<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1999:AA3816</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-04T01:35:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3816</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AG8678</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1999-12-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C98/003HR</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1999:AA3816" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1999:AA3816</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBV0001506&amp;artikel=141&amp;g=1999-12-03">Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 141</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBV0001506&amp;artikel=119 (oud)&amp;g=1999-12-03">Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 119 (oud)</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JAR 2000/17</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2000/54 met annotatie van dr. Margriet Kraamwinkel</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA3816">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA3816</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:53:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1999:AA3816 Parket bij de Hoge Raad , 03-12-1999 / C98/003HR</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA3816:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA3816:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
  <parablock>
    <para>Rolnummer C98/003             mr De Vries Lentsch - Kostense</para>
    <para>Zitting 10 september 1999     Conclusie inzake</para>
    <para>Lutske Bonnema-Rosendal</para>
    <para>tegen</para>
    <para>de Stichting VAM, Opleidingsin</para>
    <para>stituut voor het Motorvoertuig-,</para>
    <para>Tweewieler- en Aanverwante be</para>
    <para>drijf, h.o.d.n. Innovam</para>
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para>Inleiding</para>
    <para>1.   Deze zaak betreft - voorzover in cassatie nog van belang</para>
    <para>- de vraag welke verjaringstermijn geldt voor vorderingen</para>
    <para>terzake van door art. 119 EG-verdrag verboden discriminatie</para>
    <para>van deeltijdwerkers inzake bedrijfspensioenregelingen (uit</para>
    <para>sluiting van "parttimers" van deelname).</para>
    <para>Door kantonrechters en rechtbanken is hierover in ver</para>
    <para>schillende zin beslist. Ook in de literatuur heerst geen</para>
    <para>eenstemmigheid. In deze zaak is art. 2012 BW (oud) (periodieke</para>
    <para>betaling) toegepast. Dat lijkt mij in ieder geval onjuist: het</para>
    <para>cassatiemiddel betoogt terecht dat de verjaringstermijn naar</para>
    <para>het toepasselijke oude recht 30 jaar is. Voordat ik het middel</para>
    <para>bespreek, geef ik een overzicht van de feiten en het verloop</para>
    <para>van het geding, dat is aangevangen in 1992 en waarin aanvanke</para>
    <para>lijk ook aan de orde was of de uitsluiting van deeltijdwerkers</para>
    <para>in strijd is met art. 119 EG-verdrag en zo ja of, in gevallen</para>
    <para>als het onderhavige, ook een beperking in de tijd geldt als be</para>
    <para>doeld in het "Barber-arrest".</para>
    <para>De feiten</para>
    <para>2.   Eiseres tot cassatie, verder Rosendal, in de gedingstuk</para>
    <para>ken ook Bonnema genoemd, is van 1 september 1978 tot 1 novem</para>
    <para>ber 1993 op arbeidsovereenkomst voor halve dagen als admini</para>
    <para>stratief medewerker in dienst geweest bij verweerster in</para>
    <para>cassatie, hierna Innovam.</para>
    <para>Het pensioenreglement van Innovam van 1 januari 1978</para>
    <para>(overgelegd bij brief na pleidooi in appèl; zie ook de produc</para>
    <para>ties bij de inleidende dagvaarding) bepaalde, voorzover van</para>
    <para>belang, dat men tenminste twee jaar in dienst van de werkgever</para>
    <para>diende te zijn alvorens te kunnen worden opgenomen in de</para>
    <para>pensioenregeling.</para>
    <para>Tot 1 januari 1992 kwam Rosendal, als deeltijdwerker, op</para>
    <para>grond van de pensioenreglementen niet in aanmerking voor</para>
    <para>opbouw van pensioen. Vanaf die datum heeft voor Rosendal een</para>
    <para>pensioenvoorziening gegolden, waarbij de pensioenfranchise is</para>
    <para>berekend "naar rato van de gewerkte arbeidstijd".</para>
    <para>Het geding in eerste aanleg</para>
    <para>3.   In dit geding heeft Rosendal - op grond van de stelling</para>
    <para>dat de pensioenregeling van Innovam zoals deze gold tot 1</para>
    <para>januari 1992 in strijd is met art. 119 EG-verdrag - bij de</para>
    <para>Kantonrechter te Leiden primair gevorderd Innovam te veroorde</para>
    <para>len 1) haar op te nemen in de ondernemingspensioenregeling en</para>
    <para>haar opbouw van pensioen toe te kennen met terugwerkende</para>
    <para>kracht tot 1 september 1978, waarbij de omvang van de pen</para>
    <para>sioenopbouw dient te worden vastgesteld naar evenredigheid van</para>
    <para>de opbouw die zou hebben plaatsgevonden indien zij vanaf 1 sep</para>
    <para>tember 1978 bij Innovam in dienst zou zijn geweest op basis</para>
    <para>van een voltijds dienstverband; 2) alle kosten verbonden aan</para>
    <para>de onder 1 bedoelde toekenning te betalen; en subsidiair een</para>
    <para>verklaring voor recht dat Innovam gehouden is haar schadever</para>
    <para>goeding te betalen van een zodanige aard en omvang dat daarmee</para>
    <para>haar schade als gevolg van het gemis van pensioenopbouw via de</para>
    <para>ondernemingspensioenregeling die bij Innovam van toepassing is</para>
    <para>vanaf 1 september 1978 volledig wordt gecompenseerd; een en</para>
    <para>ander met nevenvorderingen.</para>
    <para>Innovam heeft tegen de vordering primair aangevoerd dat</para>
    <para>de uitsluiting van parttime-werknemers in de pensioenregeling</para>
    <para>niet in strijd is met art. 119 EG-verdrag; zij beriep zich</para>
    <para>daarbij op een objectieve rechtvaardigingsgrond. Voor het geval</para>
    <para>dit betoog zou worden verworpen, heeft Innovam zich subsidiair</para>
    <para>op het standpunt gesteld dat Rosendal - in verband met het Bar</para>
    <para>ber-arrest - niet eerder dan met ingang van 17 mei 1990 aan</para>
    <para>spraak kan maken op deelname in de pensioenregeling en de</para>
    <para>opbouw van pensioen.</para>
    <para>4.   Bij tussenvonnis van 1 september 1993 heeft de Kanton</para>
    <para>rechter te Leiden op verzoek van partijen de beslissing aange</para>
    <para>houden in afwachting van de uitspraken van het Hof van Justi</para>
