<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1999:AA3817</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T12:15:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3817</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1999-11-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">4014 4015 4016</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1999:AA3817" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1999:AA3817</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2000, 11</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2000, 461 met annotatie van A.C. 't Hart</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA3817">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA3817</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:53:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1999:AA3817 Parket bij de Hoge Raad , 09-11-1999 / 4014 4015 4016</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA3817:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA3817:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
  <parablock>
    <para>&amp;lt;</para>
    <para>?</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>Nr. 4014 Besch.                         Mr Machielse</para>
    <para>Parket                                 Conclusie inzake:</para>
    <para>Cameo Media Support B.V.</para>
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para>1. De rechtbank te Amsterdam heeft op 21 januari 1999 het</para>
    <para>klaagschrift van verzoekster tegen inbeslagneming van onder haar</para>
    <para>berustend beeldmateriaal gegrond verklaard voorzover het de</para>
    <para>gebeurtenissen van 14 december 1998 betreft, en ongegrond verklaard</para>
    <para>voorzover het de gebeurtenissen van 20 december 1998 aangaat. De</para>
    <para>beschikking van de rechtbank is inmiddels gepubliceerd (NJ</para>
    <para>19999,357).</para>
    <para>2. Mr H.F. Doeleman, advocaat te Amsterdam, heeft namens verzoekster</para>
    <para>cassatie ingesteld. Ook de officier van justitie heeft cassatie</para>
    <para>aangetekend.</para>
    <para>De officier van justitie heeft een schriftuur ingezonden, houdende</para>
    <para>één cassatiemiddel. Ook is een schriftuur ontvangen van mr D.R.</para>
    <para>Doorenbos, advocaat te Amsterdam, houdende drie middelen van</para>
    <para>cassatie.</para>
    <para>3.1. Het inbeslaggenomen beeldmateriaal bevat opnamen die gemaakt</para>
    <para>zijn bij ongeregeldheden te Amsterdam op 14 resp. 20 december 1998.</para>
    <para>De rechter-commissaris heeft op de voet van art.105 Sv de</para>
    <para>uitlevering van het materiaal bevolen en het materiaal</para>
    <para>inbeslaggenomen.</para>
    <para>Het klaagschrift stelde dat de inbeslagneming in strijd is geweest</para>
    <para>met het recht op vrije nieuwsgaring en dat de rechter-commissaris</para>
    <para>onvoldoende dat belang heeft afgewogen tegen het belang van de</para>
    <para>strafvordering. Een correcte afweging van die belangen zou in het</para>
    <para>voordeel van het eerste zijn uitgevallen, aldus het klaagschrift.</para>
    <para>Ook zouden eisen van evenredigheid en noodzakelijkheid zijn</para>
    <para>geschonden.</para>
    <para>Het recht op vrije nieuwsgaring zou gevaar lopen als het publiek tot</para>
    <para>de conclusie zou kunnen komen - zo parafraseer ik de kern van het</para>
    <para>klaagschrift - dat opnamen door journalisten gemaakt, zouden kunnen</para>
    <para>strekken ter opheldering van strafbare feiten. Het werk van de</para>
    <para>journalist wordt bemoeilijkt als hij tijdens zijn werk als een</para>
    <para>(mogelijke) "verlengde arm" van justitie wordt beschouwd.</para>
    <para>3.2. De rechtbank toonde zich gevoelig voor dit pleidooi voor een</para>
    <para>speciale positie van de pers. Zij stelde vast dat de inbeslaggenomen</para>
    <para>videobanden uitgezonden, maar ook niet uitgezonden beeldmateriaal</para>
    <para>bevatten. Zij heeft voorts overwogen:</para>
    <para>Naar het oordeel van de rechtbank kan inbeslagneming van</para>
    <para>journalistiek materiaal als thans in het geding echter eveneens tot</para>
    <para>een inbreuk op het recht op vrije nieuwsgaring en aldus tot</para>
    <para>strijdigheid met het bepaalde in artikel 10 EVRM leiden. De publieke</para>
    <para>functie van de joumalistiek kan immers in het gedrang komen, indien</para>
    <para>de joumalist, cameraman of fotograaf in zijn werkzaamheden wordt</para>
    <para>belemmerd of een dergelijke belemmering te vrezen heeft, doordat hij</para>
    <para>wordt beschouwd als potentiele "verlengde arm" van justitie. Dit</para>
    <para>impliceert dat een bevel tot uitlevering van journalistiek materiaal</para>
    <para>slechts dan gerechtvaardigd is, indien het belang van een vrije</para>
    <para>nieuwsgaring achtergesteld dient te worden bij het belang van de</para>
    <para>strafvordering bij het aan de dag brengen van misdrijven die de</para>
    <para>rechtsorde emstig aantasten.</para>
    <para>Het middel van de officier stelt dat de rechtbank is uitgegaan van</para>
    <para>een verkeerd begrip van het recht van vrije nieuwsgaring. Dat recht</para>
    <para>houdt in dat de burger vrij is in het vergaren van nieuws en het</para>
    <para>doorgeven van nieuws en daarin niet door de overheid mag worden</para>
    <para>belemmerd. Als het opvragen van beeldmateriaal kan leiden tot</para>
    <para>represailles en dreigementen jegens journalisten, cameramensen,</para>
    <para>fotografen, waardoor dezen in hun werkzaamheden worden belemmerd,</para>
    <para>dan is deze hindernis, aldus de officier, niet door de overheid</para>
    <para>opgeworpen. Die inbreuk op het recht van vrije nieuwsgaring wordt</para>
    <para>niet gepleegd door de overheid en daarom kan de rechter ook niet</para>
    <para>toekomen aan een afweging als bedoeld in het tweede lid van art.10</para>
    <para>EVRM.</para>
    <para>De vraag die moet worden beantwoord is inderdaad of door de</para>
    <para>inbeslagneming inbreuk is gemaakt op het recht op vrije</para>
    <para>nieuwsgaring. Daarna verdient de vraag naar een eventuele</para>
    <para>rechtvaardiging van zo een ingreep de aandacht.</para>
    <para>4. Maar het lijkt mij zinvol een opmerking vooraf te maken naar</para>
    <para>aanleiding van de voor de rechtbank verdedigde sleutelstelling dat</para>
    <para>inbeslagneming van beeldmateriaal het werk van de pers bemoeilijkt</para>
    <para>omdat het publiek daardoor de pers als een verlengstuk van justitie</para>
    <para>gaat zien.</para>
    <para>Journalisten nemen waar en verzamelen gegevens om die of om daarover</para>
    <para>te publiceren. Als zich een cameraploeg van een tv-station vertoont</para>
    <para>bij een gebeurtenis dan is het voor eenieder duidelijk dat die ploeg</para>
    <para>daar is om de gebeurtenissen te verslaan, en niet om de gemaakte</para>
    <para>opnamen in het familiearchief te stoppen en aan de openbaarheid te</para>
    <para>onthouden. Hetzelfde geldt voor opnamen die worden gemaakt bij</para>
    <para>gebeurtenissen die de rechtsorde schenden. Als camera's op rellen</para>
    <para>worden gericht door journalisten dan zullen de relschoppers er</para>
    <para>vanuit mogen gaan dat die opnamen onderdeel van een uitzending</para>
    <para>worden. Zo een uitzending kan iedereen, ook politie en justitie,</para>
    <para>vrijelijk opnemen en bestuderen. Het risico dat verzameld</para>
    <para>beeldmateriaal een rol gaat spelen bij de opsporing is dus steeds</para>
    <para>aanwezig. Een journalist die opnamen maakt ter uitzending neemt dit</para>
    <para>risico. Een relschopper die ziet dat een journalist een camera op</para>
    <para>hem richt weet óók dat uitzending hem misschien herkenbaar in beeld</para>
    <para>brengt en dat een strafvervolging dan waarschijnlijk is.&amp;lt;(1) Het risico dat de pers als "verlengde arm" van politie en justitie wordt gezien</para>
    <para>door vandalen, relschoppers, vernielers etc. kan worden versterkt als de politie de</para>
    <para>belaagde pers te hulp schiet en ontzet. Is dan - rhetorische vraag - het beschermen</para>
    <para>van de pers tegen raddraaiers ook een aanslag op het recht van vrije nieuwsgaring?</para>
    <para>Ook kan de vraag rijzen of hetzelfde wantrouwen jegens de pers ook niet wordt gevoed</para>
    <para>wanneer de pers - klaarblijkelijk tevoren door de politie of justitie ingeseind -</para>
    <para>een geruchtmakende aanhouding of huiszoeking bijwoont.</para>
    <para>&amp;gt; Ik kan mij</para>
    <para>eerlijk gezegd - mij stellend op het standpunt van de relschopper -</para>
    <para>nauwelijks voorstellen waarin het verschil schuilt tussen de gevallen</para>
    <para>waarin de opnamen van rellen in handen komen van politie en justitie</para>
    <para>omdat zij door de media zélf in de publiciteit worden gebracht en</para>
    <para>door de autoriteiten worden gecopiëerd, en de gevallen waarin</para>
    <para>politie en justitie het beeldmateriaal in handen krijgen met</para>
    <para>gebruikmaking van een strafvorderlijk dwangmiddel, nadat de</para>
    <para>uitzending van (een deel van) dat materiaal al heeft plaatsgevonden.</para>
    <para>De relschopper die ziet dat journalisten arriveren kan zich geroepen</para>
    <para>voelen 'preventief' op te treden om te voorkomen dat zijn handelen</para>
    <para>wordt geregistreerd en dat - op welke manier ook, door uitzending of</para>
    <para>inbeslagneming - zijn identiteit nadien aan de politie zal kunnen</para>
    <para>blijken. Hieruit volgt mijns inziens al dat het risico voor</para>
    <para>journalisten gegeven is met het feit dat zij materiaal vervaardigen</para>
    <para>met het oog op openbaarmaking daarvan.</para>
    <para>Maakt het verschil of het in de openbare ruimte verzameld materiaal</para>
    <para>dat wordt inbeslaggenomen wel of niet is gepubliceerd? De beslissing</para>
    <para>om het een wel en het ander niet te openbaren is meestal gebaseerd</para>
    <para>op de nieuwswaarde van het materiaal. Die beslissing heeft doorgaans</para>
    <para>niets te maken met de wens de anonimiteit van relschoppers te</para>
