<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1999:AA3802</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T02:46:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3802</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1999-11-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">111.424</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1999:AA3802" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1999:AA3802</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001854&amp;artikel=55&amp;g=1999-11-23">Wetboek van Strafrecht 55</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 1999, 259</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2000, 587 met annotatie van D.H. de Jong</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA3802">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA3802</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:53:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1999:AA3802 Parket bij de Hoge Raad , 23-11-1999 / 111.424</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA3802:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA3802:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
  <parablock>
    <para>Nr. 111.424                                                mr N. Keijzer</para>
    <para>zitting 21 september 1999                                  conclusie inzake</para>
    <para>T. de Vries</para>
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para>1. Bij uitspraak van 13 juni 1997 heeft het Gerechtshof te Arnhem de</para>
    <para>verdachte van het hem onder 2 telastegelegde van alle rechtsvervolging</para>
    <para>ontslagen, en hem, ter zake van (1) deelneming aan een organisatie die</para>
    <para>tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, en kort gezegd, (3)</para>
    <para>feitelijke leiding geven aan het onjuist doen van belastingaangifte, (4)</para>
    <para>en (9) feitelijke leiding geven aan valsheid in geschrift, (5) en (7)</para>
    <para>feitelijke leiding geven aan bedrieglijke bankbreuk, en (6) en (8)</para>
    <para>feitelijke leiding geven aan flessentrekkerij, veroordeeld tot een</para>
    <para>gevangenisstraf voor de duur van drie jaren.</para>
    <para>2. Tegen deze uitspraak heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld. Het</para>
    <para>beroep is kennelijk niet gericht tegen het gegeven ontslag van alle</para>
    <para>rechtsvervolging ter zake van feit 2.</para>
    <para>3. Namens de verdachte heeft mr W.A. Holland, advocaat te Nijmegen, vier</para>
    <para>middelen van cassatie voorgesteld.</para>
    <para>4. Het eerste middel heeft betrekking op de bewijsvoering ter zake van feit</para>
    <para>3. Betoogd wordt dat het Hof ten onrechte onbesproken heeft gelaten het</para>
    <para>verweer dat, omdat de N.V. Brugse Im- en Export maatschappij niet in</para>
    <para>Nederland was gevestigd, de belastingaangifte niet onjuist was.</para>
    <para>5. Onder 3 is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:</para>
    <para>Brugse Im- en Export maatschappij in de gemeente Rijswijk in de</para>
    <para>periode van 1 januari 1992 tot en met 7 oktober 1992, opzettelijk,</para>
    <para>als buitenlands belastingplichtige, in de zin van de Wet op de</para>
    <para>Omzetbelasting 1968, over het tijdvak van 1 januari tot en met 30</para>
    <para>september van het jaar 1992, bij de Wet op de Omzetbelasting 1968</para>
    <para>in verband met de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen voorziene</para>
    <para>aangifte onjuist heeft gedaan, terwijl daarvan het gevolg zou</para>
    <para>kunnen zijn dat te veel belasting zou kunnen worden terugontvangen</para>
    <para>of terugbetaald,</para>
    <para>Brugse Im- en Export maatschappij heeft op het door of namens de</para>
    <para>bevoegde inspecteur der belastingen aan haar, N.V. Brugse Im- en</para>
    <para>Export maatschappij, uitgereikte biljet "Verzoek om teruggaaf van</para>
    <para>de belasting over de toegevoegde waarde" betreffende het tijdvak</para>