    <para>tie van de Europese Gemeenschappen in de zaken Vroege</para>
    <para>(C-57/93) en Fisscher (C-128/93).</para>
    <para>Nadat het Hof van Justitie op 28 september 1994 in ge</para>
    <para>noemde zaken uitspraak had gedaan, is de procedure voortgezet.</para>
    <para>In het verdere debat heeft Innovam haar verweer gehandhaafd</para>
    <para>dat de uitsluiting van parttime-werknemers in de pensioenrege</para>
    <para>ling niet in strijd is met art. 119 EG-verdrag. Haar verweer</para>
    <para>dat Rosendal niet eerder dan met ingang van 17 mei 1990 aan</para>
    <para>spraak kan maken op deelname in de pensioenregeling en de</para>
    <para>opbouw van pensioen, heeft Innovam in het licht van de genoem</para>
    <para>de uitspraken van het Hof van Justitie niet gehandhaafd. Zij</para>
    <para>heeft betoogd dat de vordering van Rosendal een loonvordering</para>
    <para>is die zowel naar het oude recht (art. 2012 (oud) BW) als naar</para>
    <para>het huidige recht (art. 3:307, lid 1, BW) verjaart na verloop</para>
    <para>van vijf jaren, zodat de vordering van Rosendal slechts be</para>
    <para>trekking kan hebben op een periode van vijf jaar voorafgaande</para>
    <para>aan de datum van de dagvaarding (15 oktober 1992). Voorts</para>
    <para>heeft zij betoogd dat Rosendal het werknemersdeel van de</para>
    <para>pensioenpremie voor haar rekening moet nemen.</para>
    <para>Rosendal heeft bij akte het beroep op verjaring bestre</para>
    <para>den.</para>
    <para>5.   De Kantonrechter verwierp bij eindvonnis van 4 oktober</para>
    <para>1995 (Pensioen Jurisprudentie 1995, 62 m.nt. P.M. Siegman) In</para>
    <para>novams verweer dat de uitsluiting van parttime-werknemers in</para>
    <para>de pensioenregeling niet in strijd is met art. 119 EG-verdrag.</para>
    <para>Hij overwoog voorts dat uit de uitspraak in de zaak Fisscher</para>
    <para>blijkt dat art. 119 van het EG-Verdrag kan worden ingeroepen om</para>
    <para>met terugwerkende kracht tot 8 april 1976 (de datum van de uit</para>
    <para>spraak in de zaak Defrenne II) het recht op aansluiting bij de</para>
    <para>bedrijfspensioenregeling te vorderen.</para>
    <para>Wat het beroep op verjaring betreft, heeft de Kantonrech</para>
    <para>ter vooropgesteld dat niet art. 3:308 maar art. 3:307 van</para>
    <para>toepassing is. Waar het gaat om de primaire vordering tot</para>
    <para>nakoming, betekent de toepasselijke verjaringstermijn van vijf</para>
    <para>jaar, aldus de Kantonrechter, dat deze vordering voor een</para>
    <para>aanmerkelijk deel zou moeten worden afgewezen. Wat de subsidi</para>
    <para>aire vordering tot schadevergoeding betreft, begint de verja</para>
    <para>ringstermijn evenwel pas te lopen op de dag waarop Rosendal</para>
    <para>met de schade bekend is geworden, aldus de Kantonrechter. Naar</para>
    <para>zijn oordeel kan daarvoor als uitgangspunt gekozen worden het</para>
    <para>jaar 1991, waarin de Adviesraad van de Regering voor het</para>
    <para>Emancipatiebeleid zijn rapport "Gelijke behandeling naar</para>
    <para>geslacht in aanvullende pensioenregelingen" publiceerde. Een</para>
    <para>ander uitgangspunt zou volgens de Kantonrechter kunnen zijn de</para>
    <para>datum waarop het Hof van Justitie het arrest-Barber heeft</para>
    <para>gewezen, 17 mei 1990. In beide gevallen is de subsidiaire</para>
    <para>vordering tijdig ingesteld. Ten overvloede heeft de Kanton</para>
    <para>rechter opgemerkt dat een verjaringstermijn van vijf jaren,</para>
    <para>die zou betekenen dat het Rosendal goeddeels onmogelijk wordt</para>
    <para>gemaakt haar aan het gemeenschapsrecht ontleende recht uit te</para>
    <para>oefenen, op gespannen voet zou staan met de verklaring voor</para>
    <para>recht van het Europese Hof in het arrest Fisscher dat "de</para>
    <para>nationale regels betreffende de in het nationale recht gelden</para>
    <para>de beroepstermijnen kunnen worden tegengeworpen aan werknemers</para>
    <para>(...) mits deze regels (...) het in de praktijk niet onmoge</para>
    <para>lijk maken het aan het gemeenschapsrecht ontleende recht uit</para>
    <para>te oefenen".</para>
    <para>De Kantonrechter heeft voor recht verklaard dat Innovam</para>
    <para>gebonden is Rosendal schadevergoeding te betalen van een</para>
    <para>zodanige aard en omvang dat daarmee haar schade als gevolg van</para>
    <para>het gemis van pensioenopbouw via de ondernemingspensioenrege</para>
    <para>ling die bij Innovam van toepassing is, vanaf 1 september 1978</para>
    <para>volledig wordt gecompenseerd. Hij heeft Innovam veroordeeld in</para>
    <para>de kosten en heeft de vordering van Rosendal voor het overige</para>
    <para>afgewezen.</para>
    <para>Het geding in appèl</para>
    <para>6.   Van deze uitspraak is Innovam in hoger beroep gekomen,</para>
    <para>doch uitsluitend voorzover haar beroep op verjaring werd</para>
    <para>verworpen en voorzover niet werd bepaald dat Rosendal gehouden</para>
    <para>is de werknemersbijdrage voor de pensioenopbouw te voldoen.</para>
    <para>Wat de verjaring betreft, heeft Innovam zich primair op het</para>
    <para>standpunt gesteld dat het recht op aansluiting bij een pen</para>
    <para>sioenregeling wordt beheerst door de verjaringsregel van art.</para>
    <para>3:307, lid 1, BW. Subsidiair heeft zij betoogd dat Rosendals</para>
    <para>primaire vordering in ieder geval is verjaard op grond van</para>
    <para>art. 3:308 BW. Zij heeft voorts aangevoerd dat de Kantonrech</para>
    <para>ter heeft miskend dat de subsidiaire vordering van Rosendal op</para>
    <para>grond van art. 3:312 BW niet toewijsbaar is doordat de primai</para>
    <para>re vordering tot nakoming is verjaard. Tot slot heeft Innovam</para>
    <para>betoogd dat de Kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat</para>
    <para>Rosendal vóór 1991 niet bekend kon zijn met haar schade en</para>
    <para>heeft zij bestreden dat een verjaringstermijn van vijf jaar op</para>
    <para>gespannen voet staat met de uitspraak van het Europese Hof in</para>
    <para>de zaak-Fisscher.</para>
    <para>Rosendal heeft tegen het vonnis van de Kantonrechter</para>
    <para>incidenteel geappelleerd. Zij heeft met betrekking tot haar</para>
    <para>primaire vordering betoogd dat art. 3:307 BW toepassing mist</para>
    <para>omdat krachtens art. 73 Overgangswet nog tot 1 januari 1993 de</para>
    <para>naar het oude recht geldende termijn van 30 jaar van toepas</para>
    <para>sing is gebleven, zodat van verjaring geen sprake is nu deze</para>
    <para>verjaring door de dagvaarding van 15 oktober 1992 tijdig is</para>