    <para>garanderen, met de bescherming van bronnen of met het instandhouden</para>
    <para>van het vermogen van de journalist om ook in de toekomst informatie</para>
    <para>te verkrijgen. Alleen wanneer het niet openbaren is ingegeven door</para>
    <para>de wens een belofte van anonimiteit na te komen of anderszins de</para>
    <para>anonimiteit van relschoppers verborgen te houden kan het anders</para>
    <para>liggen.&amp;lt;(2) Aldus W.F. Korthals Altes, Naar een journalistiek privilege, 1989, p.73, 75, 78,</para>
    <para>waar de auteur de toestand in de VS bespreekt, maar wel in algemene bewoordingen.</para>
    <para>Voor Nederland blijkt de auteur dezelfde mening aan te hangen, p.263.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>Maar deze scepsis over de sleutelstelling van verzoekster heeft niet</para>
    <para>als noodzakelijk gevolg dat een beroep op art.10 EVRM in een geval</para>
    <para>als het onderhavige aan de pers zou moeten worden ontzegd. Het recht</para>
    <para>van vrije nieuwsgaring zou immers kunnen omvatten de vrijwaring</para>
    <para>tegen inbeslagneming van verzameld beeldmateriaal op andere gronden</para>
    <para>dan die beweerde bemoeilijking van het werk van de pers in de</para>
    <para>openbare ruimte. De vraag is of zulke andere gronden zijn aan te</para>
    <para>wijzen.</para>
    <para>5.1. Het recht van vrije nieuwsgaring wordt geacht besloten te</para>
    <para>liggen in art.10 EVRM. Het eerste lid daarvan luidt als volgt:</para>
    <para>1. Everyone has the right to freedom of expression. This right shall</para>
    <para>include freedom to hold opinions and to receive and impart</para>
    <para>information and ideas without interference by public authority and</para>
    <para>regardless of frontiers. This Article shall not prevent States from</para>
    <para>requiring the licensing of broadcasting, television or cinema</para>
    <para>enterprises.</para>
    <para>Het tweede lid voorziet in uitzonderingen op het eerste lid:</para>
    <para>2. The exercise of these freedoms, since it carries with it duties</para>
    <para>and responsibilities, may be subject to such formalities,</para>
    <para>conditions, restrictions or penalties as are prescribed by law and</para>
    <para>are necessary in a democratic society, in the interests of national</para>
    <para>security, territorial integrity orf public safety, for the prevention of</para>
    <para>disorder or crime, for the protection of health or morals, for the protection of the</para>
    <para>reputation or rights of others, for preventing the disclosure of information</para>
    <para>received in confidence, or for maintaining the authority and impartiality of the</para>
    <para>judiciary.</para>
    <para>5.2. Een rijke stroom jurisprudentie is inmiddels gevloeid over de</para>
    <para>inhoud van art.10 EVRM. In het kader van de persvrijheid zijn grosso</para>
    <para>modo twee categorieën arresten van het EHRM te onderscheiden. De</para>
    <para>eerste groep kenmerkt zich door overheidsbemoeienis die zich hetzij</para>
    <para>vooraf hetzij achteraf tegen een openbaarmaking keert. De tweede</para>
    <para>groep staat in de sleutel van de bronbescherming en is totnutoe veel</para>
    <para>geringer in omvang.</para>
    <para>In de eerste groep gaat hetHet gaat steeds om ingrijpen van de</para>
    <para>overheid dat erop is gericht om publikatie te voorkomen of te</para>
    <para>bestraffen. Ik wijs op</para>
    <para>-    EHRM 7 december 1976, NJ 1978,236 (Handyside), waarin de</para>
    <para>uitgever van het "Rode Boekje voor scholieren" werd vervolgd.</para>
    <para>Inbeslagneming en vernietiging van het boekje en van de matrijs</para>
    <para>waren geen schendingen van art.10 EVRM;</para>
    <para>EHRM 26 april 1979, NJ 1980,146 (Sunday Times); aan de Sunday</para>
    <para>Times werd een verbod opgelegd een artikel te publiceren over het</para>
    <para>gevolg voor hun ongeboren kinderen van het gebruik van thalidomide</para>
    <para>door zwangere vrouwen voor hun ongeboren kinderen. Het verbod was</para>
    <para>een schending van art.10 EVRM. Het was niet gerechtvaardigd door een</para>
    <para>"pressing social need";</para>
    <para>-    EHRM 8 juli 1986, NJ 1987,901; veroordeling wegens smaad aan</para>
    <para>het adres van de Oostenrijkse kanselier was onevenredig en daarom</para>
    <para>een schending van art.10 EVRM;</para>
    <para>-    EHRM 22 februari 1989, NJ 1991,686 (Barfod), waarin een</para>
    <para>veroordeling wegens laster volgde op een publikatie in een</para>
    <para>Groenlandse krant. Interessant in dit arrest zijn de volgende</para>
    <para>zinnen:</para>
    <para>the Court is satisfied that the interference with his freedom of</para>
    <para>expression did not aim at restricting his right under the Convention</para>
    <para>to criticise publicly the composition of the High Court in the 1981</para>
    <para>tax case. Indeed, his right to voice his opinion on this issue was</para>
    <para>expressly recognised by the High Court in its judgment of 3 July</para>
    <para>1984.</para>
    <para>33. Furthermore, the applicant's conviction cannot be considered</para>
    <para>even to have had the result of effectively limiting this right.&amp;lt;(3) Op deze plaats past het aandacht te vragen voor de opmerkingen van M. Viering in</para>
    <para>zijn commentaar op art.10 EVRM in 'Theory and Practice of the European Convention on</para>
    <para>Human Rights' (1998, p.564), waar hij de zaken Kosiek, Glasenapp en Vogt bespreekt.</para>
    <para>De eerste twee zaken betroffen personen die vanwegen hun sympathieën voor extreme</para>
    <para>politieke partijen niet in aanmerking kwamen voor een overheidsbenoeming in het</para>
    <para>onderwijs, de zaak Vogt hield verband met een ontslag van een leerkracht die al als</para>
    <para>ambtenaar in het onderwijs voor onbepaalde tijd was aangesteld, maar vanwege haar</para>
    <para>activiteiten voor de Duitse communistische partij is ontslagen. In de laatste zaak</para>
    <para>nam het EHRM een schending aan van art.10 EVRM. De zaken Kosiek en Glasenapp (EHRM</para>
    <para>NJ 1987,943) onderscheidden zich van de zaak Vogt (EHRM NJ 1996,545) omdat in de</para>
    <para>eerste twee gevallen het recht op toegang tot overheidsdienst centraal stond,</para>
    <para>waarbij van belang was of de kandidaten voldeden aan alle persoonlijke</para>
    <para>kwalifikaties. In de zaak Glasenapp overwoog het EHRM:</para>
    <para>"53. It follows from the foregoing that access to the civil service lies at the</para>
    <para>heart of the issue submitted to the Court. In refusing Mrs. Glasenapp such access,</para>
    <para>the Land authority took account of her opinions and attitude merely in order to</para>
    <para>satisfy itself as to whether she possessed one of the necessary personal</para>
    <para>qualifications for the post in question."</para>
    <para>Daarom was er zelfs geen 'interference' met het in art.10 EVRM gewaarborgde recht.</para>
    <para>In de zaak Vogt was klaagster al lang werkzaam in het onderwijs, benoemd voor</para>
    <para>onbepaalde tijd, en waren haar politieke activiteiten bij haar benoeming bekend</para>
    <para>geweest. Dat zij geschorst en ontslagen werd omdat uiteindelijk haar werd verweten</para>
    <para>geen afstand te hebben genomen van het gedachtegoed van haar partij was wél een</para>
    <para>'interference", die bovendien niet noodzakelijk was in een democratische</para>
    <para>samenleving.</para>
    <para>Viering schrijft over de zaak Vogt:</para>
    <para>"The Court held Article 10 to be applicable because `civil servants do not  fall</para>
    <para>outside the scope of the Convention' but, nevertheless, stuck to its point of view</para>
    <para>in the Kosiek Case and Glasenapp Case by stressing that the Vogt Case did not</para>
    <para>concern the right to recruitment to the civil service. In our opinion, the Court</para>
    <para>should have followed the opinion of the Commission in the Kosiek Case and Glasenapp</para>
    <para>Case. Not the intended purpose of a certain regulation and its application, but</para>
    <para>their effects on the freedom of expression of the person concerned are decisive for</para>
    <para>the question whether Article 10 is applicable."</para>
    <para>Viering ontwaart dus een verschil tussen de opvatting van de Commissie en die van</para>
    <para>het Hof. Het Hof nam geen schending aan omdat het niet de bedoeling was de vrijheid</para>
    <para>van meningsuiting van mevrouw Glasenapp te beknotten, maar om te bezien of zij in</para>
    <para>aanmerking kwam voor een vast dienstverband. De Commissie ging ervan uit dat er wél</para>
    <para>een schending was omdat een vast dienstverband alleen mogelijk was als zij afstand</para>
    <para>zou nemen van haar uitlatingen.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>Het Hof nam geEen schending van art.10 EVRM werd niet aangenomen;</para>
    <para>-    EHRM 26 november 1991, NJ 1992,457 (Guardian); publikatieverbod</para>
    <para>van delen uit een boek over de Britse geheime Dienst was na een</para>
    <para>bepaalde datum - waarop het boek Spycatcher in de VS was verschenen</para>
    <para>- een schending van art.10 EVRM;</para>
    <para>-    EHRM 20 september 1994, NJ 1995,366 (Otto-Preminger-Institut);</para>
    <para>een film, waarvan de inhoud kwetsend was voor religieuze gevoelens,</para>
    <para>was inbeslaggenomen en vernietigd. Het EHRM nam geen schending aan</para>
    <para>van art.10 EVRM.</para>
    <para>-    EHRM 9 februari 1995, NJCM Bulletin 1995, p.480 e.v. (Bluf!);</para>
    <para>de onttrekking aan het verkeer van een aantal exemplaren van het</para>
    <para>blad Bluf! was niet noodzakelijk in een democratische samenleving,</para>
    <para>omdat de preventieve pretentie van die maatregel door de herduk en</para>
    <para>verspreiding van het nummer ná de inbeslagneming in rook was opgegaanlost;</para>
    <para>-    EHRM 25 november 1996, NJ 1998,359 (Wingrove); een</para>
    <para>verspreidingsverbod voor een videofilm vanwege het blasfemisch/</para>
    <para>pornografisch karakter ervan leverde geen schending van art.10 EVRM</para>
