te sluiten overeenkomst niet tot </para>
      <para>stand is gekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>14. Het hof acht het gewenst thans een onderzoek </para>
      <para>door deskundigen te bevelen betreffende, kort ge-</para>
      <para>zegd, de vraag of, en zo ja in welke omvang, </para>
      <para>[verweerster] schade heeft geleden als hier be-</para>
      <para>doeld. (..)'</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4) Tegen de arresten van 27 april 1994 en 31 december </para>
      <para>1997 heeft [eiseres] cassatieberoep ingesteld. Het cassa-</para>
      <para>tiemiddel bestaat uit vijf onderdelen en verschillende </para>
      <para>sub(sub)onderdelen. Beide partijen hebben hun zaak schrif-</para>
      <para>telijk toegelicht. [eiseres] heeft nog gerepliceerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Bespreking van het cassatiemiddel</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>5) De klachten van onderdeel 2 (onderdeel 1 bevat geen </para>
      <para>klacht) zijn gericht tegen de r.o. 8-11 van het eerste tus-</para>
      <para>senarrest, waarin het hof oordeelt dat de brief van 6 fe-</para>
      <para>bruari 1990 een wederkerige overeenkomst behelst. De klach-</para>
      <para>ten worden m.i. tevergeefs voorgesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de eerste plaats blijkt uit r.o. 13 waarin het hof </para>
      <para>de wederkerigheid ziet: het is een voorovereenkomst die er-</para>
      <para>toe strekt 'dat partijen vóór - uiteindelijk - 30 november </para>
      <para>1990 een overeenkomst tot stand zouden brengen (..)'. Ken-</para>
      <para>nelijk is het hof dus uitgegaan van een beide partijen bin-</para>
      <para>dende (voor beide partijen verplichtingen scheppende) voor-</para>
      <para>overeenkomst. Die figuur is rechtens mogelijk, óók als de </para>
      <para>uiteindelijk te sluiten hoofdovereenkomst zou blijken </para>
      <para>slechts op één der partijen verplichtingen te leggen; de </para>
      <para>uitleg van de overeenkomst was aan het hof voorbehouden en </para>
      <para>is niet onbegrijpelijk.</para>
      <para>In de tweede plaats heeft [eiseres] m.i. geen belang </para>
      <para>bij de klachten. De kwalificatie 'wederkerig' is alleen van </para>
      <para>belang in verband met de mogelijkheid van ontbinding van de </para>
      <para>voorovereenkomst. Het hof heeft in de stellingen van [ver-</para>
      <para>weerster] klaarblijkelijk en niet onbegrijpelijk (zie bijv. </para>
      <para>pleitaantekeningen mr. Van Soest van 22 dec. 1993, p. 7 on-</para>
      <para>der IV) gelezen dat [verweerster]'s vordering tot schade-</para>
      <para>vergoeding niet gekoppeld was aan de (subsidiair) door haar </para>
      <para>gevorderde ontbinding; en het hof heeft blijkens r.o. 13 </para>
      <para>van het derde tussenarrest die schadevergoeding kennelijk </para>
      <para>inderdaad zonder meer gebaseerd op de door [eiseres] ge-</para>
      <para>pleegde wanprestatie bij het nakomen van de voorovereen-</para>
      <para>komst. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6) De onderdelen 3 - 3.1.1 zijn gericht tegen r.o. 9 </para>
      <para>van het eerste tussenarrest. Daarin heeft het hof geoor-</para>
      <para>deeld dat de belangrijkste elementen welke voor de verle-</para>
      <para>ning van een aandelenoptie bepalend zijn en aan de hand </para>
      <para>waarvan deze kan worden uitgeoefend, te weten de hoeveel-</para>
      <para>heid over te dragen aandelen en de maatstaf voor de bepa-</para>
      <para>ling van de overdrachtsprijs, in de brief van 6 februari </para>
      <para>1990 staan vermeld. Als het hof daarmee te kennen heeft ge-</para>
      <para>geven dat partijen reeds overeenstemming hadden bereikt </para>
      <para>over de essentialia van de te effectueren optieregeling, </para>
      <para>geeft dat oordeel volgens onderdeel 3.1 blijk van een on-</para>
      <para>juiste rechtsopvatting. Volgens subonderdeel 3.1.1 zijn im-</para>
      <para>mers tenminste even belangrijk de elementen die de voor-</para>
      <para>waarden betreffen waaronder de optie kan worden uitgeoefend </para>
      <para>alsmede het tijdstip waarop of de termijn waarbinnen de op-</para>
      <para>tie kan worden uitgeoefend. Daarmee heeft het hof volgens </para>
      <para>het onderdeel geen rekening gehouden.</para>
      <para>Vooropgesteld moet worden dat de vraag of een overeen-</para>
      <para>komst tot stand is gekomen indien partijen nog geen over-</para>
      <para>eenstemming hebben bereikt over alle te regelen onderwer-</para>
      <para>pen, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval en </para>
      <para>dus aan de feitenrechter ter beslissing is voorbehouden. </para>
      <para>Vgl. met name HR 14 juni 1968, NJ 1968, 331. Reeds hierop </para>
      <para>stuit de klacht m.i. af, omdat 's hofs beslissing geen </para>
      <para>blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbe-</para>
      <para>grijpelijk is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De klacht mist bovendien feitelijke grondslag, omdat </para>
