<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1999:AA3880</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T19:07:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3880</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AG7686</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AH6932</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AN6235</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1999-12-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C98/080HR</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1999:AA3880" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1999:AA3880</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:73&amp;g=1999-12-17">Algemene wet bestuursrecht 8:73</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:75&amp;g=1999-12-17">Algemene wet bestuursrecht 8:75</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Gst. 2000-7112, 2 met annotatie van C.P.J. Goorden</rdf:li>
          <rdf:li>FED 2000/500</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2000/7.6</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2000/30 met annotatie van A.E. Schilder, W. den Ouden</rdf:li>
          <rdf:li>JB 2000/4 met annotatie van prof. mr. F.A.M. Stroink</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA3880">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA3880</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:54:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2003-11-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1999:AA3880 Parket bij de Hoge Raad , 17-12-1999 / C98/080HR</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA3880:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA3880:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Nr. C 98/080 HR   		Mr. Mok</para>
      <para>Zitting 1 oktober 1999		Conclusie inzake</para>
      <para>GEMEENTE GRONINGEN</para>
      <para>tegen</para>
      <para>[verweerster]</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>	Edelhoogachtbaar college,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	FEITEN</para>
      <para>1.1.	Eiseres van cassatie, de gemeente, heeft sedert 1987 </para>
      <para>bijzondere bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet </para>
      <para>verstrekt aan verweerster in cassatie, [..]. </para>
      <para>Deze bijstand was bedoeld ter dekking van de behandel- </para>
      <para>en reiskosten die [verweerster] maakte voor de behande-</para>
      <para>ling van haar ernstig gehandicapte zoon door een manueel </para>
      <para>therapeut in Leiden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.2.	Bij besluit van 15 april 1993 hebben B &amp; W van de ge-</para>
      <para>meente beslist dat [verweerster] na 1 juli 1993 geen bij-</para>
      <para>stand meer zou ontvangen voor de behandelkosten. Ook de </para>
      <para>aanvraag voor reiskosten Groningen-Leiden is afgewezen, </para>
      <para>aangezien betrokkene op een andere voorziening kon terug-</para>
      <para>vallen1 (bestr. vonnis, ro. 3.2).</para>
    </parablock>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>1.3.	[Verweerster] heeft bezwaar gemaakt tegen dit be-</para>
      <para>sluit2. </para>
      <para>Het bezwaarschrift is mondeling behandeld op 25 januari </para>
      <para>19943. In de bezwaarprocedure is [verweerster] bijgestaan </para>
      <para>door haar advocate, mr. Germs.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.4. B &amp; W hebben het bezwaar op 1 februari 1994 gedeel-</para>
      <para>telijk gegrond verklaard4. Daarbij hebben zij het besluit </para>
      <para>van 15 april 1993 herzien in die zin dat de vergoeding </para>
      <para>van behandel- en reiskosten werd voortgezet tot 1 septem-</para>
      <para>ber 1994. </para>
      <para>Een eventuele continuering van de bijstand voor de the-</para>
      <para>rapie hebben B &amp; W afhankelijk gesteld van het oordeel </para>
      <para>van een deskundige over de vraag of de behandeling kon </para>
      <para>worden overgenomen door een erkende instelling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.5.	Voor de kosten van de door haar verleende juridische </para>
      <para>bijstand heeft mr. Germs aan [verweerster] een bedrag van </para>
      <para>/ 2.385 in rekening gebracht.</para>
      <para>De gemeente heeft geweigerd [verweerster] deze kosten </para>
      <para>te  vergoeden (bestreden vonnis ro. 5). Van een explicie-</para>
      <para>te weigering blijkt overigens niet. [Verweerster] heeft </para>
      <para>vergoeding van de kosten verzocht en de gemeente is daar </para>
      <para>kennelijk niet op ingegaan5.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	VERLOOP PROCEDURE</para>
      <para>2.1.	[Verweerster] heeft de gemeente gedagvaard voor de kan-</para>
      <para>tonrechter te Groningen. Zij heeft betaling gevorderd van </para>
      <para>genoemd bedrag van / 2.385 aan kosten van rechtsbijstand </para>
      <para>alsmede de wettelijke rente met ingang van 28 april 1994 en </para>
      <para>bijkomende kosten6. </para>
      <para>Volgens [verweerster] had de gemeente onrechtmatig gehan-</para>
      <para>deld door te beslissen overeenkomstig het besluit van 15 </para>
      <para>april 1993. Deze onrechtmatigheid volgde uit de gebleken </para>
      <para>noodzaak tot herziening van dit besluit. De kosten die [ver-</para>
      <para>weerster] had moeten maken teneinde dit onrecht te her-</para>
      <para>stellen waren derhalve het gevolg van een door de gemeente </para>
      <para>jegens haar gepleegde onrechtmatige daad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.2.	De gemeente heeft zich tegen de vordering verweerd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.3.	Bij vonnis van 22 november 1995 heeft de kantonrechter </para>
      <para>overwogen dat het ontbreken van een overgangsperiode in het </para>
      <para>besluit van 15 april 1993 getuigde van een onzorgvuldige be-</para>
      <para>langenafweging. </para>
      <para>De op grond van de Awb beperkte mogelijkheid tot proces-</para>