    <para>op;</para>
    <para>-    EHRM 24 februari 1997, NJ 1998,360 (De Haes/Gijsels); een</para>
    <para>journalist en de redacteur van het blad Humo waren in een civiel</para>
    <para>geding veroordeeld wegens onrechtmatige daad. Zij hadden ongezouten</para>
    <para>kritiek op rechters en een A-G vanwege de beslissingen die dezen</para>
    <para>hadden genomen. Gelet op het belang dat de veroordeelden wilden</para>
    <para>dienen was de veroordeling niet noodzakelijk.</para>
    <para>De tweede groep, waarin de bronbescherming het centrale thema is,</para>
    <para>wordt gevuld doorBijzondere aandacht verdient in dit verband de zaak</para>
    <para>Goodwin (EHRM 27 maart 1996, NJ 1996,577). In die zaak wilde de</para>
    <para>journalist Goodwin een publikatie wijden aan de situatie bij het</para>
    <para>bedrijf Tetra, dat juist in onderhandeling was met het oog op de</para>
    <para>sanering van de labiele financiële situatie van het bedrijf. Goodwin</para>
    <para>had van een bron informatie verkregen over het bedrijfsplan van</para>
    <para>Tetra en had bij Tetra om bevestiging gevraagd. Tóoen bleek, dat de</para>
    <para>informatie afkomstig was uit vertrouwelijke stukken waarvan een</para>
    <para>exemplaar was ontvreemd. Tetra vroeg en kreeg een verbod op</para>
    <para>publikatie, maar en wilde ook dat Goodwin zijn bron bekend zou</para>
    <para>maken. Goodwin weigerde en werd veroordeeld. Het EHRM overwoog:</para>
    <para>Protection of journalistic sources is one of the basic conditions</para>
    <para>for press freedom, as is reflected in the laws and the professional</para>
    <para>codes of conduct in a number of Contracting States and is affirmed</para>
    <para>in several international instruments on journalistic freedoms (see,</para>
    <para>amongst others, the Resolution on Journalistic Freedoms and Human</para>
    <para>Rights, adopted at the 4th European Ministerial Conference on Mass</para>
    <para>Media Policy (Prague, 7-8 December 1994) and Resolution on the</para>
    <para>Confidentiality of Journalists' Sources by the European Parliament,</para>
    <para>18 January 1994, Official Journal of the European Communities No. C</para>
    <para>44/34).</para>
    <para>Without such protection, sources may be deterred from assisting the</para>
    <para>press in informing the public on matters of public interest. As a</para>
    <para>result the vital public-watchdog role of the press may be undermined</para>
    <para>and the ability of the press to provide accurate and reliable</para>
    <para>information may be adversely affected.</para>
    <para>Having regard to the importance of the protection of journalistic</para>
    <para>sources for press freedom in a democratic society and the</para>
    <para>potentially chilling effect an order of source disclosure has on the</para>
    <para>exercise of that freedom, such a measure cannot be compatible with</para>
    <para>Article 10 of the Convention unless it is justified by an overriding</para>
    <para>requirement in the public interest.</para>
    <para>Het EHRM stelde vervolgens dat bekendmaking van de vertrouwelijke</para>
    <para>gegevens via de pers door het publikatieverbod voldoende werd</para>
    <para>voorkomen. Het belang van Tetra bij onthulling van de identiteit van</para>
    <para>de bron bestond er verder in dat aldus Tetra stappen kon ondernemen</para>
    <para>om direkte bekendmaking - dus niet via de pers - door die bron van</para>
    <para>de gegevens te voorkomen, maatregelen kon nemen tegen ontrouw</para>
    <para>personeel en eventueel de bron aansprakelijk kon stellen. Maar dit</para>
    <para>bijkomend belang was volgens het EHRM onvoldoende om de weegschaal</para>
    <para>ten nadele van "the interest of democratic society in securing a</para>
    <para>free press" te doen doorslaan en, "to outweigh the vital public</para>
    <para>interest in the protection of the applicant journalist's source."</para>
    <para>was sprake van een onevenredig middel en het bevel de identiteit van</para>
    <para>de bron te onthullen was niet noodzakelijk in een democratische</para>
    <para>samenleving.</para>
    <para>In HR NJ 1996,578 volgde de Hoge Raad het door het EHRM uitgezette</para>
    <para>spoor, in een zaak waarin van twee journalisten van "De Limburger"</para>
    <para>in een voorlopig getuigeverhoor onthulling van de identiteit van hun</para>
    <para>bronnen werd verlangd. Het arrest is voorafgegaan door een rijk</para>
    <para>gedocumenteerde conclusie van A-G Koopmans. De Hoge Raad overwoog:</para>
    <para>3.4.  Voormeld arrest brengt mee dat moet worden aanvaard dat uit het eerste lid</para>
    <para>van art. 10 EVRM voor een journalist in beginsel het recht voortvloeit zich te</para>
    <para>verschonen van het beantwoorden van een hem gestelde vraag indien hij daardoor het</para>
    <para>bekend worden van zijn bron zou riskeren, maar dat de rechter een beroep op dit</para>
    <para>recht niet behoeft te honoreren wanneer hij van oordeel is dat in de bijzondere om</para>
    <para>standigheden van het gegeven geval openbaring van die bron in een democratische</para>
    <para>samenleving noodzakelijk is met het oog op een of meer van de in het tweede lid van</para>
    <para>voormelde verdragsbepaling bedoelde, door degene die de journalist als getuige doet</para>
    <para>horen, te stellen en, zonodig, aannemelijk te maken belangen.</para>
    <para>In zijn noot schrijft Dommering:</para>
    <para>4.    Geldt dit nu ook voor de informatiedragers waarvan de pers zich bedient</para>
    <para>(films, geluidstapes, videobanden)? Het komt regelmatig voor dat justitie banden in</para>
    <para>beslag neemt naar aanleiding van uit de hand gelopen demonstraties om bewijs tegen</para>
    <para>relschoppers te vergaren. Naar mijn mening geldt hier eenzelfde belangenafweging als</para>
    <para>bij de geheimhouding van de bron. Het werk van de pers wordt ernstig bemoeilijkt als</para>
    <para>de informatiedragers waar zij zich bij de nieuwsgaring van bedient, als regel in</para>
    <para>plaats van bij uitzondering, moeten worden ingeleverd. Jjournalisten zullen dan</para>
    <para>immers geweerd worden bij manifestaties.</para>
    <para>Deze gedachten worden door de annotator verder niet uitgewerkt en</para>
    <para>stuiten op het bezwaar dat ik eerder ontvouwde.&amp;lt;(4) Ook Korthals Altes komt naar mijn mening wel erg gemakkelijk tot de slotsom dat ook</para>
    <para>hier een journalistiek privilege moet gelden, p.263.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>Mij is overigens geen rechtspraak van het EHRM bekend waarin de door</para>
    <para>de annotator aangesneden vraag is beantwoord.</para>
    <para>Tenslotte vraag ik de aandacht voor de opmerkingen van M. Viering in</para>
    <para>zijn commentaar op art.10 EVRM in Theory and Practice of the</para>
    <para>European Convention on Human Rights, waar hij de zaken Kosiek,</para>
    <para>Glasenapp en Vogt bespreekt. De eerste twee zaken betroffen personen</para>
    <para>die vanwegen hun sympathieën voor extreme politieke partijen niet in</para>
    <para>aanmerking kwamen voor een overheidsbenoeming in het onderwijs, de</para>
    <para>zaak Vogt hield verband met een ontslag van een leerkracht die al</para>
    <para>als ambtenaar in het onderwijs voor onbepaalde tijd was aangesteld,</para>
    <para>maar vanwege haar activiteiten voor de Duitse communistische partij</para>
    <para>is ontslagen. In de laatste zaak nam het EHRM een schending aan van</para>
    <para>art.10 EVRM. De zaken Kosiek en Glasenapp onderscheidden zich van de</para>
    <para>zaak Vogt omdat in de eerste twee gevallen het recht op toegang tot</para>
    <para>overheidsdienst centraal stond, waarbij van belang was of de</para>
    <para>kandidaten voldeden aan alle persoonlijke kwalifikaties. In de zaak</para>
    <para>Glasenapp overwoog het EHRM:</para>
    <para>53. It follows from the foregoing that access to the civil service</para>
    <para>lies at the heart of the issue submitted to the Court. In refusing</para>
    <para>Mrs. Glasenapp such access, the Land authority took account of her</para>
    <para>opinions and attitude merely in order to satisfy itself as to</para>
    <para>whether she possessed one of the necessary personal qualifications</para>
    <para>for the post in question.&amp;lt;(5) EHRM NJ 1987,943.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>Daarom was er zelfs geen 'interference' met het in art.10 EVRM gewaarborgde recht.</para>
    <para>In de zaak Vogt was klaagster al lang werkzaam in het onderwijs, benoemd voor</para>
    <para>onbepaalde tijd, en waren haar politieke activiteiten bij haar benoeming bekend</para>
    <para>geweest. Dat zij geschorst en ontslagen werd omdat uiteindelijk haar werd verweten</para>
    <para>geen afstand te hebben genomen van het gedachtegoed van haar partij was wél een</para>
    <para>'interference", die bovendien niet noodzakelijk was in een democratische</para>
    <para>samenleving.&amp;lt;(6) EHRM NJ 1996,545.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>Viering schrijft over de zaak Vogt:</para>
    <para>The Court held Article 10 to be applicable because `civil servants</para>
    <para>do not  fall outside the scope of the Convention' but, nevertheless,</para>
    <para>stuck to its point of view in the Kosiek Case and Glasenapp Case by</para>
    <para>stressing that the Vogt Case did not concern the right to</para>
    <para>recruitment to the civil service. In our opinion, the Court should</para>
    <para>have followed the opinion of the Commission in the Kosiek Case and</para>
    <para>Glasenapp Case. Not the intended purpose of a certain regulation and</para>
    <para>its application, but their effects on the freedom of expression of</para>
    <para>the person concerned are decisive for the question whether Article</para>
    <para>10 is applicable.</para>
    <para>6. Dat het woord 'verschoningsrecht' in verband met de</para>
    <para>bronbescherming regelmatig valt is niet verwonderlijk. Ook de</para>
    <para>geciteerde overwegingen van het EHRM in de zaak Goodwin doen denken</para>
