<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1999:AA3395</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T16:41:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3395</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1999-11-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">111492</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1999:AA3395" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1999:AA3395</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001903&amp;artikel=27&amp;g=1999-11-23">Wetboek van Strafvordering 27</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 1999, 253</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2000, 127</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA3395">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA3395</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:52:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1999:AA3395 Parket bij de Hoge Raad , 23-11-1999 / 111492</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA3395:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA3395:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
  <parablock>
    <para>&amp;lt;</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>Nr. 111.492                                      Mr Fokkens</para>
    <para>Zitting 21 september 1999                        Conclusie inzake:</para>
    <para>A. VAN DER VEEN</para>
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para>Verdachte is door het gerechtshof te Leeuwarden veroordeeld wegens poging tot</para>
    <para>diefstal door middel van braak en inklimming tot het verrichten van</para>
    <para>30 uren onbetaalde arbeid ten algemene nutte en twee weken</para>
    <para>voorwaardelijke gevangenisstraf.</para>
    <para>Namens verdachte is tegen het arrest beroep in cassatie ingesteld. Er is één</para>
    <para>middel van cassatie ingediend.</para>
    <para>Het middel behelst de klacht dat het hof het verweer dat bewijsmateriaal</para>
    <para>onrechtmatig is verkregen ten onrechte, althans onvoldoende</para>
    <para>gemotiveerd heeft verworpen.</para>
    <para>Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft de raadsman aangevoerd dat het</para>
    <para>bewijs in deze zaak onrechtmatig verkregen zou zijn, nu tegen verdachte</para>
    <para>dwangmiddelen zijn ingezet zonder dat hij was aangehouden. Tot aanhouding is,</para>
    <para>volgens het proces-verbaal van betrokken verbalisant, eerst overgegaan nadat</para>
    <para>bij verdachte een klauwhamer was aangetroffen en het profiel van diens door de</para>
    <para>verbalisant meegenomen schoen overeen bleek te komen met het op de plaats van</para>
    <para>inbraak aangetroffen profiel. Daags daarna heeft verdachte bekennende</para>
    <para>verklaringen afgelegd.</para>
    <para>De politierechter heeft geoordeeld dat (al) het bewijs in deze zaak inderdaad</para>
    <para>onrechtmatig verkregen was en ter zijde geschoven diende te worden, en heeft</para>
    <para>verdachte vrijgesproken.</para>
    <para>Het hof heeft het verweer van de raadsman verworpen, en wel als volgt:</para>
    <para>" In het door de raadsman bedoelde proces-verbaal (?) geeft de verbalisant aan</para>
    <para>dat hij zeer kort na een melding over een gepleegde inbraak in een school ter plaatse</para>
    <para>was gekomen. Hij zag aldaar de hem ambtshalve bekende verdachte bij die school vandaan</para>
    <para>lopen. Hij zag dat verdachte zwarte handschoenen droeg. Vervolgens heeft hij deze</para>
    <para>persoon, die hij naar 's hofs oordeel toen reeds als verdachte kon aanmerken, in zijn</para>
    <para>voertuig doen plaatsnemen, waarna verdachte niet meer vrij was om zich te verwijderen.</para>
    <para>Aldus werd de verdachte feitelijk reeds op dat moment door de verbalisant aangehouden.</para>
    <para>Naar het oordeel van het hof doet hieraan niet af dat verbalisant Kremer in zijn</para>
    <para>proces-verbaal de (formele) aanhouding op een later tijdstip relateert.</para>
    <para>Nu de gebruikte dwangmiddelen niet ontijdig werden toegepast, moet het verweer van de</para>
    <para>raadsman worden verworpen."</para>
    <para>Het oordeel van het hof dat de verbalisant op grond van de genoemde</para>
    <para>omstandigheden  waarbij het hof de mededeling dat de betreffende persoon</para>
    <para>ambtshalve bekend was bij de verbalisant, aldus zal hebben verstaan dat de</para>
    <para>verbalisant wist dat verdachte reeds diverse malen met de politie in aanraking</para>
    <para>was geweest ter zake van vermogensdelicten de door hem aangetroffen persoon als</para>
    <para>verdachte van de gemelde inbraak kon aanmerken, is niet onbegrijpelijk en sluit</para>
    <para>aan bij de jurisprudentie op art.27 Sv. Vgl. HR NJ 24 maart 1981, NJ 1981, 366</para>
    <para>ten aanzien van de relevantie van ambtshalve bekendheid met de persoon van de</para>
    <para>verdachte, HR 14 oktober 1986, NJ 1988, 511 en HR 8 maart 1988, NJ 1988, 796</para>
    <para>over de verdenking ten aanzien van personen die zich van de plaats van het</para>
    <para>delict verwijderen. De klacht dat de vaststelling dat de betrokken persoon uit</para>
    <para>de richting van de school kwam een conclusie van de verbalisant is en geen</para>
    <para>waarneming, treft reeds geen doel omdat hier wel degelijk sprake is van een</para>
    <para>mededeling van iets dat kan worden waargenomen.</para>
    <para>Vervolgens klaagt het middel over het oordeel van het hof dat verdachte door de</para>
    <para>handelwijze van de verbalisant feitelijk is aangehouden. Ook die klacht is</para>
    <para>ongegrond. Aanhouden is de verdachte zijn vrijheid ontnemen teneinde hem te</para>
    <para>geleiden naar een plaats van verhoor. Vgl. HR 1 oktober 1991, NJ 1992, 60 met</para>
    <para>nt. Van Veen. De vaststelling van het hof dat het doen plaatsnemen van</para>
    <para>verdachte in de auto van de verbalisant als aanhouden in de zin van de wet kan</para>
    <para>worden beschouwd, geeft dan ook geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting.</para>
    <para>De omstandigheid dat de verbalisant zich mogelijk niet heeft gerealiseerd dat</para>
    <para>zijn optreden als aanhouding moet worden beschouwd, maakt zijn handelen niet</para>
    <para>onrechtmatig. Het gaat immers niet om de vraag of de verbalisant zijn handelen</para>
    <para>op een juiste wijze kwalificeert in zijn proces-verbaal, maar om de vraag of er</para>
    <para>op een correcte wijze gebruik is gemaakt van wettelijke bevoegdheden en die</para>
    <para>vraag is door het hof op toereikende gronden bevestigend beantwoord.</para>
    <para>De klacht dat uit de bestreden uitspraak niet blijkt waaruit de voor de</para>
    <para>toepassing van het dwangmiddel van art.56 Sv, het onderzoek aan lichaam en</para>
    <para>kleding, vereiste ernstige bezwaren bestonden, faalt omdat op dit punt geen</para>
    <para>verweer is gevoerd en geen rechtsregel de rechter verplicht in zijn uitspraak</para>
    <para>ambthalve uiteen te zetten dat aan dit vereiste is voldaan. Zie bijv. HR 22</para>
    <para>februari 1977, NJ 1997, 352. Mutatis mutandis geldt hetzelfde ten aanzien van</para>
    <para>de klacht dat niet duidelijk is op grond van welk dwangmiddel verbalisant de</para>
    <para>schoen van verdachte bij zich had.</para>
    <para>Het middel faalt in alle onderdelen. Ook overigens is er geen reden voor vernietiging, zodat</para>
    <para>ik concludeer dat het beroep zal worde verworpen.</para>
    <para>De Procureur-Generaal</para>
    <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>