<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1999:AA3879</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T15:27:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3879</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1999-12-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C98/130HR</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1999:AA3879" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1999:AA3879</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:75&amp;g=1999-12-17">Algemene wet bestuursrecht 8:75</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 1999, 248</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2000, 88 met annotatie van A.R. Bloembergen</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2000, 6</rdf:li>
          <rdf:li>FED 2000/499 met annotatie van J.A. SMIT</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA3879">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA3879</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:54:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1999:AA3879 Parket bij de Hoge Raad , 17-12-1999 / C98/130HR</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA3879:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA3879:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Nr. C 98/130 HR    		Mr. Mok</para>
      <para>Zitting 1 oktober 1999		Conclusie inzake</para>
      <para>(bij vervroeging)			GEMEENTE CASTRICUM</para>
      <para>				tegen</para>
      <para>				[verweerder]</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>	Edelhoogachtbaar college,</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	FEITEN</para>
      <para>1.1.	Verweerder in cassatie, [..],  is van 1988 tot 18 </para>
      <para>juni 1993 eigenaar geweest van een perceel grond gelegen </para>
      <para>aan het [adres] te [woonplaats] (“het perceel”).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.2.	Ten behoeve van [verweerder] zijn in mei 1992 op het </para>
      <para>perceel werkzaamheden verricht tot “omzetting van grond".</para>
      <para>Bij brief van 27 mei 19921 heeft eiseres van cassatie, </para>
      <para>de gemeente, [verweerder] gelast deze werkzaamheden te </para>
      <para>(doen) beëindigen, omdat [verweerder] geen aanlegvergun-</para>
      <para>ning had, als vereist volgens het voorbereidingsbesluit </para>
      <para>van 29 november 1990. Bij brief van 16 juli 19922 heeft de </para>
      <para>gemeente [verweerder] andermaal gelast met de werkzaamhe-</para>
      <para>den te stoppen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.3.	Bij brief van 21 juli 19923 hebben gedeputeerde sta-</para>
      <para>ten van Noord-Holland [verweerder] eveneens gelast de </para>
      <para>werkzaamheden te beëindigen, op de grond dat [verweerder] </para>
      <para>niet over de volgens de Ontgrondingenwet vereiste vergun-</para>
      <para>ning beschikte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.4.	[Verweerder] heeft bij brief van 23 juli 19924 aan </para>
      <para>de gemeente verzocht hem een aanlegvergunning te verle-</para>
      <para>nen.</para>
      <para>[Verweerder] heeft verder, door middel van een formu-</para>
      <para>lier, ingekomen op 31  juli 19925, aan het provinciaal be-</para>
      <para>stuur verzocht hem een ontgrondingsvergunning te verle-</para>
      <para>nen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.5.	B &amp; W van Castricum hebben bij besluit van 11 sep-</para>
      <para>tember 19926 een beslissing op [verweerder] verzoek aange-</para>
      <para>houden. Dit besluit houdt onder meer het volgende in:</para>
      <para>“Ingevolge artikel 46, lid 2 van de Wet op de Ruimte-</para>
      <para>lijke Ordening hebben wij besloten de beslissing op uw </para>
      <para>aanvrage aan te houden. De aanhouding duurt totdat om-</para>
      <para>trent de goedkeuring van het bestemmingsplan is be-</para>
      <para>slist. (...)</para>
      <para>Geen toepassing zal worden gegeven aan het bepaalde in </para>
      <para>het achtste lid van artikel 46 omdat naar onze mening </para>
      <para>de grondomzetting niet in overeenstemming zou zijn met </para>
      <para>de doelstellingen van het bestemmingsplan Buitenge-</para>
      <para>bied, met name wat betreft het conserverende karakter </para>
      <para>van het plan en het streven tot behoud  en waar moge-</para>
