<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1999:AA3875</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T12:58:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3875</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AG6220</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1999-12-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C98/078HR</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1999:AA3875" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1999:AA3875</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002415&amp;artikel=1&amp;g=1999-12-17">Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen 1</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002415&amp;artikel=2&amp;g=1999-12-17">Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen 2</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001830&amp;artikel=54&amp;g=1999-12-17">Wet op de rechterlijke organisatie 54</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001827&amp;artikel=157a&amp;g=1999-12-17">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 157a</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 1999, 246</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2000, 427 met annotatie van H.J. Snijders</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2000, 4</rdf:li>
          <rdf:li>VR 2000, 56</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA3875">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA3875</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:54:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1999:AA3875 Parket bij de Hoge Raad , 17-12-1999 / C98/078HR</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA3875:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA3875:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Rolnummer C98/078			mr De Vries Lentsch - Kostense</para>
      <para>Zitting 1 oktober 1999		Conclusie inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Mega Staalbouw B.V.</para>
      <para>2. mr L. Hartogs in zijn </para>
      <para>hoedanigheid van curator in </para>
      <para>het faillissement van Mega </para>
      <para>Staalbouw B.V.</para>
      <para>3. de stichting Waarborg-</para>
      <para>fonds Motorverkeer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Klaverblad Verzekerings-</para>
      <para>maatschappij N.V.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para />
    <para>Inleiding</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	Op 6 november 1991 is [slachtoffer], werknemer van </para>
      <para>thans eiseres tot cassatie sub 1, verder: Mega Staalbouw, </para>
      <para>slachtoffer geworden van een ongeval dat op het bedrijfs-</para>
      <para>terrein van Mega Staalbouw plaatsvond. [Slachtoffer] werd </para>
      <para>getroffen door stalen balken die van een aanhangwagen af-</para>
      <para>vielen nadat deze reeds was losgekoppeld van de vorkhef-</para>
      <para>truck die de aanhangwagen voorttrok om de daarop geladen </para>
      <para>balken naar hun plaats van bestemming te brengen. </para>
      <para>[Slachtoffer], die samen met een collega het vervoer van </para>
      <para>die balken verzorgde, heeft daarbij ernstig, blijvend </para>
      <para>letsel opgelopen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Kantonrechter heeft bij inmiddels onherroepelijk ge-</para>
      <para>worden vonnis van 9 december 1993 voor recht verklaard dat Me-</para>
      <para>ga Staalbouw uit hoofde van art. 7A:1638x (oud) BW aanspra-</para>
      <para>kelijk is voor de door [slachtoffer] als gevolg van het ong-</para>
      <para>eval geleden en nog te lijden schade. In het door [slachtof-</para>
      <para>fer] bij de Kantonrechter geëntameerde geding heeft Mega </para>
      <para>Staalbouw haar verzekeraar, thans verweerster in cassatie, </para>
      <para>verder: Klaverblad, in vrijwaring opgeroepen. In het vrijwa-</para>
      <para>ringsgeding wordt thans cassatieberoep ingesteld; thans eiser </para>
      <para>tot cassatie sub 2, de curator in het inmiddels uitgesproken </para>
      <para>faillissement van Mega Staalbouw, is in appel door Klaverblad </para>
      <para>in rechte betrokken, terwijl thans eiser tot cassatie sub 3, </para>
      <para>verder: het Waarborgfonds, zich in appel aan de zijde van Mega </para>
      <para>Staalbouw en de curator heeft gevoegd nadat [slachtoffer] het </para>
      <para>Waarborgfonds had aangesproken omdat voor de onderhavige vork-</para>
      <para>heftruck geen verzekering als bedoeld in de WAM was afge-</para>
      <para>sloten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	Inzet van het onderhavige vrijwaringsgeding is de vraag </para>
      <para>of de aansprakelijkheid van Mega Staalbouw voor het aan </para>
      <para>[slachtoffer] overkomen ongeval valt onder de dekking van de </para>
      <para>door Mega Staalbouw met Klaverblad gesloten aansprakelijk-</para>
      <para>heidsverzekering voor bedrijven (AVB). Deze AVB sluit de aan-</para>
      <para>sprakelijkheid voor motorrijtuigen zoals geregeld in de Wet </para>
      <para>Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (verder: de WAM) </para>
      <para>uit. Daarmee gaat het in dit vrijwaringsgeding om de vraag of </para>
