<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1999:AA2937</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T05:30:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA2937</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1999-11-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">34494</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1999:AA2937" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1999:AA2937</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>PW 2002, 21475</rdf:li>
          <rdf:li>Ondernemingsrecht 1999, 100 met annotatie van H.G.M. Dijstelbloem</rdf:li>
          <rdf:li>BNB 2002/135 met annotatie van A.C. Rijkers</rdf:li>
          <rdf:li>FED 1999/675</rdf:li>
          <rdf:li>WFR 1999/1543</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 1999/52.12</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA2937">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA2937</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:47:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-07-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1999:AA2937 Parket bij de Hoge Raad , 03-11-1999 / 34494</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA2937:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA2937:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Nr. 34.494                   Mr Van den Berge</para>
      <para>Derde Kamer A                Conclusie inzake:</para>
      <para>IB/PH1993                    X</para>
      <para>Parket, 21 mei 1999          tegen</para>
      <para>de staatssecretaris van Financiën</para>
      <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
      <para>1. Korte beschrijving van de zaak.</para>
      <para>1.1. Het beroep in cassatie is gericht tegen de schriftelijke</para>
      <para>uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden (het Hof) van 15 mei</para>
      <para>1998&amp;lt;(1)Ter vervanging van de mondelinge uitspraak van 30 december 1997.</para>
      <para>&amp;gt;, nr. BK-95/01060.&amp;lt;(2) V-N 1998, blz. 2763, pt. 2.1.</para>
      <para>&amp;gt; Het is ingesteld door de belanghebbende.&amp;lt;(3) Van het beroep in cassatie is melding gemaakt in V-N 1998, blz. 3515, pt. 2.3.</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>1.2. De belanghebbende was firmant in een aannemers- en</para>
      <para>verhuurbedrijf. Tot zijn ondernemingsvermogen behoorde, voor een</para>
      <para>gedeelte buitenvennootschappelijk, een aantal onroerende zaken.</para>
      <para>1.3. In februari 1995 heeft de belanghebbende aan (het Hoofd van) de</para>
      <para>eenheid van de Belastingdienst/ Ondernemingen P (de Inspecteur) bij</para>
      <para>brief van 16 februari 1995 meegedeeld dat hij zijn onderneming met</para>
      <para>toepassing van art. 18 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet</para>
      <para>IB 1964) wilde omzetten in een in de vorm van een besloten</para>
      <para>vennootschap gedreven onderneming. De Inspecteur heeft hem daarop de</para>
      <para>daarvoor door de Belastingdienst gehanteerde standaardvoorwaarden</para>
      <para>meegedeeld. De belanghebbende heeft die voorwaarden aanvaard, zij</para>
      <para>het met een voorbehoud ten aanzien van de eerste voorwaarde. Die</para>
      <para>voorwaarde houdt in o.a. dat alle tot het bedrijfsvermogen behorende</para>
      <para>activa worden ingebracht in de besloten vennootschap die de</para>
      <para>onderneming zal voortzetten. In de uitleg die de Belastingdienst aan</para>
      <para>die voorwaarde geeft, betekent dit dat, indien tot het</para>
      <para>bedrijfsvermogen van de inbrenger de volle (juridische) eigendom van</para>
      <para>een zaak behoort, de gehele eigendom en niet slechts de zgn.</para>
      <para>economische eigendom van die zaak moet worden ingebracht. De</para>
      <para>belanghebbende is van mening dat volstaan kan worden met de inbreng</para>
      <para>van de economische eigendom van de desbetreffende zaken.</para>
      <para>1.4. Op 30 maart 1995 heeft de belanghebbende zijn onderneming</para>
      <para>ingebracht in een besloten vennootschap met beperkte</para>
      <para>aansprakelijkheid (hierna</para>
