<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1999:AA3400</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T05:32:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3400</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1999-11-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">111642</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1999:AA3400" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1999:AA3400</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 1999, 230</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2000, 347 met annotatie van G. Knigge</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA3400">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA3400</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:52:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1999:AA3400 Parket bij de Hoge Raad , 02-11-1999 / 111642</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA3400:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA3400:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
  <parablock>
    <para>Mr Jörg</para>
    <para>Nr. 111.642                                 Conclusie inzake:</para>
    <para>Zitting 7 september 1999                    A. Kasmi</para>
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para>1.Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verzoeker op 6 oktober</para>
    <para>1998 wegens - kort gezegd - wederrechtelijke vrijheidsberoving</para>
    <para>en twee berovingen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de</para>
    <para>duur van achttien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk</para>
    <para>met een proeftijd van twee jaar.</para>
    <para>2. Namens verzoeker heeft mr R.J. Baumgardt, advocaat te</para>
    <para>Spijkenisse, twee middelen van cassatie voorgesteld.</para>
    <para>3. Het eerste middel klaagt erover dat het hof</para>
    <para>getuigenverklaringen als bewijsmiddel heeft gebezigd welke in</para>
    <para>eerste aanleg zijn betwist. Daarbij gaat het om een verklaring</para>
    <para>van een van de slachtoffers, H., en om een verklaring van T.,</para>
    <para>die net als verzoeker bij de beroving van H. betrokken zou zijn</para>
    <para>geweest.</para>
    <para>4. Het hof bezigt als bewijsmiddel 5 de zakelijk weergegeven</para>
    <para>verklaring van H., afgelegd op de terechtzitting in eerste</para>
    <para>aanleg van 5 juni 1997, onder meer luidende:</para>
    <para>"Ik ben er voor 100% zeker van dat de verdachte</para>
    <para>die rechts zit erbij was,"</para>
    <para>waarbij de rechtbank had waargenomen dat verzoeker</para>
    <para>rechts in de zittingszaal zat.</para>
    <para>5. Bovendien bezigt het hof als bewijsmiddel 6 de verklaring</para>
    <para>van T. waarover in het proces-verbaal van dezelfde</para>
    <para>terechtzitting het volgende staat:</para>
    <para>"Verdachte vraagt de getuige:</para>
    <para>Wil je eerlijk zeggen of ik erbij was bij de</para>
    <para>beroving van H.?</para>
    <para>De getuige:</para>
    <para>Ja. Jij was erbij."</para>
    <para>6. Voor de beoordeling van het middel is het van belang of</para>
    <para>beide verklaringen zijn betwist. Art. 422, tweede lid, Sv</para>
    <para>bepaalt namelijk het volgende:</para>
    <para>"Echter mag voor het bewijs gebruik worden</para>
    <para>gemaakt van de verklaringen van getuigen en</para>
    <para>deskundigen, zooals zij volgens het proces-</para>
    <para>verbaal der terechtzitting in eersten aanleg</para>
    <para>zijn afgelegd, voor zoover uit den inhoud van</para>
    <para>&amp;lt;?</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>dat proces-verbaal blijkt, dat zij aldaar niet</para>
    <para>zijn betwist."</para>
    <para>7. Zijn beide verklaringen betwist?</para>
    <para>De verklaring van H. is op dezelfde terechtzitting betwist. Het</para>
    <para>proces-verbaal van de terechtzitting van 5 juni 1997 vermeldt</para>
    <para>op pagina 9 namelijk de volgende verklaring van verzoeker:</para>