      <para>kostenveroordeling stond niet in de weg aan verhaal langs </para>
      <para>civielrechtelijke weg van de gevorderde kosten, als vermo-</para>
      <para>gensschade.</para>
      <para> 	De kantonrechter achtte het inroepen van juridische bij-</para>
      <para>stand alsmede de omvang van de kosten in de gegeven omstan-</para>
      <para>digheden redelijk en wees de vordering toe.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.4.1.	De gemeente is van dit vonnis in hoger beroep geko-</para>
      <para>men bij de rechtbank te Groningen. Zij heeft o.m. betoogd </para>
      <para>dat de kantonrechter [verweerster] niet-ontvankelijk had </para>
      <para>moeten verklaren omdat deze een openstaande, met voldoende </para>
      <para>waarborgen omklede, rechtsgang niet had benut. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.4.2.	Bij vonnis van 28 november 19977 heeft de rechtbank </para>
      <para>geoordeeld dat de grieven het geschil in volle omvang aan </para>
      <para>haar hadden voorgelegd (ro. 2). Zij besliste dat [verweerster] </para>
      <para>in haar vordering ontvankelijk was (ro. 6.6).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.4.3.	De rechtbank achtte de handelwijze van de gemeente </para>
      <para>onzorgvuldig, aangezien B &amp; W  het primaire besluit hadden </para>
      <para>genomen op basis van (te) summiere informatie. Dit onzorg-</para>
      <para>vuldige handelen kwalificeerde de rechtbank als een (toere-</para>
      <para>kenbare) onrechtmatige daad (ro. 7.1).</para>
      <para>De rechtbank oordeelde ten slotte dat de gevorderde kos-</para>
      <para>ten voldeden aan de dubbele redelijkheidstoets van art. 6:96 </para>
      <para>BW, zodat ze voor toewijzing in aanmerking kwamen (7.4-7.6).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.5.	Tegen dit vonnis heeft de gemeente B tijdig B beroep in </para>
      <para>cassatie ingesteld. Het beroep steunt op een middel dat uit </para>
      <para>drie onderdelen bestaat8. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>[verweerster] heeft voorwaardelijk incidenteel cassatie-</para>
      <para>beroep ingesteld. Het incidentele middel bestaat uit twee, </para>
      <para>in subonderdelen onderscheiden, onderdelen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	INLEIDING</para>
      <para>3.1.	In deze zaak wordt de Hoge Raad een principiële vraag </para>
      <para>voorgelegd, nl. of kosten, gemoeid met het S succesvol S in-</para>
      <para>dienen en verdedigen van een bezwaarschrift tegen een be-</para>
      <para>sluit van een overheidslichaam, bij wege van vordering uit </para>
      <para>onrechtmatige daad voor de burgerlijke rechter op dat li-</para>
      <para>chaam verhaald kunnen worden9.</para>
      <para>Die vraag hangt samen de “Een ramp, een absolute ramp”-</para>
      <para>uitspraak10 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad </para>
      <para>van State11.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2.	De uitdrukking  “Een ramp, een absolute ramp” had be-</para>
      <para>trekking op de toegenomen onduidelijkheid over de taakverde-</para>
      <para>ling tussen de burgerlijke en de bestuursrechter, speciaal </para>
      <para>op het stuk van schadevergoeding. De raadsman van [verweer-</para>
      <para>ster] schrijft hierover in zijn schriftelijke toelichting12:</para>
      <para>“Hoe dan ook, het huis van rechtsbescherming dat is ge-</para>
      <para>bouwd op het grensgebied tussen het civiele en het be-</para>
      <para>stuursrecht begint een zodanig onduidelijk gangenstel-</para>
      <para>sel te vertonen dat het niet langer op de weg van de </para>
      <para>civiele rechter ligt om daarin weer een nieuwe struc-</para>
      <para>tuur aan te brengen. Het woord is thans aan de wetge-</para>
      <para>ver, die daar overigens ook druk doende mee is. In de </para>
      <para>vierde of in de vijfde tranche van de Algemene wet be-</para>
      <para>stuursrecht zal vermoedelijk de knoop worden doorge-</para>
      <para>hakt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>3.3.1.	De Hoge Raad heeft onlangs overwogen13:</para>
      <para>"Wanneer een besluit van een bestuursorgaan (het pri-</para>
      <para>maire besluit) op grond van een daartegen gemaakt be-</para>
      <para>zwaar door dat bestuursorgaan wordt herroepen en, voor </para>
      <para>zover nodig, wordt vervangen door een nieuw besluit, </para>
      <para>zal het van de redenen die daartoe hebben geleid, en de </para>
      <para>omstandigheden waaronder het primaire besluit tot stand </para>
      <para>is gekomen, afhangen of het nemen van het primaire be-</para>
      <para>sluit onrechtmatig moet worden geacht in de zin van </para>
      <para>art. 6:162 BW en, zo ja, of deze daad aan het betrokken </para>
      <para>overheidslichaam kan worden toegerekend. Indien, zoals </para>
      <para>in het onderhavig geval, het primaire besluit berust op </para>
      <para>een onjuiste uitleg van de wet en derhalve onrechtmatig </para>
      <para>is, moet dit onrechtmatig handelen in ieder geval aan </para>
      <para>het betrokken overheidslichaam worden toegerekend. In </para>
      <para>dat geval is immers sprake van een oorzaak welke B in </para>
      <para>de bewoordingen van art. 6:162 lid 3 BW B naar de in </para>
      <para>het verkeer geldende opvattingen voor rekening van dat </para>
      <para>lichaam komt."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.3.2.	Het feit dat een overheidsorgaan, in een bezwaar-</para>
      <para>procedure, een eerder besluit  ten gunste van de burger her-</para>
      <para>ziet, impliceert inderdaad niet dat het eerdere besluit on-</para>
      <para>rechtmatig was. Het is mogelijk dat het overheidsorgaan een </para>
      <para>keus had en, na het bezwaarschrift, bij nader inzien beslo-</para>
      <para>ten heeft dat van een keuzemogelijkheid een ander, voor de </para>