      <para>de BV), zij het dat van een aantal onroerende zaken alleen de</para>
      <para>"economische eigendom" werd ingebracht. De bedrijfsresultaten waren</para>
      <para>vanaf 1 januari 1994 voor rekening van de BV.</para>
      <para>1.5. De Inspecteur was van mening dat de belanghebbende daarmee niet</para>
      <para>aan de op grond van art. 18 Wet IB 1964 gestelde voorwaarden voor</para>
      <para>'geruisloze overgang' had voldaan. Daarom is een aanslag opgelegd,</para>
      <para>uitgaande van staking van de onderneming per 31 december 1993.</para>
      <para>1.6. Na tegen die aanslag tevergeefs bezwaar te hebben gemaakt, is</para>
      <para>de belanghebbende in beroep gekomen bij het Hof . Voor het hof heeft</para>
      <para>de belanghebbende zijn stelling, dat kon worden volstaan met de</para>
      <para>inbreng van de economische eigendom van de onroerende zaken,</para>
      <para>herhaald.</para>
      <para>1.7. Het Hof heeft die stelling afgewezen.</para>
      <para>1.8. Het beroep in cassatie is zonder motivering en voor het overige</para>
      <para>in overeenstemming met de desbetreffende voorschriften ingesteld. Na</para>
      <para>tijdige aanvulling steunt het op twee middelen van cassatie.</para>
      <para>1.9. Het eerste middel bevat, naast een motiveringsklacht, een</para>
      <para>herhaling van de hiervoor genoemde stelling. In het tweede middel</para>
      <para>wordt een beroep gedaan op het vertrouwens-beginsel.</para>
      <para>1.10. De staatssecretaris van Financiën (de Staatssecretaris) heeft</para>
      <para>bij vertoogschrift in cassatie de middelen bestreden.</para>
      <para>2. Geruisloze inbreng.</para>
      <para>2.1. De resolutie van 2 juni 1947, nr. 1, Beslissingen in</para>
      <para>belastingzaken (B.) 8462, lid 4, blz. 151, hield in:</para>
      <para>"Ik ben (...) bereid om in de gevallen, waarin naar mijn</para>
      <para>oordeel de n.v.-vorm voor een bedrijf als de meest geschikte</para>
      <para>moet worden aangemerkt (...) bij inbreng van dat bedrijf in</para>
      <para>een n.v. (...) de heffing van [inkomstenbelasting] achterwege</para>
      <para>te laten, mits de latere heffing van (vennootschaps- (...) en</para>
      <para>inkomsten-) belasting over deze winst (...) is verzekerd."</para>
      <para>2.2. Art. 18 Wet op de inkomstenbelasting 1964 houdt in:</para>
      <para>"1. Ingeval een niet in de vorm van een (...) besloten</para>
      <para>vennootschap met beperkte aansprakelijkheid gedreven</para>
      <para>onderneming wordt omgezet in een wel in zodanige vorm gedreven</para>
      <para>onderneming, wordt (...) de onderneming geacht niet te zijn</para>
      <para>gestaakt, mits de oprichters van de vennootschap in het</para>
      <para>aandelenkapitaal geheel of nagenoeg geheel in dezelfde</para>
      <para>verhouding gerechtigd zijn als in het vermogen van de</para>
      <para>omgezette onderneming en de door Onze Minister nader te</para>
      <para>stellen voorwaarden zijn vervuld.</para>
      <para>2. De in het eerste lid bedoelde voorwaarden mogen slechts</para>
      <para>strekken ter verzekering van de heffing en de invordering van</para>
      <para>de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting, welke</para>
      <para>verschuldigd zouden zijn of zouden worden ingeval het eerste</para>
      <para>lid buiten toepassing zou blijven (...)"</para>
      <para>2.3. De Memorie van toelichting (MvT)&amp;lt;(4) Kamerstukken II, 1958-1959 - 5380, nr. 3, blz. 39, linkerkolom.</para>
      <para>&amp;gt; hield in:</para>
      <para>"(...) Wanneer een vennootschap onder firma (...) wordt</para>
      <para>omgezet in een naamloze vennootschap, wordt de onderneming,</para>
      <para>juridisch beschouwd, overgedragen, doch blijft in</para>
      <para>werkelijkheid vaak alles bij het oude, ook in de boekhouding.</para>
      <para>Is dit laatste het geval, dan blijven de verschillen tussen de</para>
      <para>boekwaarde van de vermogensbestanddelen en de waarde welke</para>
      <para>daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend,</para>
      <para>evenals de ten laste van de winst gevormde reserves, op den</para>
      <para>duur toch hun invloed behouden op de heffing van de belasting,</para>