    <para>"Het kan zijn dat [H.] mijn broertje bedoelt.</para>
    <para>Hij herkent mij wel in het donker en</para>
    <para>[medeverdachte] T. niet. Dat is een beetje</para>
    <para>raar."</para>
    <para>8. Of de verklaring die T. op de terechtzitting van 5 juni 1997</para>
    <para>aflegde op dezelfde terechtzitting is betwist, is minder zeker.</para>
    <para>In het proces-verbaal staat op pagina 8 het volgende naar</para>
    <para>aanleiding van de vraag van de raadsman of hij alle berovingen</para>
    <para>die hij heeft gepleegd heeft bekend:</para>
    <para>"De getuige antwoordt de raadsman:</para>
    <para>Speel jij officier van justitie? Ik geef geen</para>
    <para>antwoord. De raadsman vraagt mij of ik de</para>
    <para>strafbare feiten die ik heb gepleegd me perfect</para>
    <para>kan herinneren. Ik weet een datum niet of ik kan</para>
    <para>me het gezicht van het slachtoffer niet goed</para>
    <para>herinneren, maar ik kan me wel herinneren welke</para>
    <para>jongens erbij waren."</para>
    <para>Dit impliceert tenminste dat de raadsman betwist of</para>
    <para>de getuige zich wel kan herinneren dat verdachte</para>
    <para>'erbij' was.</para>
    <para>In combinatie met verzoekers opmerking op p. 10:</para>
    <para>"Ik heb feit 4 bekend. Waarom zou ik de andere</para>
    <para>feiten ontkennen,"</para>
    <para>meen ik het ervoor te moeten houden dat de verklaring</para>
    <para>van T. is betwist.</para>
    <para>9. Voorzover hieromtrent bij Uw Raad onzekerheid zou bestaan</para>
    <para>wijs ik op het bepaalde in art. 422, tweede lid, Sv, met name</para>
    <para>de passage: "voorzover blijkt dat zij niet zijn betwist," en op</para>
    <para>HR 26 oktober 1936, NJ 1937, 151. De Hullu schrijft in T&amp;C Sv,</para>
    <para>aant. 3(b) bij art. 422 Sv:</para>
    <para>"Vereist is positief gedrag: een soort</para>
    <para>instemming, expliciet () of impliciet ().</para>
    <para>Wanneer in het midden blijft of verdachte</para>
    <para>betwist of niet, is niet voldaan aan het</para>
    <para>vereiste van niet-betwisting."</para>
    <para>Bij de beoordeling van dit middel ga ik er dan ook</para>
    <para>vanuit dat dit tweede lid van het wetsartikel in de</para>
    <para>weg staat aan het gebruik van beide verklaringen.</para>
    <para>10.Echter, het derde lid vormt een uitzondering op dit tweede</para>
    <para>lid. Een betwiste verklaring mag wèl worden gebruikt indien de</para>
    <para>behandeling in hoger beroep bij verstek plaatsvindt:</para>
    <para>"Geschiedt de behandeling in hooger beroep bij</para>
    <para>verstek, dan mag van die verklaring ondanks</para>
    <para>zoodanige betwisting gebruik worden gemaakt."</para>
    <para>11.De vraag rijst dus of de zaak in hoger beroep bij verstek is</para>
    <para>behandeld.</para>
    <para>Het middel stelt zich op het standpunt dat de procedure in</para>
    <para>hoger beroep te gelden is (heeft? NJ) als een procedure op</para>
    <para>tegenspraak, maar deze formulering geeft reeds aan dat de</para>
    <para>steller van het middel niet zo zeker van zijn zaak is.</para>
    <para>De toelichting op het middel voert aan dat de verdachte</para>
    <para>weliswaar niet verschenen was - terwijl de dagvaarding om in</para>
    <para>hoger beroep terecht te staan hem in persoon was betekend -</para>
    <para>maar zijn raadsman wel.</para>
    <para>12.Anders dan de toelichting wil volgt uit de omstandigheid dat</para>
    <para>de aanwezige raadsman in de gelegenheid werd gesteld om het</para>
    <para>woord tot verdediging te voeren en ook het recht werd gelaten</para>
    <para>het laatst te spreken, niet dat volgens het hof verzoeker zijn</para>
    <para>raadsman tot de verdediging heeft gemachtigd. Dat moet immers</para>
    <para>nog bewezen worden. Het nieuwe art. 279, tweede lid, Sv</para>
    <para>bepaalt:</para>
    <para>"De behandeling van de zaak tegen de verdachte</para>
    <para>die zijn advocaat tot zijn verdediging heeft</para>