      <para>betrokken burger gunstiger, gebruik kan gemaakt kon worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een dergelijke situatie doet zich hier echter niet </para>
      <para>voor. De rechtbank heeft (ro. 7.1), in cassatie onbestreden, </para>
      <para>beslist dat het primaire besluit van de gemeente (van 15 </para>
      <para>april 1993, vonnis rechtbank, ro. 3.2.) als een onrechtmati-</para>
      <para>ge daad van de gemeente jegens [verweerster] moet worden be-</para>
      <para>schouwd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.4.	Doordat er (zie hiervóór, ' 1.5.) geen duidelijkheid </para>
      <para>bestaat over de grondslag van het verzoek van [verweerster] </para>
      <para>aan de gemeente om haar rechtsbijstandskosten te vergoeden, </para>
      <para>is ook de weigering van de gemeente moeilijk te kwalifice-</para>
      <para>ren.</para>
      <para>Indien [verweerster] bijzondere bijstand ter dekking </para>
      <para>van die kosten heeft verzocht, is de weigering (ook de fic-</para>
      <para>tieve weigering) een bestuursrechtelijk besluit. Heeft [ver-</para>
      <para>weerster] de vergoeding echter gevraagd als consequentie van </para>
      <para>de omstandigheden dat de gemeente haar primaire besluit had </para>
      <para>herzien, terwijl [verweerster] kosten had moeten maken om de </para>
      <para>gemeente zover te krijgen, dan kan men de weigering die kos-</para>
      <para>ten te vergoeden aanmerken als een feitelijke handeling14. </para>
      <para>De rechtbank heeft zich klaarblijkelijk op dit laatste </para>
      <para>standpunt gesteld (ro. 6.1).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.5.	De vraag of een burger aanspraak heeft of vergoeding </para>
      <para>van kosten die hij, in een geschil met een overheidslichaam, </para>
      <para>in het voorstadium van een procedure bij de bestuursrechter </para>
      <para>heeft gemaakt is ook aan de orde in twee andere momenteel </para>
      <para>bij de Hoge Raad aanhangige zaken. </para>
      <para>In de eerste van die zaken (C 98/322 HR) heb ik op 3 </para>
      <para>september 1999 conclusie genomen. De casuspositie daarvan </para>
      <para>wijkt betrekkelijk sterk af van die in de onderhavige. In de </para>
      <para>conclusie in de zaak C 98/322 HR heb ik onder meer betoogd:</para>
      <para>?Dat het overheidsorgaan in de procedure voor de be-</para>
      <para>stuursrechter niet tot vergoeding van de kosten wegens </para>
      <para>deskundige bijstand in het voorbereidingsstadium ver-</para>
      <para>oordeeld kan worden, sluit geenszins uit dat de burger-</para>
      <para>lijke rechter in een procedure uit onrechtmatige over-</para>
      <para>heidsdaad wel vergoeding van zulke kosten toekent. Daar </para>
      <para>is overigens, bij de totstandkoming van het huidige </para>
      <para>art. 8:75 Awb, zoals uit de parlementaire geschiedenis </para>
      <para>van de Atweede tranche” van die wet blijkt, ook reke-</para>
      <para>ning mee gehouden15.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de tweede zaak (C 98/130), die sterker op de onder-</para>
      <para>havige lijkt, neem ik heden eveneens conclusie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	BESPREKING VAN HET PRINCIPALE MIDDEL</para>
      <para>4.1.1. 	Onderdeel 1 klaagt over ro. 6 van het bestreden </para>
      <para>vonnis, waarin de rechtbank oordeelt dat [verweerster] ont-</para>
      <para>vankelijk is in haar vordering. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.1.2.	Volgens de rechtbank had de gemeente in haar ver-</para>
      <para>weer niet een bepaald besluit genoemd waartegen bezwaar en </para>
      <para>beroep mogelijk was geweest, maar had ook een administratie-</para>
      <para>ve procedure gevolgd kunnen worden tegen het uitblijven van </para>
      <para>een besluit van de gemeente omtrent de vergoeding van [ver-</para>
      <para>weerster]s kosten (ro. 6.1). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uit art. 8:73 Awb voortvloeiende bevoegdheid van de </para>
      <para>administratieve rechter terzake is echter discretionair (ro. </para>
      <para>6.2). Uit de wetsgeschiedenis volgt volgens de rechtbank dat </para>
      <para>art. 8:73 Awb belanghebbenden de vrije keus laat deze weg te </para>
      <para>bewandelen of zich tot de civiele rechter te wenden (ro. </para>
      <para>6.3, 6.4). </para>
      <para>Inmiddels heeft de bestuursrechter het begrip besluit </para>
      <para>zo ruim geïnterpreteerd dat daaronder ook het zuivere scha-</para>
      <para>debesluit valt; een ontwikkeling die de wetgever echter niet </para>
      <para>had voorzien (ro. 6.5). In het verlengde van de door de wet-</para>
      <para>gever aan de burger gegeven keuzemogelijkheid achtte de </para>
      <para>rechtbank de leer van de niet-ontvankelijkheid van vorderin-</para>
      <para>gen waartegen een (met voldoende waarborgen omklede) rechts-</para>
      <para>gang heeft opengestaan, in het onderhavige geval niet toe-</para>
      <para>passelijk (ro. 6.6).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.1.3.	Volgens het onderdeel brengt de taakverdeling tus-</para>
      <para>sen de administratieve en de burgerlijke rechter mee dat de </para>
      <para>laatste niet treedt in de beoordeling van een vordering als </para>
      <para>de onderhavige, indien tegen de onrechtmatige bestuursbe-</para>
      <para>slissing een met voldoende waarborgen omklede (admi-</para>
      <para>nistratieve) rechtsgang heeft opengestaan. </para>
      <para>Aangezien [verweerster] de redelijke termijn voor be-</para>
      <para>zwaar tegen de (fictieve) weigering van de gemeente tot be-</para>
      <para>taling van schadevergoeding ongebruikt heeft laten verstrij-</para>
      <para>ken, zou de rechtbank [verweerster]s vordering hebben moeten </para>
      <para>afwijzen op grond van de formele rechtskracht van het be-</para>
      <para>sluit van de gemeente, althans zou de rechtbank [verweer-</para>
      <para>ster] niet-ontvankelijk hebben moeten verklaren onder ver-</para>