    <para>van 1 januari tot en met 30 september van het jaar 1992,</para>
    <para>opzettelijk in strijd met de waarheid op het bij dat biljet</para>
    <para>behorende formulier "BTW-bedragen over het tijdvak waarop dit</para>
    <para>verzoek betrekking heeft" in de kolom "Bedrag van de belasting</para>
    <para>waarvoor teruggaaf wordt verzocht" een totaalbedrag van f</para>
    <para>43.147,54, ingevuld en heeft opzettelijk genoemd biljet en dat</para>
    <para>formulier, waarop dat onjuiste bedrag was vermeld, doen voorzien</para>
    <para>van enige ondertekening en vervolgens opzettelijk doen toekomen</para>
    <para>aan de bevoegde inspecteur der belastingen;</para>
    <para>hebbende hij, verdachte, (als directeur van N.V. Brugse Im- en</para>
    <para>Export maatschappij) tot het vorenomschreven feit opdracht gegeven</para>
    <para>en de feitelijke leiding gegeven aan vorenomschreven verboden</para>
    <para>gedraging".</para>
    <para>6. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 29 en</para>
    <para>&amp;lt;?</para>
    <para>111.424</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>30 mei 1997 (pleitnota, blz. 20-22) heeft de raadsman aldaar het verweer</para>
    <para>gevoerd dat in de toelichting op het middel is samengevat, te weten, kort</para>
    <para>gezegd, dat het bedrag aan belasting waarvoor teruggaaf werd verzocht</para>
    <para>niet onjuist was, omdat de N.V. Brugse Im- en Export maatschappij niet in</para>
    <para>Nederland was gevestigd en derhalve enerzijds ingevolge art. 12, tweede</para>
    <para>lid (oud) Wet op de Omzetbelasting&amp;lt;(1)1.     Art. 12, tweede lid (oud), Wet op de omzetbelasting 1968 luidde ten</para>
    <para>tijde van de bewezenverklaarde gedraging:</para>
    <para>Ingeval de ondernemer die de levering of de dienst verricht, niet</para>
    <para>in Nederland woont of is gevestigd en aldaar geen vaste inrichting</para>
    <para>heeft en degene aan wie de levering wordt verricht of de dienst</para>
    <para>wordt verleend, een ondernemer is die in Nederland woont of is</para>
    <para>gevestigd dan wel daar een vaste inrichting heeft, of een in</para>
    <para>Nederland gevestigd lichaam in de zin van de Algemene wet inzake</para>
    <para>rijksbelastingen is, wordt de belasting geheven van degene aan wie</para>
    <para>de levering wordt verricht of de dienst wordt bewezen.</para>
    <para>&amp;gt; geen belasting behoefde te berekenen</para>
    <para>ter zake van levering in Nederland, en anderzijds ingevolge art. 17 van</para>
    <para>die Wet&amp;lt;(2)2.  Art. 17 Wet op de omzetbelasting 1968 luidt:</para>
    <para>Ingeval de voor aftrek in aanmerking komende belasting meer bedraagt</para>
    <para>dan de in het tijdvak verschuldigd geworden belasting, wordt het</para>
    <para>verschil aan de ondernemer op zijn verzoek terugbetaald.</para>
    <para>&amp;gt; recht had op terugbetaling.&amp;lt;(3) Kennelijk had de raadsman hierbij het oog op art. 15, eerste lid, aanhef</para>
    <para>en onder a, Wet op de omzetbelasting 1968, welke bepaling luidt:</para>
    <para>De in artikel 2 bedoelde belasting welke de ondernemer in aftrek</para>
    <para>brengt is:</para>
    <para>a. de belasting welke in het tijdvak van aangifte door andere</para>
    <para>ondernemers ter zake van door hen aan de ondernemer verrichte</para>
    <para>leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht op een op</para>
    <para>de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>7. Het Hof heeft op dit verweer, waarvan de weerlegging niet voortvloeit uit</para>
    <para>de gebezigde bewijsmiddelen, niet een met redenen omklede beslissing</para>
    <para>gegeven, waartoe het echter wel gehouden was.&amp;lt;(4) Vgl. HR 16 februari 1982, NJ 1982, 411 (dakbedekker); HR 12 februari 1985,</para>
    <para>NJ 1985, 608 (wapenstok); HR 8 december 1987, NJ 1989, 85 (rietsnijder); HR</para>
    <para>21 maart 1989, NJ 1989, 888 ("De Zwarte Markt"); HR 9 februari 1999, NJ</para>