    <para>gestuit. Zij heeft bovendien betoogd dat de Kantonrechter haar</para>
    <para>primaire vordering bij wege van schadevergoeding op grond van</para>
    <para>art. 6:103 BW had moeten toewijzen. Rosendal heeft haar subsi</para>
    <para>diaire vordering gewijzigd in een vordering tot schadevergoe</para>
    <para>ding op te maken bij staat. In het kader van de bestrijding</para>
    <para>van Innovams principale appèl heeft Rosendal onder meer be</para>
    <para>toogd dat art. 3:307 ook afgezien van art. 73 Overgangswet</para>
    <para>toepassing mist. Omdat noch de arbeidsovereenkomst, noch het</para>
    <para>pensioenreglement een bepaling bevatte die Innovam tot het</para>
    <para>opnemen van Rosendal in de pensioenregeling dwong, is van een</para>
    <para>vordering tot nakoming geen sprake, aldus Rosendal. Voor</para>
    <para>toepassing van art. 3:308 BW is volgens Rosendal geen plaats</para>
    <para>daar haar vordering niet strekt tot periodieke betalingen.</para>
    <para>Rosendal heeft betoogd dat, indien relevant zou zijn op welk</para>
    <para>moment zij met haar schade bekend is geworden, deze bekendheid</para>
    <para>niet kan hebben bestaan voordat het Hof van Justitie in de</para>
    <para>uitspraken Vroege en Fisscher van 1994 (enige) duidelijkheid</para>
    <para>over de pensioenaanspraken van deeltijdwerkers heeft gebracht.</para>
    <para>(Ik merk hierbij op dat deze stelling zich moeilijk verdraagt</para>
    <para>met het feit dat Rosendal het onderhavige geding reeds op 15</para>
    <para>oktober 1992 entameerde.)</para>
    <para>Innovam heeft de incidentele grieven bestreden. Zij heeft</para>
    <para>onderschreven dat de rechtsvordering tot opname in de pen</para>
    <para>sioenregeling ten laste van de werkgever naar oud recht in</para>
    <para>beginsel was onderworpen aan de verjaringstermijn van 30 jaar.</para>
    <para>Omdat de rechtsvordering tot betaling van de werknemerspremies</para>
    <para>reeds na vijf jaar verjaart, zou toepassing van de termijn van</para>
    <para>30 jaar evenwel tot gevolg hebben dat Rosendal in een betere</para>
    <para>positie zou geraken dan haar mannelijke collega's die alle</para>
    <para>jaren werknemerspremies hebben betaald. Art. 119 EG-Verdrag</para>
    <para>verzet zich daarom tegen toepassing van de termijn van 30</para>
    <para>jaar, aldus Innovam. Subsidiair heeft zij aangevoerd dat de</para>
    <para>termijn van 30 jaar buiten toepassing dient te blijven inge</para>
    <para>volge het bepaalde in art. 75 Overgangswet aangezien het -</para>
    <para>gelet op de onduidelijkheid die tot 1994 over de pensioenrech</para>
    <para>ten van deeltijdwerkers heeft bestaan - in strijd met rede</para>
    <para>lijkheid en billijkheid is dat, zoals het gevolg van toepas</para>
    <para>sing van de termijn van 30 jaar zou zijn, "de lasten van</para>
    <para>opname van Rosendal in de pensioenregeling praktisch eenzijdig</para>
    <para>bij Innovam komen te liggen." Tot slot heeft Innovam bestreden</para>
    <para>dat de primaire vordering van Rosendal bij wege van schadever</para>
    <para>goeding zou kunnen worden toegewezen en heeft zij aangevoerd</para>
    <para>dat, al zou dat anders zijn, deze vordering op grond van art.</para>
    <para>3:310 is onderworpen aan een verjaringstermijn van vijf jaar</para>
    <para>die zeker vanaf 1986 is gaan lopen.</para>
    <para>Partijen hebben haar standpunten bij pleidooi nader toege</para>
    <para>licht. Daarbij heeft Innovam onder meer nog aangevoerd dat een</para>
    <para>vordering op grond van art. 119 EG-Verdrag, anders dan Rosen</para>
    <para>dal betoogt, strekt tot nakoming van een verplichting die in</para>
    <para>de arbeidsverhouding ligt besloten. Voorts heeft Innovam be</para>
    <para>toogd dat de vorderingen van Rosendal, nu Rosendal deze kenne</para>
    <para>lijk op onrechtmatige daad baseert, niet kunnen worden toege</para>
    <para>wezen omdat Rosendal niet alle daarvoor vereiste elementen, in</para>
    <para>het bijzonder "verwijtbaarheid", heeft gesteld.</para>
    <para>7.   De Rechtbank te 's-Gravenhage heeft in haar tussenvonnis</para>
    <para>van 16 april 1997 (Pensioen Jurisprudentie 1997, 39 m.nt. H.P.</para>
    <para>Breuker; JAR 1997, 62) - als tussen partijen niet in geschil -</para>
    <para>tot uitgangspunt genomen dat de in de pensioenreglementen van</para>
    <para>Innovam van vóór 1 januari 1992 vervatte uitsluiting van</para>
    <para>deeltijdwerknemers in strijd is met art. 119 EG-Verdrag. Zij</para>
    <para>heeft overwogen dat deze verboden discriminatie niet los</para>
    <para>gedacht kan worden van de arbeidsverhouding tussen partijen,</para>
    <para>zodat "-anders dan Rosendal kennelijk meent - haar primaire</para>
    <para>vordering niet gegrond [kan] zijn op onrechtmatig nalaten".</para>
    <para>Het ligt volgens de Rechtbank voor de hand deze vordering -</para>
    <para>die strekt tot het met terugwerkende kracht opnemen van Rosen</para>
    <para>dal in de ondernemingspensioenregeling - aan te merken als een</para>
    <para>vordering tot nakoming (rechtsoverweging 6.6).</para>
    <para>De Rechtbank heeft vastgesteld dat Innovam op grond van</para>
    <para>het gemeenschapsrecht jegens Rosendal gehouden was een pen</para>
    <para>sioentoezegging te doen als welke zij eerst met ingang van 1</para>
    <para>januari 1992 jegens haar heeft gedaan. Naar het oordeel van de</para>
    <para>Rechtbank is de vordering tot nakoming van deze verplichting</para>
    <para>krachtens art. 2004 (oud) BW onderworpen aan een verjarings</para>
    <para>termijn van 30 jaar. Deze termijn liep op grond van art. 73</para>
    <para>Overgangswet door tot 1 januari 1993 en is door Rosendal op 15</para>
    <para>oktober 1992 met het uitbrengen van de dagvaarding gestuit,</para>
    <para>aldus de Rechtbank (rechtsoverweging 6.7).</para>
    <para>De Rechtbank heeft opgemerkt dat Rosendal, gelet op</para>
    <para>vermelde stuiting, nog steeds het recht heeft om van Innovam</para>
    <para>aansluiting bij de bedrijfspensioenregeling te eisen. Onder</para>
    <para>verwijzing naar het Fisscher-arrest tekent zij daarbij aan dat</para>
    <para>Rosendal zich niet kan onttrekken aan betaling van de op de</para>
    <para>betrokken periode van aansluiting betrekking hebbende premie.</para>
    <para>Daarop heeft de Rechtbank echter overwogen:</para>
    <para>"6.9. Nu in 1978 voor werknemers van Innovam een wachttijd van</para>
    <para>twee jaar gold kan Rosendal in beginsel vorderen dat Innovam</para>
    <para>gehouden is Rosendal met terugwerkende kracht tot 1 september</para>