      <para>de aansprakelijkheid van Mega Staalbouw voor het aan [slacht-</para>
      <para>offer] overkomen ongeval een aansprakelijkheid is waarop de </para>
      <para>WAM ziet, dat wil zeggen om de vraag of de aan [slachtoffer] </para>
      <para>toegebrachte schade in de zin van de WAM is veroorzaakt door </para>
      <para>een motorrijtuig in het verkeer. Anders dan in de Gemeenschap-</para>
      <para>pelijke Bepalingen behorende bij de Benelux-Overeenkomst be-</para>
      <para>treffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake </para>
      <para>motorrijtuigen (Verdrag van 24 mei 1966, Trb. 1966, 178) is </para>
      <para>ingevolge art. 1 WAM onder een motorrijtuig begrepen niet al-</para>
      <para>leen de aan een motorrijtuig gekoppelde aanhangwagen doch ook </para>
      <para>de aanhangwagen die reeds is losgekoppeld doch nog niet veilig </para>
      <para>buiten het verkeer tot stilstand is gebracht. De rechtsstrijd </para>
      <para>concentreert zich met name op de vraag of de van de vorkhef-</para>
      <para>truck (een motorrijtuig) losgekoppelde aanhangwagen reeds vei-</para>
      <para>lig buiten het verkeer tot stilstand was gebracht toen het on-</para>
      <para>geval plaatsvond en of in casu wel sprake was van "verkeersri-</para>
      <para>sico" als bedoeld in de WAM gegeven de omstandigheid dat het </para>
      <para>ging om schade op een bedrijfsterrein toegebracht door lading </para>
      <para>van een reeds losgekoppelde aanhangwagen. Omdat in genoemde </para>
      <para>Gemeenschappelijke Bepalingen niet is voorzien in de aanspra-</para>
      <para>kelijkheid voor "losgekoppelde aanhangwagens" rijzen in zover-</para>
      <para>re dan ook geen vragen van uniforme uitleg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het eerste cassatiemiddel komt op tegen het oordeel van </para>
      <para>de Rechtbank dat de aansprakelijkheid van Mega Staalbouw valt </para>
      <para>onder de aansprakelijkheid waarop de WAM ziet en derhalve niet </para>
      <para>onder de dekking van de met Klaverblad gesloten verzekering. </para>
      <para>	Het tweede middel dat gezien de schriftelijke toelichting </para>
      <para>als "subsidiair" moet worden beschouwd, klaagt dat de Recht-</para>
      <para>bank zich als appelrechter in het vrijwaringsgeding ambtshalve </para>
      <para>onbevoegd had moeten verklaren en dat de zaak thans alsnog op </para>
      <para>de voet van art. 157a Rv. naar het Hof moet worden verwezen </para>
      <para>indien Uw Raad het eerste middel niet gegrond acht.</para>
      <para>Voordat ik het middel bespreek ga ik in op de toedracht </para>
      <para>van het litigieuze ongeval en geef ik een kort overzicht van </para>
      <para>het verloop van het geding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De vaststaande feiten.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	De Rechtbank heeft omtrent de toedracht van het ongeval </para>
      <para>het volgende vastgesteld:</para>
      <para>i)	[Slachtoffer] was destijds op 6 november 1991 als tweede </para>
      <para>chef werkplaats in dienst bij Mega Staalbouw. Hij moest een </para>
      <para>zestal stalen balken van 14 meter lang en 10 centimeter breed </para>
      <para>uit een productieloods van Mega Staalbouw naar het daar buiten </para>
      <para>gelegen bedrijfsterrein vervoeren.</para>
      <para>ii)	[Slachtoffer] maakte ten behoeve van dit transport - zo-</para>
      <para>als dit in het verleden vaker voorkwam - gebruik van een hand-</para>
      <para>kar/aanhangwagen (verder te noemen: kar) met een lengte van </para>
      <para>circa 5 meter, uitschuifbaar tot 8 meter; het laadvlak van de-</para>
      <para>ze kar was circa 20 à 30 centimeter breder dan de wielbasis </para>
      <para>van de kar. Indien met de kar een draaiing of bocht werd ge-</para>
      <para>maakt, bestond de kans dat de wagen omsloeg/kantelde.</para>
      <para>iii)	[Slachtoffer] heeft de balken op de kar geladen en de kar </para>
      <para>vervolgens - zoals dit in het verleden ook vaker gebeurde - </para>
      <para>gekoppeld aan een vorkheftruck teneinde de balken naar de </para>
      <para>plaats van bestemming te brengen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>iv)	Om de loods te verlaten diende tijdens het transport in </para>
      <para>de loods een bocht te worden gemaakt; wegens ruimtegebrek </para>
      <para>diende deze manoeuvre in verschillende etappes te worden uit-</para>
      <para>gevoerd. Tijdens het uitvoeren van de hiervoor bedoelde ma-</para>
      <para>noeuvre werd [slachtoffer] geassisteerd door een andere mede-</para>
      <para>werker van Mega Staalbouw, een zekere [een collega].</para>
      <para>v)	Omdat het maken van de bocht met de combinatie vorkhef-</para>
      <para>truck en kar slechts met moeite kon worden uitgevoerd is de </para>
      <para>vorkheftruck losgekoppeld en is deze buiten op het bedrijf-</para>
      <para>sterrein gestald, nadat [een collega] de balken op de kar met </para>
      <para>behulp van de vorkheftruck had verlegd. [Slachtoffer] en [een </para>
      <para>collega] hebben daarop de kar met de stalen balken met hand-</para>