    <para>1999, 315 (loop).</para>
    <para>&amp;gt; De bewezenverklaring ter</para>
    <para>zake van feit 3 is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed.</para>
    <para>8. Het middel is dus terecht voorgesteld.</para>
    <para>9. Het tweede middel betoogt dat het Hof ten onrechte onbesproken heeft</para>
    <para>gelaten het verweer dat de levering van wijn door Roelof de Vries aan</para>
    <para>I.S.P.C. Breda heeft plaatsgehad door middel van constitutum possessorium</para>
    <para>respectievelijk traditio longa manu, zodat de desbetreffende facturen van</para>
    <para>Roelof de Vries B.V. aan I.S.P.C. Breda niet vals waren.</para>
    <para>10. Onder 4 is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:</para>
    <para>"de besloten vennootschap Roelof de Vries B.V. op tijdstippen</para>
    <para>de periode 1 november 1991 tot en met 31 augustus 1992, in de</para>
    <para>gemeente 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen,</para>
    <para>meermalen, telkens opzettelijk een faktuur - zijnde een geschrift</para>
    <para>dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, telkens</para>
    <para>valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die fakturen als echt</para>
    <para>en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken en</para>
    <para>opzettelijk gebruik heeft gemaakt van die fakturen, terwijl uit</para>
    <para>dat gebruik telkens enig nadeel kon ontstaan,</para>
    <para>immers hebben Roelof de Vries B.V. en haar meedaders valselijk en</para>
    <para>in strijd met de waarheid op die fakturen, gedateerd 16 maart</para>
    <para>1992, vermeld of doen vermelden - zakelijk weergegeven - dat door</para>
    <para>Roelof de Vries B.V. wijnen waren geleverd aan I.S.P.C. te Breda,</para>
    <para>en bestaande het gebruikmaken hierin dat Roelof de Vries B.V. die</para>
    <para>fakturen, waarin valselijk en in strijd met de waarheid was</para>
    <para>vermeld - zakelijk weergegeven - dat door Roelof de Vries B.V.</para>
    <para>wijnen waren geleverd aan I.S.P.C. te Breda heeft doen toekomen</para>
    <para>aan I.S.P.C. te Breda,</para>
    <para>hebbende hij, verdachte, toen daar (als directeur van Roelof de</para>
    <para>Vries B.V.) telkens tot de vorenomschreven feiten opdracht gegeven</para>
    <para>en de feitelijke leiding gegeven aan vorenomschreven verboden</para>
    <para>gedragingen".</para>
    <para>11. Dat de fakturen waarin was vermeld dat door Roelof de Vries B.V. wijnen</para>
    <para>waren geleverd aan I.S.P.C. valselijk zijn opgemaakt heeft het Hof kunnen</para>
    <para>afleiden uit de volgende gebezigde bewijsmiddelen, in onderlinge samen</para>
    <para>hang beschouwd:</para>
    <para>De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het Hof</para>
    <para>van 13 november 1996, (bewijsmiddel 12) voorzover inhoudende:</para>
    <para>"De Brugse verkocht de wijn aan Stichting Media Interpress, deze</para>
    <para>stichting verkocht de wijn aan Stichting Intermedia Amsterdam,</para>
    <para>laatstgenoemde stichting verkocht de wijn aan Roelof de Vries</para>
    <para>B.V., waarvan ik directeur was."</para>
    <para>Het proces-verbaal van 22 mei 1994 (bewijsmiddel 15) voorzover als</para>
    <para>verklaring van Bakkes inhoudende:</para>
    <para>"Wel was het duidelijk dat het ging om het opmaken van valse</para>
    <para>facturen. (?) Tekke de Vries gaf mij kort daarop aan in een</para>
    <para>notitie wat de inhoud van de valselijk op te maken facturen moest</para>
    <para>zijn. Hij gaf daarbij aan de omschrijving, adressering aan Roelof</para>
    <para>de Vries B.V. te Den Haag, de bedragen en de datum van facturering</para>
    <para>alsmede de datum waarop het bedrag contant voldaan moest zijn."</para>
    <para>12. Hieruit heeft het Hof immers kunnen afleiden dat de levering van wijnen</para>
    <para>door de Stichting Intermedia aan Roelof de Vries B.V. nooit heeft</para>
    <para>plaatsgehad, en daaruit heeft het Hof weer kunnen afleiden dat de</para>