    <para>aan een soort verschoningsrecht. Bronnen met belangrijke informatie</para>
    <para>zouden er voor terug kunnen deinzen hun informatie met het oog op</para>
    <para>bekendmaking ervan aan de pers door te spelen als de journalist</para>
    <para>gedwongen zou zijn te zijner tijd de identiteit van de informant</para>
    <para>prijs te geven. Het professionele verschoningsrecht berust eveneens</para>
    <para>op de wens dat de hulpbehoevende burger niet ervan wordt weerhouden</para>
    <para>zich tot de hulpverlener te wenden door de vrees dat wellicht de</para>
    <para>hulpverlener kan worden gedwongen het hem toevertrouwde te</para>
    <para>openbaren.&amp;lt;(7) Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, 2e druk, p.130; HR NJ 1991,124; HR NJ</para>
    <para>1994,552.</para>
    <para>&amp;gt; De professionele hulpverlener zou zijn taak niet naar</para>
    <para>behoren kunnen uitoefenen als het risico van openbaarmaking niet is</para>
    <para>geëlimineerd. Evenmin kan de journalist zijn "vital public-watchdog</para>
    <para>role" vervullen als informanten zouden droogvallen uit vrees voor</para>
    <para>onthulling van hun identiteit. Maar het verschoningsrecht is wat</para>
    <para>anders dan inbeslagneming van beeldmateriaal. In het geval waarin de</para>
    <para>journalist een verschoningsrecht toekomt ter bronbescherming, zal</para>
    <para>doorgaans de bron anonimiteit hebben bedongen uit angst voor</para>
    <para>repercussies. Het is - voorzover mij bekend - nog niet voorgekomen</para>
    <para>dat raddraaiers en relschoppers onherkenbaarheid hebben bedongen</para>
    <para>alvorens de pers te hebben toegestaan opnamen van de rellen te</para>
    <para>maken.  Maar dat is wat anders dan het gevaar dat voor journalisten</para>
    <para>dreigt uit hoofde van hun beroepsactiviteiten.</para>
    <para>7.1. In Duitsland en Frankrijk is inmiddels wetgeving van kracht die</para>
    <para>is toegesneden op inbeslagneming van journalistiek materiaal en</para>
    <para>waarin een link met het journalistiek verschoningsrecht wordt</para>
    <para>gelegd. In een uitspraak van 1 oktober 1987 heeft het</para>
    <para>Bundesverfassungs- gericht zich uitgesproken over de rechtmatigheid</para>
    <para>van de inbeslagneming van beeldmateriaal.&amp;lt;(8) BVerfG 1 oktober 1987, BVerfGE 77, 65. Zie ook al eerder BVerfG 4 maart 1981, NJW</para>
    <para>1981, Heft 18, p.971. De laatste uitspraak is ook besproken door Korthals Altes,</para>
    <para>p.199 e.v.</para>
    <para>&amp;gt; De persvrijheid in</para>
    <para>Duitsland is gewaarborgd in art.5 Grundgesetz:</para>
    <para>(1) Jeder hat das Recht, seine Meinung in Wort, Schrift und Bild frei zu äußern und</para>
    <para>zu verbreiten und sich aus allgemein zugänglichen Quellen ungehindert zu</para>
    <para>unterrichten. Die Pressefreiheit und die Freiheit der Berichterstattung durch</para>
    <para>Rundfunk und Film werden gewährleistet. Eine Zensur findet nicht statt.</para>
    <para>(2) Diese Rechte finden ihre Schranken in den Vorschriften der allgemeinen Gesetze,</para>
    <para>den gesetzlichen Bestimmungen zum Schutze der Jugend und in dem Recht der</para>
    <para>persönlichen Ehre.</para>
    <para>(3) Kunst und Wissenschaft, Forschung und Lehre sind frei. Die Freiheit der Lehre</para>
    <para>entbindet nicht von der Treue zur Verfassung.&amp;lt;(9) Omdat in Duitsland art.5 GG geacht wordt betere waarborgen aan de pers te bieden</para>
    <para>dan art.10 EVRM doet, staat art.10 EVRM daar in de schaduw van de nationale</para>
    <para>wetgeving. Aldus Bullinger, in Löffler, Presserecht, München 1997, Anm.29 bij § 1.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>In de strafwetgeving zijn voorzieningen getroffen die aan de</para>
    <para>vrijheid van de pers gestalte geven. Zo zijn in de</para>
    <para>Strafprozessordnung speciale bepalingen te vinden ter bescherming</para>
    <para>van de pers. In § 53 StPO is te lezen:</para>
    <para>(1) Zur Verweigerung des Zeugnisses sind ferner berechtigt ()</para>
    <para>5. Personen, die bei der Vorbereitung, Herstellung oder Verbreitung von periodischen</para>
    <para>Druckwerken oder Rundfunksendungen berufsmäßig mitwirken oder mitgewirkt haben, über</para>
    <para>die Person des Verfassers, Einsenders oder Gewährsmanns von Beiträgen und Unterlagen</para>
    <para>sowie über die ihnen im Hinblick auf ihre Tätigkeit gemachten Mitteilungen, soweit</para>
    <para>es sich um Beiträge, Unterlagen und Mitteilungen für den redaktionellen Teil</para>
    <para>handelt.</para>
    <para>In § 97 StPO is een vijfde lid opgenomen waarin naar § 53 StPO wordt</para>
    <para>verwezen:</para>
    <para>Soweit das Zeugnisverweigerungsrecht der in § 53 Abs. 1 Nr. 5 genannten Personen</para>
    <para>reicht, ist die Beschlagnahme von Schriftstücken, Ton-, Bild- und Datenträgern,</para>
    <para>Abbildungen und anderen Darstellungen, die sich im Gewahrsam dieser Personen oder</para>
    <para>der Redaktion, des Verlages, der Druckerei oder der Rundfunkanstalt befinden,</para>
    <para>unzulässig. Absatz 2 Satz 3 gilt entsprechend.</para>
    <para>Het verschoningsrecht van de journalist als getuige zou inderdaad</para>
    <para>zinloos zijn als niet tevens bescherming werd geboden aan het</para>
    <para>materiaal dat het antwoord bevat dat de journalist als getuige in de</para>
    <para>rechtszaal niet wil geven.&amp;lt;(10) Achenbach in Löffler, Presserecht, Anm.4 bij § 23; idem dr. Jörg Soehring,</para>
    <para>Presserecht, Stuttgart 1995, 8.24 e.v.; BVerfG 5 augustus 1966, BVerfGE 20, 188/189.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>5.2. De regeling van het verschoningsrecht ('Zeugnisverweigerungs-</para>
    <para>recht') is in Duitsland nauwelijks omstreden. Wél is er telkens</para>
    <para>beroering als justitie de hand tracht te leggen niet op toevertrouwd</para>
    <para>materiaal, maar op het "selbstrecherchierten Material".&amp;lt;(11) Zie de gevallen genoemd door Achenbach, in Löffler, Presserecht, Anm.23 bij § 23.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>In een uitspraak van 1 oktober 1987 heeft het</para>
    <para>Bundesverfassungsgericht (BVerfG) zich uitgesproken over de</para>
    <para>rechtmatigheid van de inbeslagneming van dergelijk beeldmateriaal.&amp;lt;(12) BVerfG 1 oktober 1987, BVerfGE 77, 65. Zie ook al eerder BVerfG 4 maart 1981, NJW</para>
    <para>1981, Heft 18, p.971. De laatste uitspraak is ook besproken door Korthals Altes,</para>
    <para>p.199 e.v.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>Het oordeel van het Bundesverfassungsgericht BVerfG betrof een zaak</para>
    <para>waarin televisieopnamen waren gemaakt van ernstige rellen. Het</para>
    <para>openbaar ministerie wilde de beschikking krijgen over kopieën van</para>
    <para>dat beeldmateriaal. De zendgemachtigde ZDF wilde enkel kopieën ter</para>
    <para>beschikking stellen van reeds uitgezonden materiaal. Onder dreiging</para>
    <para>van een huiszoeking ging hij echter overstag. Voor het BVerfG werd</para>
    <para>het volgende bezwaar tegen de inbeslagneming geformuleerd:</para>
    <para>Wenn selbstrecherchiertes Filmmaterial über Demonstrationen dem Zugriff von</para>
    <para>Staatsanwaltschaft und Polizei unbeschränkt zugänglich wäre, würden die Kameraleute</para>
    <para>und Fotografen in die Rolle von Hilfsorganen der Strafverfolgungsbehörden gedrängt.</para>
    <para>Militante Demonstrationsteilnehmer könnten möglicherweise gewaltsam gegen die</para>
    <para>Mitarbeiter von Presse und Rundfunk vorgehen, um Aufnahmen zu verhindern. Damit</para>
    <para>würde die Berichterstattung der Medien erheblich erschwert.</para>
    <para>De politie is ook, aldus de grief, in staat zélf beeldmateriaal te</para>
    <para>vervaardigen omdat deze rellen in het openbaar plaatsvinden.</para>
    <para>Het BVerfG sloot zich niet bij deze bezwaren aan. Het overwoogeegt</para>
    <para>wel hoe belangrijk het is als de vertrouwelijkheid tussen journalist</para>
    <para>en informant wordt gewaarborgd en benadrukte aldusroept aldus een</para>
    <para>associatiede verwantschap  op met het professionele</para>
    <para>verschoningsrecht:</para>
    <para>Das Verhältnis der Vertraulichkeit zwischen dem Rundfunk und seinen Informanten ist</para>
    <para>grundsätzlich zu respektieren, da dieses Medium auf private Mitteilungen nicht</para>
    <para>verzichten kann, diese unentbehrliche Informationsquelle aber nur dann ergiebig</para>
    <para>fließt, wenn sich der Informant auf die Wahrung der Vertraulichkeit verlassen darf</para>
    <para>().&amp;lt;(13) p.74/75. Deze link wordt ook door anderen gelegd. Ik citeer Hans-Christian Ströbele</para>
    <para>die als referent optrad voor de "Arbeitsgemeinschaft 10, Schutz der Presse vor dem</para>
    <para>Staat" (Das Recht der Informationsgesellschaft - Datenschutz und neue Medien,</para>
    <para>congres van Bundesarbeitskreis Kritischer Juragruppen, gehouden te Keulen van 7 tot</para>
    <para>en met 9 juni 1998): "Die Presse wird allgemein, und speziell auch vom BVerfG als</para>
    <para>"vierte Gewalt" bezeichnet. Sie ist als öffentliches Informations- und Kontrollorgan</para>
    <para>Grundlage für ein demokratisches Gemeinwesen. Sie ist ein Wesenselement des</para>
    <para>freiheitlich organisierten Staates. Für die Erfüllung dieser grundlegenden</para>
    <para>demokratischen Funktion ist es notwendig, daß die Presse an umfassende Informationen</para>
    <para>gelangt. Das gelingt der Presse jedoch nur, wenn sie ihre Informantionen vertraulich</para>
    <para>behandelt. Die Situation ist vergleichbar mit der des Pfarrers, dem sich der</para>
    <para>Beichtende auch nur anvertraut, weil er sich der vertraulichen Behandlung seiner</para>
    <para>Beichte sicher sein kann." (http://www.uni-</para>
    <para>koeln.de/studenten/akj/kongress/index.htm)</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>Maar het BVerfG wees er ook op dat bij de totstandkoming van de §§</para>
    <para>paragrafen 53 en 97 StPO uitdrukkelijk de vraag aan de orde is</para>
    <para>gesteld of door journalisten opgemaakt beeldmateriaal ook niet van</para>
    <para>inbeslagneming uitgezonderd moest zijn. De wetgever heeft daar niet</para>