    <para>1980 op te nemen in haar pensioenregeling. Innovam voert in</para>
    <para>haar memorie van grieven onder nr 24 terecht aan dat de ver</para>
    <para>plichting van Innovam om Rosendal aan te sluiten zich vertaalt</para>
    <para>in een verplichting tot betaling van premies door werkgever en</para>
    <para>werknemer en dat deze verplichting er een is bij het jaar of</para>
    <para>een kortere termijn. Zowel onder het oude recht (art. 2012 BW)</para>
    <para>als onder het nieuwe recht (art. 3:308 BW) geldt voor de</para>
    <para>vordering tot betaling bij het jaar of korter een verjarings</para>
    <para>termijn van 5 jaar. Naar het oordeel van de rechtbank doet</para>
    <para>derhalve Innovam terecht een beroep op verjaring. Dit brengt</para>
    <para>mee dat Innovam niet verplicht is tot het betalen van premies</para>
    <para>ten aanzien van de periode liggend vóór 15 oktober 1987. De</para>
    <para>toepassing van deze verjaringsregels op de op het gemeen</para>
    <para>schapsrecht gebaseerde vorderingen van Rosendal is naar het</para>
    <para>oordeel van de Rechtbank niet ongunstiger dan voor soortgelij</para>
    <para>ke vorderingen terzake achterstallig salaris en maakt het</para>
    <para>evenmin in de praktijk onmogelijk voor Rosendal om het aan het</para>
    <para>gemeenschapsrecht ontleende recht uit te oefenen."</para>
    <para>De Rechtbank heeft vervolgens een comparitie bevolen om</para>
    <para>nadere inlichtingen te verkrijgen over de mogelijkheid dat</para>
    <para>Rosendal uitsluitend met terugwerkende kracht pensioenaanspra</para>
    <para>ken opbouwt op basis van werkgeverspremies en heeft iedere</para>
    <para>verdere beslissing aangehouden.</para>
    <para>Van de comparitie is afgezien nadat de advocaat van</para>
    <para>Innovam de Rechtbank door het overleggen van een brief van de</para>
    <para>pensioenverzekeraar schriftelijk had doen weten dat Innovam</para>
    <para>voor een koopsom van ƒ 11.581,92 het werkgeversdeel van het</para>
    <para>pensioen vanaf 15 oktober 1987 tot 1 januari 1992 kan inkopen.</para>
    <para>Bij eindvonnis van 3 september 1997 heeft de Rechtbank vervol</para>
    <para>gens het vonnis van de Kantonrechter vernietigd en, opnieuw</para>
    <para>recht doende, Innovam veroordeeld Rosendal alsnog met ingang</para>
    <para>van 15 oktober 1987 op te nemen in haar ondernemingspensioen</para>
    <para>regeling en in verband daarmee de hiervoor genoemde inkoopsom</para>
    <para>voor haar rekening te nemen. De kosten heeft de Rechtbank</para>
    <para>gecompenseerd.</para>
    <para>Het cassatieberoep</para>
    <para>8.   Tegen deze beslissing heeft Rosendal - tijdig - beroep in</para>
    <para>cassatie ingesteld, onder aanvoering van een uit acht onderde</para>
    <para>len bestaand middel. Innovam is in cassatie niet verschenen.</para>
    <para>Van de zijde van Rosendal is schriftelijke toelichting gege</para>
    <para>ven.</para>
    <para>Het cassatiemiddel; inleiding</para>
    <para>9.   Ter inleiding op de behandeling van het middel geef ik</para>
    <para>een korte uiteenzetting met betrekking tot de gemeenschaps</para>
    <para>rechtelijke achtergrond van deze zaak.</para>
    <para>Krachtens art. 119 EG-verdrag dienen de Lid-Staten het</para>
    <para>beginsel te verzekeren van gelijke beloning voor mannelijke en</para>
    <para>vrouwelijke werknemers voor gelijke arbeid. In de uitspraak De</para>
    <para>frenne II van 8 april 1976 (43/75; Jur. 1976, p. 455; NJ 1976,</para>
    <para>510) heeft het Hof van Justitie van de EG geoordeeld dat aan</para>
    <para>deze bepaling rechtstreekse werking toekomt.</para>
    <para>In de uitspraak Bilka van 13 mei 1986 (170/84; Jur. 1986,</para>
    <para>p. 1607) oordeelde het Hof dat art. 119 wordt geschonden als</para>
    <para>een werkgever deeltijdwerknemers uitsluit van de bedrijfs</para>
    <para>pensioenregeling, indien die maatregel een veel groter aantal</para>
    <para>vrouwen dan mannen treft, tenzij de werkgever aantoont dat</para>
    <para>bedoelde maatregel haar verklaring vindt in factoren die</para>
    <para>objectief gerechtvaardigd zijn en niets van doen hebben met</para>
    <para>discriminatie op grond van geslacht.</para>
    <para>Volgens de uitspraken van 28 september 1994 Vroege</para>
    <para>(C-57/93; Jur. 1994, p. I-4541; NJ 1995, 385) en Fisscher</para>
    <para>(C-128/93; Jur. 1994, p. I-4583) moeten deeltijdwerknemers,</para>
    <para>wat het recht op aansluiting bij een pensioenregeling betreft,</para>
    <para>met terugwerkende kracht vanaf 8 april 1976 gelijk worden</para>
    <para>behandeld. Met betrekking tot dit recht op aansluiting bij een</para>
    <para>pensioenregeling geldt dus niet de beperking in de tijd die</para>
    <para>met betrekking tot het recht op en de opbouw van pensioenuit</para>
    <para>keringen is aangebracht door het Hof in zijn uitspraken van 17</para>
    <para>mei 1990 (Barber; C-262/88; Jur. 1990, p. I-1889; NJ 1992,</para>
    <para>436) en 6 oktober 1993 (Ten Oever; C-109/91; Jur. 1993, p. I-</para>
    <para>4879; NJ 1994, 714) en door de Lid-Staten in het Barber-proto</para>
    <para>col (protocol nr. 2 bij het Unie-Verdrag, waarover S. Prechal,</para>
    <para>NJB 1992, p. 349-354), een beperking in de tijd die impliceert</para>
    <para>dat pas vanaf de datum van het Barber-arrest aanspraak bestaat</para>
    <para>op gelijke pensioenopbouw. Het Hof motiveert zulks met een</para>
    <para>verwijzing naar de uitspraak Bilka, waarin voor het recht op</para>
    <para>aansluiting geen enkele beperking in de tijd is voorzien.</para>
    <para>In de uitspraken Dietz van 24 oktober 1996 (C-435/93;</para>
    <para>Jur. 1996, p. I-5223) en Magorrian en Cunningham van 11 decem</para>
    <para>ber 1997 (C-246/96; Jur. 1997, p. I-7153) verduidelijkte het</para>
    <para>Hof dat het recht op aansluiting bij een bedrijfspensioen</para>
    <para>regeling het recht impliceert om uit hoofde van die regeling</para>
    <para>pensioen te ontvangen. Op grond van art. 119 kunnen op discri</para>
    <para>minerende wijze uitgesloten deeltijdwerknemers derhalve in</para>
    <para>beginsel aanspraak maken op aansluiting bij de betrokken</para>
    <para>pensioenregeling en op opbouw van pensioen met terugwerkende</para>
    <para>kracht tot aan de datum van de uitspraak Defrenne II (8 april</para>
    <para>1976). De Rechtbank heeft in rechtsoverweging 6.7 dan ook</para>
    <para>terecht overwogen dat "Innovam op grond van het gemeenschaps</para>
    <para>recht jegens Rosendal gehouden was een pensioentoezegging te</para>
    <para>doen als welke zij eerst met ingang van 1 januari 1992 jegens</para>