      <para>lijk versterking van de landschappelijke- en natuurwe-</para>
      <para>tenschappelijke waarden.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.6.	[Verweerder] heeft tegen het besluit van 11 september </para>
      <para>1992 bij de gemeenteraad een voorziening gevraagd. Naar aan-</para>
      <para>leiding hiervan heeft de gemeente advies ingewonnen bij de di-</para>
      <para>recteur landbouw natuur en openluchtrecreatie van het Ministe-</para>
      <para>rie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.</para>
      <para>Bij brief van 30 november 19927 heeft deze directeur laten </para>
      <para>weten geen overwegende bezwaren te hebben tegen het verlenen </para>
      <para>van de gevraagde vergunning.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.7.	 Een brief van 5 januari 19938 van B &amp; W aan de Commis-</para>
      <para>sie voor ruimtelijke ordening en volkshuisvesting van de ge-</para>
      <para>meente hield onder meer in:</para>
      <para>“In het bezwaarschrift wordt terzake van de aanhouding </para>
      <para>door de heer [verweerder] verwezen naar een uitspraak van </para>
      <para>de Afdeling rechtspraak van de Raad van State9 waarin, in </para>
      <para>afwijking van vroegere uitspraken, de conclusie wordt ge-</para>
      <para>trokken dat de aanhoudingsplicht niet geldt in een situa-</para>
      <para>tie zoals die hier aan de orde is, te weten een aanlegver-</para>
      <para>gunning gebaseerd op een voorbereidingsbesluit.</para>
      <para>In deze situatie dient de vergunning geweigerd of verleend </para>
      <para>te worden, terwijl ook Gedeputeerde Staten geen verklaring </para>
      <para>van geen bezwaren meer hoeven af te geven. Dit onderdeel </para>
      <para>van het bezwaar achten wij gegrond. Bij de door de gemeen-</para>
      <para>teraad te nemen beslissing kan hierin worden voorzien.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.8.	Bij besluit van 28 januari 199310 heeft de gemeenteraad </para>
      <para>de bezwaren van [verweerder] gegrond verklaard en hem alsnog </para>
      <para>een aanlegvergunning verleend.</para>
      <para>Op 23 maart 1993 hebben GS aan [verweerder] een ontgron-</para>
      <para>dingsvergunning verleend11.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	VERLOOP PROCEDURE</para>
      <para>2.1.	[Verweerder] heeft de gemeente gedagvaard voor de recht-</para>
      <para>bank te Haarlem. Hij heeft een verklaring voor recht gevor-</para>
      <para>derd, inhoudend dat de gemeente jegens hem aansprakelijk is </para>
      <para>wegens onrechtmatig handelen. </para>
      <para>Voorts heeft hij, op grond van onrechtmatige daad, veroor-</para>
      <para>deling van de gemeente gevorderd tot betaling van een schade-</para>
      <para>vergoeding van / 83.708 wegens inkomstenderving, alsmede een </para>
      <para>bedrag aan schadevergoeding, op te maken bij staat, alles te </para>
      <para>vermeerderen met wettelijke rente.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2.	Bij vonnis d.d. 6 augustus 1996 heeft de rechtbank voor </para>
      <para>recht verklaard dat de gemeente aansprakelijk is voor de door </para>
      <para>[verweerder] geleden schade door bij besluit van B &amp; W van 11 </para>
      <para>september 1992 een beslissing op [verweerders] vergunningaan-</para>
      <para>vraag aan te houden. </para>
      <para>De rechtbank heeft de vordering wegens inkomstenderving </para>
      <para>afgewezen. Wel moest de gemeente redelijke kosten van juridi-</para>
      <para>sche bijstand en adviseurs-kosten, op te maken bij staat, die </para>
      <para>[verweerder] als gevolg hiervan heeft gemaakt, vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.3.	[Verweerder] is in hoger beroep gegaan bij het gerechts-</para>
      <para>hof te Amsterdam. De gemeente heeft incidenteel appel ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In een tussenarrest van 15 januari 1998 heeft het hof be-</para>
      <para>slist dat [verweerder] nog zou moeten bewijzen dat er causaal </para>
      <para>verband bestaat tussen het handelen van de gemeente en de ge-</para>
      <para>stelde inkomstenschade als gevolg van het mislopen van een </para>
      <para>teeltseizoen.</para>
      <para>Voorts heeft het hof geoordeeld dat [verweerder] zijn </para>
      <para>stellingen met betrekking tot de door hem geleden overige </para>