    <para>gemachtigd, geldt als een procedure op</para>
    <para>tegenspraak."</para>
    <para>13.Art. 279, tweede lid Sv, is evenwel niet van toepassing op</para>
    <para>de onderhavige strafzaak. Dat volgt uit art. V van de wet</para>
    <para>waarbij art. 279, tweede lid, Sv werd ingevoerd. Art. V luidt</para>
    <para>als volgt:</para>
    <para>"Deze wet heeft geen gevolgen voor de strafzaken</para>
    <para>waarin voor het tijdstip van inwerkingtreding</para>
    <para>van deze wet een dagvaarding in eerste aanleg is</para>
    <para>uitgebracht" (Wet van 15 januari 1998, Stb.</para>
    <para>1998, 33).</para>
    <para>14.De inleidende dagvaarding, gedateerd 5 maart 1997, is op 6</para>
    <para>maart 1997 aan de verdachte in persoon uitgereikt. De hierboven</para>
    <para>genoemde wet is op 1 februari 1998 in werking getreden (KB van</para>
    <para>15 januari 1998, Stb. 1998, 34). Derhalve heeft de wet, en dus</para>
    <para>art. 279, tweede lid, Sv geen gevolgen voor de onderhavige</para>
    <para>strafzaak.</para>
    <para>15.Dat de raadsman de mogelijkheid is geboden te spreken,</para>
    <para>maakte de behandeling in hoger beroep niet tot een procedure op</para>
    <para>tegenspraak. De raadsman verdedigde de verdachte wel, maar</para>
    <para>vertegenwoordigde hem niet. Er was sprake van 'verdediging bij</para>
    <para>verstek' (zie M.J.A. Plaisier, Het verstek in strafzaken, diss.</para>
    <para>Tilburg, 1999, met name p. 215-217). De mogelijkheid om te</para>
    <para>spreken past in de door de Hoge Raad geopende mogelijkheid voor</para>
    <para>een raadsman om de verdediging te voeren wanneer de verdachte</para>
    <para>afwezig is (zie nogmaals Plaisier, a.w., p. 215-217; EHRM 22</para>
    <para>september 1994, NJ 1994, 733 (Lala) m.nt. Kn; HR 6 december</para>
    <para>1994, NJ 1995, 515 m.nt. AHJS).</para>
    <para>16.Zowel uit het arrest als uit het proces-verbaal van de</para>
    <para>terechtzitting van het hof blijkt ondubbelzinnig dat de</para>
    <para>strafzaak in hoger beroep bij verstek is behandeld en niet op</para>
    <para>tegenspraak. In het proces-verbaal staat onder meer het</para>
    <para>volgende:</para>
    <para>"Op vordering van de procureur-generaal verleent</para>
    <para>het gerechtshof verstek tegen de niet verschenen</para>
    <para>verdachte en beveelt dat met de behandeling van</para>
    <para>de zaak zal worden voortgegaan."</para>
    <para>Ik zal hier niet verder ingaan op de vraag of de</para>
    <para>kaarten anders hadden gelegen indien art. 279, tweede</para>
    <para>lid, Sv wèl op de onderhavige strafzaak van</para>
    <para>toepassing was geweest. Kortheidshalve wordt verwezen</para>
    <para>naar de in de Handelingen II opgenomen</para>
    <para>gedachtewisseling (12 maart 1997, p. 4423-4434 met</para>
    <para>name p. 4425 en 4430-4432; 13 maart 1997, p. 4503-</para>
    <para>4505, 4510 l.k.; 18 maart 1997, p. 4551; en voorts</para>
    <para>naar Kamerstukken II, 24 692, nrs. 8-10).</para>
    <para>17.Als ik het goed zie zou het wel eens kunnen zijn dat de</para>
    <para>beroepsgroep waartoe de steller van het middel behoort niet zo</para>
    <para>verguld is met de in het middel vertolkte opvatting dat het de</para>
    <para>rechter is die kan bewerkstelligen - door de raadsman het</para>
    <para>(laatste) woord te geven - dat van een contradictoire procedure</para>
    <para>sprake is (met alle consequenties voor het instellen van</para>
    <para>rechtsmiddelen van dien).</para>
    <para>18.Bij de beoordeling van het middel ga ik er dus van uit dat</para>
    <para>het hof getuigenverklaringen als bewijsmiddel bezigt zoals die</para>
    <para>volgens het proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg</para>
    <para>zijn afgelegd en aldaar zijn betwist. Deze verklaringen mocht</para>
    <para>het hof gebruiken omdat de behandeling in hoger beroep bij</para>
    <para>verstek is geschied.</para>
    <para>19.Het middel faalt derhalve.</para>