      <para>kracht verder geduwd, waarbij de balken wederom verschoven. </para>
      <para>[een collega] heeft vervolgens getracht de balken te herschik-</para>
      <para>ken, bij gelegenheid waarvan de kar omviel en [slachtoffer] </para>
      <para>werd getroffen door een of meer vallende balken. Daarbij heeft </para>
      <para>[slachtoffer] ernstig blijvend letsel opgelopen aan zijn hiel, </para>
      <para>enkel en voet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	Art. 3 van de algemene voorwaarden van de AVB die tussen </para>
      <para>Mega Staalbouw en de door Mega Staalbouw in vrijwaring opge-</para>
      <para>roepen Klaverblad gold ten tijde van het ongeval, luidt - </para>
      <para>voorzover van belang - als volgt:</para>
      <para>"Uitgesloten is de aansprakelijkheid: </para>
      <para>(...)</para>
      <para>2. voor schade veroorzaakt met of door (lucht)vaartuigen, mo-</para>
      <para>torrijtuigen en hun lading; deze uitsluiting geldt echter niet </para>
      <para>ten aanzien van de aansprakelijkheid (mits niet elders ge-</para>
      <para>dekt):</para>
      <para> (...)</para>
      <para> c.van de verzekerde voor schade door goederen die worden          </para>
      <para>geladen in resp. gelost uit (lucht)vaartuig of motorrij-        </para>
      <para>tuig:</para>
      <para>3. voor schade veroorzaakt met of door aanhangwagens e.d., die     </para>
      <para>gekoppeld zijn aan een motorrijtuig of na daarvan te zijn       </para>
      <para>losgemaakt of -geraakt nog niet buiten het verkeer tot          </para>
      <para>stilstand zijn gekomen;</para>
      <para>(...)."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	Tevens staat vast, als in cassatie onbestreden:</para>
      <para>i)	Op generlei wijze is gebleken of gemotiveerd gesteld dat </para>
      <para>sprake is geweest van een ongeval dat plaatsvond tijdens het </para>
      <para>laden of lossen van de stalen balken (rechtsoverweging 5.2).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>ii)	De onderhavige vorkheftruck moet als motorrijtuig moet </para>
      <para>worden aangemerkt. Met dat motorrijtuig en de daaraan gekop-</para>
      <para>pelde kar werd op het bedrijfsterrein van Mega Staalbouw aan </para>
      <para>het verkeer deelgenomen in de zin van art. 2 lid 1 WAM </para>
      <para>(rechtsoverweging 5.3).</para>
      <para>iii)De uitsluitingsclausule van Klaverblad dient in de zin van </para>
      <para>de WAM te worden verstaan (rechtsoverweging 5.6).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Het geding in eerste aanleg en in hoger beroep.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>7.	In het onderhavige vrijwaringsgeding heeft de Kantonrech-</para>
      <para>ter geoordeeld dat de kar op het moment waarop het ongeval </para>
      <para>plaatsvond geen deel meer uitmaakte van het verkeer in de zin </para>
      <para>van art. 1 WAM omdat de kar buiten het verkeer veilig tot </para>
      <para>stilstand was gekomen; hij is dan ook tot de slotsom gekomen </para>
      <para>dat het onderhavige ongeval niet valt onder de uitzonderings-</para>
      <para>bepalingen van art. 3 lid 2 en 3 van de AVB en dat Klaverblad </para>
      <para>derhalve jegens Mega Staalbouw uit hoofde van de AVB gehouden </para>
      <para>is tot vergoeding van de voor rekening van Mega Staalbouw ko-</para>
      <para>mende schade door [slachtoffer] ten gevolge van het litigieuze </para>
      <para>ongeval geleden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>8.	De Rechtbank heeft daarentegen geoordeeld dat de aanspra-</para>
      <para>kelijkheid van Mega Staalbouw jegens [slachtoffer] een aan-</para>
      <para>sprakelijkheid is waarop de WAM ziet zodat deze aansprakelijk-</para>
      <para>heid niet valt onder de dekking van de met Klaverblad gesloten </para>
      <para>AVB; zij vernietigde het vonnis van de Kantonrechter en wees </para>
      <para>de vorderingen van Mega Staalbouw jegens Klaverblad alsnog af. </para>
      <para>Haar door het eerste cassatiemiddel bestreden overwegingen </para>
      <para>luiden als volgt:</para>
      <para>"5.4 Krachtens art. 1 WAM en de daarop ontwikkelde jurispru-</para>
      <para>dentie maakt een aanhangwagen na ontkoppeling geen deel meer </para>
      <para>uit van een motorrijtuig, indien de aanhangwagen veilig buiten </para>
      <para>het verkeer tot stilstand is gekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De onderhavige kar, die feitelijk als aanhangwagen in de zin </para>
      <para>van de WAM in gebruik is geweest tijdens het transport van de </para>
      <para>stalen balken, dient als aanhangwagen te worden aangemerkt ook </para>
      <para>nadat deze kar was ontkoppeld van de vorkheftruck, aangezien </para>
      <para>deze kar na afkoppeling van de vorkheftruck niet buiten het </para>
      <para>verkeer tot stilstand was gekomen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De navolgende feiten en omstandigheden zijn daartoe reden ge-</para>
      <para>vend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kar diende als aanhangwagen om de stalen balken van een </para>
      <para>plaats in de productieloods te vervoeren naar een opslagplaats </para>
      <para>op het bedrijfsterrein. </para>