    <para>Rosendal heeft gedaan".</para>
    <para>Zie voor een toepassing van de genoemde Europese recht</para>
    <para>spraak Uw arrest van 6 november 1998, NJ 1999, 398 m.nt. TK en</para>
    <para>nadere gegevens in de conclusie van (toenmalig) A-G Mok. Zie</para>
    <para>over de Europese rechtspraak in dit verband voorts (ik maak</para>
    <para>een selectie uit de vloed van literatuur) M.R. Mok, TVVS 1994,</para>
    <para>p. 308-312; W.P.M. Thijssen, Advocatenblad 1994, p. 1000-1007;</para>
    <para>P.M. Siegman, PS 1994, p. 1976-1983; J. Wouters, Rechtskundig</para>
    <para>Weekblad 1994-1995, p. 1385-1396 en 1417-1431; E.A. Whiteford,</para>
    <para>SMA 1995, p. 638-643; S. Prechal en J. Wouters, SEW 1995,</para>
    <para>p. 759-792; J. Wouters, NJCM-Bulletin 1995, p. 274-302; M.</para>
    <para>Kraamwinkel, Pensioen, emancipatie en gelijke behandeling</para>
    <para>(diss. Utrecht 1995), p. 48 e.v.; I. van der Steen, Tijd</para>
    <para>schrift voor Europees recht 1997, p. 115-119; E.A. Whiteford,</para>
    <para>Adapting to Change (diss. Leiden 1997), p. 133 e.v.; P.M.</para>
    <para>Tulfer, Pensioenen, fondsen en verzekeraars, 1997, p. 155</para>
    <para>e.v.; M.H. van Coeverden, ArbeidsRecht 1998, 6/7, p. 11-14 en</para>
    <para>R. Barents/L.J. Brinkhorst, Grondlijnen van Europees recht,</para>
    <para>1998, p. 451-454. Zie voor de pensioenpositie van deeltijdwer</para>
    <para>kers thans ook art. 2a, lid 1, Pensioen- en spaarfondsenwet.</para>
    <para>10.  In de reeds aangehaalde uitspraak in de zaak Fisscher</para>
    <para>heeft het Hof van Justitie - in overeenstemming met zijn vaste</para>
    <para>rechtspraak - voorts geoordeeld dat de in het nationale recht</para>
    <para>geldende "beroepstermijnen" (waartoe het ook de termijn van de</para>
    <para>verjaring van de rechtsvordering rekent) kunnen worden tegen</para>
    <para>geworpen aan werknemers die hun recht op aansluiting bij een</para>
    <para>bedrijfspensioenregeling doen gelden, mits deze regels voor</para>
    <para>dit soort vorderingen niet ongunstiger zijn dan voor soortge</para>
    <para>lijke nationale vorderingen en zij het in de praktijk niet</para>
    <para>onmogelijk maken om het aan het gemeenschapsrecht ontleende</para>
    <para>recht uit te oefenen.</para>
    <para>11.  De Rechtbank heeft - als vermeld - geoordeeld dat Rosen</para>
    <para>dals primaire vordering over de periode van 1 september 1980</para>
    <para>tot 15 oktober 1987 is verjaard omdat de verplichting van</para>
    <para>Innovam om Rosendal aan te sluiten bij een pensioenregeling</para>
    <para>"zich vertaalt" in een verplichting tot betaling van premies</para>
    <para>waarop de verjaringstermijn van vijf jaar van art. 2012 BW</para>
    <para>(oud) en art. 308 BW van toepassing is (rechtsoverweging 6.9).</para>
    <para>Dit oordeel wordt in cassatie bestreden.</para>
    <para>Zoals gezegd, wordt in de lagere jurisprudentie verschil</para>
    <para>lend over de verjaringskwestie gedacht. Zie voor een gelijke</para>
    <para>beslissing als die van de Rechtbank: Rechtbank Alkmaar 26</para>
    <para>september 1996, Pensioen Jurisprudentie 1996, 79; Kantonrech</para>
    <para>ter Utrecht 21 september 1995, Pensioen Jurisprudentie 1995,</para>
    <para>42; Kantonrechter Utrecht 1 november 1995 (in zijn subsidiaire</para>
    <para>oordeel), Pensioen Jurisprudentie 1995, 64, JAR 1995, 244 en</para>
    <para>Kantonrechter Utrecht 22 mei 1996, Pensioen Jurisprudentie</para>
    <para>1996, 70.</para>
    <para>Rechtbank Utrecht 19 maart 1997, Pensioen Jurisprudentie</para>
    <para>1997, 22 achtte naar oud recht de verjaringstermijn van 30</para>
    <para>jaar van toepassing.</para>
    <para>Kantonrechter Rotterdam 15 september 1995, Pensioen Juris</para>
    <para>prudentie 1995, 43, JAR 1995, 205 en Kantonrechter Utrecht 1</para>
    <para>november 1995, Pensioen Jurisprudentie 1995, 64, JAR 1995, 244</para>
    <para>kwamen voor het huidige recht uit op een termijn van vijf jaar</para>
    <para>op grond van art. 3:307 BW.</para>
    <para>Zie over de verjaringskwestie en de lagere rechtspraak</para>
    <para>onder meer: H.P. Breuker, Tijdschrift voor Pensioenvraagstuk</para>
    <para>ken 1995, p. 110-113; W.A. van Veen, NJB 1995, p. 213-214; M.</para>
    <para>Kraamwinkel, Pensioen, emancipatie en gelijke behandeling</para>
    <para>(diss. Utrecht 1995), p. 62 e.v.; H.P. Breuker, aantekening</para>
    <para>bij Kantonrechter Utrecht 21 september 1995, Pensioen Jurispru</para>
    <para>dentie 1995, 42 en bij Kantonrechter Rotterdam 15 september</para>
    <para>1995, Pensioen Jurisprudentie 1995, 43; P.M. Siegman, Gelijke</para>
    <para>behandeling van mannen en vrouwen in aanvullende pensioenrege</para>
    <para>lingen, 1996, p. 89-90; M.H. van Coeverden, ArbeidsRecht 1996,</para>
    <para>24, p. 23-26; R.A.C.M. Langemeijer, aantekening bij Rechtbank</para>
    <para>Alkmaar 26 september 1996, Pensioen Jurisprudentie 1996, 79;</para>
    <para>P.M. Siegman, aantekening bij Kantonrechter Utrecht 22 mei</para>
    <para>1996, Pensioen Jurisprudentie 1996, 70; H.P. Breuker in zijn</para>
    <para>aantekening bij het tussenvonnis van de Rechtbank in deze zaak</para>
    <para>in Pensioen Jurisprudentie 1997, 39 en P.M. Tulfer, Pensioe</para>
    <para>nen, fondsen en verzekeraars, 1997, p. 193 e.v. Zie over het</para>
    <para>belang van deze zaak ook nog Nemesis 1999, p. 140.</para>
    <para>De middelonderdelen 1-4</para>
    <para>12.  Onderdeel 1 dient ter inleiding en bevat geen zelfstandi</para>
    <para>ge klacht.</para>
    <para>13.  Onderdeel 2 betoogt dat het vonnis van de Rechtbank</para>
    <para>innerlijk tegenstrijdig is, nu de rechtbank enerzijds in</para>
    <para>rechtsoverweging 6.7 overweegt dat Rosendal de dertigjarige</para>
    <para>verjaring van de rechtsvordering tot nakoming van de op Inno</para>
    <para>vam rustende verplichting om haar een pensioentoezegging te</para>
    <para>doen tijdig heeft gestuit, doch anderzijds in rechtsoverweging</para>
    <para>6.9 dat de bedoelde verplichting "zich vertaalt" in een ver</para>
    <para>plichting tot betaling van premies, dat de vordering terzake</para>
    <para>is onderworpen aan een verjaringstermijn van vijf jaar en dat</para>
    <para>deze vordering over de periode 1980-1987 is verjaard.</para>
    <para>Onderdeel 3 bestrijdt het oordeel van de Rechtbank dat de</para>
    <para>eerstgenoemde verplichting "zich vertaalt" in de laatstgenoem</para>
    <para>de. In dat verband wordt betoogd dat Rosendals primaire vorde</para>