      <para>schade moest verduidelijken en onderbouwen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.4.	De gemeente heeft tegen dit tussenarrest van het hof </para>
      <para>(tijdig) beroep in cassatie ingesteld.</para>
      <para>Het beroep steunt op een middel dat uit twee onderdelen </para>
      <para>bestaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	BESPREKING VAN HET CASSATIEMIDDEL</para>
      <para>3.1.	Dit is de derde keer in korte tijd dat de Hoge Raad een </para>
      <para>probleem wordt voorgelegd, dat betrekking heeft op de vergoe-</para>
      <para>ding in een civiele procedure van buitengerechtelijke kosten </para>
      <para>die de burger heeft geleden door een geschil met een over-</para>
      <para>heidslichaam, welk geschil ten slotte in het voordeel van die </para>
      <para>burger is beslecht.</para>
      <para>Ik verwijs naar mijn conclusie van 3 september 1999 in de </para>
      <para>zaak C 98/322 HR en van heden in de zaak C 98/080 HR12. De ca-</para>
      <para>suspositie in de onderhavige zaak ligt dicht bij die in de </para>
      <para>zaak 98/080. Het voornaamste verschil is dat [verweerder], </para>
      <para>voor zover uit de vastgestelde feiten en de gedingstukken </para>
      <para>blijkt, de gemeente niet gevraagd heeft om schadevergoeding, </para>
      <para>maar “rauwelijks” heeft gedagvaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2.1.	 Onderdeel 1 bestrijdt ro 5.5 van ‘s hofs arrest. </para>
      <para>Aldaar heeft het hof overwogen dat het primaire besluit van de </para>
      <para>gemeente in strijd was met de wettelijke regelingen zoals de </para>
      <para>(voormalige Afdeling rechtspraak van de) Raad van State die </para>
      <para>heeft uitgelegd. Het nemen van een besluit in strijd met de </para>
      <para>wet is, aldus het hof, onrechtmatig. Deze omstandigheid moet </para>
      <para>aan de gemeente worden toegerekend, ook als haar geen enkel </para>
      <para>verwijt treft.</para>
      <para>Het hof vervolgde:</para>
      <para>“In de verhouding tussen overheid en de burger is het niet </para>
      <para>aanvaardbaar dat de schadelijke gevolgen van een onrecht-</para>
      <para>matig primair besluit als waarvan hier sprake is, uitslui-</para>
      <para>tend in geval van ernstige verwijtbaarheid S bijvoorbeeld </para>
      <para>als het besluit tegen beter weten in genomen is S door de </para>
      <para>burger op de overheid zou kunnen worden verhaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2.2.	Het middel werpt tegen dat een primair besluit dat </para>
      <para>wordt herzien in de bezwaarfase niet zonder meer een onrecht-</para>
      <para>matige daad oplevert die op grond van de verkeersopvattingen </para>
      <para>kan worden toegerekend.  Behoudens het geval dat het bestuurs-</para>
      <para>orgaan tegen beter weten in een onrechtmatig besluit heeft ge-</para>
      <para>nomen dan wel indien sprake is van een bijzonder geval, dient </para>
      <para>de in de bestuurlijke voorprocedure geleden schade voor reke-</para>
      <para>ning van [verweerder] te blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.2.3.1.	De Hoge Raad heeft onlangs overwogen13:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>“Wanneer een besluit van een bestuursorgaan (het primaire </para>
      <para>besluit) op grond van een daartegen gemaakt bezwaar door </para>
      <para>dat bestuursorgaan wordt herroepen en, voor zover nodig, </para>
      <para>wordt vervangen door een nieuw besluit, zal het van de re-</para>
      <para>denen die daartoe hebben geleid, en de omstandigheden </para>
      <para>waaronder het primaire besluit tot stand is gekomen, af-</para>
      <para>hangen of het nemen van het primaire besluit onrechtmatig </para>
      <para>moet worden geacht in de zin van art. 6:162 BW en, zo ja, </para>
      <para>of deze daad aan het betrokken overheidslichaam kan worden </para>
      <para>toegerekend. Indien, zoals in het onderhavige geval, het </para>
      <para>primaire besluit berust op een onjuiste uitleg van de wet </para>
      <para>en derhalve onrechtmatig is, moet dit onrechtmatig hande-</para>
      <para>len in ieder geval aan het betrokken overheidslichaam wor-</para>
      <para>den toegerekend. In dat geval is immers sprake van een </para>
      <para>oorzaak welke -B in de bewoordingen van art. 6:162 lid 3 </para>