      <para>wijzing naar de administratieve rechter ingevolge art. 96a </para>
      <para>Rv. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.1.4.1.	De gedachte die aan het middel ten grondslag ligt, </para>
      <para>lijkt mij dat de door de rechtbank (ro. 6.3) uit de parle-</para>
      <para>mentaire geschiedenis van de Awb afgeleide vrije keuze een </para>
      <para>verzoek tot schadevergoeding hetzij bij de bestuursrechter, </para>
      <para>hetzij bij de burgerlijke rechter in te dienen, niet meer </para>
      <para>bestaat, zodra sprake is van een zelfstandig (of zuiver) </para>
      <para>schadebesluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.1.4.2.	Voorts beschouwt het middel elk verzoek aan een </para>
      <para>overheidsorgaan om bepaalde kosten te vergoeden als een ver-</para>
      <para>zoek een zelfstandig schadebesluit vast te stellen. Zulk een </para>
      <para>verzoek betekent vervolgens de totstandkoming van een zelf-</para>
      <para>standig schadebesluit, want ook het door het overheidsorgaan </para>
      <para>niet reageren S zoals in de onderhavige zaak S zou, als fic-</para>
      <para>tieve weigering, als een zodanig besluit moeten worden aan-</para>
      <para>gemerkt. </para>
      <para>Dat zou betekenen dat een belanghebbende zich niet meer </para>
      <para>tot de burgerlijke rechter zou kunnen wenden, behalve wel-</para>
      <para>licht door rauwelijks te dagvaarden. Die laatste oplossing </para>
      <para>is in mijn ogen echter formalistisch en onacceptabel. Het </para>
      <para>gaat niet aan om degene die een bepaalde kostenvergoeding </para>
      <para>van de overheid wil hebben en begint dit informeel te ver-</para>
      <para>zoeken, een rechtsgang te ontzeggen die degene die rauwe-</para>
      <para>lijks dagvaardt wel tot zijn beschikking zou hebben16.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.1.4.3.	Op zichzelf zijn er valide argumenten om te verde-</para>
      <para>digen dat de bestuursrechter altijd zou moeten oordelen over </para>
      <para>vorderingen tot schadevergoeding van de overheid als de on-</para>
      <para>derhavige17.</para>
      <para>In de huidige wettelijke situatie lijken er echter voor </para>
      <para>belanghebbenden weinig of geen mogelijkheden te bestaan om </para>
      <para>een dergelijke vergoeding door de bestuursrechter toegewezen </para>
      <para>te krijgen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.1.4.4.	Op art. 8:73 Awb kan een belanghebbende in een si-</para>
      <para>tuatie als die van deze zaak geen beroep doen.  De vordering </para>
      <para>geldt alleen als er beroep bij de bestuursrechter is inge-</para>
      <para>steld tegen een voor beroep vatbaar besluit18. Zulk een be-</para>
      <para>sluit is er in de hoofdzaak echter niet. Daarin is de ge-</para>
      <para>meente immers aan het bezwaar van [verweerster] tegemoet ge-</para>
      <para>komen.</para>
      <para>Wel zou [verweerster], althans in de aan het middel ten </para>
      <para>grondslag liggende visie, bezwaar en vervolgens (zo nodig) </para>
      <para>beroep bij de bestuursrechter tegen de fictieve weigering </para>
      <para>van schadevergoeding kunnen instellen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.1.4.5.	Die laatste weg lijkt echter geen uitkomst te bie-</para>
      <para>den. Tot dusverre heeft de bestuursrechter zich op het </para>
      <para>standpunt gesteld dat de kosten van rechtsbijstand, gemaakt </para>
      <para>tijdens de bezwaarfase, niet voor vergoeding in aanmerking </para>
      <para>komen19. Art. 8:75 AWB en de uitwerking daarvan in het Be-</para>
      <para>sluit proceskosten bestuursrecht20 (zie hierover afd. 4.3. </para>
      <para>van deze conclusie) laten hem ook nauwelijks een andere </para>
      <para>keus. </para>
      <para>Daarbij moet men bedenken dat de bestuursrechter er </para>
      <para>(thans) van kan uitgaan dat een gelaedeerde van schade die </para>
      <para>hij op grond van het bestuursrecht niet vergoed kan krijgen, </para>
      <para>voor de burgerlijke rechter vergoeding kan eisen21.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.1.4.6.	Naar de opvatting van de Hoge Raad, m.n. tot uit-</para>
      <para>drukking komend in het arrest-Changoe22, kan een belangheb-</para>
      <para>bende die schadevergoeding van een overheidslichaam vordert, </para>
      <para>zich voor aanvullende rechtsbescherming tot de burgerlijke </para>
      <para>rechter wenden. Dat is alleen anders indien de bestuursrech-</para>
      <para>ter voldoende rechtsbescherming biedt. Ten aanzien van de </para>
      <para>tijdens de bezwaarfase gemaakte kosten is dat echter, zoals </para>
      <para>in de vorige paragraaf bleek, niet het geval.</para>
      <para>De rechtbank heeft [verweerster] daarom terecht ontvan-</para>
      <para>kelijk geacht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.1.4.7.	Desondanks zou een vordering bij de burgerlijke </para>
      <para>rechter kunnen afstuiten op de formele rechtskracht van de </para>
      <para>weigering van de gemeente de litigieuze kosten te vergoeden, </para>
      <para>indien die weigering als besluit moet worden aangemerkt.</para>
      <para>Ik meen echter dat hier van een dergelijk besluit geen </para>
      <para>sprake is. Volgens art. 1:3  Awb is een besluit “een schrif-</para>
      <para>telijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een </para>
      <para>publiekrechtelijke rechtshandeling.”  Voor de toepassing van </para>
      <para>de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep stelt </para>
      <para>art. 6:2 Awb het niet tijdig nemen van een besluit (fictieve </para>
      <para>weigering) met een besluit gelijk.</para>
      <para>Uit de beslissing van de AbRvS in de zaak-Van Vlodrop </para>
      <para>(zie hiervóór, noot 11) is echter af te leiden dat de Afde-</para>
      <para>ling voor een zelfstandig schadebesluit bepaalde eisen </para>
      <para>stelt. Daartoe behoort schriftelijke vastlegging van de wei-</para>