    <para>ring ertoe strekt dat Innovam Rosendal alsnog "met terugwer</para>
    <para>kende kracht" opneemt in de pensioenregeling, met dien ver</para>
    <para>stande dat Innovam in plaats van de periodieke premiegedeelten</para>
    <para>die voor haar rekening zouden zijn gekomen indien Rosendal van</para>
    <para>het begin (1 september 1980) af aan deelneemster zou zijn</para>
    <para>geweest, een bedrag ineens (een afkoopsom) voor haar rekening</para>
    <para>neemt teneinde te bewerkstelligen dat Rosendal recht op pen</para>
    <para>sioen zal verwerven alsof zij reeds van het begin af aan deel</para>
    <para>neemster zou zijn geweest.</para>
    <para>14.  De klacht van het tweede onderdeel is gegrond. Uit de</para>
    <para>hiervoor weergegeven rechtspraak van het Hof van Justitie</para>
    <para>blijkt dat het recht op aansluiting bij een pensioenregeling</para>
    <para>niet los kan worden gezien van het recht op opbouw van pen</para>
    <para>sioenrechten over de periode van de aansluiting. Aansluiting</para>
    <para>zonder opbouw is zinloos. Het recht op aansluiting impliceert</para>
    <para>het recht op opbouw en het recht om uit hoofde van de pen-</para>
    <para>sioenregeling pensioen te ontvangen. De Rechtbank heeft dit</para>
    <para>miskend door te oordelen dat de vordering tot aansluiting, ook</para>
    <para>over de periode van 1 september 1980 tot 15 oktober 1987, niet</para>
    <para>is verjaard (rechtsoverweging 6.7) doch de aanspraak op beta</para>
    <para>ling van premies (en daarmee van pensioenopbouw) over de</para>
    <para>genoemde periode wel (rechtsoverweging 6.9). In zoverre is</para>
    <para>haar vonnis inderdaad innerlijk tegenstrijdig.</para>
    <para>15.  Deze tegenstrijdigheid vindt haar oorzaak in het oordeel</para>
    <para>van de Rechtbank in rechtsoverweging 6.9 dat de verplichting</para>
    <para>tot aansluiting "zich vertaalt" in een verplichting tot het</para>
    <para>periodiek betalen van premie. Tegen dit oordeel komt het derde</para>
    <para>middelonderdeel terecht op.</para>
    <para>Het gewraakte oordeel berust wellicht op de opvatting dat</para>
    <para>Rosendal krachtens art. 119 EG-verdrag van rechtswege in de</para>
    <para>positie werd geplaatst die zij volgens deze bepaling zou</para>
    <para>moeten hebben, te weten in de positie van deelneemster in de</para>
    <para>pensioenregeling van Innovam op "werktijdsevenredig" gelijke</para>
    <para>voet als werknemers in voltijdse dienst. Voor deze opvatting</para>
    <para>zou het volgende kunnen pleiten. Volgens de relevante pen-</para>
    <para>sioenreglementen van Innovam vanaf 1982 (het reglement van</para>
    <para>1978 is op dit punt onduidelijk) is in de pensioenregeling</para>
    <para>opgenomen "de werknemer die [op de ingangsdatum van de pen-</para>
    <para>sioenregeling] aan de gestelde opnemingsvereisten voldoet".</para>
    <para>Tot de opnemingsvereisten behoort steeds dat het moet gaan om</para>
    <para>werknemers "met een volledige dagtaak". Laat men deze zinsne</para>
    <para>de, als strijdig met het gemeenschapsrecht, buiten toepassing,</para>
    <para>dan had Rosendal direct (met ingang van 1 september 1980)</para>
    <para>rechten aan het pensioenreglement kunnen ontlenen en zou op</para>
    <para>Innovam, met ingang van genoemde datum, de verplichting hebben</para>
    <para>gerust premies voor Rosendal te betalen. Men kan hier een</para>
    <para>analogie zien met gevallen van betaling van ongelijk loon: de</para>
    <para>vordering van de gediscrimineerde werknemer tot betaling van</para>
    <para>het verschil wordt beschouwd als een loonvordering en niet als</para>
    <para>een vordering het verschil in beloning anderszins ongedaan te</para>
    <para>maken. Zie, mede in verband met de afwijkende verjaringster</para>
    <para>mijn van art. 11 Wet gelijke behandeling, losbladige Arbeids</para>
    <para>overeenkomst, aant. op art. 11 Wet gelijke behandeling (A.M.</para>
    <para>Gerritsen). Voor deze opvatting pleit ook dat de werknemer</para>
    <para>volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie zijn rechten</para>
    <para>uit art. 119 direct tegen de beheerders van de pensioenrege</para>
    <para>ling kan laten gelden; zie de uitspraak van 24 oktober 1996</para>
    <para>(Dietz; C-435/93; Jur. 1996 I-5223). Of dit laatste ook voor</para>
    <para>pensioenverzekeraars geldt (in casu voorziet het pensioenre</para>
    <para>glement in verzekering van de pensioenaanspraken via een</para>
    <para>pensioenverzekeraar), is echter onzeker; zie P.M. Tulfer,</para>
    <para>Pensioenen, fondsen en verzekeraars, 1997, p. 123-124.</para>
    <para>Tegen de opvatting dat Rosendal reeds per 1 september</para>
    <para>1980 als deelnemer in de pensioenregeling moet worden be</para>
    <para>schouwd pleit echter met name dat aan de opbouw van aanvullend</para>
    <para>pensioen een (door de werknemer geaccepteerde) pensioentoezeg</para>
    <para>ging ten grondslag moet liggen, terwijl bovendien afspraken</para>
    <para>met de pensioenverzekeraar gemaakt moeten zijn ingeval het -</para>
    <para>zoals in casu - gaat om een bij een pensioenverzekeraar verze</para>
    <para>kerd pensioen. (Zie E. Lutjens, Pensioenvoorzieningen voor</para>
    <para>werknemers, 1989, p. 126 e.v.; P.M. Tulfer, Pensioenen, fond</para>
    <para>sen en verzekeraars, 1997, p. 70 e.v.; zie ook Ph.H.J.G. van</para>
    <para>Huizen, WPNR 6010 (1991), p. 421-427, i.h.b. p. 426.) Pen-</para>
    <para>sioenrechten kunnen - anders dan het recht op toekenning van</para>
    <para>pensioenrechten - naar mijn oordeel dan ook niet op de hier</para>
    <para>voor geschetste wijze uit art. 119 EG-verdrag ontstaan. Het</para>
    <para>deelnemerschap van Rosendal per 1 september 1980 zou ook een</para>
    <para>fictie zijn; dit blijkt reeds uit de omstandigheid dat de</para>
    <para>opbouw van pensioenrechten (ook over de periode vanaf 1987)</para>
    <para>niet plaatsvindt door het alsnog betalen van de periodieke</para>
    <para>premie, doch door het betalen van een inkoopsom. (Zie P.M.</para>
    <para>Tulfer, Pensioenen, fondsen en verzekeraars, 1997, p. 198-199,</para>
    <para>met verwijzingen.) Ook de Rechtbank lijkt hiervan te zijn</para>
    <para>uitgegaan; haar overweging dat Rosendal "met terugwerkende</para>
    <para>kracht" "thans nog" aansluiting kan eisen en de door haar</para>
    <para>uitgesproken veroordeling (van Innovam) tot het betalen van</para>
    <para>een inkoopsom zijn niet verenigbaar met de opvatting dat Rosen</para>
    <para>dal krachtens art. 119 EG-Verdrag reeds per 1 september 1980</para>