    <para>20.Het tweede middel klaagt wederom over het gebruik tot bewijs</para>
    <para>van een getuigenverklaring die is afgelegd op een</para>
    <para>terechtzitting in eerste aanleg.</para>
    <para>21.Het betreft dezelfde verklaring van T., afgelegd op de</para>
    <para>terechtzitting in eerste aanleg van 5 juni 1997, waarover het</para>
    <para>eerste middel klaagt. Nadat de terechtzitting van 5 juni 1997</para>
    <para>was geschorst is de behandeling van de zaak opnieuw aangevangen</para>
    <para>op de terechtzitting van 13 augustus 1997. De nieuwe aanvang</para>
    <para>van de zaak was nodig omdat de rechtbank toen in een andere</para>
    <para>samenstelling zat. Overigens grijpt de toelichting op dit</para>
    <para>middel ook nog even terug op de verklaring van H., maar wat</para>
    <para>hieronder over de verklaring van T. wordt opgemerkt gaat</para>
    <para>evenzeer op voor de verklaring van H.</para>
    <para>22.De toelichting op het middel komt erop neer dat het hof deze</para>
    <para>verklaring niet had mogen gebruiken omdat de rechtbank die</para>
    <para>verklaring ook niet had mogen gebruiken. Terwijl in het eerste</para>
    <para>middel het gebruik van deze getuigenverklaring werd betwist</para>
    <para>wegens strijd met art. 422 Sv, wordt in het tweede middel</para>
    <para>geklaagd over strijd met art. 322 Sv.</para>
    <para>23.Anders dan de toelichting op het middel betoogt, moet ook</para>
    <para>bij de beoordeling van dit middel art. 422 Sv voorop staan. Uit</para>
    <para>het derde lid daarvan blijkt namelijk dat het gebruik van de</para>
    <para>gewraakte getuigenverklaringen is toegestaan indien de zaak in</para>
    <para>hoger beroep bij verstek is behandeld. In zoverre is hier het</para>
    <para>arrest van 20 december 1977, DD 78.083 van belang. Daar klaagde</para>
    <para>een van de cassatiemiddelen ook over schending van art. 322 Sv,</para>
    <para>al was dat om andere redenen dan in de onderhavige zaak. Het</para>
    <para>beroep op art. 322 werd door de Hoge Raad evenwel verworpen met</para>
    <para>een beroep op art. 422 Sv. Het bijzondere voorschrift van art.</para>
    <para>422 Sv - geschreven voor de behandeling in hoger beroep - maakt</para>
    <para>dus meer mogelijk en gaat boven hetgeen art. 322 Sv toelaat.</para>
    <para>Zie ook nog HR 21 december 1993, NJ 1994, 426 rov. 5.2. (waar</para>
    <para>het evenwel ging om het gebruik van een bij de R-C afgelegde</para>
    <para>getuigenverklaring). Reeds hierom zou het middel falen.</para>
    <para>24.De toelichting op het middel voert nog twee argumenten aan</para>
    <para>tegen het gebruik van de gewraakte getuigenverklaringen.</para>
    <para>Daartoe verwijst het allereerst naar zeventien arresten van Uw</para>
    <para>Raad. Van twee arresten worden verschillende vindplaatsen</para>
    <para>gegeven en van twee andere klopt de dubbele verwijzing niet</para>
    <para>zodat veertien arresten resteren. Deze kwantiteit voegt echter</para>
    <para>niets toe, noch doet zij afbreuk aan het uitgangspunt dat door</para>
    <para>Uw Raad is neergelegd in HR 1 februari 1994, NJ 1994, 427 m.nt.</para>
    <para>C. Daarin ging het om de vraag in hoeverre de rechter in</para>
    <para>bepaalde processuele situaties gebruik mag maken van</para>
    <para>getuigenverklaringen die in ambtsedige processen-verbaal zijn</para>
    <para>vervat (zie rov. 6.3.3.).</para>
    <para>25.Het zojuist genoemde arrest geeft zowel aan wanneer het</para>
    <para>gebruik van getuigenverklaringen die zijn neergelegd in</para>
    <para>ambtsedige processen-verbaal niet ongeoorloofd is als wanneer</para>
    <para>het gebruik wel ongeoorloofd is. Voor de onderhavige zaak is</para>
    <para>het volgende deel van rov 6.3.3. het meest relevant:</para>
    <para>"(i) In het licht van het EVRM is het gebruik</para>
    <para>voor het bewijs van een ambtsedig proces-verbaal</para>
    <para>voor zover inhoudende een niet ter</para>
    <para>terechtzitting afgelegde de verdachte belastende</para>