      <para>gering schadevergoeding te betalen23. Ik zou menen dat men </para>
      <para>het door een overheidsorgaan niet reageren op een informeel </para>
      <para>verzoek om vergoeding van bepaalde kosten, in beginsel niet </para>
      <para>kan aanmerken als een zelfstandig schadebesluit, waaraan </para>
      <para>formele rechtskracht kan toekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.1.5.	Op het voorgaande stuit het onderdeel af.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.2.1.	Onderdeel 2 klaagt over het oordeel van de recht-</para>
      <para>bank over de toepassing van de maatstaf van art. 6:96 BW ( </para>
      <para>ro. 7.2). </para>
      <para>Het onderdeel betoogt, onder verwijzing naar admini-</para>
      <para>stratieve rechtspraak, dat de gevorderde kosten niet onder </para>
      <para>de in art. 6:96, lid 2, sub b of c, BW bedoelde kosten val-</para>
      <para>len, behoudens indien de primaire besluitvorming zo gebrek-</para>
      <para>kig was dat gezegd moet worden dat het bestuursorgaan tegen </para>
      <para>beter weten in een onrechtmatig besluit heeft genomen, al-</para>
      <para>thans indien sprake is van een bijzonder geval. Een andere </para>
      <para>opvatting zou tot een onaanvaardbare tegenstelling tussen de </para>
      <para>opvattingen van de administratieve en de burgerlijke rechter </para>
      <para>leiden. </para>
      <para>Ook indien de rechtbank haar oordeel baseert op de op-</para>
      <para>vatting dat de administratieve rechter de mogelijkheid van </para>
      <para>vergoeding van kosten tijdens de bezwaarfase onder het voor </para>
      <para>inwerkingtreding van de Awb geldende recht anders beoordeel-</para>
      <para>de, is dit oordeel onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd, </para>
      <para>aldus het onderdeel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.2.2.1.	Zoals bleek volgt uit de rechtspraak van de Hoge </para>
      <para>Raad (o.m. het arrest-Changoe, zie noot 22) dat een belang-</para>
      <para>hebbende die schadevergoeding van een overheidslichaam vor-</para>
      <para>dert, zich voor aanvullende rechtsbescherming tot de burger-</para>
      <para>lijke rechter kan wenden. </para>
      <para>Dat betekent dat zulk een belanghebbende op grond van </para>
      <para>een uitspraak van de burgerlijke rechter een schadevergoe-</para>
      <para>ding toegewezen kan krijgen, die de bestuursrechter hem niet </para>
      <para>zou (kunnen) toekennen. Daarbij past niet te spreken van een </para>
      <para>onaanvaardbare tegenstelling tussen de opvattingen van de </para>
      <para>administratieve en de burgerlijke rechter.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.2.2.2.	Uit de wetsgeschiedenis van de Awb blijkt duidelijk </para>
      <para>dat de wetgever zich gerealiseerd heeft dat tussen de opvat-</para>
      <para>tingen van de administratieve en de civiele rechter over de </para>
      <para>mogelijkheid van vergoeding van schade verschillen kunnen </para>
      <para>bestaan. </para>
      <para>Dat de civiele rechter zich zou moeten richten naar de </para>
      <para>opvattingen van de bestuursrechter blijkt daaruit niet. De </para>
      <para>wetgever ging er eerder van uit dat het primaat ligt bij het </para>
      <para>oordeel van de civiele rechter (gelet op diens “bijzondere </para>
      <para>expertise” op het terrein van het schadevergoedingsrecht). </para>
      <para>Het was niet de bedoeling van de wetgever verandering te </para>
      <para>brengen in het geldende, materiële schadevergoedingsrecht24. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.2.2.3.	Dat overigens velen het verschil van opvatting tus-</para>
      <para>sen de B kennelijk mede door de afhoudende uitlatingen in de </para>
      <para>parlementaire geschiedenis25 geïnspireerde B bestuursrechter </para>
      <para>en de civiele rechter onwenselijk achten, heeft niet tot ge-</para>
      <para>volg dat het oordeel van de rechtbank in het bestreden von-</para>
      <para>nis onjuist of of onvoldoende begrijpelijk zou zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.2.2.4.	Ik zie geen grond waarop de civiele rechter bij de </para>
      <para>toetsing van de gevorderde kosten aan art. 6:96, lid 2, BW </para>
      <para>gebonden zou zijn aan het (terughoudende) oordeel van de be-</para>
      <para>stuursrechter over de mogelijke vergoeding van deze kosten. </para>
      <para>Zulk een binding zou zich ook niet verdragen met de gedachte </para>
      <para>van aanvullende rechtsbescherming26.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uit het bestreden vonnis blijkende opvatting van de </para>
      <para>burgerlijke rechter over de mogelijkheid van vergoeding van </para>
      <para>kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase is trouwens niet </para>
      <para>nieuw. Ook v´,o´,or de inwerkingtreding van de Awb27 toetste </para>
      <para>de civiele rechter op deze wijze28.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.2.2.5.	Wanneer de wet de term “schade” gebruikt, zoals in </para>
      <para>art. 6:162, moet daaraan volgens Hartkamp29 de gewone bete-</para>
      <para>kenis worden toegekend, die het woord in het spraakgebruik </para>
      <para>heeft. Dat is: het feitelijke nadeel dat voor iemand uit een </para>
      <para>gebeurtenis voortvloeit. </para>
      <para>De rechtbank heeft feitelijk en gemotiveerd vastgesteld </para>
      <para>dat het inroepen van rechtsbijstand door [verweerster] rede-</para>
      <para>lijk was (ro. 7.4). Voorts heeft zij vastgesteld dat ook de </para>
      <para>hoogte redelijk was (ro. 7.5).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.2.2.6.	Het vermogen van [verweerster] is daardoor met het </para>
      <para>bedrag dat zij aan haar advocate heeft moeten voldoen, ver-</para>
      <para>minderd, hetgeen niet zou zijn gebeurd indien de gemeente in </para>
      <para>haar primaire besluit zou hebben beslist hetgeen zij thans </para>
      <para>in de bezwaarfase heeft beslist.</para>