      <para>Tijdens het vervoer door de productieloods van deze 14 meter </para>
      <para>lange stalen balken op de kar, waarbij de vorkheftruck als </para>
      <para>trekkend motorrijtuig dienst deed, vormde een bocht in de weg, </para>
      <para>waarlangs dit vervoer plaatshad, een zodanig obstakel dat de </para>
      <para>vorkheftruck werd afgekoppeld en de kar met de stalen balken </para>
      <para>tijdelijk werd achtergelaten in of ter hoogte van de betref-</para>
      <para>fende bocht en in ieder geval op het vervoerstraject van de </para>
      <para>produktieloods naar de plaats van bestemming op het bedrijf-</para>
      <para>sterrein.</para>
      <para>Gesteld noch gebleken is dat voor het tot stilstand brengen </para>
      <para>van de onderhavige kar bewust is gekozen voor de plaats waar </para>
      <para>de kar feitelijk tot stilstand werd gebracht; dit is des te </para>
      <para>onaannemelijker omdat keuzemogelijkheden omtrent de plaats, </para>
      <para>waar de kar tot stilstand zou worden gebracht, ontbraken, na-</para>
      <para>dat de combinatie in of ter hoogte van de bocht vrijwel was </para>
      <para>vast gemanoeuvreerd.</para>
      <para>Gegeven voorts het feit dat sprake is van 14 meter lange sta-</para>
      <para>len balken, geladen op een kar en voortgetrokken door een </para>
      <para>vorkheftruck, welke combinatie tot stilstand is gebracht in of </para>
      <para>ter hoogte van een in die omstandigheden met moeite te nemen </para>
      <para>bocht, bezien in samenhang met de omstandigheid dat na ontkop-</para>
      <para>peling van de vorkheftruck het vervoer van de kar met de bal-</para>
      <para>ken vervolgens handmatig is voortgezet, moet ervan worden uit-</para>
      <para>gegaan dat de kar ten tijde van de ontkoppeling van de vork-</para>
      <para>heftruck niet buiten het verkeer tot stilstand was gebracht.</para>
      <para>Feiten of omstandigheden die tot een andere gevolgtrekking </para>
      <para>zouden moeten leiden zijn gesteld noch gebleken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.5 Tijdens en als gevolg van de wijze van het na afkoppeling </para>
      <para>van de vorkheftruck voortgezette vervoer van de kar met bal-</para>
      <para>ken, zijn deze balken gaan schuiven, waarna de kar met balken </para>
      <para>is omgevallen en een of meer vallende balken [slachtoffer] </para>
      <para>hebben geraakt en verwond.</para>
      <para>Het schuiven van lading - ondanks pogingen dit te herstellen </para>
      <para>of te voorkomen - is een toedracht en oorzaak van ongevallen </para>
      <para>in het verkeer die met zekere regelmaat voorkomen, zodat niet </para>
      <para>gezegd kan worden dat dergelijke ongevallen niet karakteris-</para>
      <para>tiek zijn voor deelneming aan het verkeer. Op grond hiervan </para>
      <para>moet het verweer van WM, dat - nu de schadeveroorzaking         </para>
      <para>plaatshad op een bedrijfsterrein - geen karakteristiek ver-</para>
      <para>keersongeval heeft plaatsgehad, worden verworpen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De omstandigheid dat de vorkheftruck na ontkoppeling is ge-</para>
      <para>bruikt als werktuig om de verschoven lading stalen balken op </para>
      <para>de kar te herschikken en dat de vorkheftruck vervolgens op het </para>
      <para>bedrijfsterrein is gestald, doen aan hetgeen hiervoor werd </para>
      <para>overwogen niet toe of af, aangezien die feitelijkheden geen </para>
      <para>verandering brengen in de staat van de onderhavige kar als </para>
      <para>niet buiten het verkeer tot stilstand gebrachte aanhangwagen </para>
      <para>in de zin der WAM."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Het geding in cassatie</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>9.	Mega Staalbouw, de curator en het Waarborgfonds hebben </para>
      <para>tijdig cassatieberoep ingesteld onder aanvoering van twee mid-</para>
      <para>delen. Klaverblad heeft geconcludeerd tot verwerping van het </para>
      <para>beroep. Beide partijen hebben de zaak schriftelijk toegelicht. </para>
      <para>Eisers tot cassatie hebben het tweede cassatiemiddel in hun </para>
      <para>schriftelijke toelichting "subsidiair" gemaakt waarna Klaver-</para>
      <para>blad zich met betrekking tot dit tweede middel heeft gerefe-</para>
      <para>reerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Het eerste cassatiemiddel</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>10.	De middelonderdelen 1 en 2 komen met rechts- en motive-</para>
      <para>ringsklachten op tegen het oordeel van de Rechtbank dat de li-</para>
      <para>tigieuze bij het ongeval betrokken kar die als aanhangwagen in </para>
      <para>de zin van de WAM in gebruik was tijdens het transport van de </para>
      <para>stalen balken, ook na de ontkoppeling van de vorkheftruck als </para>
      <para>aanhangwagen in de zin van art. 1 WAM diende te worden aange-</para>
      <para>merkt aangezien deze kar na afkoppeling niet veilig buiten het </para>
      <para>verkeer tot stilstand was gekomen in de zin van bedoelde bepa-</para>