    <para>aan gewild.&amp;lt;(14) p.73/74.</para>
    <para>&amp;gt; Wat betreft het door journalisten te lopen risico merkt</para>
    <para>het BVerfG op:</para>
    <para>Die hier möglicherweise auftretenden Hindernisse für die Medien sind nicht dem</para>
    <para>Staat, sondern dem von der Recherche Betroffenen zuzurechnen. Es handelt sich</para>
    <para>überdies um Probleme, die typischerweise mit der journalistischen Tätigkeit</para>
    <para>verbunden sind und die sich auch durch eine Erweiterung des strafprozessualen</para>
    <para>Beschlagnahmeverbots nicht umfassend lösen ließen. Die Kontrollfunktion von Presse</para>
    <para>und Rundfunk bezieht sich in weiten Bereichen auf Mißstände, an deren</para>
    <para>wahrheitsgemäßer Darstellung die Betroffenen naturgemäß kein Interesse zeigen. Es</para>
    <para>ist deshalb nicht ungewöhnlich, wenn den Angehörigen des Rundfunks beim Zugang zum</para>
    <para>Objekt der Recherche Schwierigkeiten bereitet werden oder wenn dieser gar verweigert</para>
    <para>wird. Ob und in welchem Umfang eine solche Haltung des Betroffenen dadurch</para>
    <para>mitbestimmt wird, daß die Strafverfolgungsbehörden grundsätzlich Zugriff auf das</para>
    <para>recherchierte Material nehmen können, läßt sich nicht abschätzen. Da die Recherchen</para>
    <para>der Medien, Filmaufnahmen eingeschlossen, nicht um ihrer selbst willen vorgenommen</para>
    <para>werden, wird der Betroffene ohnehin mit einer entsprechenden Veröffentlichung</para>
    <para>rechnen müssen, die heute von nahezu jedermann aufgezeichnet werden kann und</para>
    <para>selbstverständlich auch den staatlichen Zugriff auf das publizierte Material und</para>
    <para>dessen Auswertung ermöglicht.&amp;lt;(15) p.80.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>Voorts wijst het BVerfG op het belang dat ook een verdachte kan</para>
    <para>hebben bij kennisneming van wellicht ontlastende registraties.&amp;lt;(16) p.77.</para>
    <para>&amp;gt; Ook</para>
    <para>kan het door de pers vervaardigde beeldmateriaal van belang zijn om</para>
    <para>door de politie gepleegde onregelmatigheden te ontdekken en te</para>
    <para>analyseren.&amp;lt;(17) p.79.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>Niet kan volgens het BVerfG gesteld worden dat de politie maar op</para>
    <para>voorhand bij iedere demonstratie zelf opnamen moet maken voor het</para>
    <para>geval die demonstratie uit de hand gaat lopen.&amp;lt;(18) p.77/78.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>Achenbach meldt dat er sindsdien verschillende initiatieven zijn</para>
    <para>genomen om ook het "selbstrecherchierten Material" onder het</para>
    <para>verschoningsrecht te brengen, maar deze hebben nog niet tot</para>
    <para>resultaat geleid.&amp;lt;(19) Achenbach in Löffler, Presserecht, Anm.24 bij §23.</para>
    <para>&amp;gt; Het BVerfG brengt overigens - in een eerdere</para>
    <para>beslissing - een zekere tempering aan door het overheidsoptreden</para>
    <para>jegens de pers aan de normale rechtsstatelijke beginselen van</para>
    <para>noodzakelijkheid en evenredigheid te toetsen, waarbij het belang van</para>
    <para>een adequate informatievoorziening aan het publiek gewicht in de</para>
    <para>schaal legt:</para>
    <para>Schließlich hat das LG bei seiner Entscheidung auch berücksichtigt, daß selbst eine</para>
    <para>prinzipiell zulässige Beschlagnahme von Material, das die Presse zur Erfüllung des</para>
    <para>ihr obliegenden Auftrags erarbeitet hat und benötigt, die Presse in ihrer durch Art.</para>
    <para>5 I 2 GG grundrechtlich geschützten Tätigkeit beeinträchtigt und daß daher jede</para>
    <para>solche Maßnahme sowie der mit ihr bezweckte Erfolg gegen ihre nachteiligen</para>
    <para>Auswirkungen auf die Pressefreiheit abgewogen und insbesondere auch am Maßstab des</para>
    <para>verfassungskräftigen Verhältnismäßigkeitsprinzips gemessen werden müssen (vgl.</para>
    <para>BVerfGE 20, 162 = NJW 1966, 1603). Seine Feststellung, daß der</para>
    <para>Verhältnismäßigkeitsgrundsatz hier nicht verletzt sei, weil es sich nicht nur um die</para>
    <para>Aufklärung von bloßen Baágatelldelikten, sondern von mehreren, teilweise besonders</para>
    <para>schweren Fällen des Landesfriedensbruchs handele und die Bf. andererseits durch die</para>
    <para>Durchsuchung und Beschlagnahme in ihrer Berichterstattung nicht gehindert werde</para>
    <para>sowie auch keinerlei wirtschaftliche Nachteile erleide, läßt keinen Verstoß gegen</para>
    <para>spezifisches Verfassungsrecht erkennen.&amp;lt;(20) BVerfG 4 maart 1981, NJW 1981, Heft 18, p.971. In gelijke zin, zij het wat</para>
    <para>beknopter, liet het BVerfG zich uit in BVerfGE 77, 65 (82/83). Zie voorts de lofzang</para>
    <para>op de vrije pers in de Spiegelzaak, BVerfG 5 augustus 1966, BVerfGE 20, 162.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>Kortom, in Duitsland vindt een journalistiek verschoningsrecht wel</para>
    <para>erkenning, maar niet zodanig dat ook opnames die buiten iedere</para>
    <para>vertrouwensrelatie zijn gemaakt van inbeslagneming gevrijwaard</para>
    <para>zouden zijn. Wel wordt het overheidsoptreden jegens de pers extra</para>
    <para>tegen het licht van de rechtsstatelijke criteria gehouden.</para>
    <para>5.3. In Frankrijk is bij wet van 4 januari 1993 in de Code de</para>
    <para>procédure pénale art.56-2 opgenomen:</para>
    <para>Les perquisitions dans les locaux d'une entreprise de presse ou de communication</para>
    <para>audiovisuelle ne peuvent être effectuées que par un magistrat qui veille à ce que</para>
    <para>les investigations conduites ne portent pas atteinte au libre exercice de la</para>
    <para>profession de journaliste et ne constituent pas un obstacle ou n'entraînent pas un</para>
    <para>retard injustifié à la diffusion de l'information.</para>
    <para>Art.56-2 is opgenomen na bepalingen die het verschoningsrecht van</para>
    <para>advocaten, medici en notarissen betreffen, en vertoont een grote</para>
    <para>gelijkenis met het verschoningsrecht van deze geheimhouders. In een</para>
    <para>circulaire van 1 maart 1993 is een toelichting op het nieuwe artikel</para>
    <para>te vinden. Volgens de circulaire beoogt art.56-2 een evenwicht te</para>
    <para>vinden tussen het belang van het onderzoek en de persvrijheid. Het</para>
    <para>optreden van de gerechtelijke autoriteiten mag geen obstakel vormen</para>
    <para>of vertraging opleveren voor de verspreiding van informatie.</para>
    <para>Vermeden moet daarom worden dat het inbeslagnemen van materiaal dat</para>
    <para>bewijs vormt van een delikt wordt gerealiseerd zonder dat een copie</para>
    <para>wordt achtergelaten.</para>
    <para>Art.56-2 CPP dient te worden gelezen tegen de achtergrond van</para>
    <para>art.109 CPP, dat betrekking heeft op de verplichting als getuige te</para>
    <para>verklaren. Het tweede lid kent een uitzonderingspositie toe aan de</para>
    <para>journalist:</para>
    <para>Tout journaliste, entendu comme témoin sur des informations recueillis dans</para>
    <para>l'exercice de son activité, est libre de ne pas en révéler l'origine.</para>
    <para>De twee bepalingen vullen elkaar aan. De journalist hoeft evenmin</para>
    <para>als de advocaat, de geestelijke of de notaris te verklaren over wat</para>
    <para>hem in die hoedanigheid is medegedeeld en inbeslagneming van</para>
    <para>materiaal dat de bronnen van de verkregen informatie aanwijst is ook</para>
    <para>uit den boze.</para>
    <para>Art.56-2 is weliswaar opgenomen na bepalingen die het</para>
    <para>verschoningsrecht van advocaten, medici en notarissen betreffen,</para>
    <para>maar is met deze andere bepalingen niet gelijk te stellen. De</para>
    <para>opnamen die door bijvoorbeeld een omroep zijn gemaakt mogen immers</para>
    <para>in beslag worden genomen, er mag kennis van worden genomen, mits een</para>
    <para>uitzending van dat materiaal niet wordt belemmerd of vertraagd en</para>
    <para>mits het beslag geen betrekking heeft op materiaal waaruit de</para>
    <para>identiteit van geheime bronnen is af te leiden. De rechtspraak heeft</para>
    <para>anderzijds het verschoningsrecht van de advocaat eveneens aldus</para>
    <para>ingevuld dat een huiszoeking bij bijvoorbeeld een advocaat moet</para>
    <para>plaatsvinden met respect voor zijn verschoningsrecht. Vandaar dat zo</para>
    <para>een huiszoeking steeds geschiedt in aanwezigheid van de deken van de</para>
    <para>Orde, opdat geheimhouding verzekerd zij.&amp;lt;(21) Zie de arresten Gérin en Rochenoir, onder nr.14 in essentie weergegeven en</para>
    <para>besproken in Jean Pradel/André Varinard, Les grands arrêts du droit criminel, Tome</para>
    <para>2, 1998, p.148 e.v.</para>
    <para>&amp;gt; Wel heeft de Franse</para>
    <para>wetgever in art.109 CPP aan de journalist het recht toegekend om,</para>
    <para>als getuige, te weigeren zijn bronnen te noemen.</para>
    <para>Een ander interessant punt dat in het Franse recht wordt opgeworpen</para>
    <para>is, of niet iedere publikatie op het iInternet als een publikatie in</para>
    <para>de zin van de perswetgeving is te beschouwen, te vergelijken met</para>
    <para>publikatie in een ander medium.&amp;lt;(22) Zie Jean-Yves Dupeux in Droit de la presse, Recueil Dalloz 1998, 9e cahier</para>
    <para>Sommaires commentés, p.79, naar aanleiding van een beschikking van het TGI Paris van</para>
    <para>30 april 1997.</para>
    <para>&amp;gt; De burger die een maatschappelijke</para>
    <para>misstand op het spoor komt en geen gehoor vindt bij de media kan</para>
    <para>zijn toevlucht zoeken op Internet om zijn ontdekkingen aan de grote</para>
    <para>klok te hangen. Maar het is niet waarschijnlijk dat deze burger van</para>
    <para>een verschoningsrecht kan profiteren omdat hij niet als 'journalist'</para>
    <para>is aan te merken in de betekenis die de circulaire van 1 maart 1993</para>
    <para>daaraan geeft; degeen die professioneel journalist is en daarmee de</para>
    <para>kost verdient. Het belang dat de ene persoon zich tot de andere</para>
    <para>persoon wendt om die ander deelgenoot te maken van bepaalde</para>