      <para>zij het in de vorm van vennootschapsbelasting. Er kan dan</para>
      <para>zonder schade voor de Schatkist van worden afgezien een</para>
      <para>gerechtvaardigde wijziging van de juridische vorm van de</para>
      <para>onderneming te belemmeren door het onmiddellijk heffen van</para>
      <para>vaak grote bedragen aan inkomstenbelasting. (...) [de door de</para>
      <para>Minister van Financiën te stellen] voorwaarden zullen voor een</para>
      <para>belangrijk deel gericht zijn op het verzekeren van de invloed</para>
      <para>welke de (...) fiscale claims op de belastingheffing dienen te</para>
      <para>behouden. (...) (Het artikel) spreekt van het omzetten van een</para>
      <para>onderneming in een naamloze vennootschap. Dit betekent niet</para>
      <para>dat het niet mogelijk zou zijn enkele vermogens-bestanddelen</para>
      <para>van de inbreng uit te sluiten, mits datgene wat overblijft nog</para>
      <para>een onderneming is. De belastingplichtigen kunnen dan ook</para>
      <para>alvorens de ondernemings-vorm te wijzigen de bedoelde</para>
      <para>vermogensbestanddelen aan de onderneming onttrekken. Uiteraard</para>
      <para>zal een ter zake tot uiting komende reserve belastbaar worden.</para>
      <para>(...)"</para>
      <para>2.4. Brüll&amp;lt;(5) D. Brüll, Objectieve en subjectieve aspecten van het fiscale winstbegrip, 1964,</para>
      <para>blz. 235.</para>
      <para>&amp;gt; omschreef de strekking van de regeling als</para>
      <para>"een tegemoetkoming in (het geval), waarin én het bedrijf als</para>
      <para>economische eenheid gehandhaafd blijft, én realisatie in</para>
      <para>economische zin achterwege blijft."</para>
      <para>2.5. Stoffer betoogde in 1965&amp;lt;(6)S. Stoffer, FED IB '64: Art. 18:6 in een aantekening onder de zojuist gepubliceerde</para>
      <para>(eerste) standaardvoorwaarden.</para>
      <para>&amp;gt;:</para>
      <para>"De aan de doorschuivingsfaciliteit van art. 18 Wet IB '64 ten</para>
      <para>grondslag liggende gedachte is, dat bij inbreng van een</para>
      <para>bedrijf in een naamloze vennootschap geen afrekening behoeft</para>
      <para>plaats te vinden, indien alles bij het oude blijft. Zulks</para>
      <para>houdt in de eerste plaats in, dat de inbrengers in een</para>
      <para>bepaalde verhouding tot het aandelenkapitaal gerechtigd moeten</para>
      <para>zijn. (...) Het vereiste, dat alles bij het oude moet blijven</para>
      <para>brengt echter ook mede, dat het bedrijf qua aard, omvang en</para>
      <para>samenstelling van het bedrijfsvermogen geen wijziging mag</para>
      <para>ondergaan. In afwijking van het vorenstaande is in de Memorie</para>
      <para>van Toelichting te kennen gegeven, dat art. 18 weliswaar</para>
      <para>spreekt van het omzetten van een onderneming in een naamloze</para>
      <para>vennootschap, doch dat zulks niet betekent, dat het niet</para>
      <para>mogelijk zou zijn enkele vermogensbestanddelen van de inbreng</para>
      <para>uit te sluiten, mits datgene wat overblijft nog een</para>
      <para>onderneming is. (Dit is een) inbreuk op de grondgedachte van</para>
      <para>de geruisloze overgang (?)"</para>
      <para>Zie ook Plv. P-G Van Soest, in zijn conclusie voor HR 29 augustus</para>
      <para>1997, BNB 1997/374 m. nt. A.C. Rijkers&amp;lt;(7)In gelijke zin HR 29 augustus 1997, nr. 32.444, BNB 1997/375.</para>
      <para>&amp;gt;, betogend:</para>
      <para>"14. Blijkens de tekst van art. 18, lid 1, Wet IB 1964 is voor</para>
      <para>de toepassing van het voorschrift vereist dat een onderneming</para>
      <para>wordt "omgezet". 15. Deze term mist in dit verband,</para>
      <para>burgerlijk recht beschouwd, scherpte (...), maar het ligt voor</para>
      <para>de hand hem hier aldus uit te leggen dat het vereiste betekent</para>
      <para>dat een onderneming in haar geheel wordt ingebracht. (...)"</para>
      <para>2.6. Rijkers&amp;lt;(8) Geruisloze omzetting in een NV of BV, 1989, blz. 102 e.v.</para>
      <para>&amp;gt; stelde:</para>
      <para>"(?) De tekst van de wet en de daarover gemaakte opmerkingen</para>
      <para>in de M.v.T. in onderling verband voeren tot de conclusie dat</para>