      <para>ling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Middelonderdeel 1a stelt voorop dat het ongeval plaats-</para>
      <para>vond in een productieloods, een plaats die "als zodanig" in </para>
      <para>beginsel niet bestemd is voor verkeer terwijl zich ook geen </para>
      <para>ander verkeer in of nabij de loods bevond op en rond het tijd-</para>
      <para>stip van vervoer, alsmede dat de litigieuze kar handmatig werd </para>
      <para>voortgeduwd nadat de kar was afgekoppeld en de vorkheftruck </para>
      <para>was geparkeerd buiten de loods. Onder deze omstandigheden is </para>
      <para>geen andere conclusie mogelijk dan dat het ongeval plaatsvond </para>
      <para>nadat de kar van de vorkheftruck was losgemaakt en veilig bui-</para>
      <para>ten het verkeer tot stilstand was gekomen aangezien de kar op </para>
      <para>geen enkele wijze meer aan het verkeer deelnam en of gevaar </para>
      <para>voor het verkeer opleverde op enige wijze die met het eerdere </para>
      <para>voortbewegen tezamen met de vorkheftruck verband hield. Aldus </para>
      <para>middelonderdeel 1a. Althans, zo vervolgt middelonderdeel 1b, </para>
      <para>heeft de Rechtbank niet zonder meer beslissende betekenis mo-</para>
      <para>gen toekennen aan de omstandigheid dat het ongeval heeft </para>
      <para>plaatsgevonden op het vervoerstraject van loods naar bedrijfs-</para>
      <para>terrein waarop de kar aanvankelijk door de vorkheftruck werd </para>
      <para>voortgetrokken en aan de omstandigheid dat de plaats van af-</para>
      <para>koppeling niet berustte op een bewuste keuze. De Rechtbank had </para>
      <para>mede acht moeten slaan op de overige omstandigheden zoals in </para>
      <para>hoeverre overigens ter plekke verkeer aanwezig was en wat voor </para>
      <para>soort verkeer dat was. Althans, zo gaat middelonderdeel 2a </para>
      <para>voort, heeft de Rechtbank miskend dat een voldoende nauw ver-</para>
      <para>band moet bestaan tussen het ongeval en de deelneming met een </para>
      <para>motorrijtuig aan het verkeer en geeft het oordeel van de </para>
      <para>Rechtbank blijk van een onjuiste rechtsopvatting althans is </para>
      <para>het onvoldoende gemotiveerd gelet op de zich te dezen voor-</para>
      <para>doende omstandigheid dat i) de kar veilig tot stilstand was </para>
      <para>gebracht, ii) het ongeval zich niet heeft voorgedaan op een </para>
      <para>openbare weg, iii) het hier gaat om een werktuig en iv) het </para>
      <para>gaat om schade door een verkeerde belading of behandeling van </para>
      <para>de lading van een (reeds veilig losgekoppelde en handmatig </para>
      <para>voortgeduwde) aanhangwagen. Voorzover een oordeel op het on-</para>
      <para>derhavige punt te lezen zou zijn in rechtsoverweging 5.3 van </para>
      <para>het vonnis van de Rechtbank, richt dit middelonderdeel zich </para>
      <para>mede tegen die overweging.</para>
      <para>Middelonderdeel 3 stelt voorop dat de Rechtbank in </para>
      <para>rechtsoverweging 5.5 terecht - gezien de uitspraken van het </para>
      <para>Benelux Gerechtshof van 23 oktober 1984, NJ 1986, 458, m.nt. G </para>
      <para>onder 459 en van 11 juni 1991, NJ 1992, 82, m.nt. MMM - tot </para>
      <para>uitgangspunt neemt dat mede van belang is of de onderhavige </para>
      <para>schade als karakteristiek valt aan te merken voor deelneming </para>
      <para>aan het verkeer; daarop klaagt het middelonderdeel dat de </para>
      <para>Rechtbank ten onrechte oordeelt dat niet gezegd kan worden dat </para>
      <para>het onderhavige ongeval niet als karakteristiek voor deelne-</para>
      <para>ming aan het verkeer kan worden beschouwd.</para>
      <para>Middelonderdeel 4 klaagt dat de AVB van Klaverblad in-</para>
      <para>houdt dat voldoende verband bestaat tussen het ongeval en het </para>
      <para>gebruik van het motorrijtuig en dat om de in de middelonderde-</para>
      <para>len 2 en 3 aangegeven redenen niet valt in te zien dat dat </para>
      <para>verband in het onderhavige geval in voldoende mate aanwezig </para>
      <para>zou zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>11.	Bij de beoordeling van deze middelonderdelen moet het </para>
      <para>volgende worden vooropgesteld. De WAM beoogt - in het voet-</para>
      <para>spoor van de hiervoorgenoemde Benelux-Overeenkomst met daarbij </para>
      <para>behorende Gemeenschappelijke Bepalingen - door middel van een </para>
      <para>verplichte verzekering en een Waarborgfonds de slachtoffers </para>
      <para>van door een motorrijtuig toegebrachte schade te beschermen </para>
      <para>tegen het risico van oninbaarheid van hun vordering tot scha-</para>
      <para>devergoeding als gevolg van insolventie of onvindbaarheid van </para>
      <para>de eigenaar of bestuurder van het bewuste motorrijtuig. (Zie </para>
      <para>Uw arrest van 9 januari 1976, NJ 1976, 310, m.nt. ARB. Zie ook </para>
      <para>Mijnssen in zijn noot onder Uw arrest van 16 maart 1979, NJ </para>
      <para>1980, 76.) Daarom is een ruime uitleg geboden van het begrip </para>
      <para>schade door een motorrijtuig in het verkeer veroorzaakt. (Zie </para>
      <para>Uw zojuist genoemde arrest van 9 januari 1976 en Uw arrest van </para>