      <para>Op grond van art. 6:162, lid 1, is de gemeente daarom S </para>
      <para>nu niet gebleken is dat een andere rechtsregel daaraan in de </para>
      <para>weg staat S gehouden die schade te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.2.2.7.	Het onderdeel is vergeefs voorgesteld.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.3.1.	Onderdeel 3 is gericht tegen de opvatting van de </para>
      <para>rechtbank (ro. 7.3) dat aan (het forfaitaire stelsel van) </para>
      <para>het Besluit proceskosten bestuursrecht30 geen analoge toe-</para>
      <para>passing moet worden gegeven. </para>
      <para>Volgens het middel is dit oordeel van de rechtbank on-</para>
      <para>juist, althans onvoldoende gemotiveerd, nu de wetgever de </para>
      <para>onwenselijkheid van (analoge) toepassing juist baseerde op </para>
      <para>zijn oordeel dat de kosten van rechtsbijstand in de bezwaar-</para>
      <para>fase, behoudens de in onderdeel 2 bedoelde uitzonderingen, </para>
      <para>helemaal niet voor vergoeding in aanmerking zouden moeten </para>
      <para>komen.</para>
    </parablock>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>4.3.2.1.	De wetgever heeft uitdrukkelijk als zijn mening ge-</para>
      <para>geven dat vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de </para>
      <para>bezwaarfase niet zou kunnen plaatsvinden op de voet van art. </para>
      <para>8:75 Awb, maar dat dit (slechts) “mogelijk is via de weg van </para>
      <para>toekenning van schadevergoeding door de administratieve </para>
      <para>rechter of de burgerlijke rechter”31. </para>
      <para>M.i. kan men hieruit afleiden dat de wetgever het oor-</para>
      <para>deel over de mogelijkheid van vergoeding en de omvang van </para>
      <para>deze kosten aan de rechter heeft willen overlaten, en dat </para>
      <para>(analoge) toepassing van het Besluit uitdrukkelijk niet de </para>
      <para>bedoeling was. Dat de (civiele) rechter over dit onderwerp </para>
      <para>wellicht iets ruimere opvattingen heeft dan de wetgever en </para>
      <para>de administratieve rechter, maakt het voorgaande niet an-</para>
      <para>ders.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>4.3.2.2.	Dat er, zoals de gemeente heeft meegedeeld32, een </para>
      <para>“wetsontwerp aanhangig”(ik dacht: een voorontwerp  is opge-</para>
      <para>steld33) zou zijn dat een beperkte regeling in de Awb wil </para>
      <para>brengen tot vergoeding van in het voorbereidend- en bezwaar-</para>
      <para>stadium gemaakte kosten van juridische bijstand, is in het </para>
      <para>geding zonder belang.</para>
      <para>Op een voorontwerp en zelfs op een wetsvoorstel wordt </para>
      <para>niet geanticipeerd, zeker niet als het materiële wijziging </para>
      <para>in het geldende recht wil brengen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.3.3.	Ook het derde onderdeel faalt derhalve.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.4.	Aangezien geen van zijn onderdelen doel treft, kan het </para>
      <para>middel niet tot cassatie leiden34.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	BESPREKING VAN HET INCIDENTELE MIDDEL</para>
      <para>5.1.	Daar het middel voorwaardelijk is voorgesteld komt het </para>
      <para>in mijn opvatting over het lot van het principaal voorge-</para>
      <para>stelde middel niet aan de orde.</para>
      <para>Ik ga slechts kort op het incidentele middel in.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.2.1.	Onderdeel 1 meent dat de rechtbank ten onrechte </para>
      <para>aanvaardt dat in beginsel de mogelijkheid bestaat dat bij </para>
      <para>het uitblijven van een tijdige beslissing van de gemeente </para>
      <para>over de vergoeding van kosten, sprake kan zijn van een zui-</para>
      <para>ver schadebesluit in de zin van art. 1:3 Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.2.2.	Daargelaten of deze klacht berust op juiste lezing </para>
      <para>van het vonnis van de rechtbank, loopt het onderdeel, in </para>
      <para>zijn verschillende subonderdelen (1.2.-1.4.) al vast op ge-</para>
      <para>brek aan feitelijke grondslag.</para>
      <para>De rechtbank is nl. in geen geval van mening geweest </para>
      <para>dat in het onderhavige geding sprake is geweest van een zui-</para>
      <para>ver schadebesluit, aangezien zij in dat geval had moeten </para>
      <para>oordelen dat dit besluit formele rechtskracht had, hetgeen </para>
      <para>zij niet heeft gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.2.3.	Het voorgaande neemt niet weg dat ik, zoals bleek, </para>
      <para>de opvatting van het onderdeel over de (formele) criteria </para>
      <para>waaraan een handeling van een overheidsorgaan moet voldoen, </para>
      <para>om (in het licht van de rechtspraak van de bestuursrechter) </para>
      <para>als zelfstandig schadebesluit te worden aangemerkt, deel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.2.4.	Onderdeel 2 keert zich tegen het oordeel van de </para>
      <para>rechtbank (ro. 7.1) dat het handelen van de gemeente on-</para>
      <para>rechtmatig was omdat de gemeente zich onvoldoende op de </para>
      <para>hoogte heeft gesteld alvorens het primaire besluit te nemen. </para>
      <para>Volgens het middel volgt de onrechtmatigheid van het </para>
      <para>handelen reeds uit het feit dat de gemeente haar primaire </para>
      <para>besluit heeft herroepen omdat (ook) zij het in strijd achtte </para>
      <para>met de wet, althans met de zorgvuldigheid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.2.5.	De gemeente heeft in feitelijke instanties juist </para>
      <para>betwist dat haar handelen onrechtmatig (onzorgvuldig) was. </para>
      <para>De (gedeeltelijke) herziening van het primaire besluit zou </para>
      <para>het gevolg zijn geweest van nader verkregen informatie. </para>
      <para>Onder die omstandigheden mag niet worden aangenomen dat </para>
      <para>de gemeente de onzorgvuldigheid van haar handelen heeft er-</para>