    <para>facturen betreffende de levering van die wijnen door Roelof de Vries B.V.</para>
    <para>aan I.S.P.C. te Breda evenmin de waarheid weergeven.</para>
    <para>13. De motivering van de verwerping van het verweer is mitsdien gelegen in</para>
    <para>de gebezigde bewijsmiddelen.</para>
    <para>14. Het middel faalt derhalve.</para>
    <para>15. Het derde middel betreft de feiten 5 en 7. Betoogd wordt dat het Hof</para>
    <para>heeft verzuimd een met redenen omklede beslissing te geven op het verweer</para>
    <para>dat die feiten niet kunnen worden gesubsumeerd onder art. 341 Sr,</para>
    <para>aangezien art. 344 Sr dienaangaande als een bijzondere strafbepaling moet</para>
    <para>worden beschouwd.&amp;lt;(5) Kennelijk zijn bedoeld art. 341 (oud) Sr en art. 344 (oud) Sr. De</para>
    <para>wijzigingen die sedert de bewezenverklaarde feiten in die wetsartikelen</para>
    <para>zijn aangebracht geven geen blijk van een gewijzigd inzicht van de wetgever</para>
    <para>omtrent de strafwaardigheid van gedragingen als de onderhavige, zodat art.</para>
    <para>1, tweede lid, Sr buiten beeld blijft.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>16. Onder 5 (primair) is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:</para>
    <para>"de besloten vennootschap Vegter Utrecht B.V. op tijdstippen</para>
    <para>periode van 1 januari 1991 tot en met 25 augustus 1991, in de</para>
    <para>gemeente(n) Ede en/of Arnhem en/of Utrecht en/of Delfzijl, tezamen</para>
    <para>en in vereniging met de besloten vennootschap Löwe &amp; Co B.V.,</para>
    <para>(statutair) gevestigd te Ede, welke rechtspersoon op 21 augustus</para>
    <para>1991 in staat van faillissement is verklaard, meermalen, telkens</para>
    <para>ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van</para>
    <para>Löwe &amp; Co B.V., op een tijdstip waarop Vegter Utrecht B.V. en Löwe</para>
    <para>&amp; Co B.V. wisten dat het faillissement van Löwe &amp; Co B.V. niet kon</para>
    <para>worden voorkomen één schuldeiser van Löwe &amp; Co B.V. op enige wijze</para>
    <para>bevoordeeld heeft,</para>
    <para>hierin bestaande dat Vegter Utrecht B.V. en Löwe &amp; Co B.V. toen</para>
    <para>daar afspraken hebben gemaakt omtrent het laten oplopen van</para>
    <para>schulden van Löwe &amp; Co B.V. bij haar leveranciers (met</para>
    <para>uitzondering van de besloten vennootschap Vegter Utrecht B.V.) en</para>
    <para>omtrent het door Löwe &amp; Co B.V. (contant) betalen van</para>
    <para>vleesleveranties door de besloten vennootschap Vegter Utrecht B.V.</para>
    <para>en (vervolgens) [&amp;lt;(6) Vermoedelijk is in de bewezenverklaring evenals in de telastlegging per</para>
    <para>abuis weggevallen: Löwe &amp; Co B.V.</para>
    <para>&amp;gt;] toen daar telkens vorderingen van Vegter</para>
    <para>Utrecht B.V. op Löwe &amp; Co B.V. door middel van overschrijvingen</para>
    <para>bij een bank- en/of giro-instelling heeft voldaan (tot enig bedrag</para>
    <para>aan geld),</para>
    <para>zulks terwijl vorderingen op Löwe &amp; Co B.V. van (diverse) andere</para>
    <para>leveranciers of schuldeisers niet werden voldaan,</para>
    <para>hebbende hij, verdachte, toen daar (als directeur van Vegter</para>
    <para>Utrecht B.V.) tezamen en in vereniging met anderen tot de</para>
    <para>vorenomschreven feiten opdracht gegeven en de feitelijke leiding</para>
    <para>gegeven aan de vorenomschreven verboden gedragingen".</para>
    <para>17. Onder 7 (primair) is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:</para>
    <para>"de besloten vennootschap Vegter Utrecht B.V. op tijdstippen</para>
    <para>periode van 1 april 1992 tot en met 30 juni 1992, in de gemeenten</para>
    <para>Diepenveen en/of Utrecht en/of Delfzijl, tezamen en in vereniging</para>
    <para>met de besloten vennootschap Ling Trading B.V., (statutair)</para>
    <para>gevestigd te Tubbergen, welke rechtspersoon op 3 juni 1992 in</para>