      <para>2 januari 1970, NJ 1970, 162.) Ingevolge art. 1 en 2 WAM is </para>
      <para>althans in territoriale zin ook sprake van deelneming aan ver-</para>
      <para>keer ingeval met een motorrijtuig wordt gereden op een terrein </para>
      <para>dat toegankelijk is voor publiek of voor een zeker aantal per-</para>
      <para>sonen die het recht hebben daar te komen. Ook overigens moet </para>
      <para>het begrip deelneming aan het verkeer - in verband met de </para>
      <para>strekking van de WAM - ruim worden geïnterpreteerd. (Zie Hof </para>
      <para>'s-Gravenhage, 27 februari 1975, VR 1975, 57 en Benelux Ge-</para>
      <para>rechtshof, 11 juni 1991, NJ 1992, 82, m.nt. MMM en Uw arrest </para>
      <para>van 12 januari 1979, NJ 1979, 291 m.nt. ARB.) Zoals gezegd, is </para>
      <para>in art. 1 WAM bepaald dat als deel van een motorrijtuig wordt </para>
      <para>aangemerkt al hetgeen aan het motorrijtuig is gekoppeld of na </para>
      <para>koppeling daarvan is losgemaakt of losgeraakt zolang het nog </para>
      <para>niet buiten het verkeer tot stilstand is gekomen. In deze </para>
      <para>laatste uitbreiding is naar aanleiding van vragen uit de Twee-</para>
      <para>de Kamer voorzien met gebruikmaking van de aan de Lidstaten </para>
      <para>bij meergenoemd Verdrag gegeven bevoegdheid tot het verlenen </para>
      <para>van extra bescherming aan verkeersslachtoffers. (Zie de con-</para>
      <para>clusie van de A-G Berger voor Uw hiervoor genoemde arrest van </para>
      <para>16 maart 1979, NJ 1980, 76, m.nt. FHJM.) Uit jurisprudentie </para>
      <para>van Uw Raad blijkt dat Uw Raad bij de beantwoording van de </para>
      <para>vraag of een aanhangwagen na ontkoppeling "buiten het verkeer </para>
      <para>tot stilstand is gekomen" niet alleen van belang acht of de </para>
      <para>aanhangwagen wordt neergezet op een zodanige plaats dat deze </para>
      <para>wagen buiten iedere verkeersdeelneming wordt gehouden, doch </para>
      <para>tevens of daarbij sprake is van een zodanige plaatsing dat de </para>
      <para>aanhangwagen voor het verkeer geen gevaar meer kan opleveren. </para>
      <para>(Zie de noot van Mijnssen onder Uw hiervoor genoemde arrest </para>
      <para>van 16 maart 1979). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>12.	De Rechtbank heeft bij haar oordeel dat de litigieuze, </para>
      <para>als aanhangwagen bij de vorkheftruck voor het vervoer van sta-</para>
      <para>len balken gebruikte, kar na ontkoppeling van de vorkheftruck </para>
      <para>niet veilig buiten het verkeer tot stilstand was gebracht in </para>
      <para>de zin art. 1 WAM, met name betekenis toegekend aan de omstan-</para>
      <para>digheid dat de kar van de vorkheftruck is losgekoppeld tijdens </para>
      <para>het vervoer in of nabij een bocht in het vervoerstraject omdat </para>
      <para>deze bocht voor de combinatie (vorkheftruck en kar) een on-</para>
      <para>neembaar obstakel vormde alsmede aan de omstandigheid dat het </para>
      <para>vervoer van de balken vervolgens met de afgekoppelde kar is </para>
      <para>voortgezet. Bij haar oordeel dat de door [slachtoffer] geleden </para>
      <para>schade is veroorzaakt door deelneming van de (nog als onder-</para>
      <para>deel van het motorrijtuig te beschouwen) kar aan het verkeer, </para>
      <para>heeft de Rechtbank met name betekenis toegekend aan de omstan-</para>
      <para>digheid dat het ongeval is veroorzaakt doordat de lading tij-</para>
      <para>dens en als gevolg van de wijze van het na afkoppeling voort-</para>
      <para>gezette vervoer is gaan schuiven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Anders dan het middel betoogt, heeft de Rechtbank aldus </para>
      <para>in het licht van de strekking van de WAM niet blijk gegeven </para>
      <para>van een onjuiste rechtsopvatting. Met name is niet juist de in </para>
      <para>het middel vervatte stelling dat de kar veilig buiten het ver-</para>
      <para>keer tot stilstand was gebracht omdat het ongeval plaatsvond </para>
      <para>in een productieloods waar zich op dat moment geen ander ver-</para>
      <para>keer bevond aangezien de kar aldus op geen enkele wijze meer </para>
      <para>aan het verkeer deelnam of gevaar opleverde op enige wijze die </para>
      <para>verband hield met het eerder voortbewegen tezamen met de vork-</para>
      <para>heftruck. Deze stelling miskent dat de WAM - ingevolge art. 1 </para>
      <para>- ook ziet op het gebruik van motorrijtuig op een terrein toe-</para>
      <para>gankelijk voor publiek of voor een aantal personen die het </para>
      <para>recht hebben daar te komen. Juist omdat het rijden met een mo-</para>
      <para>torrijtuig op een zodanig terrein in zoverre moet worden be-</para>
      <para>schouwd als verkeersdeelneming in de zin van de WAM heeft de </para>
      <para>Rechtbank aan de hiervoor genoemde omstandigheden waaronder </para>
      <para>met name deze dat het vervoer noodgedwongen met de ontkoppelde </para>
      <para>kar op het daarvoor gevolgde vervoerstraject werd voortgezet, </para>
      <para>de conclusie kunnen verbinden dat van een veilig buiten het </para>