      <para>kend, en diende de rechtbank daarom te onderzoeken of het </para>
      <para>handelen van de gemeente onzorgvuldig was.</para>
      <para>Het onderdeel stuit af op gebrek aan feitelijke grond-</para>
      <para>slag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	CONCLUSIE</para>
      <para>De conclusie strekt tot verwerping van het principaal </para>
      <para>beroep, met veroordeling van de gemeente Groningen in de </para>
      <para>kosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>                                                                                                           </para>
    <para>De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
    <para />
    <para />
    <para>	plv.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>BIJLAGE</para>
      <para>Lijst van literatuur (voor zover niet genoemd in noot 34).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Borger, S./Winter, H.B./Schuiling, K.F., De bestuurlijke </para>
      <para>voorprocedure op kosten van de gemeente?, Gst 1996, p. </para>
      <para>453-457</para>
      <para>Buuren, P.J.J. van, Grenscorrectie tussen bestuursrecht en </para>
      <para>privaatrecht via het zelfstandig schadebesluit, NJB 1997, p. </para>
      <para>759-763</para>
      <para>Id., Zelfstandig schadebesluit Vlodrop, AB-Klassiek (1997), </para>
      <para>p. 457-462</para>
      <para>Damen, L.J.A. Veranderingen in het bestuursprocesrecht, Tre-</para>
      <para>ma 1998, p. 209-213, 241-249</para>
      <para>Drupsteen, Th.G., Het zelfstandig schadebesluit en de ondra-</para>
      <para>gelijke lichtheid van de Nederlandse Grondwet, NJB 1997, p. </para>
      <para>1596-1598</para>
      <para>Ettekoven, B.J. van/Schueler, B., Een ramp, een absolute </para>
      <para>ramp, NJB 1998, p. 346-350</para>
      <para>Frielink, K., Het zelfstandig schadebesluit: processuele </para>
      <para>problemen, NJB 1997, p. 1598</para>
      <para>Haan, P. de/Drupsteen, Th.G./Fernhout, R., Bestuursrecht in </para>
      <para>de sociale rechtsstaat II (1998), p. 390, 398, 558-567</para>
      <para>Hartlief, T./Tjittes, R.P.J.L. Aansprakelijkheid van de </para>
      <para>overheid voor vernietigde besluiten, A&amp;V 1994, p. 1-7</para>
      <para>Hennekens, H.Ph.J.A.M., De gemeente als rechtspersoon, Gst </para>
      <para>1998, p. 433-442</para>
      <para>Holter, B.A.W. ten, De herverkaveling van jurisdictie, NJB </para>
      <para>1997, p. 1599</para>
      <para>Hoogenboom, T., Onrechtmatig besluit en schade in het nieuwe </para>
      <para>bestuursrecht, in: Damenbundel (1996), p. 62, 63</para>
      <para>Knoop, T., De Afdeling Bestuursrechtspraak gooit het roer </para>
      <para>om, Het zelfstandig schadebesluit: </para>
      <para>Koeman, N.S.J., Proceskosten voorprocedures: voorontwerp ge-</para>
      <para>presenteerd, NTB 1998, p. 290-293</para>
      <para>Kortmann, C.A.J.M. Constitutioneel recht (1997), p. 240 e.v.</para>
      <para>Id., De Grondwet en de jurisprudentie inzake het zelfstandig </para>
      <para>schadebesluit, NJB 1997, p. 1327, 1328, Naschrift, p. 1599</para>
      <para>Lourens, P., Vergoeding van proceskosten, in: Nieuw be-</para>
      <para>stuursprocesrecht (1992), p. 216, 217</para>
      <para>Minjon, O.H./Tjittes, R.P.J.L., Het zuivere schadebesluit: </para>
      <para>een koekoeksei in het nest van de burgerlijke rechter?, A&amp;V </para>
      <para>1997, p. 108-117</para>
      <para>Mok, M.R./Tjittes, R.P.J.L., Formele rechtskracht en over-</para>
      <para>heidsaansprakelijkheid, RMTh 1995, 383-404</para>
      <para>Onrechtmatige daad ,losbl., V.A, aant. 98 (L.J.A.Damen)</para>
      <para>Polak, J.E.M., Kroniek van het algemeen deel van het be-</para>
      <para>stuursrecht, NJB 1999, p. 440-444</para>
      <para>Polak, J.M., Het zelfstandig schadebesluit, NJB 1997, p. </para>
      <para>1326</para>
      <para>Id., Burgerlijke rechter en/of bestuursrechter, NJB 1999, p. </para>
      <para>958, 959</para>
      <para>Ravels, B.P.M. vanDe Afdeling bestuursrechtspraak en het </para>
      <para>zuivere schadebesluit: geen schoonheidsprijs, NTB 1997, p. </para>
      <para>55-65</para>
      <para>Id., Kroniek schadevergoeding, NTB 1998, p. 37-41</para>
      <para>Id., Noot bij ABRvS 29 november 1996 en ABRvS 18 februari </para>
      <para>1997, BR 1997, p. 429-445</para>
      <para>Id., Vergoeding van schade veroorzaakt door primaire beslui-</para>
      <para>ten, TAR 1995, p. 450-455</para>
      <para>Rossum, A.A. van Rol burgerlijk(e) recht(er) uitgespeeld?, </para>
      <para>WPNR 6290, 6292 (1997), p. 759-763, 791-797</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Id., Herroepen onrechtmatig primair besluit in bezwaar-</para>
      <para>schriftprocedure levert een onrechtmatige daad op, die </para>
      <para>tot schadevergoeding verplicht, NTBR 1998, p. 250-254</para>
      <para>Id., Recente ontwikkelingen in het overheidsaansprake-</para>
      <para>lijkheidsrecht, NJB 1999, p. 201-209</para>
      <para>Ruiter, D.W.P., Zelfstandige schadebesluiten: rechtschep-</para>
      <para>ping of rechtvaststelling?, NTB 1998, p. 281-289</para>
      <para>Scheltema, M. De rechter en de bezwaarschriftprocedure: </para>
      <para>meer aandacht voor snelheid en minder voor aansprakelijk-</para>
      <para>heid, in: Konijnenbeltbundel (1994), p. 377-392</para>
      <para>Simon, H.J. Een Europese tijdbom onder de regeling van </para>
      <para>proceskosten?, JB 1999, p. 4-12</para>
      <para>Id., Kosten van voorprocedures, JB 1998, p. 291-196</para>
      <para>Simon, H.J./Schlössels, R.J.N., Het zelfstandig schadebe-</para>
      <para>sluit; nieuwe kansen, JB 1996, p. 1119-1126</para>
      <para>Teunissen, J.M.H.F., Afrekening met de gemene rechtsleer </para>
      <para>en de tweewegenleer, Gst 1997, p. 85-98, 125-134</para>
      <para>Tjittes, R.P.J.L., Bestuurlijke proeftuin, RMTh 1998, p. </para>
      <para>1, 2</para>
      <para>Veen, G.A., van der,  De gemene rechtsleer is nog op de </para>