      <para>zij miskent dat het hof onderscheid maakt tussen de (tot-</para>
      <para>standkoming van de) voorovereenkomst en de nog te sluiten </para>
      <para>overeenkomst. Het is de voorovereenkomst die het hof in </para>
      <para>r.o. 9 voldoende bepaald heeft geacht. Onbegrijpelijk is </para>
      <para>dat oordeel niet, nu partijen reeds de hoeveelheid aandelen </para>
      <para>en de maatstaf voor de bepaling van de prijs daarvan hadden </para>
      <para>vastgelegd. Blijkens r.o. 13 van het eerste tussenarrest </para>
      <para>heeft het hof rekening gehouden met het feit dat een aantal </para>
      <para>in de hoofdovereenkomst op te nemen bijzonderheden nog niet </para>
      <para>vaststond, waaronder de termijn van uitoefening van de op-</para>
      <para>tie. Het hof heeft, wat dit aspect betreft, aangegeven dat </para>
      <para>het voor de hand ligt aan te nemen dat de keus zou gaan </para>
      <para>vallen op tenminste de looptijd van de beheersovereenkomst. </para>
      <para>In het derde tussenarrest heeft het hof in r.o. 12 overwo-</para>
      <para>gen dat, voor het geval de inhoud van de nog te sluiten </para>
      <para>overeenkomst onvoldoende bepaald is, de ontbrekende elemen-</para>
      <para>ten overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid </para>
      <para>moeten worden aangevuld. Het hof is dus aan de in het mid-</para>
      <para>del genoemde elementen niet voorbijgegaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>7) De onderdelen 3.2.2 - 3.2.6 klagen (na een inlei-</para>
      <para>ding in de onderdelen 3.2 en 3.2.1) over het oordeel van </para>
      <para>het hof (in r.o. 13 van het eerste en r.o. 9 van het derde </para>
      <para>tussenarrest) dat de eisen van redelijkheid en billijkheid </para>
      <para>meebrengen dat het tijdstip van uitoefening van de optie </para>
      <para>wordt bepaald op een datum rond het tijdstip van die beëin-</para>
      <para>diging. Ik meen dat deze klacht faalt omdat zij opkomt te-</para>
      <para>gen een feitelijk en niet onbegrijpelijk oordeel van het </para>
      <para>hof. Blijkens r.o. 8 van het eerste tussenarrest heeft het </para>
      <para>hof de in het middel genoemde stellingen van [eiseres] niet </para>
      <para>miskend of over het hoofd gezien, maar heeft het daaraan </para>
      <para>niet de door [eiseres] gewenste gevolgtrekking verbonden, </para>
      <para>hetgeen het hof vrijstond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>8) Onderdeel 4 richt zich tegen r.o. 13 van het derde </para>
      <para>tussenarrest, waarin het hof heeft aangenomen dat [eiseres] </para>
      <para>heeft geweigerd om de gesloten voorovereenkomst met [ver-</para>
      <para>weerster] na te komen en daarmee wanprestatie jegens [ver-</para>
      <para>weerster] heeft gepleegd. Geklaagd wordt dat het hof zonder </para>
      <para>motivering voorbij is gegaan aan de stelling van [eiseres] </para>
      <para>dat [verweerster] zelf de totstandkoming van de hoofdover-</para>
      <para>eenkomst heeft gedwarsboomd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ik meen dat ook deze klacht faalt. Het hof heeft, on-</para>
      <para>der meer blijkens r.o. 1 (onder e-g) van het eerste tus-</para>
      <para>senarrest en de in het tweede tussenarrest verstrekte be-</para>
      <para>wijsopdracht op de relevante gebeurtenissen in november </para>
      <para>1990 gelet; het lijkt mij uitgesloten dat het hof geen acht </para>
      <para>zou hebben geslagen op de in onderdeel 4.1.1 vermelde om-</para>
      <para>standigheden. Het hof heeft echter klaarblijkelijk geoor-</para>
      <para>deeld dat die omstandigheden geen afbreuk doen aan zijn </para>
      <para>oordeel dat [eiseres] wanprestatie pleegde toen zij ook de </para>
      <para>termijn van 30 november 1990 weer onverrichterzake liet </para>
      <para>verstrijken (en zulks, anders dan bij de eerdere verlengin-</para>
      <para>gen, zonder de instemming van [verweerster], die integen-</para>
      <para>deel thans duidelijk liet blijken op nakoming te staan). Ik </para>
      <para>acht die beslissing geenszins onbegrijpelijk; nadere moti-</para>
      <para>vering was m.i. niet vereist. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>9) Onderdeel 5 mist feitelijke grondslag. Het hof </para>
      <para>heeft niet beslist dat de in de brief van Meijberg &amp; Co ge-</para>
      <para>noemde waarde tot uitgangspunt kan strekken bij de bereke-</para>
      <para>ning van de waarde van de aandelen per 1 januari 1990, maar </para>
      <para>dat die brief een gegeven bevat dat voor de waardebereke-</para>
      <para>ning van belang kan zijn. De te benoemen deskundigen moeten </para>
      <para>deze kwestie in het kader van de schadebepaling verder be-</para>
      <para>zien.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Conclusie</para>
    <para />
    <para>De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.</para>
    <para />
    <para />
    <para>De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
    <para />
    <para>(Advocaat-Generaal)</para>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>