      <para>verkeer tot stilstand brengen geen sprake is geweest. Dat de </para>
      <para>kar bij het voortgezette vervoer van de balken wel degelijk </para>
      <para>een gevaar opleverde dat met het vervoer samenhing, blijkt </para>
      <para>reeds uit de toedracht van het litigieuze ongeval. Met haar </para>
      <para>overweging dat de plaats van afkoppeling niet berustte op een </para>
      <para>bewuste keuze heeft de Rechtbank tot uitdrukking gebracht dat </para>
      <para>de afkoppeling niet plaatsvond in het kader van het streven de </para>
      <para>kar buiten het verkeer tot stilstand te brengen om deze als </para>
      <para>zodanig niet meer aan het verkeer te doen deelnemen. Anders </para>
      <para>dan middelonderdeel 2 kennelijk veronderstelt, is bij de be-</para>
      <para>antwoording van de vraag of de kar veilig buiten het verkeer </para>
      <para>tot stilstand is gebracht niet van belang of op het moment van </para>
      <para>afkoppeling verkeer ter plaatse was terwijl bovendien de sug-</para>
      <para>gestie dat [slachtoffer] als bij het vervoer betrokkene niet </para>
      <para>als verkeersslachtoffer in de zin van de WAM kan worden be-</para>
      <para>schouwd onjuist is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>13.	Middelonderdeel 2 dat ten onrechte ervan uitgaat dat de </para>
      <para>kar veilig buiten het verkeer tot stilstand was gebracht en in </para>
      <para>zoverre voortbouwt op middelonderdeel 1, bestrijdt het oordeel </para>
      <para>van de Rechtbank dat in casu sprake is van een verkeersongeval </para>
      <para>(van een door deelneming aan het verkeer veroorzaakt ongeval) </para>
      <para>nu het in casu gaat om een ongeval ten gevolge van schuiven </para>
      <para>van de lading tijdens het met de kar "handmatig" voortgezette </para>
      <para>vervoer op het bedrijfsterrein waarop in de zin van de WAM aan </para>
      <para>het verkeer werd deelgenomen. Dat oordeel geeft anders dan het </para>
      <para>middel betoogt, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting in </para>
      <para>het licht van de strekking van de WAM en de hiervoor onder 11 </para>
      <para>in dat verband genoemde uitgangspunten. Anders dan het middel </para>
      <para>veronderstelt, heeft rechtsoverweging 5.3 van het bestreden </para>
      <para>vonnis geen betrekking op de vraag of het litigieuze ongeval </para>
      <para>kan worden beschouwd als een ongeval waartoe deelneming aan </para>
      <para>het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven. Dat het </para>
      <para>vervoer niet plaatsvond op een openbare weg doch op een ter-</para>
      <para>rein waarop in de zin van de WAM sprake kan zijn van deelne-</para>
      <para>ming aan het verkeer, staat niet eraan in de weg om de tijdens </para>
      <para>het vervoer met de kar door de lading veroorzaakte schade te </para>
      <para>beschouwen als schade veroorzaakt door deelneming van het mo-</para>
      <para>torrijtuig aan het verkeer. Een andere opvatting zou afbreuk </para>
      <para>doen aan de strekking van de WAM die beoogt ook bescherming te </para>
      <para>bieden tegen de risico's verbonden aan het gebruik van motor-</para>
      <para>rijtuigen op bedoelde terreinen. De in het middel vervatte </para>
      <para>stelling dat de litigieuze vorkheftruck een "werktuig" was, </para>
      <para>ziet eraan voorbij dat de vorkheftruck vóór de ontkoppeling, </para>
      <para>zoals de Rechtbank vaststelde, diende als vervoermiddel. Het </para>
      <para>oordeel van de Rechtbank dat de omstandigheid dat de vorkhef-</para>
      <para>truck na ontkoppeling ook is gebruikt als werktuig om de ver-</para>
      <para>schoven lading op de kar te herschikken niet eraan afdoet dat </para>
      <para>het onderhavige ongeval moet worden beschouwd als een ongeval </para>
      <para>dat plaatsvond in het kader van het met de vorkheftruck en de </para>
      <para>kar uit te voeren vervoer, geeft niet blijk van een onjuiste </para>
      <para>rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>14.	Middelonderdeel 3 is gebaseerd op de veronderstelling dat </para>
      <para>de Rechtbank tot uitgangspunt heeft genomen dat de vorkhef-</para>
      <para>truck ook vóór de ontkoppeling van de kar werd gebruikt als </para>
      <para>werktuig en niet als vervoermiddel. Die veronderstelling is - </para>
      <para>zoals hiervoor reeds bleek - onjuist. In de overwegingen van </para>
      <para>de Rechtbank ligt besloten dat de vorkheftruck voor de ontkop-</para>
      <para>peling van de kar, diende als vervoermiddel en niet als werk-</para>
      <para>tuig waarmee in beginsel niet aan verkeer wordt deelgenomen en </para>
      <para>dat de omstandigheid dat na de ontkoppeling de vorkheftruck </para>
      <para>werd gebruikt om de lading te herschikken niet meebrengt dat </para>
      <para>aan de hoedanigheid van vervoermiddel afbreuk wordt gedaan in </para>
      <para>dier voege dat de ontkoppelde kar waarmee het vervoer werd </para>
      <para>voortgezet moet worden beschouwd als onderdeel van een motor-</para>
      <para>rijtuig dat als werktuig en niet als vervoermiddel diende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>15.	Middelonderdeel 4 bouwt voort op de middelonderdelen 2 en </para>