      <para>het begrip "onderneming" in artikel 18 Wet IB 1964 ziet op de</para>
      <para>gehele onderneming als identiteit. (...) onttrekking van het</para>
      <para>bedrijfspand [is] in het algemeen in strijd (...) met de te</para>
      <para>handhaven identiteit van de onderneming. (...) Het antwoord op</para>
      <para>de vraag wat precies als "identiteit" van de onderneming</para>
      <para>worden gezien blijf ik schuldig. (...) Van geval tot geval zal</para>
      <para>het antwoord in de feiten gezocht moeten worden, waarbij de</para>
      <para>ondernemer de eerst aangewezene is het antwoord te</para>
      <para>verschaffen. (?)"</para>
      <para>3. De standaardvoorwaarden.</para>
      <para>3.1. De in art. 18, lid 2 Wet IB 1964 bedoelde voorwaarden (hierna:</para>
      <para>de standaardvoorwaarden) werden voor het eerst vastgesteld bij</para>
      <para>resolutie van 21 september 1965, no. B5/9786, BNB 1965/270. De</para>
      <para>eerste voorwaarde luidde:</para>
      <para>"Alle tot het bedrijfsvermogen van de inbrenger (?) behorende</para>
      <para>activa en passiva worden ingebracht (?), met uitzondering van</para>
      <para>(?)".</para>
      <para>In de toelichting werd gesteld (par. 11.):</para>
      <para>"Bel.pl.n. mogen alvorens de onderneming wordt omgezet enkele</para>
      <para>voor het drijven van de onderneming niet essentiële</para>
      <para>vermogensbestanddelen aan de onderneming onttrekken, mits</para>
      <para>hetgeen overblijft nog een onderneming is."</para>
      <para>3.2. Bij Resolutie van 22 april 1985, no. 284-8575, BNB 1985/154</para>
      <para>werd de eerste voorwaarde aangescherpt en kwam deze te luiden:</para>
      <para>"Alle tot het ondernemingsvermogen van de inbrenger(?)</para>
      <para>behorende activa en passiva worden ingebracht in de (?)</para>
      <para>besloten vennootschap, (?)."</para>
      <para>Ter toelichting werd betoogd:</para>
      <para>"3. Geruisloze overgang kan - behoudens het onder punt</para>
      <para>hierna vermelde - alleen plaatsvinden indien de gehele</para>
      <para>onderneming wordt overgedragen aan de besloten vennootschap.</para>
      <para>(?).</para>
      <para>4. Uitgangspunt voor de geruisloze overgang is dat het gehele</para>
      <para>vermogen van de onderneming in de besloten vennootschap wordt</para>
      <para>ingebracht. (?)</para>
      <para>13. Belanghebbenden mogen alvorens de onderneming wordt</para>
      <para>omgezet, vermogensbestanddelen die geen functie meer vervullen</para>
      <para>in de onderneming, onttrekken. (?)."&amp;lt;(9) In bijzondere gevallen werd een ruimer standpunt ingenomen, zie V-N 9 april 1988,</para>
      <para>blz. 854, pt. 14.</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>3.3. Voor het onderhavige geval gelden de voorwaarden, opgenomen in</para>
      <para>de resolutie van 9 september 1991, nr. DB 91/2799, zoals gewijzigd</para>
      <para>bij resolutie van 18 oktober 1991, nr.  DB91/5160, BNB 1991/344. De</para>
      <para>eerste voorwaarde is gelijk aan de hiervoor in par 3.2. geciteerde</para>
      <para>tekst. Ter toelichting wordt betoogd:</para>
      <para>"4.2. Gehele onderneming</para>
      <para>4.2.1. Geruisloze overgang kan alleen plaatsvinden indien de</para>
      <para>gehele onderneming wordt ingebracht in de besloten</para>
      <para>vennootschap. Dit brengt met zich mee dat alle activa en</para>
      <para>passiva moeten worden overgedragen.In zeer bijzondere gevallen</para>
      <para>kan ik evenwel goedkeuren dat een vermogensbestanddeel aan de</para>
      <para>onderneming wordt onttrokken (zie onderdeel 4.2.4.). Indien</para>
      <para>tot het vermogen van de in te brengen onderneming de volledige</para>
      <para>eigendom van een vermogensbestanddeel behoort, is het niet</para>
      <para>toegestaan daarvan slechts de economische eigendom in te</para>
      <para>brengen. (?).</para>
      <para>4.2.2. Een verzoek tot vaststelling van de voorwaarden</para>
      <para>waaronder de geruisloze overgang kan geschieden, wordt in</para>
      <para>ieder geval niet ingewilligd indien blijkt dat in de periode</para>
      <para>voorafgaande aan het overgangstijdstip zodanige onttrekkingen</para>