    <para>staat van faillissement is verklaard, meermalen, telkens ter</para>
    <para>bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van</para>
    <para>Ling Trading B.V., op een tijdstip waarop Vegter Utrecht B.V. en</para>
    <para>Ling Trading B.V. wisten dat het faillissement van Ling Trading</para>
    <para>B.V. niet kon worden voorkomen, één schuldeiser van Ling Trading</para>
    <para>B.V. op enige wijze bevoordeeld heeft,</para>
    <para>hierin bestaande dat Ling Trading B.V. en Vegter Utrecht B.V. toen</para>
    <para>daar telkens afspraken hebben gemaakt omtrent het laten oplopen</para>
    <para>van schulden van Ling Trading B.V. bij haar leveranciers (met</para>
    <para>uitzondering van Vegter Utrecht B.V.) en omtrent het door Ling</para>
    <para>Trading B.V. (contant) betalen van (vlees)leveranties door Vegter</para>
    <para>Utrecht B.V. en [&amp;lt;(7) Vermoedelijk is in de bewezenverklaring evenals in de telastlegging per</para>
    <para>abuis weggevallen: Ling Trading B.V.</para>
    <para>&amp;gt;] toen daar vorderingen van Vegter Utrecht B.V.</para>
    <para>op Ling Trading B.V. door middel van overschrijvingen via een</para>
    <para>bank- en/of giro-instelling heeft voldaan (tot enig bedrag aan</para>
    <para>geld),</para>
    <para>zulks terwijl vordering(en) op Ling Trading B.V. van (diverse)</para>
    <para>andere leveranciers of schuldeisers niet werden voldaan,</para>
    <para>hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen (als</para>
    <para>directeur van Vegter Utrecht B.V.) tot de vorenomschreven feiten</para>
    <para>opdracht gegeven en de feitelijke leiding gegeven aan de</para>
    <para>vorenomschreven verboden gedragingen".</para>
    <para>18. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29</para>
    <para>en 30 mei 1997 (pleitnota, blz. 36) heeft de raadsman aldaar ter zake van</para>
    <para>feit 5 onder andere het volgende verweer gevoerd:</para>
    <para>"Mocht U van oordeel zijn dat het onder 5 primair, subsidiair</para>
    <para>meer subsidiair telastegelegde wel kan worden bewezen dan kan dat</para>
    <para>niet leiden tot kwalificatie als het strafbaar gestelde onder art.</para>
    <para>341 Sr, aangezien de strafbaarstelling van art. 344 aanhef en</para>
    <para>onder 1 Sr voor wat betreft het accepteren van de betaling van een</para>
    <para>niet opeisbare of opeisbare schuld in het vooruitzicht van het</para>
    <para>faillissement moet worden beschouwd als een bijzondere</para>
    <para>strafbepaling ten opzichte van het onttrekken van enig goed aan de</para>
    <para>boedel alsmede ten opzichte van de strafbare deelneming aan</para>
    <para>bedrieglijke bankbreuk. Vergelijk: C.M. Hilverda, faillissements</para>
    <para>fraude, proefschrift 1992, bladzijde 333. Dit moet leiden tot</para>
    <para>ontslag van alle rechtsvervolging."</para>
    <para>19. Blijkens diezelfde pleitnota, blz. 51, heeft de raadsman ter zake van</para>
    <para>feit 7 onder meer betoogd:</para>
    <para>"Bij het meest subsidiair telastegelegde verwijs ik naar mijn</para>
    <para>subsidiaire opmerking met betrekking tot het sub 5 telastegelegde:</para>
    <para>bij bewezen verklaring van het primair, het subsidiair of het meer</para>
    <para>subsidiair telastegelegde, dan kan geen kwalificatie plaats</para>
    <para>vinden, aangezien er sprake is van een lex specialis (art. 344</para>
    <para>aanhef en onder 1 Sr voor wat betreft het accepteren van de</para>
    <para>betaling van een niet opeisbare of opeisbare schuld in het</para>
    <para>vooruitzicht van het faillissement)."</para>
    <para>20. Inderdaad heeft het Hof verzuimd omtrent dit verweer een met redenen</para>
    <para>omklede beslissing te nemen. Voorzover het middel daarover klaagt is het</para>
    <para>gegrond. Dit behoeft echter niet tot cassatie te leiden, gelet op het</para>
    <para>navolgende.</para>
    <para>21. Art. 341 (oud) Sr stelt in de aanhef en onder 3° strafbaar, kort gezegd,</para>