      <para>3 en moet het lot daarvan delen; voorzover in dit middelonder-</para>
      <para>deel de klacht ligt besloten dat de Rechtbank niet ervan is </para>
      <para>uitgegaan dat de uitsluiting in art. 3 van de AVB van Klaver-</para>
      <para>blad inhoudt dat mede is vereist dat een voldoende verband be-</para>
      <para>staat tussen het ongeval en het gebruik van het motorrijtuig </para>
      <para>als bedoeld in de WAM, faalt het wegens gebrek aan feitelijke </para>
      <para>grondslag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Het tweede cassatiemiddel</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>16.	Het tweede cassatiemiddel klaagt dat de Kantonrechter, in </para>
      <para>aanmerking genomen dat de vrijwaring niet de regels van de ab-</para>
      <para>solute competentie doorkruist en gegeven de inhoud van de door </para>
      <para>Mega Staalbouw in het vrijwaringsgeding ingestelde vordering, </para>
      <para>onmiskenbaar noch uit hoofde van het onderwerp van het geschil </para>
      <para>noch uit hoofde van het beloop van de vordering bevoegd was </para>
      <para>van de zaak kennis te nemen, zodat ook de Rechtbank in appel </para>
      <para>niet bevoegd was en - ambtshalve - de zaak op de voet van art. </para>
      <para>157a Rv. in de stand waarin zij zich bevond had moeten verwij-</para>
      <para>zen naar de wel bevoegde rechter, in casu het Gerechtshof te </para>
      <para>Arnhem.</para>
      <para>In de schriftelijke toelichting wordt aangegeven dat het </para>
      <para>middel "alsnog subsidiair [wordt] voorgesteld ten opzichte van </para>
      <para>het eerste middel en wel in dier voege dat het alleen wordt </para>
      <para>voorgesteld voor het geval dat middel ongegrond is, dan wel </para>
      <para>niet leidt tot een vernietiging waarbij in de verwijzingspro-</para>
      <para>cedure alle relevante feitelijke aspecten van de zaak opnieuw </para>
      <para>aan de orde kunnen komen." Eisers tot cassatie betogen in hun </para>
      <para>schriftelijke toelichting dat zij "uiteraard deze voorwaarde </para>
      <para>aan het middel [verbinden] omdat zij ook bij de gegrondheid </para>
      <para>van het tweede middel graag een uitspraak van Uw Raad verkrij-</para>
      <para>gen omtrent het inhoudelijke oordeel van de Rechtbank." Tot </para>
      <para>dat alsnog bij schriftelijke toelichting "subsidiair" voor-</para>
      <para>stellen van het tweede middel waren eisers tot cassatie be-</para>
      <para>voegd nu zij ook bij schriftelijke toelichting hun middel had-</para>
      <para>den mogen intrekken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>17.	Eisers tot cassatie hebben met andere woorden ervoor </para>
      <para>gekozen het tweede en niet het eerst middel "subsidiair" </para>
      <para>voor te stellen omdat zij een uitspraak van Uw Raad wil-</para>
      <para>len verkrijgen omtrent het inhoudelijke oordeel van de </para>
      <para>Rechtbank, om vervolgens, als die uitspraak luidt dat de </para>
      <para>tegen het oordeel van de Rechtbank gerichte rechts- en </para>
      <para>motiveringsklachten falen dan wel niet leiden tot een </para>
      <para>verwijzingsprocedure waarbij alle relevante feitelijke </para>
      <para>aspecten van de zaak opnieuw aan de orde kunnen komen, de </para>
      <para>zaak alsnog in de stand waarin deze zich destijds bij het </para>
      <para>instellen van het hoger beroep bevond, opnieuw te laten </para>
      <para>berechten door het Hof waarnaar de Rechtbank destijds in-</para>
      <para>derdaad - dat zij het middel toegegeven - had moeten ver-</para>
      <para>wijzen. (Zie in dit verband Uw arrest van 14 juni 1991, </para>
      <para>NJ 1992, 173, m.nt. HJS en Hugenholtz-Heemskerk, Hoofd-</para>
      <para>lijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, 1997, </para>
      <para>nr.142 en 149) Ik meen dat eisers tot cassatie niet kun-</para>
      <para>nen worden gevolgd in hun betoog dat de zaak - bij ver-</para>
      <para>werping van het eerste cassatiemiddel - naar het Hof moet </para>
      <para>worden verwezen in de stand waarin zij zich destijds be-</para>
      <para>vond. Honorering van het betoog van eisers tot cassatie </para>
      <para>zou in feite leiden tot het creëren van een geheel nieuwe </para>
      <para>feitelijke instantie nadat Uw Raad reeds uitspraak heeft </para>
      <para>gedaan over de in appel gewezen einduitspraak. Dat past </para>
      <para>mijns inziens niet in ons stelsel van hoger beroep en </para>
      <para>cassatie dat niet meer dan twee feitelijke instanties </para>
      <para>kent en waarin geen sprake kan zijn van een geheel nieuwe </para>
      <para>feitelijke instantie nadat Uw Raad zich heeft uitge-</para>
      <para>sproken over de aan zijn oordeel onderworpen uitspraak en </para>
      <para>de daartegen gerichte cassatieklachten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Conclusie</para>
    <para />
    <para>De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.</para>
    <para />
    <para />
    <para>De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>