    <para>verklaring niet zonder meer ongeoorloofd en in</para>
    <para>het bijzonder niet onverenigbaar met art. 6, lid</para>
    <para>1, en lid 3, aanhef en onder d, EVRM.</para>
    <para>(ii) Van onverenigbaarheid als onder (i) bedoeld</para>
    <para>is in ieder geval geen sprake indien de</para>
    <para>verdediging in enig stadium van het geding,</para>
    <para>hetzij op de terechtzitting hetzij daarvoor, de</para>
    <para>gelegenheid heeft gehad om een dergelijke</para>
    <para>verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen en</para>
    <para>aan te vechten door de persoon die de verklaring</para>
    <para>heeft afgelegd als getuige te (doen)</para>
    <para>ondervragen. ()</para>
    <para>Voorts is van ongeoorloofdheid als onder (i)</para>
    <para>bedoeld geen sprake indien genoemde gelegenheid</para>
    <para>heeft ontbroken, doch die verklaring in</para>
    <para>belangrijke mate steun vindt in andere</para>
    <para>bewijsmiddelen."</para>
    <para>26.Een vergelijking met de onderhavige zaak lijkt niet goed</para>
    <para>mogelijk aangezien Uw Raad zich in de aangehaalde overweging</para>
    <para>beperkt tot getuigenverklaringen die niet ter terechtzitting</para>
    <para>zijn afgelegd.</para>
    <para>27.Wel kan uit de geciteerde overweging iets worden afgeleid</para>
    <para>over de toelaatbaarheid van het gebruik van getuigenverklaring</para>
    <para>die zijn afgelegd ter terechtzitting. Er is namelijk geen</para>
    <para>onverenigbaarheid met art. 6, eerste lid, en derde lid, aanhef</para>
    <para>onder d, EVRM 'indien de verdediging in enig stadium van het</para>
    <para>geding () de gelegenheid heeft gehad om een () verklaring op</para>
    <para>haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door de</para>
    <para>persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te (doen)</para>
    <para>ondervragen.' Ter terechtzitting is T. uitgebreid ondervraagd</para>
    <para>door de verdediging die aldus ruimschoots de gelegenheid heeft</para>
    <para>gehad om de betrouwbaarheid ervan te toetsen en aan te vechten.</para>
    <para>Bovendien vindt de (eerste) verklaring van T. in belangrijke</para>
    <para>mate steun in andere bewijsmiddelen, te weten de bekentenis die</para>
    <para>verdachte tijdens het opsporingsonderzoek heeft afgelegd</para>
    <para>(bewijsmiddel 2), en de eveneens tijdens het</para>
    <para>opsporingsonderzoek afgelegde verklaring van het slachtoffer H.</para>
    <para>(bewijsmiddel 4). Bij deze laatste is wellicht enige</para>
    <para>voorzichtigheid geboden aangezien de toelichting op het</para>
    <para>cassatiemiddel ook het gebruik van dit bewijsmiddel kritiseert.</para>
    <para>28.Uit het hier besproken arrest van Uw Raad noch uit de andere</para>
    <para>veertien arresten die de toelichting op het middel opsomt kan</para>
    <para>volgen dat het gebruik van de gewraakte getuigenverklaring</para>
    <para>ongeoorloofd is. Eerder het tegendeel, aangezien de getuigen</para>
    <para>uitgebreid ter terechtzitting in eerste aanleg zijn ondervraagd</para>
    <para>en de verdediging daar de gelegenheid heeft gehad de</para>
    <para>verklaringen op hun betrouwbaarheid te toetsen en aan te</para>
    <para>vechten. Dat een getuige op zijn eerdere verklaring terugkomt</para>
    <para>vormt in beginsel geen beletsel voor de rechter om uit de</para>
    <para>verschillende verklaringen te kiezen welke hem uit een oogpunt</para>
    <para>van waarheidsvinding betrouwbaar voorkomt (cf. in het algemeen</para>
    <para>HR 14 maart 1989, NJ 1989, 747).</para>
    <para>29.Tot slot nog het tweede argument dat in de toelichting op</para>
    <para>het middel is te vinden om het gebruik van de</para>
    <para>getuigenverklaringen niet toe te laten. Dat betreft een</para>
    <para>uitspraak van het EHRM van 22 april 1992 (Vidal), NJCM-bulletin</para>
    <para>1992, p. 670-672.</para>
    <para>30.Als ik de toelichting op het middel goed begrijp had het hof</para>