    <para>degene die, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuld</para>
    <para>eisers, ter gelegenheid van zijn faillissement of op een tijdstip waarop</para>
    <para>hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, een van zijn</para>
    <para>schuldeisers op enige wijze bevoordeeld heeft of bevoordeelt.</para>
    <para>Art. 344 (oud) Sr stelt in de aanhef en onder 1° in fine strafbaar, kort</para>
    <para>gezegd, degene die, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der</para>
    <para>schuldeisers, in geval van faillissement of in het vooruitzicht daarvan,</para>
    <para>ten gevolge van overleg met de schuldenaar, betaling aanneemt van een</para>
    <para>opeisbare schuld.</para>
    <para>Art. 344 (oud) Sr heeft in zoverre betrekking op een schuldeiser, art.</para>
    <para>341 Sr op de schuldenaar. Art. 344 Sr kent als strafmaximum gevangenis</para>
    <para>straf van vier jaren en zes maanden; op bedrieglijke bankbreuk (art. 341</para>
    <para>Sr) is gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren gesteld. Het verschil in</para>
    <para>strafmaximum is verklaarbaar doordat het nu eenmaal een natuurlijke</para>
    <para>eigenschap van schuldeisers is dat zij, om zich voor schade te vrijwaren,</para>
    <para>betaling verlangen van hetgeen hun verschuldigd is.&amp;lt;(8) B.F. Keulen, Bankbreuk, ons strafrechtelijk faillissementsrecht, diss.</para>
    <para>R.U.G., Arnhem 1990, blz. 215.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>22. Indien een schuldenaar bedrieglijke bankbreuk pleegt door het</para>
    <para>bevoordelen van een schuldeiser, en wel in overleg met hem, vervult die</para>
    <para>schuldeiser de delictsomschrijving van art. 344, aanhef en onder 1° in</para>
    <para>fine, (oud) Sr. Hierbij ga ik er gemakshalve vanuit dat zowel is voldaan</para>
    <para>aan "ter gelegenheid van zijn faillissement of op een tijdstip waarop hij</para>
    <para>wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen" (art. 341 Sr) als</para>
    <para>aan "in geval van faillissement of in het vooruitzicht daarvan" (art. 344</para>
    <para>(oud) Sr).&amp;lt;(9) Zie omtrent de geringheid van dit onderscheid: B.F. Keulen, o.c., blz.</para>
    <para>158, en blz. 217 (noot 363).</para>
    <para>&amp;gt; De vraag of, indien sprake is van bewuste en nauwe</para>
    <para>samenwerking, hetgeen veelal het geval zal zijn, op de gedraging van de</para>
    <para>schuldeiser art. 341 jo. art. 47 Sr van toepassing is, moet ontkennend</para>
    <para>worden beantwoord, omdat de wetgever speciaal met het oog op die</para>
    <para>schuldeiser het evenbedoelde onderdeel van art. 344, aanhef en onder 1°,</para>
    <para>Sr heeft geschreven,&amp;lt;(10) De geschiedenis van de invoeging in art. 344 Sr van de passage onder 1° in</para>
    <para>fine wordt uiteengezet door B.F. Keulen, o.c., blz. 214-217.</para>
    <para>&amp;gt; een (privilegiërende) lex specialis.&amp;lt;(11) Aldus ook C.M. Hilverda, Faillissementsfraude, diss. K.U.N., Zwolle 1992,</para>
    <para>blz. 333, en C.M. Hilverda c.s., Faillissementsfraude in de praktijk,</para>
    <para>Deventer, 1999, blz. 108.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>HR 22 januari 1906, W 8329 en HR 19 maart 1906, W 8352, bij welke</para>
    <para>arresten Uw Raad wel art. 48 Sr jo. art. 346 respectievelijk art. 341 Sr</para>
    <para>maar niet art. 344 Sr van toepassing achtte, nopen niet tot een ander</para>
    <para>oordeel. Die arresten handelen immers over het onttrekken van goederen,</para>
    <para>niet omtrent het aannemen van betaling van een schuld. Van de strafbaar</para>
    <para>stelling, in art. 344 Sr, van aan de boedel onttrekken van enig goed kan</para>
    <para>niet worden gezegd dat zij speciaal voor de schuldeiser is geschreven.</para>
    <para>Onttrekken kan immers ook worden gedaan door een derde; in zoverre houdt</para>
    <para>die wetsbepaling dus geen specialis in.</para>
    <para>HR 19 maart 1906, W 8352, betrof een geval waarbij een schuldeiser door</para>