    <para>ervaringen of misstanden staat natuurlijk ook in de schaduw van het</para>
    <para>grote goed van de vrije pers.</para>
    <para>Samenvattend; in het Franse recht ligt de nadruk evenals in het</para>
    <para>Duitse recht op het verschoningsrecht van de journalist en het</para>
    <para>belang van de bronbescherming. Inbeslagneming van vergaard</para>
    <para>beeldmateriaal is niet verboden, mits zij openbaarmaking niet</para>
    <para>belemmert of verhindert.</para>
    <para>6.1. De situatie in het Nederlandse recht vertoont een grote</para>
    <para>gelijkenis met die in het Duitse en Franse recht.</para>
    <para>Eerder is al gememoreerd dat de Hoge Raad in navolging van het EHRM</para>
    <para>een verschoningsrecht aan de journalist heeft toegekend in een zaak</para>
    <para>waarin verzocht was om een voorlopig getuigeverhoor van twee</para>
    <para>journalisten.&amp;lt;(23) HR NJ 1996,578.</para>
    <para>&amp;gt; Daarbij past een vrijwaring voor inbeslagneming van</para>
    <para>materiaal dat bronnen openbaart die de journalist juist wil</para>
    <para>beschermen.</para>
    <para>De Hoge Raad heeft in 1991 echter niet willen weten van een algeheel</para>
    <para>verbod tot inbeslagneming van in de openbare ruimte vergaard</para>
    <para>beeldmateriaal. Het betroffen opnamen van ernstige ongeregeldheden.</para>
    <para>De rechtbank had erkend dat de vrije nieuwsgaring in het geding was:</para>
    <para>De rechtbank onderkent het belang van klaagster bij een vrije</para>
    <para>nieuwsgaring, zoals door haar in haar klaagschrift omschreven en bij</para>
    <para>de behandeling in raadkamer uiteengezet, doch is van oordeel dat dit</para>
    <para>belang bij het belang van de strafvordering (het aan de dag brengen</para>
    <para>van deze misdrijven, die de nationale en internationale rechtsorde</para>
    <para>ernstig aantasten) ten achter gesteld moet worden.</para>
    <para>Over de afweging werd in cassatie geklaagd, maar de Hoge Raad</para>
    <para>verwierp het middel en overwoog daartoe:</para>
    <para>9.1. De rechtbank heeft in haar hiervoren onder 4.2 weergegeven</para>
    <para>overweging onder "Beoordeling van de derde klacht" als haar oordeel</para>
    <para>tot uiting gebracht dat bij afweging in het onderhavige geval -</para>
    <para>hetwelk zich o.m. hierdoor kenmerkt dat veel van de gebeurtenissen</para>
    <para>vielen buiten het bereik van de optredende politiefotograaf, en dat</para>
    <para>er geen andere mogelijkheid meer was dan de inbeslagneming van de</para>
    <para>onderwerpelijke banden om de identiteit van de desbetreffende daders</para>
    <para>te achterhalen - het belang van RTL-V bij een vrije nieuwsgaring ten</para>
    <para>achter gesteld moet worden bij het belang van de strafvordering (het</para>
    <para>aan de dag brengen van misdrijven die de nationale en internationale</para>
    <para>rechtsorde ernstig aantasten (etc.).</para>
    <para>9.2. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet</para>
    <para>onbegrijpelijk, en kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in</para>
    <para>cassatie niet verder worden getoetst.</para>
    <para>Aldus lijkt de Hoge Raad een standpunt in te nemen dat gelijkenis</para>
    <para>vertoont met het standpunt van het BVerfG.</para>
    <para>6.2. Ik wil nog nauwer bij de gedachten, door het BVerfG in BVerfGE</para>
    <para>77, 65 ontwikkeld, aansluiten en de stelling verdedigen dat de</para>
    <para>inbeslagneming van gegevensdragers als videobanden, foto's etc.,</para>
    <para>niet om publikatie te voorkomen, maar om strafbare feiten op te</para>
    <para>helderen geen 'interference' is als waarop art.10 lid 1 EVRM slaat,</para>
    <para>mits de mogelijkheid om het verzamelde materiaal te publiceren niet</para>
    <para>wordt aangetast. De rechtspraak van het EHRM over art.10 EVRM toont</para>
    <para>aan dat art.10 EVRM in het geding is als van overheidswege</para>
    <para>maatregelen worden genomen om publikatie te voorkomen, te</para>
    <para>bemoeilijken of te bestraffen. Daarnaast heeft de bronbescherming</para>
    <para>erkenning gevonden omdat anders verborgen zou kunnen blijven wat</para>
    <para>openbaar gemaakt dient te worden en waarover een publiek debat</para>
    <para>wenselijk gesmoord zou kunnen wordenis. Opdat gepubliceerd kan worden</para>
    <para>moet een gegeven geheim kunnen blijven. Als de journalist geen</para>
    <para>geheimhouding zou hebben beloofd zou hij de hand niet hebben kunnen</para>
    <para>leggen op de informatie waarvan het gewenst is dat het publiek ervan</para>
    <para>kennis neemt. De bronbescherming staat dus in direkt verband met de</para>
    <para>"freedom to receive and impart information".</para>
    <para>Wanneer overheidsoptreden voor derden aanleiding vormt het de pers</para>
    <para>moeilijk te maken is er niet van een doelbewuste inbreuk door de</para>
    <para>overheid op de vrije nieuwsgaring sprake. De hinder die de pers</para>
    <para>ondervindt zou kunnen ondervinden bij haar werkzaamheden is een niet</para>
    <para>beoogd en zelfs speculatief gevolg. Hetzelfde geldt voor de</para>
    <para>maximumsnelheid die ook voor de journalist van kracht is als hij</para>
    <para>snel bij een nieuwsfeit aanwrezig wil zijn. Overschrijding van de</para>
    <para>maximumsnelheid kan ook niet met een beroep op art.10 EVRM worden</para>
    <para>gerechtvaardigd.</para>
    <para>Erkenning van een journalistiek privilege, dat zich ook zou</para>
    <para>uitstrekken tot in de openbare ruimte verzameld beeldmateriaal zou</para>
    <para>ertoe leiden dat het recht van de journalist om gevrijwaard te</para>
    <para>blijven van strafvorderlijk overheidsingrijpen aanmerkelijk verder</para>
    <para>zou reiken dan dat van de arts, de advocaat, de geestelijke en de</para>
    <para>notaris. De arts die direkt waarneemt dat een patiënte door haar</para>
    <para>partner wordt mishandeld zal zich voor de rechter niet op een</para>
    <para>verschoningsrecht kunnen beroepen, indien hem wordt gevraagd wat hij</para>
    <para>heeft zien gebeuren en of hij een aanwezige verdachte herkent als</para>
    <para>degeen die de patiënte heeft mishandeld, ook al wordt door de</para>
    <para>verklaring van de arts zijn zorgmogelijkheid voor het slachtoffer er</para>
    <para>niet rooskleuriger op. Als een journalistiek privilege zich zou</para>
    <para>uitstrekken tot het materiaal dat in de openbare ruimte is vergaard</para>
    <para>zou er van een uitholling van dat privilege sprake zijn als van de</para>
    <para>journalist zou kunnen worden gevergd een verklaring af te leggen</para>
    <para>over wat of wie hij heeft waargenomen, ja zelfs over wat of wie hij</para>
    <para>heeft opgenomen. Evenals een verschoningsrecht jegens justitie enkel</para>
    <para>waterdicht kan zijn als inbeslagneming van verschoningsgevoelige</para>
    <para>bescheiden uitgesloten is, zou andersom vrijwaring van</para>
    <para>inbeslagneming van zulke bescheiden worden uitgehold als wel over de</para>
    <para>inhoud van die bescheiden zou moeten worden verklaard. Anders dan</para>
    <para>Korthals Altes&amp;lt;(24) Naar een journalistiek privilege, p.263.</para>
    <para>&amp;gt; komt het mij voor dat een journalistiek privilege</para>
    <para>incompleet is als het zich niet zou uitstrekken tot de getuigplicht.</para>
    <para>Anders dan de arts in het zojuist gegeven voorbeeld zal de</para>
    <para>journalist zich dus wél moeten kunnen verschonen van het</para>
    <para>beantwoorden van vragen over zijn waarnemingen, als zijn</para>
    <para>geregistreerde waarnemingen uit handen van justitie moeten blijven</para>
    <para>om te voorkomen dat het werken voor de journalist moeilijker wordt</para>
    <para>gemaakt. En dan is er, zoals gezegd, een kloof geslagen met de</para>
    <para>andere verschoningsgerechtigden die niet te verdedigen is.</para>
    <para>Die hinder is onvoldoende om een journalistiek privilege te</para>
    <para>rechtvaardigen.&amp;lt;(25) Anders Korthals Altes, p.263.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>6.3.</para>
    <para>De rechtbank heeft daarom naar mijn mening een verkeerd uitgangspunt</para>
    <para>gehanteerdnomen. Er zijn geen feiten of omstandigheden vastgesteld</para>
    <para>waaruit zou kunnen worden afgeleid dat door de inbeslagnemingen het</para>
    <para>recht van art.10 EVRM zou zijn geschonden. Dat door</para>
    <para>overheidsoptreden reacties van anderen denkbaar zijn die nadelig</para>
    <para>zijn voor de uitoefening van journalistieke werkzaamheden is vormt</para>
    <para>niet zo een aantasting. Het belang der vrije nieuwsgaring, begrepen</para>
    <para>als onderdeel van art.10 EVRM, is evenmin in het geding als wanneer</para>
    <para>aan een journalist de toegang tot een besloten familiebijeenkomst</para>
    <para>wordt ontzegd. Door het belang van vrije nieuwsgaring toch in de</para>
    <para>afweging te betrekken heeft de rechtbank een verkeerde interpretatie</para>
    <para>gegeven aan art.10 EVRM en een schending van art.10 EVRM aangenomen</para>
    <para>waar die niet bestond. Dat neemt niet weg dat het ingrijpen van</para>
    <para>justitie aan toetsing onderhevig is, maar dan niet in het kader van</para>
    <para>art.10 EVRM.</para>
    <para>7.1. Dit alles gezegd zijnde kom ik toe aan de bespreking van de</para>
    <para>cassatiemiddelen.</para>
    <para>Het middel van de officier, dat zich beperkt tot de beslissing van</para>
    <para>de rechtbank voorzover daarbij het beklag gegrond is verklaard,</para>
    <para>stelt dat de rechtbank is uitgegaan van een verkeerd begrip van het</para>
    <para>recht van vrije nieuwsgaring. Dat recht houdt de vrijheid in om</para>
    <para>nieuws te vergaren en door te geven zonder belemmering door de</para>
    <para>overheid. Als het opvragen van beeldmateriaal kan leiden tot</para>
    <para>represailles en dreigementen jegens journalisten, cameramensen,</para>
    <para>fotografen, waardoor dezen in hun werkzaamheden worden belemmerd,</para>
    <para>dan is deze hindernis, aldus de officier, niet door de overheid</para>