    <para>de verklaring niet mogen gebruiken omdat de rechtbank die de</para>
    <para>betreffende getuige zelf had aangehoord op basis daarvan</para>
    <para>verdachte van het bewuste feit heeft vrijgesproken. Het zou dan</para>
    <para>'wat te mager' zijn als het hof op basis van diezelfde</para>
    <para>verklaring wèl tot bewezenverklaring zou komen. Daartoe beroept</para>
    <para>de toelichting zich op een naschrift van mr E. Myjer onder EHRM</para>
    <para>22 april 1992 (Vidal), NJCM-bulletin 1992, p. 670-672 op p.</para>
    <para>672:</para>
    <para>"Een aantal punten is het signaleren waard:</para>
    <para>()</para>
    <para>- het is vanuit het oogpunt van artikel 6 ECRM</para>
    <para>wat (te) mager om, terwijl na het horen van</para>
    <para>getuigen ter zitting een vrijsprekend vonnis</para>
    <para>wordt gegeven, in een verdere instantie, zonder</para>
    <para>het (opnieuw of nader) horen van (die) getuigen,</para>
    <para>enkel op basis van de inhoud van het dossier tot</para>
    <para>een veroordelend vonnis te komen."</para>
    <para>31.Het EHRM kritiseert met name het complete stilzwijgen in het</para>
    <para>arrest van het Hof van Beroep in Brussel aangaande de afwijzing</para>
    <para>van het verzoek om vier getuigen te horen. Het EHRM lijkt ook</para>
    <para>kritisch te zijn over het feit dat het Hof van Beroep geen</para>
    <para>'vers' bewijsmateriaal had en zich afgezien van twee</para>
    <para>verklaringen van de (mede)verdachte, geheel baseert op</para>
    <para>documenten. De relevante overwegingen van het EHRM zijn als</para>
    <para>volgt:</para>
    <para>"34. The applicant has originally been acquitted</para>
    <para>after several witnesses had been heard. When the</para>
    <para>appellate judges substituted a conviction, they</para>
    <para>had no fresh evidence; apart from the oral</para>
    <para>statements of the two defendants (at Liège) or</para>
    <para>the sole remaining defendant (at Brussels), they</para>
    <para>based their decision entirely on the documents</para>
    <para>in the case-file. Moreover, the Brussels Court</para>
    <para>of Appeal gave no reasons for its rejection,</para>
    <para>which was merely implicit, of the submissions</para>
    <para>requesting it to call Mr Scohy, Mr Bodart, Mr</para>
    <para>Dauphin and Mr Dausin as witnesses.</para>
    <para>To be sure, it is no function of the Court to</para>
    <para>express an opinion on the relevance of the</para>
    <para>evidence thus offered and rejected, nor more</para>
    <para>generally on Mr Vidal's guilt or innocence, but</para>
    <para>the complete silence of the judgment of 11</para>
    <para>December 1985 on the point in question is not</para>
    <para>consistent with the concept of a fair trial</para>
    <para>which is the basis of Article 6 ()."</para>
    <para>32.De vergelijking met de onderhavige zaak gaat om twee redenen</para>
    <para>mank. Allereerst was verzoeker ook in eerste instantie</para>
    <para>veroordeeld, weliswaar niet vanwege de diefstal met geweld</para>
    <para>tegen H., maar jegens een ander. Ten tweede is verzoeker niet</para>
    <para>in hoger beroep verschenen - terwijl de dagvaarding hem in</para>
    <para>persoon is uitgereikt - en is namens hem niet verzocht om</para>
    <para>getuigen te horen. Met name dit stilzwijgen onderscheidt de</para>
    <para>onderhavige zaak van Vidal.</para>
    <para>33.Het middel faalt derhalve.</para>
    <para>34.Beide middelen falen; het eerste middel kan worden afgedaan</para>
    <para>met de aan art. 101a RO ontleende motivering. Ambtshalve heb ik</para>
    <para>geen gronden aanwezig gevonden die tot vernietiging van de</para>
    <para>bestreden beslissing zouden dienen te leiden.</para>
    <para>35. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.</para>
    <para>De Procureur-Generaal</para>
    <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
    <para>AG</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>