    <para>bedreiging met onmiddellijke faillissementsaanvrage zijn schuldenaar had</para>
    <para>gebracht tot in betaling geven van goederen, waarbij hij een grotere</para>
    <para>waarde aan goederen ontving dan zijn vordering bedroeg; de schuldeiser</para>
    <para>was veroordeeld wegens uitlokking van bedrieglijke bankbreuk. Uw Raad</para>
    <para>liet die kwalificatie in stand, kennelijk oordelende dat naast de</para>
    <para>specialis van art. 344, aanhef en onder 1° in fine, Sr ook art. 341 jo.</para>
    <para>art. 47 Sr van toepassing was omdat het bij "betaling aannemen van een</para>
    <para>schuld" niet was gebleven. Ook dat arrest staat dus niet in de weg aan</para>
    <para>het oordeel dat in de onderhavige zaak de laatstgenoemde bepaling wel had</para>
    <para>moeten worden toegepast.</para>
    <para>23. In aanmerking genomen dat de feiten 5 en 7 alle bestanddelen van art.</para>
    <para>344, aanhef en onder 1° in fine, (oud) Sr vervullen, had het Hof die</para>
    <para>feiten als bij die bepaling strafbaar gestelde misdrijven moeten</para>
    <para>kwalificeren.&amp;lt;(12) Vgl. HR 13 januari 1896, W 6757 (kinderdoodslag). Zie voorts D.H. de Jong,</para>
    <para>De macht van de telastelegging, Arnhem, 1981, blz. 129-133.</para>
    <para>&amp;gt; Dit brengt mee dat het Hof het verweer, dat strekt ten</para>
    <para>betoge dat de verdachte van alle rechtsvervolging moet worden ontslagen,</para>
    <para>terecht heeft verworpen.</para>
    <para>24. Het middel faalt derhalve.</para>
    <para>25. Het vierde middel klaagt over de verwerping door het Hof van het ter</para>
    <para>terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer dat de dagvaarding voor</para>
    <para>wat betreft het onder 6 en onder 8 telastegelegde nietig moet worden</para>
    <para>verklaard.</para>
    <para>26. Onderdeel 6 en onderdeel 8 van de telastelegging betreffen telkens, kort</para>
    <para>gezegd: primair en subsidiair flessentrekkerij, meer subsidiair en nog</para>
    <para>meer subsidiair oplichting, nog meer subsidiair en nog meer subsidiair</para>
    <para>flessentrekkerij, nog meer subsidiair en nog meer subsidiair oplichting,</para>
    <para>nog meer subsidiair opzetheling, en nog meer subsidiair schuldheling.</para>
    <para>27. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 29 en</para>
    <para>30 mei 1997 (pleitnota) heeft de raadsman aldaar het verweer gevoerd dat</para>
    <para>in de toelichting op het middel is samengevat, te weten:</para>
    <para>Op blz. 43 van de pleitnota (ten aanzien van feit 6):</para>
    <para>"Tenslotte de laatste twee varianten: opzetheling en schuldheling.</para>
    <para>Allereerst wijs ik erop dat geen van beide varianten voldoet aan</para>
    <para>het bepaalde in art. 261 Sv. In beide varianten is immers volstaan</para>
    <para>met een weergave van de delictsomschrijving, zonder dat sprake is</para>
    <para>van een behoorlijke feitelijke omschrijving van hetgeen zich zou</para>
    <para>hebben voorgedaan. Noch omtrent de hoeveelheden vlees, noch</para>
    <para>omtrent de wijze waarop deze door Vegter Utrecht zouden zijn</para>
    <para>verkregen is enig gegeven vermeld waaruit zou kunnen blijken op</para>
    <para>welke gedragingen de steller van de telastelegging het oog heeft</para>
    <para>gehad. Deze onduidelijkheid wordt nog versterkt door de veel te</para>
    <para>ruime periode, waarbinnen de feiten zouden hebben plaatsgevonden.</para>
    <para>Naar mijn oordeel moeten deze onderdelen van de dagvaarding nietig</para>
    <para>worden verklaard (zie ook Hoge Raad 28 juni 1983, NJ 84, 41)."</para>
    <para>Op blz. 54 van de pleitnota (ten aanzien van feit 8):</para>
    <para>"Tenslotte nog enkele korte opmerkingen over de subsidiaire</para>
    <para>varianten 9 en 10 (heling resp. schuldheling). Primair meen ik dat</para>
    <para>ook ten aanzien van deze varianten de dagvaarding nietig zal</para>
    <para>moeten worden verklaard, met verwijzing naar dezelfde argumenten</para>