    <para>opgeworpen. Die inbreuk op het recht van vrije nieuwsgaring wordt</para>
    <para>niet gepleegd door de overheid en daarom kan de rechter ook niet</para>
    <para>toekomen aan een afweging als bedoeld in het tweede lid van art.10</para>
    <para>EVRM.</para>
    <para>Uit het bovenstaande moge duidelijk zijn dat ik de conclusie van de</para>
    <para>officier deel. De rechtbank had art.10 EVRM niet in haar motivering</para>
    <para>mogen betrekken, tenzij de rechtbank zou hebben vastgesteld dat door</para>
    <para>het ingrijpen van de overheid de publikatie van opgenomen materiaal</para>
    <para>is vertraagd of verhinderd. Pas dan zou de rechtbank kunnen zijn</para>
    <para>toegekomen aan een afweging van het belang bij vrije nieuwsgaring</para>
    <para>tegen het belang van strafvordering. Maar zo een constatering is in</para>
    <para>de beschikking niet te lezen.</para>
    <para>7.2.1. Maar wellicht bieden de vaststellingen van de rechtbank</para>
    <para>aanknopingspunten voor de stelling dat het bevel tot uitlevering</para>
    <para>onder de omstandigheden van het geval met beginselen van een goede</para>
    <para>procesorde in conflict komt omdat het bevel niet noodzakelijk of</para>
    <para>evenredig was. Ieder overheidsingrijpen dient immers aan bepaalde</para>
    <para>eisen te voldoen.&amp;lt;(26) Vgl. HR NJ 1979,142.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>7.2.2. De rechtbank heeft de gegrondverklaring als volgt</para>
    <para>gemotiveerd:</para>
    <para>Met betrekking tot het subsidiariteitsbeginsel acht de rechtbank voldoende</para>
    <para>aannemelijk geworden dat het openbaar ministerie nagenoeg geen ander bewijsmateriaal</para>
    <para>ten aanzien van op 14 en 20 december 1998 gepleegde strafbare feiten heeft, dan</para>
    <para>hetgeen mogelijkerwijs op de inbeslaggenomen videobanden en foto's kan worden</para>
    <para>waargenomen.</para>
    <para>Ten aanzien van de ongeregeldheden op 14 december 1998 is de rechtbank echter van</para>
    <para>oordeel dat, gelet op het proportionaliteitsbeginsel, het belang van strafvordering</para>
    <para>achter dient te blijven bij het belang van een vrije nieuwsgaring. Weliswaar is uit</para>
    <para>de hiervoor onder 2a. genoemde nota van de politie duidelijk geworden dat er sprake</para>
    <para>was van een ernstige situatie, waarbij enkele politieambtenaren gewond zijn geraakt,</para>
    <para>doch niet is gebleken dat op die datum zodanig emstige misdrijven zijn gepleegd, die</para>
    <para>rechtvaardigen dat joumalistiek materiaal in beslag is genomen.Ten aanzien van de</para>
    <para>inbeslaggenomen videobanden en foto's met betrekking tot de ongeregeldheden op 14</para>
    <para>december 1998 dient het klaagschrift dan ook gegrond te worden verklaard.</para>
    <para>7.2.3. Eerder in haar beschikking heeft de rechtbank de</para>
    <para>gebeurtenissen op 14 december als volgt beschreven:</para>
    <para>Op 14 december 1998 vonden ongeregeldheden plaats in de buurt van de Balistraat te</para>
    <para>Amsterdam naar aanleiding van het feit dat er twee jongens waren aangehouden op</para>
    <para>verdenking van het plegen van een poging tot diefstal van, dan wel uit een auto. Uit</para>
    <para>de door de politie hiervan op 29 december 1998 opgemaakte nota blijkt dat een deel</para>
    <para>van de omstreeks 250 omstanders, weten ongeveer 25 personen, naar aanleiding van</para>
    <para>deze aanhouding politieambtenaren en medewerkers van de Dienst Stadstoezicht met</para>
    <para>geweld heeft aangevallen. Tengevolge van dit geweld zijn vier politieambtenaren</para>
    <para>gewond geraakt.</para>
    <para>Ik maak uit deze omschrijving op dat er geweldsdelikten zijn</para>
    <para>gepleegd tegen politieambtenaren en medewerkers van de Dienst</para>
    <para>Stadstoezicht, die zouden kunnen varieren van openlijke</para>
    <para>geweldpleging en wederspannigheid tot misschien poging tot zware</para>
    <para>mishandeling of zelfs poging tot doodslag. Uit de omschrijving der</para>
    <para>feiten valt niet op te maken dat het enkel zou zijn gegaan om wat</para>
    <para>duw- en trekwerk, maar wel dat het een massaal en gewelddadig verzet</para>
    <para>betrof tegen de overheid naar aanleiding van de aanhouding van twee</para>
    <para>verdachten.</para>
    <para>Voorts dient in aanmerking te worden genomen dat de inbeslagneming</para>
    <para>klaarblijkelijk niet het gevolg is geweest van een huiszoeking op</para>
    <para>redactieruimten van journalisten of omroepen, maar is voorafgegaan</para>
    <para>door een bevel tot uitlevering. Bij een huiszoeking op de burelen</para>
    <para>van de journalist bestaat het gevaar dat de blik ook valt op</para>
    <para>materiaal dat wél onder de bronbescherming valt.&amp;lt;(27) Achenbach in Löffler, Presserecht, Anm.61b bij § 23.</para>
    <para>&amp;gt; Vandaar dat een</para>
    <para>huiszoeking ten burele een zwaardere belasting is dan een bevel tot</para>
    <para>uitlevering.</para>
    <para>7.2.4. Uit de vaststellingen van de rechtbank valt niet op te maken</para>
    <para>dat en waarom het optreden van justitie een schending van beginselen</para>
    <para>van een goede procesorde zou inhouden. De enkele constatering, dat</para>
    <para>niet is gebleken dat zodanig ernstige misdrijven zijn gepleegd dat</para>
    <para>inbeslagneming van journalistiek materiaal gerechtvaardigd zou zijn,</para>
    <para>dient te worden bezien tegen de achtergrond van de belangen die de</para>
    <para>rechtbank in haar afwegingen heeft betrokken. De rechtbank heeft,</para>
    <para>zoals gezegd, naar mijn mening ten onrechte acht geslagen op het</para>
    <para>belang van de vrije nieuwsgaring als gewaarborgd in art.10 EVRM. Als</para>
    <para>dat belang niet meespeelt en alleen aan de "gewone" beginselen van</para>
    <para>subsidiariteit, proportionaliteit en adequatie wordt getoetst valt</para>
    <para>mijns inziens niet in te zien hoe en waarom de vaststellingen van de</para>
    <para>rechtbank tot de slotsom zouden moeten leiden dat het bevel tot</para>
    <para>uitlevering en de inbeslagneming ongeoorloofd zou zijn geweest.</para>
    <para>Het middel is gegrond.</para>
    <para>8. Inzake de cassatiemiddelen door verzoekster voorgesteld zal het</para>
    <para>duidelijk zijn dat zij, voorzover zij ervan uitgaan dat het recht op</para>
    <para>vrije nieuwsgaring is geschonden en dat deze schending niet is</para>
    <para>gerechtvaardigd, een stelling als vertrekpunt nemen die ik niet</para>
    <para>deel. Ook in mijn opvatting zal het overheidsoptreden getoetst</para>
    <para>moeten worden aan beginselen van subsidiariteit, proportionaliteit</para>
    <para>en adequatie, maar deze toetsing torst niet de last van een</para>
    <para>meewegend art.10 EVRM. Voorzover de voorgestelde middelen inhouden</para>
    <para>dat de rechtbank onvoldoende recht heeft gedaan aan het belang dat</para>
    <para>het EVRM hecht aan de vrije nieuwsgaring zal mijn bespreking kort</para>
    <para>kunnen zijn.</para>
    <para>9.1. Het eerste middel van verzoekster klaagt dat de toetsing door</para>
    <para>de rechtbank aan het subsidiariteitsbeginsel ontoereikend en onjuist</para>
    <para>is geweest en dat aldus onder meer art.10 EVRM is geschonden.</para>
    <para>Ten onrechte zou de rechtbank hebben overwogen dat aan de</para>
    <para>subsidiariteitseis is voldaan omdat het openbaar ministerie geen</para>
    <para>ander bewijsmateriaal hééft. Het gaat er niet om of het openbaar</para>
    <para>ministerie ten tijde van de beoordeling door de rechtbank geen ander</para>
    <para>materiaal heeft, maar of het bevel tot uitlevering en de</para>
    <para>inbeslagneming indertijd nodig waren. Voorts zou de overweging van</para>
    <para>de rechtbank voorbij gaan aan de mogelijkheid op andere wijze dan</para>
    <para>door inbeslagneming van beeldmateriaal aan bewijs te komen.</para>
    <para>9.2. Voorzover het middel het optreden van de politie op 14 december</para>
    <para>1998 in zijn beschouwingen betrekt ontbeert het belang, omdat de</para>
    <para>rechtbank het beklag in zoverre immers gegrond heeft verklaard.</para>
    <para>9.3. Voorzover het middel bedoelt te zeggen dat er voldoende ander</para>
    <para>materiaal moet zijn waarop het openbaar ministerie en de politie</para>
    <para>kunnen afgaan staat het haaks op de overweging van de rechtbank dat</para>
    <para>het openbaar ministerie nagenoeg geen ander bewijsmateriaal ten</para>
    <para>aanzien van op 20 december 1998 gepleegde strafbare feiten heeft,</para>
    <para>dan hetgeen mogelijkerwijs op de inbeslaggenomen videobanden en</para>
    <para>foto's kan worden waargenomen. Daarbij heeft de rechtbank natuurlijk</para>
    <para>gedoeld op de situatie waarin het bevel tot uitlevering is gedaan.</para>
    <para>Ik kan niet zeggen dat dat oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk</para>
    <para>is. De steller van het middel wijst er wel op dat de hoeveelheid</para>
    <para>potentiële getuigen bijna onuitputtelijk is, maar de rechtbank is er</para>
    <para>wellicht van uitgegaan dat het erg veel moeite zal kosten</para>
    <para>betrouwbare verklaringen van getuigen te verkrijgen. Dat laat zich</para>
    <para>wel zeggen, gelet op de hoeveelheid mensen die aan de tocht deelnam</para>
    <para>en de anonimiteit van de mogelijke getuigen. Voorts leert de</para>
    <para>ervaring dat beeldmateriaal zoals videopnamen dikwijls een</para>
    <para>betrouwbaarder beeld geeft van de gebeurtenissen - geen wonder dat</para>
    <para>de advocatuur er zich terecht zo sterk voor maakt om verhoren van</para>
    <para>verdachten en getuigen op videoband op te nemen - dan verklaringen</para>
    <para>van getuigen over een hectische en, naar ik aanneem, verwarrende</para>
    <para>situatie. De rechtbank heeft niet vastgesteld dat er aanhoudingen</para>
    <para>zijn verricht, dus de stelling dat bewijs kan worden geput uit de</para>
    <para>verklaringen van verdachten mist feitelijke grondslag. Wél heeft de</para>
    <para>rechtbank vastgesteld dat politieambtenaar A.H.J. Barten door stenen</para>
    <para>op zijn rug is geraakt en dat politieambtenaar Ferron met stenen is</para>