      <para>BW B naar de in het verkeer geldende opvattingen voor re-</para>
      <para>kening van dat lichaam komt.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2.3.2.	Het feit dat een overheidsorgaan, in een bezwaarpro-</para>
      <para>cedure, een eerder besluit  ten gunste van de burger herziet, </para>
      <para>impliceert inderdaad niet dat het eerdere besluit onrechtmatig </para>
      <para>was. Het is mogelijk dat het overheidsorgaan een keus had en, </para>
      <para>na het bezwaarschrift, bij nader inzien besloten heeft dat van </para>
      <para>een keuzemogelijkheid een ander, voor de betrokken burger gun-</para>
      <para>stiger, gebruik gemaakt kon worden. Ook is het mogelijk dat de </para>
      <para>feitelijke situatie intussen is gewijzigd.</para>
      <para>Een dergelijke situatie doet zich hier echter niet voor. </para>
      <para>Zoals bleek, heeft het hof geoordeeld dat het primaire besluit </para>
      <para>onrechtmatig was, omdat het in strijd met de wet was.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2.3.3.	Dat sprake was van strijd met de wet heeft ook het </para>
      <para>gemeentebestuur erkend, zoals blijkt uit de hiervóór, in ' </para>
      <para>1.7., genoemde brief van 5 januari 1993.</para>
      <para>Het hof heeft overwogen (ro. 5.5., slot) dat het feit dat </para>
      <para>het besluit is genomen omdat de gemeente niet op de hoogte was </para>
      <para>van de destijds zeer recente jurisprudentie14, geen verschil </para>
      <para>maakt, omdat niet relevant is of de gemeente van haar handelen </para>
      <para>een verwijt kan worden gemaakt.</para>
      <para>Dit laatste is in overeenstemming met de rechtspraak van </para>
      <para>de Hoge Raad. In het arrest-Van Gog/Nederweert15 heeft uw  </para>
      <para>Raad, zoals trouwens eerder16, beslist dat wanneer een (over-</para>
      <para>heids)beschikking door de rechter wegens onrechtmatigheid </para>
      <para>wordt vernietigd, daarmee S bijzondere omstandigheden daarge-</para>
      <para>laten S de schuld van het overheidslichaam in beginsel is ge-</para>
      <para>geven. “Zelfs wanneer het overheidslichaam geen enkel verwijt </para>
      <para>treft, moet worden aangenomen dat deze onrechtmatige daad in </para>
      <para>beginsel (...) voor rekening van het overheidslichaam komt.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2.3.4.	De opvatting van het middel, dat van schadevergoe-</para>
      <para>ding slechts sprake kan zijn in het geval waarin het bestuurs-</para>
      <para>orgaan tegen beter weten in een onrechtmatig besluit heeft ge-</para>
      <para>nomen dan wel indien sprake is van een bijzonder geval, steunt </para>
      <para>op rechtspraak van de bestuursrechter17.</para>
      <para>Dat een overheidslichaam in de procedure voor de be-</para>
      <para>stuursrechter niet  tot vergoeding van de kosten wegens des-</para>
      <para>kundige bijstand in het voorbereidingsstadium veroordeeld kan </para>
      <para>worden, sluit geenszins uit dat de burgerlijke rechter in een </para>
      <para>procedure uit onrechtmatige overheidsdaad wel vergoeding van </para>
      <para>zulke kosten toekent. Daar is overigens, bij de totstandkoming </para>
      <para>van het huidige art. 8:75 Awb, zoals uit de parlementaire ge-</para>
      <para>schiedenis van de “tweede tranche” van die wet blijkt, ook re-</para>
      <para>kening mee gehouden18. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2.3.5.	Volledigheidshalve merk ik nog op dat de Commissie </para>
      <para>wetgeving algemene regels van bestuursrecht een beperkte rege-</para>
      <para>ling in de Awb wil brengen tot vergoeding van in het voorbe-</para>
      <para>reidend- en bezwaarstadium gemaakte kosten19. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit is in het onderhavige geding zonder belang. Op een </para>
      <para>voorontwerp en zelfs op een wetsvoorstel pleegt niet te </para>
      <para>worden geanticipeerd, zeker niet als het materiële wijzi-</para>
      <para>ging in het geldende recht wil brengen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2.4.	Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het on-</para>
      <para>derdeel vergeefs is voorgesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.3.1.	Onderdeel 2 keert zich tegen ro. 5.2. Aldaar </para>
      <para>heeft het hof zijn aan [verweerder] gegeven bewijs-</para>