    <para>als gebruikt ten aanzien van variant sub 9 en 10 van het sub 6</para>
    <para>telastegelegde."</para>
    <para>28. In zijn verkorte arrest heeft het Hof dienaangaande niet een met redenen</para>
    <para>omklede beslissing gegeven.</para>
    <para>29. De aanvulling op het verkorte arrest houdt echter onder meer in:</para>
    <para>"In het arrest is geen beslissing gegeven met betrekking tot het</para>
    <para>door de raadsman bij pleidooi (pleitnota, pag. 43 en 54) gevoerde</para>
    <para>verweer, dat de telastegelegde onder 6 en 8 op de bij pleidooi</para>
    <para>omschreven onderdelen nietig moet worden verklaard. De verdachte</para>
    <para>heeft recht op een beslissing op dat verweer, dat moet worden</para>
    <para>verworpen, omdat de telastegelegde feiten telkens als één geheel</para>
    <para>moeten worden gelezen en worden bezien in hun onderlinge verband</para>
    <para>en samenhang en aldus telkens voldoende duidelijk is omschreven</para>
    <para>hetgeen aan verdachte wordt verweten. Daarvan getuigt ook het</para>
    <para>terzake van die feiten gevoerde verweer."</para>
    <para>30. In het midden kan blijven of deze motivering voldoet aan de daaraan te</para>
    <para>stellen eisen, nu zij niet is opgenomen in het verkorte arrest (vgl. art.</para>
    <para>138b jo art. 365a jo. art. 415 Sv) en nu niet zonder meer duidelijk is</para>
    <para>hoe de passage "omdat de telastegelegde feiten telkens als één geheel</para>
    <para>moeten worden gelezen en worden bezien in hun onderlinge verband en</para>
    <para>samenhang" moet worden verstaan. Aangezien het Hof onder 6 en onder 8</para>
    <para>telkens het primair telastegelegde bewezen heeft verklaard heeft de</para>
    <para>verdachte bij zijn klachten over telkens het laatst en voorlaatst</para>
    <para>subsidiair telastegelegde geen belang.</para>
    <para>31. Het middel is derhalve vruchteloos voorgesteld.</para>
    <para>32. Ambtshalve merk ik naar aanleiding van het derde middel op dat het Hof</para>
    <para>aan het onder 5 en onder 7 bewezenverklaarde een verkeerde kwalificatie</para>
    <para>heeft gegeven. Ook in zoverre kan de bestreden uitspraak niet in stand</para>
    <para>blijven. Het Hof had deze feiten telkens moeten kwalificeren als:</para>
    <para>Ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers, in</para>
    <para>het vooruitzicht van faillissement, terwijl het faillissement is</para>
    <para>gevolgd, betaling aannemen van een schuld tengevolge van overleg</para>
    <para>met de schuldenaar, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij</para>
    <para>opdracht en feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden</para>
    <para>gedraging.</para>
    <para>Uw Raad kan de kwalificatie zelf verbeteren.</para>
    <para>33. Andere redenen dan de evengenoemde waarom de bestreden uitspraak</para>
    <para>ambtshalve zou behoren te worden vernietigd heb ik niet aangetroffen. Het</para>
    <para>eerste middel gegrond achtende en om de ambtshalve aangevoerde reden</para>
    <para>concludeer ik daarom dat Uw Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen,</para>
    <para>doch uitsluitend voor wat de ter zake van het onder 3 telastegelegde</para>
    <para>genomen beslissingen, de aan het onder 5 en onder 7 bewezenverklaarde</para>
    <para>gegeven kwalificatie en de strafoplegging betreft, dat Uw Raad het onder</para>
    <para>5 en onder 7 bewezenverklaarde zal kwalificeren als hiervoren vermeld, en</para>
    <para>de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch teneinde</para>
    <para>ter zake van het onder 3 telastegelegde feit en de strafoplegging op het</para>
    <para>bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, met</para>
    <para>verwerping van het beroep voor het overige.</para>
    <para>Voor de Procureur-Generaal</para>
    <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
    <para>Waarnemend Advocaat-Generaal</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>