      <para>been, Br 1998, p. 1-10</para>
      <para>Vlies, I.C. van der Zelfstandige schadebesluiten, AA </para>
      <para>1997, p. 602-611</para>
      <para>Vranken, J.B.M., Zuiver schadebesluit en overheidsvermo-</para>
      <para>gensrecht, WPNR 6315 (1998), p. 331, 332</para>
      <para>Wiggers-Rust, L.F.Schadevergoeding wegens (on)rechtmatige </para>
      <para>overheidsdaad: de burgerlijke rechter buitenspel?, NTBR </para>
      <para>1997, p. 178-188</para>
      <para>Wijk, H.D./Konijnenbelt, W., Hoofdstukken van administra-</para>
      <para>tief recht (1997), p. 673 e.v.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	Op grond van de Algemene arbeidsongeschiktheidswet; zie prod. 1 bij c.v.e.</para>
      <para>2.	Gelijktijdig blijkbaar ook tegen een B niet herzien B besluit met betrekking tot de vergoeding van onderhoudskosten van de auto van [verweerster]. Het is niet duidelijk of de aan het bezwaar tegen </para>
      <para>dit besluit verbonden kosten van rechtsbijstand ook behoren tot de inzet van dit geschil. Op dit punt heeft de gemeente geen verweer gevoerd.</para>
      <para>3.	Prod. 1 bij c.v.a.</para>
      <para>4.	Prod. 2 bij c.v.e.</para>
      <para>5.	Zie inl. dagvaarding, nrs. 7 en 8 en schr. toelichting raadsman [verweerster], nr. 2, p. 2.</para>
      <para>6.	De op de datum van de dagvaarding (8 december 1994) verschenen wettelijke rente (periode 28 april </para>
      <para>B 8 december), destijds 9% bracht de vordering op / 2.518 in totaal, zodat zij de (toenmalige) appelgrens van /2.500 overschreed.</para>
      <para>7.	AB 1998, 226 m.nt. P.J.J. van Buuren.</para>
      <para>8.	In zijn schriftelijke toelichting spreekt de raadsman van de gemeente van drie cassatiemiddelen. Ik </para>
      <para>zal de terminologie van de cassatiedagvaarding volgen, met de aantekening dat achter het termino-</para>
      <para>logische verschil m.i. geen reëel verschil schuilgaat.</para>
      <para>9.	Vgl. de in noot 6 genoemde noot van Van Buuren onder het bestreden vonnis.</para>
      <para>10.	Deze karakterisering zou afkomstig zijn van mr. J.L. de Wijkerslooth (in deze zaak raadsman van de gemeente) op een SSR-congres. Ze zijn geciteerd door B.J.J. van Ettekoven/B. Schuler in NJB 1998, </para>
      <para>346.</para>
      <para>11.	AbRvS 6 mei 1997 (Van Vlodrop), AB 1997, 229, m.nt. P.J.J. van Buuren; BR 1997, p. 600, m.nt. Van </para>
      <para>Ravels; JB 1997/118, m.nt. H.J. Snijders; AA 46 (1997) 9, p. 602 e.v., m.nt. I.C. van der Vlies.. De </para>
      <para>uitspraak is door enige andere voorafgegaan (vgl. Van Buuren, NJB 1997, p. 759 e.v., A.A. van Ros-</para>
      <para>sum, NJB 1999, p. 201 e.v., i.h.b. noot 1, p. 203 en schriftelijke toelichting raadsman verweerster, </para>
      <para>noot 4, p. 3).</para>
      <para>12.	Nr. 12, p. 4.</para>
      <para>13.	Arrest van 20 februari 1998, NJ 1998, 526, m.nt. A.R. Bloembergen.</para>
      <para>14.	De raadsman van de gemeente acht slechts relevant of een verzoek tot schadevergoeding is gedaan. </para>
      <para>De beslissing daarop levert z.i. een zuiver schadebesluit op (repliek in cassatie, p. 3).</para>
      <para>15.	Regeringscommissaris M. Scheltema in Tweede Kamer, Handelingen II 1993-1994, p. 5518; zie </para>
      <para>voorts Daalder/  De Groot/Van Breugel, Parlementaire Geschiedenis van de Awb, 2e tranche, p. 498-499.</para>
      <para>16.	In die zin ook Van Buuren, in zijn al genoemde noot onder het bestreden vonnis, AB 1998, p. 1038 lk.</para>
      <para>17.	Vgl. schr. toelichting raadsman [verweerster], nr. 10, p. 4.</para>
      <para>18.	Vgl. bijv. Van Rossum, t.a.p., p. 202.</para>
      <para>19.	AbRvS 12 december 1996, JB 1997, 83; 8 december 1997, NJB 1998, p. 270 .</para>
      <para>20.	K.b. van 22 december 1993, Stb. 1993, 763 (sedertdien gewijzigd), S &amp; J 206, 1998, p. 800.</para>
      <para>21.	Vgl. de in noot 11 genoemde uitspraak, in fine.</para>
      <para>22.	HR 28 februari 1992, NJ 1992, 687, m.nt. M. Scheltema.</para>
      <para>23.	Aldus ook onderdeel 1 van het voorwaardelijk incidentele middel. Zie voorts o.m. de noot van Van </para>
      <para>der Vlies onder de uitspraak inzake Van Vlodrop in AA 46 (1997) 9, p. 605 e.v.</para>
      <para>24.	Parl. Gesch. Awb, tweede tranche (Daalder/De Groot/Van Breugel), p. 474; vgl. in dit verband ook de noot van Vranken onder HR 17 november 199, NJ 1990, 746 (Velsen/De Waard) en de conclusie (Bakels) voor HR 20 februari 1998, NJ 1998, 475.</para>
      <para>25.	 Parl. Gesch. Awb, tweede tranche (Daalder/De Groot/Van Breugel), p. 491, 494, 498. van de Awb.</para>
      <para>26.	Zie ook het hiervóór, in ' 3.5., gegeven citaat uit een eerdere conclusie.</para>
      <para>27.	De rechtbank heeft onbestreden beslist dat op de onderhavige zaak oud recht (pre-Awb) van toepassing is.</para>
      <para>28.	De dubbele redelijkheidstoetsing van Velsen/De Waard, HR 17 november 1989, NJ 1990, 746 m.nt. </para>
      <para>J.B.M. Vranken; zie voor een recente toepassing HR 20 februari 1998, NJ 1998, 475, ro. 3.2.3.</para>
      <para>29.	Asser-Hartkamp 4-I, 1996, nr. 409, p. 314.</para>
      <para>30.	Zie hiervóór, noot 20.</para>
      <para>31.	Parl. Gesch. Awb, tweede tranche (Daalder/De Groot/Van Breugel), p. 487.</para>
      <para>32.	Schriftelijke toelichting van haar raadsman, ' 2.3, p. 13,</para>
      <para>33.	Zie  N.S.J. Koeman, Nederlands Tijdschrift voor bestuursrecht 1998, p. 290 e.v. en J.E.M. Polak, NJB </para>
      <para>1999, p. 440.. </para>
      <para>34.   Zie voor literatuur o.m. B.J. Schueler, Schadevergoeding onder de Algemene wet bestuursrecht, Mon. Awb B-7, 1997;J.A.M. van Angeren, de gewone rechter en de bestuursrechtspraak, 1998; J.E.M. Polak, Burgerlijke rechter of bestuursrechter?. diss UvA, 1999; Verschuiving van de magische lijn , preadviezen VAR van A.J.C. de Moor-van Vught, J.L. de Wijkerslooth en N. Verheij;  Bestuursprocesrecht, losbl. (M. Scheltema) A.6, p. 1-57; zie verder de bijlage bij deze conclusie.</para>
    </parablock>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>