    <para>als deelnemer in de pensioenregeling wordt beschouwd en met</para>
    <para>het oordeel dat de verplichting tot aansluiting "zich ver</para>
    <para>taalt" in een verplichting tot het periodiek betalen van</para>
    <para>premie.</para>
    <para>Op grond van het zojuist betoogde kom ik dan ook tot de</para>
    <para>conclusie dat de verplichting tot aansluiting zich - anders</para>
    <para>dan de Rechtbank aannam - niet "vertaalt" in een verplichting</para>
    <para>tot het periodiek betalen van premie. Van verjaring op grond</para>
    <para>van art. 2012 BW kan derhalve reeds daarom geen sprake zijn.</para>
    <para>Het vonnis van de Rechtbank kan dan ook niet in stand blijven.</para>
    <para>16.  Al zou het gewraakte oordeel van de Rechtbank (het oor</para>
    <para>deel omtrent - kort gezegd - "het zich vertalen") juist zijn,</para>
    <para>dan nog kan het bestreden vonnis niet in stand blijven. Onder</para>
    <para>deel 4 betoogt - in verband met onderdeel 3 - namelijk met</para>
    <para>recht dat, ook al zou de verplichting van Innovam zich verta</para>
    <para>len in een verplichting tot het periodiek betalen van premie,</para>
    <para>daarop in de verhouding tussen Innovam en Rosendal niet de</para>
    <para>verjaringstermijn van art. 2012 BW (oud) van toepassing is.</para>
    <para>Art. 2012 ziet immers alleen op verplichtingen tot betaling</para>
    <para>van periodiek vervallende bedragen aan de schuldeiser. Zie Uw</para>
    <para>arrest van 24 januari 1975, NJ 1975, 244, m.nt. GJS; Pit</para>
    <para>lo/Hidma, Bewijs en Verjaring, 1981, p. 236 en de conclusie</para>
    <para>van (toenmalig) A-G Mok voor Uw arrest van 10 september 1993,</para>
    <para>NJ 1993, 736. Bij pensioenrechten die op een toezegging berus</para>
    <para>ten, heeft de werknemer geen contractuele aanspraak op perio</para>
    <para>dieke betalingen, maar een contractuele aanspraak op periodie</para>
    <para>ke betalingen aan een ander (zo ook Hof Den Haag 24 april</para>
    <para>1964, NJ 1966, 36).</para>
    <para>Dat art. 2012 BW (oud) niet van toepassing is, blijkt ook</para>
    <para>uit Uw zojuist genoemde arrest van 10 september 1993. Het ging</para>
    <para>in die zaak om een werkgever die niet had voldaan aan zijn</para>
    <para>wettelijke verplichting tot het afdragen van ouderdomspen</para>
    <para>sioenpremie ten bate van een werknemer aan de Stichting So</para>
    <para>ciaal Fonds Bouwnijverheid (SFB). De werknemer stelde zich op</para>
    <para>het standpunt dat de werkgever aldus onrechtmatig jegens hem</para>
    <para>had gehandeld en vorderde voldoening aan het SFB of aan hem</para>
    <para>zelf van het bedrag dat nodig was om hem het pensioen te</para>
    <para>garanderen dat hij zou hebben gehad indien de werkgever wel</para>
    <para>aan diens verplichting had voldaan. De Kantonrechter en de</para>
    <para>Rechtbank oordeelden dat de vordering van de werknemer was</para>
    <para>verjaard op grond van art. 2012 BW (oud). Uw Raad stelde vast</para>
    <para>dat in deze procedure is vooropgesteld dat de vordering van de</para>
    <para>werknemer is gegrond op onrechtmatig handelen, bestaande in</para>
    <para>"het niet nakomen van een wettelijke plicht welke in nauw</para>
    <para>verband staat met de tussen partijen gesloten overeenkomst"</para>
    <para>overwoog vervolgens:</para>
    <para>"3.4 Op een vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatig</para>
    <para>nalaten is art. 2012 BW niet van toepassing. Dat geldt óók</para>
    <para>indien het, zoals hier, gaat om nalaten van het doen van</para>
    <para>periodieke betalingen aan een derde (SFB) die ter zake een</para>
    <para>eigen vorderingsrecht heeft dat wèl onderworpen is aan deze</para>
    <para>bepaling. (...) Evenmin bestaat anderszins grond voor analogi</para>
    <para>sche toepassing van art. 2012. Door zulk een toepassing zou de</para>
    <para>werkgever worden beschermd ten koste van de werknemer: diens</para>
    <para>achterwege laten van contrôle op nakoming door de werkgever</para>
    <para>van zijn verplichting tot afdracht van ouderdomspensioenpre</para>
    <para>mies en van het zonodig nemen van rechtsmaatregelen ter zake</para>
    <para>zou telkens na vijf jaar voor zijn eigen rekening komen. Dat</para>
    <para>zou evenwel niet stroken met de aard van de arbeidsovereen</para>
    <para>komst die meebrengt dat de werknemer in beginsel erop mag</para>
    <para>vertrouwen dat zijn werkgever bedoelde verplichting regelmatig</para>
    <para>nakomt, noch met de op bescherming van de werknemer gerichte</para>
    <para>strekking van de [pensioen]wetgeving."</para>
    <para>Ik meen dat deze uitspraak ook kan worden toegepast in</para>
    <para>het onderhavige geval, waarin het, anders dan in Uw arrest,</para>
    <para>niet gaat om een wettelijk verplichte deelneming aan een</para>
    <para>pensioenfonds (zie over dit verschil de conclusie van (toenma</para>
    <para>lig) A-G Mok onder 3.1.6 en B. Wessels, Tijdschrift voor</para>
    <para>Pensioenvraagstukken 1993, p. 118-120, m.n. p. 118). De "be</para>
    <para>schermingsgedachte" die aan het slot van Uw hiervoor aange</para>
    <para>haalde overweging tot uitdrukking komt, geldt evenzeer voor de</para>
    <para>pensioenrechten uit een toezegging. (Zie hierover W.A. van</para>
    <para>Veen, NJB 1995, p. 213-214; anders Kantonrechter Utrecht 1</para>
    <para>november 1995, Pensioen Jurisprudentie 1995, 64; JAR 1995,</para>
    <para>244.) Aan het voorgaande doet niet af dat Rosendal in casu</para>
    <para>wist of kon weten dat haar werkgever geen premie voor haar</para>
    <para>betaalde nu deze haar geen pensioentoezegging had gedaan. De</para>
    <para>verjaringsregel die de Rechtbank toepast zou immers ook (zelfs</para>
    <para>in de eerste plaats) moeten gelden in het geval dat een werk</para>
    <para>gever wel een pensioentoezegging heeft gedaan, doch vervolgens</para>
    <para>nalaat de periodiek verschuldigde premie aan de pensioenverze</para>
    <para>keraar te betalen.</para>
    <para>17.  Uit het voorgaande volgt dat het vonnis van de Rechtbank</para>
    <para>niet in stand kan blijven. Anders dan de Rechtbank heeft geoor</para>
    <para>deeld, is de algemene verjaringstermijn van 30 jaar van art.</para>
    <para>2004 BW (oud) van toepassing die, zoals de Rechtbank in</para>
    <para>rechtsoverweging 5.7 heeft overwogen, tijdig is gestuit.</para>
    <para>Resteert het verweer van Innovam dat art. 119 EG-Verdrag</para>
    <para>en art. 75 Overgangswet zich verzetten tegen toepassing van de</para>
    <para>termijn van dertig jaar. Aan de behandeling van dit verweer</para>