      <para>opdracht geformuleerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.3.2.	 Het onderdeel betoogt dat de kosten van juridi-</para>
      <para>sche bijstand gemaakt in de bezwaarfase niet aangemerkt </para>
      <para>kunnen worden als redelijke kosten in de zin van art. </para>
      <para>6:96, lid 2, BW. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.3.3.	Volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad komen </para>
      <para>echter ook proceskosten gemaakt in de voorprocedure onder </para>
      <para>omstandigheden voor vergoeding in aanmerking20.</para>
      <para>Het is juist dat de bestuursrechter een andere lijn </para>
      <para>volgt, maar, zoals ik hiervóór in ' 3.2.3.4. heb verde-</para>
      <para>digd, is die lijn niet bepalend voor de uitleg van art. </para>
      <para>6:96 BW, ook niet bij onrechtmatige overheidsdaad. Wan-</para>
      <para>neer civielrechtelijke wettelijke bepalingen de term </para>
      <para>“schade” gebruiken, zoals in art. 6:162, moet daaraan </para>
      <para>volgens Hartkamp21 de gewone betekenis worden toegekend, </para>
      <para>die het woord in het spraakgebruik heeft. Dat is: het </para>
      <para>feitelijke nadeel dat voor iemand uit een gebeurtenis </para>
      <para>voortvloeit. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.3.4.	Of de bedoelde kosten onder de omstandigheden </para>
      <para>van het onderhavige geval voor vergoeding in aanmerking </para>
      <para>komen, kan nu, gezien het interlocutoire karakter van het </para>
      <para>bestreden arrest, buiten beschouwing blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.3.5.	Ook dit onderdeel kan niet tot cassatie leiden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	CONCLUSIE</para>
      <para>Ik concludeer tot verwerping van het beroep, met ver-</para>
      <para>oordeling van de gemeente in de kosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>                                                                                                             </para>
    <para>De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
    <para />
    <para>	plv.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	Prod. 5 bij c.v.a. in 1e aanleg; in het vonnis van de rb. (ro. 2, sub c,) staat abusievelijk: 20 mei.</para>
      <para>2.	Prod. 6 bij c.v.a.</para>
      <para>3.	Prod. 13 bij c.v.a.</para>
      <para>4.	Prod. 2 bij c.v.r.</para>
      <para>5.	Prod. 4 bij c.v.a.</para>
      <para>6.	Prod. 9 bij c.v.a.</para>
      <para>7.	Prod. 11 bij c.v.a.</para>
      <para>8.	Prod. 14 bij c.v.a.</para>
      <para>9.	Uitspraak van 5 maart 1991, Bouwrecht 1992, p. 195 e.v., m.nt. N.S.J. Koeman.</para>
      <para>10.	Prod. 12 bij c.v.a.</para>
      <para>11.	Niet in de procesdossiers aangetroffen.</para>
      <para>12.	In welke laatste conclusie nadere gegevens, m.n. over literatuur, te vinden zijn.</para>
      <para>13.	HR 20 februari 1998, NJ 1998, 526, m.nt. A.R. Bloembergen (ro. 5.2).</para>
      <para>14.	Hierbij teken ik aan dat de bedoelde uitspraak van de Afdeling rechtspraak op 5 maart 1991 is gegeven </para>
      <para>en dat het aanhoudingsbesluit van de gemeente van 12 september 1992 dateert.</para>
      <para>15.	HR 31 mei 1991, NJ 1993, 112, m.nt. C.J.H. Brunner.</para>
      <para>16.	M.n. HR 26 september 1986, NJ 1987, 253, m.nt. M. Scheltema.</para>
      <para>17.	De schriftelijke toelichting van de raadsman van de gemeente (p. 5) noemt CRB 27 mei 1997, AB 1997, </para>
      <para>327 en AbRvS 8 december 1997, BR 1998, p. 519 </para>
      <para>18.	Regeringscommissaris M. Scheltema in Tweede Kamer, Handelingen II 1993-1994, p. 5518; zie voorts </para>
      <para>Daalder/De Groot/Van Breugel, Parlementaire Geschiedenis van de Awb, 2e tranche, p. 498-499.</para>
      <para>19.	Vgl. ook schriftelijke toelichting raadsman [verweerder], nr. 31, p. 8, verwijzend naar N.S.J. Koeman, Ne-</para>
      <para>derlands Tijdschrift voor bestuursrecht 1998, p. 290 e.v. en J.E.M. Polak, NJB 1999, p. 440.</para>
      <para>20.	Zie HR 17 november 1989, NJ 1990, 746, m.nt. J.B.M.Vranken, bevestigd in HR 20 februari 1998, NJ </para>
      <para>1998, 475 (dubbele redelijkheidstoets) en HR 20 februari 1998, NJ 1998, 526, m.nt. A.R. Bloembergen.</para>
      <para>21.	Asser-Hartkamp 4-I, 1996, nr. 409, p. 314.</para>
    </parablock>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>