    <para>begooid terwijl zij op de grond lag. Ik kan mij niet voorstellen dat</para>
    <para>déze ambtenaren voldoende gegevens zullen kunnen verschaffen om</para>
    <para>degenen die tegen hen geweld hebben gebruikt te kunnen ontmaskeren.</para>
    <para>Dat andere politieambtenaren voldoende duidelijke waarnemingen</para>
    <para>hebben kunnen doen blijkt nergens uit. Eén herkenning van iemand in</para>
    <para>een hesje zegt mij eerlijk gezegd niet zoveel.</para>
    <para>9.4. Het verwijt dat uit gemakzucht maar gegrepen is naar de</para>
    <para>journalistieke informatie ziet volgens mij over het hoofd dat,</para>
    <para>wanneer art.10 EVRM zoals hier geen rol speelt, inbeslagneming van</para>
    <para>beeldmateriaal in gevallen als deze juist de minst kostbare en</para>
    <para>derden belastende wijze van bewijs verzamelen is die men zich kan</para>
    <para>indenken. Ik wil niet bepleiten dat zodra er beeldopnames blijken te</para>
    <para>bestaan van strafbare feiten altijd inbeslagneming zal kunnen volgen</para>
    <para>en andere opsporingsactiviteiten kunnen uitblijven. De pers mag niet</para>
    <para>structureel een Fundgrube worden van bewijsmateriaal omdat dan de</para>
    <para>onafhankelijkheid van de pers al te zeer onder druk zou komen te</para>
    <para>staan. Als steeds wanneer camera's door de pers worden ingezet de</para>
    <para>politie, zogauw strafbare feiten zijn gepleegd, de opnames in beslag</para>
    <para>zou nemen zou dat een druk kunnen leggen op de pers. Het geeft</para>
    <para>immers altijd minstens rompslomp en scheve gezichten. Wellicht</para>
    <para>dreigt dan inderdaad het risico dat de pers door burgers geweerd</para>
    <para>gaat worden of dat de komst van de pers ertoe leidt dat de</para>
    <para>relschoppers ophouden. Het eerste is minder verkieslijk dan het</para>
    <para>tweede. De pers mag geen instrument worden van de politie en van</para>
    <para>justitie in die zin, dat de pers op uitnodiging van de politie</para>
    <para>verschijnt en aldus bewijsmateriaal verzamelt waarvan vervolgens de</para>
    <para>autoriteiten dankbaar gebruik maken; terwijl wellicht elders de pers</para>
    <para>door de autoriteiten overal buiten zal worden gehouden omdat</para>
    <para>publikatie van gebeurtenissen hun onwelgevallig is. Maar in een</para>
    <para>situatie zoals door de rechtbank in haar beschikking is geschetst,</para>
    <para>van een grootschalig oproer, waarbij politieambtenaren door stenen</para>
    <para>gewond raken en waarbij feiten als poging tot zware mishandeling</para>
    <para>volgens de rechtbank zijn gepleegd, leert de ervaring dat</para>
    <para>bewijsverzameling een moeilijke, arbeidsintensieve en kostbare zaak</para>
    <para>is. Dat dán het beschikbaar zijn van beeldmateriaal een uitkomst is</para>
    <para>valt niet te ontkennen.</para>
    <para>9.5. Over de in de inhoud van de in de toelichting op het middel</para>
    <para>gereleveerde "Nota Aanvraag Bevel Uitlevering Stukken" van 22</para>
    <para>december 1998 heeft de rechtbank feitelijk niet meer vastgesteld dan</para>
    <para>uit de beschikking kan blijken, en dat is volgens mij niets. De</para>
    <para>rechtbank verwijst enkel  kort naar de inhoud van een andere nota</para>
    <para>van 29 december 1998. Vermoedens die te maken hebben met de Nota van</para>
    <para>22 december 1998 baseren zich dus niet op feiten die door de</para>
    <para>rechtbank zijn vastgesteld.</para>
    <para>De rechbank heeft feitelijk vastgesteld dat zonder het</para>
    <para>beeldmateriaal ernstige delikten onbestraft zouden blijven. Dat</para>
    <para>oordeel is niet onbegrijpelijk en leent zich niet voor een verdere</para>
    <para>toetsing in cassatie.</para>
    <para>Het eerste middel faalt.</para>
    <para>10.1. Het tweede middel maakt bezwaar tegen de</para>
    <para>evenredigheidstoetsing zoals door de rechtbank uitgevoerd. De</para>
    <para>rechtbank zou over het hoofd hebben gezien dat het materiaal dat de</para>
    <para>rechtbank zelf in ogenschouw neemt bij die toetsing, op het moment</para>
    <para>van het bevel tot uitlevering nog niet bestond.</para>
    <para>10.2. Dit bezwaar kan ik niet delen. De rechtbank heeft de</para>
    <para>gebeurtenissen van 20 december 1998 geschetst in haar beschikking en</para>
    <para>heeft klaarblijkelijk de aangevochten verklaringen gebezigd als</para>
    <para>bevestiging van wat uit andere bron reeds op het moment dat het</para>
    <para>bevel tot uitlevering werd gegeven bekend was. Te denken is aan de</para>
    <para>uitzendingen van de omroepen, de berichten in de kranten, wellicht</para>
    <para>ook aan rapportage door de politie, zoals in het op 22 december 1998</para>
    <para>door G.J. Smit, hoofdinspecteur van politie opgemaakte proces-</para>
    <para>verbaal inhoudende zijn bevindingen op 20 december 1998, of het</para>
    <para>proces-verbaal van 21 december 1998 van A.G. Lockx, inspecteur van</para>
    <para>politie.</para>
    <para>10.3. Voorts klaagt het middel volgens de toelichting over het feit</para>
    <para>dat de rechtbank van oordeel bleek dat aan eisen van evenredigheid</para>
    <para>was voldaan omdat er verdenking was van het plegen van poging tot</para>
    <para>zware mishandeling, terwijl het openbaar ministerie slechts een</para>
    <para>gerechtelijk vooronderzoek had gevorderd op verdenking van openlijke</para>
    <para>geweldpleging. En in dát gerechtelijk vooronderzoek vond het bevel</para>
    <para>tot uitlevering en de inbeslagneming plaats.</para>
    <para>10.4. Ook dat onderdeel kan ik niet onderschrijven. De rechtbank</para>
    <para>heeft als haar mening tot uitdrukking gebracht dat de pogingen tot</para>
    <para>zware mishandeling onderdeel uitmaakten van het feitencomplex</para>
    <para>waarnaar onder de noemer van art.141 Sr een gerechtelijk</para>
    <para>vooronderzoek was begonnen.&amp;lt;(28) Zie bijv. DD 94.312, waarin de voorlopige hechtenis was bevolen in verband met de</para>
    <para>verdenking van een Opiumwetmisdrijf. Verdachte werd daarvoor gedagvaard en ook voor</para>
    <para>het misdrijf van art.140 Sr, waarvoor de voorlopige hechtenis niét was bevolen. De</para>
    <para>rechtbank sprak vrij van het opiumwetmisdrijf en veroordeelde voor art.140 Sr. De</para>
    <para>voorlopige hechtenis werd evenwel door de rechtbank niet opgeheven en werd daarna</para>
    <para>door het hof verlengd. Het hof overwoog daartoe dat het feit waarvoor de verdachte</para>
    <para>wél was veroordeeld behoorde tot hetzelfde materiële feitencomplex waarvoor het</para>
    <para>gerechtelijk vooronderzoek was ingesteld en waarop de voorlopige hechtenis was</para>
    <para>gebaseerd; het opzettelijk verder vervoeren van cocaïne. Het hiertegen gerichte</para>
    <para>cassatiemiddel werd door de Hoge Raad verworpen.</para>
    <para>&amp;gt; Aldus verstaan zijn de overwegingen van</para>
    <para>de rechtbank niet onbegrijpelijk.</para>
    <para>Het tweede middel faalt.</para>
    <para>11.1. Het derde middel klaagt dat de rechtbank de toetsing of aan de</para>
    <para>vereisten van het tweede lid van art.10 EVRM is voldaan, onjuist</para>
    <para>heeft uitgevoerd.</para>
    <para>11.2. Het zal duidelijk zijn dat in mijn opvatting dit middel zonder</para>
    <para>meer niet opgaat, omdat er geen 'interference' in de zin van art.10</para>
    <para>EVRM heeft plaatsgevonden. En dan komt een toetsing aan het tweede</para>
    <para>lid van art.10 EVRM niet te pas.</para>
    <para>10.3. Overigens zou als er wel een 'interference' met art.10 EVRM</para>
    <para>zou hebben plaatsgevonden het bezwaar van het derde middel mijns</para>
    <para>inziens evenmin opgaan. De rechtbank heeft vastgesteld dat er bijna</para>
    <para>geen ander bewijsmateriaal was waarmee gepleegde ernstige delikten</para>
    <para>tot klaarheid konden worden gebracht. Ik kan niet inzien waarom</para>
    <para>art.10 lid 2 EVRM enkel zou zien op de opheldering van</para>
    <para>'halsmisdrijven' zoals de steller van het middel verdedigt. De</para>
    <para>toetsing die in HR NJ 1992,50 uitviel ten gunste van de</para>
    <para>inbeslagnemende autoriteit zou in de onderhavige casus niet anders</para>
    <para>behoren uit te pakken gelet op de vergelijkbare ernst der gepleegde</para>
    <para>delikten. Hetgeen ik hiervoor heb aangevoerd leidt mij tot de</para>
    <para>conclusie dat de zaak Goodwin voor de onderhavige materie van minder</para>
    <para>belang is dan de steller van het middel wil doen voorkomen. Ik wijs</para>
    <para>er nog maar eens op dat het gevaar voor de vrije nieuwsgaring in de</para>
    <para>zaak Goodwin veel pregnanter aanwezig was en dat de daar spelende</para>
    <para>problematiek veel direkter verwant was met al lang erkende</para>
    <para>verschoningsrechten dan hier het geval is. Dat beeldmateriaal wordt</para>
    <para>inbeslaggenomen heeft niets met een vertrouwensrelatie te maken. Dat</para>
    <para>raddraaiers zich tegen de pers zullen keren - of, vanuit</para>
    <para>journalistiek oogpunt misschien nog wel erger, zullen ophouden met</para>
    <para>hun misdrijven en ervandoor zullen gaan - is nog maar speculatief,</para>
    <para>zeker als men daarbij in aanmerking neemt dat de politie zich inzet</para>
    <para>voor het aanmaken van eigen registraties wanneer rellen dreigen.</para>
    <para>Daardoor zal in de toekomst de druk op de pers worden verlicht,</para>
    <para>waardoor een nu al schimmig gevaar nog verder zal vervagen.</para>
    <para>Het derde middel faalt.</para>
    <para>11. Ambtshalve heb ik behoudens hetgeen ik heb aangevoerd in verband</para>
    <para>met het door de officier van justitie voorgestelde middel, geen</para>
    <para>grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.</para>
    <para>12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van de</para>
    <para>rechtbank voorzover daarin het beklag gegrond is verklaard en tot</para>
    <para>verwijzing in zoverre naar het gerechtshof te Amsterdam, en</para>
    <para>overigens tot verwerping van het beroep.</para>
    <para>De Procureur-Generaal</para>
    <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>