    <para>kwam de Rechtbank niet toe omdat zij de dertigjarige termijn</para>
    <para>niet van toepassing achtte. Aan de stelling dat art. 119 EG-</para>
    <para>Verdrag en art. 75 Overgangswet zich tegen toepassing van de</para>
    <para>dertigjarige termijn verzetten heeft Innovam ten grondslag</para>
    <para>gelegd dat toepassing van de termijn van 30 jaar tot gevolg</para>
    <para>zou hebben dat Rosendal in een betere positie zou geraken dan</para>
    <para>haar mannelijke collega's die alle jaren werknemerspremies</para>
    <para>hebben betaald omdat de rechtsvordering tot betaling van de</para>
    <para>werknemerspremies reeds na vijf jaar verjaart, en dat "de</para>
    <para>lasten van opname van Rosendal in de pensioenregeling prak</para>
    <para>tisch eenzijdig bij Innovam komen te liggen." De Rechtbank</para>
    <para>overwoog echter - in overeenstemming met het gemeenschapsrecht</para>
    <para>(zie nr. 10) en in cassatie onbestreden - dat Rosendal zich</para>
    <para>niet kan onttrekken aan betaling van de op de betrokken perio</para>
    <para>de van aansluiting betrekking hebbende premie; Rosendal vor</para>
    <para>derde - gezien haar gewijzigde vordering - ook slechts pen</para>
    <para>sioenopbouw uitsluitend op basis van werkgeverspremies en de</para>
    <para>Rechtbank heeft die vordering toegewezen, zij het met een</para>
    <para>beperking in de tijd. Reeds daarom gaat Innovams beroep op het</para>
    <para>buiten toepassing laten van de dertigjarige, in casu tijdig</para>
    <para>gestuite, termijn niet op, wat daarvan overigens zij en in het</para>
    <para>bijzonder daargelaten of dit beroep zich verdraagt met het</para>
    <para>gemeenschapsrecht.</para>
    <para>Nu vaststaat dat Innovams beroep op verjaring moet worden</para>
    <para>verworpen, kan Uw Raad naar mijn oordeel de zaak zelf afdoen.</para>
    <para>Uit de bij brief van 3 juli 1997 aan de Rechtbank overgelegde</para>
    <para>brief van de verzekeringsmaatschappij van 20 juni 1997 blijkt</para>
    <para>dat het mogelijk is Rosendal - conform hetgeen zij primair</para>
    <para>vorderde - tegen betaling van een inkoopsom op basis van</para>
    <para>uitsluitend het werkgeversdeel van de premies alsnog de pensi</para>
    <para>oenrechten toe te kennen die zij had behoren op te bouwen.</para>
    <para>Voor toewijzing van de primaire vordering is het naar mijn</para>
    <para>oordeel niet nodig inlichtingen in te winnen over de hoogte</para>
    <para>van de inkoopsom; partijen kunnen zich daarover zelf met de</para>
    <para>verzekeraar verstaan. Het vonnis van de Rechtbank behoeft</para>
    <para>slechts te worden vernietigd voorzover de door de Rechtbank</para>
    <para>uitgesproken veroordeling in de tijd is beperkt tot 15 oktober</para>
    <para>1987 terwijl ook de kostenveroordeling niet in stand kan</para>
    <para>blijven; Innovam moet worden veroordeeld om Rosendal alsnog</para>
    <para>met ingang van 1 september 1980 op te nemen in haar onderne</para>
    <para>mingspensioenregeling en in verband daarmee alsnog voor haar</para>
    <para>rekening te nemen de daarmee verband houdende inkoopsom welke</para>
    <para>uitsluitend op basis van de werkgeverspremies moet worden</para>
    <para>berekend.</para>
    <para>De overige middelonderdelen</para>
    <para>18.  De overige onderdelen van het middel behoeven geen be</para>
    <para>spreking. Evenmin bestaat aanleiding om, zoals de schriftelij</para>
    <para>ke toelichting bepleit, uitgebreid in te gaan op de vraag naar</para>
    <para>de verjaring onder het huidige recht. Uit het voorgaande volgt</para>
    <para>dat art. 3:308 op een vordering als die van Rosendal niet van</para>
    <para>toepassing is. Naar mijn oordeel strekt Rosendals vordering om</para>
    <para>haar (Rosendal) alsnog, met terugwerkende kracht, op te nemen</para>
    <para>in de pensioenregeling, tot een doen, voortvloeiend uit de</para>
    <para>tussen haar en Innovam bestaande arbeidsovereenkomst. De verja</para>
    <para>ring wordt derhalve beheerst door art. 3:307, lid 1. Op de</para>
    <para>vordering tot herstel van of tot schadevergoeding wegens niet-</para>
    <para>nakoming zijn dan de art. 3:311, 3:310 en 3:312 van toepas</para>
    <para>sing. Indien Innovam wegens schending van de in art. 119 EG-</para>
    <para>verdrag neergelegde verplichtingen ook aansprakelijk zou zijn</para>
    <para>uit onrechtmatige daad, geldt art. 3:310.</para>
    <para>Voorzover toepassing van de genoemde bepalingen tot</para>
    <para>gevolg zou hebben dat een deel van de vordering van Rosendal</para>
    <para>is verjaard, rijst de vraag of het gemeenschapsrecht zich, in</para>
    <para>het licht van de uitspraken van het Hof van Justitie in de</para>
    <para>zaken Dietz en Magorrian en Cunningham (reeds aangehaald) in</para>
    <para>verband met zijn uitspraken van 27 oktober 1993 (Steenhorst-</para>
    <para>Neerings; C 338/91; Jur. 1993, p. I-5475) en 6 december 1994</para>
    <para>(Johnson; C 410/92; Jur. 1994, p. I-5483), en mede gelet op de</para>
    <para>mogelijkheid van stuiting van de verjaring, verzet tegen een</para>
    <para>verjaringsregeling waarbij niet alle dienstjaren van Rosendal</para>
    <para>na 8 april 1976 in aanmerking worden genomen voor de bereke</para>
    <para>ning van het pensioen. Zie over deze vraag J. Wouters, Rechts</para>
    <para>kundig Weekblad 1994-1995, p. 1428 e.v.; H.P. Breuker, Tijd</para>
    <para>schrift voor Pensioenvraagstukken 1995, p. 110-113; E.A.</para>
    <para>Whiteford, Adapting to Change (diss. Leiden 1997), p. 138</para>
    <para>e.v.; H.P. Breuker, Tijdschrift voor Pensioenvraagstukken</para>
    <para>1998, p. 67-68; A. Kaspers, Sociaal Recht 1998, p. 227-228; E.</para>
    <para>Lutjens, Tijdschrift voor Pensioenvraagstukken 1998, p. 29-31;</para>
    <para>M.H. van Coeverden, ArbeidsRecht 1998, 6/7, p. 13-14. De vraag</para>
    <para>werd ontkennend beantwoord door de Rechtbank in deze zaak en</para>
    <para>door de Rechtbank Alkmaar 26 september 1996, Pensioen Jurispru</para>
    <para>dentie 1996, 79. Waarschijnlijk zou de Hoge Raad over deze</para>
    <para>kwestie prejudiciële vragen dienen te stellen; het stellen van</para>
    <para>dergelijke vragen is in deze procedure niet mogelijk, nu het</para>
    <para>antwoord erop voor de beslissing irrelevant is.</para>
    <para>Conclusie</para>
    <para>De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis</para>
    <para>en tot afdoening in voege als hiervoor onder 17 vermeld.</para>
    <para>De Procureur-Generaal bij de</para>
    <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>