      <para>hebben plaatsgevonden dat de balans van de onderneming per</para>
      <para>boven bedoelde datum niet het normaliter in de onderneming</para>
      <para>werkzame vermogen representeert. (?).</para>
      <para>4.2.4. In zeer bijzondere gevallen ben ik bereid goed te</para>
      <para>keuren dat alvorens de onderneming wordt omgezet,</para>
      <para>vermogensbestanddelen die geen functie meer vervullen in de</para>
      <para>onderneming, worden onttrokken. (?)."</para>
      <para>3.4. In de geciteerde paragraaf 4.2.4. van de toelichting werd</para>
      <para>voorts verwezen naar het verslag van de Commissie voor de</para>
      <para>verzoekschriften uit de Tweede Kamer, vergaderjaar 1985-1986, 19</para>
      <para>249, nr. 251, V-N 1986, blz. 1206, pt. 17, waarin onder andere werd</para>
      <para>overwogen:</para>
      <para>"(?) dat adressant (?) stelt dat voor de onttrekking van</para>
      <para>enkele voor de onderneming niet essentiële</para>
      <para>vermogensbestanddelen zoals een woonhuis geen fiscale claim</para>
      <para>verloren gaat, omdat over de bij onttrekking blijkende stille</para>
      <para>reserves met de fiscus zou worden afgerekend; dat dit echter</para>
      <para>niet van belang is omdat het uitsluitend relevant is dat wordt</para>
      <para>voldaan aan de krachtens (art.) 18 (Wet IB 1964) gestelde</para>
      <para>voorwaarden (?)."</para>
      <para>3.5. De voorwaarden zijn thans opgenomen in het Besluit van 24</para>
      <para>september 1997, nr. DB97/2950M BNB 1997/365.</para>
      <para>3.6. Dit beleid is door een aantal auteurs bestreden. Zo stelde</para>
      <para>Stoffer (1967)&amp;lt;(10) Verslag van een lezing, opgesteld door H.G. Hagelen, MBB 1967 blz. 109, r.k.</para>
      <para>&amp;gt;:</para>
      <para>"(?) De eis om alles in te brengen geldt niet per se voor</para>
      <para>activa (?) die evengoed privé zouden kunnen zijn, zoals</para>
      <para>persoonlijke bankdeposito's, eigen woonhuis zonder enig</para>
      <para>zakelijk gebruik, enzovoorts.(?)."</para>
      <para>IJsselmuiden betoogde (1976)&amp;lt;(11) Th.S. IJsselmuiden, Geruisloze omzetting, 3e dr. 1976,blz. 16.</para>
      <para>&amp;gt;:</para>
      <para>"(?) de vraag óf zaken mogen worden onttrokken en welke, staat</para>
      <para>niet aan de staatssecretaris ter beoordeling, maar aan</para>
      <para>belanghebbende en de rechter (?)"</para>
      <para>Rijkers schreef (1989)&amp;lt;(12) A.w. blz. 104-106.</para>
      <para>&amp;gt;:</para>
      <para>"Feitelijk wordt er ook bij een geruisloze omzetting gestaakt.</para>
      <para>Alléén voor de winstberekening fingeert de wet een niet-</para>
      <para>staking. Daaraan zou men de conclusie kunnen verbinden dat</para>
      <para>alle regels inzake winstberekening intact blijven. Dit zou</para>
      <para>meebrengen dat men vooronttrekking een 'bijzondere</para>
      <para>omstandigheid' nodig heeft. En dat voert weer tot de conclusie</para>
      <para>dat onttrekking alleen mogelijk zou zijn van</para>
      <para>vermogensbestanddelen, die hun functie voor de onderneming</para>
      <para>geheel verloren hebben. (...). Van een 'bijzondere</para>
      <para>omstandigheid' zal in het algemeen sprake zijn indien de</para>
      <para>functionele relatie tussen het vermogenbestanddeel en de</para>
      <para>onderneming definitief wordt verbroken. (...). Kan een</para>
      <para>geruisloze omzetting nu als een bijzondere omstandigheid</para>
      <para>worden gezien? Mijn antwoord luidt bevestigend. In</para>
      <para>werkelijkheid verschiult de geruisloze omzetting niet van een</para>
      <para>ruisende omzetting. (...). In geval van een ruisende omzetting</para>
      <para>kan een ondernemer naar believen vermogens-bestanddelen buiten</para>
      <para>de inbreng houden. Hij rekent daarover af en beëindigt zijn</para>
      <para>onderneming definitief en voorgoed. Ook bij een geruisloze</para>
      <para>omzetting beëindigt de ondernemer zijn onderneming definitief</para>
      <para>en voorgoed. De niet-stakingsfictie van (art.) 18 Wet IB 1964</para>
      <para>is niet bedoeld om deze werkelijkheid te miskennen, maar om de</para>
      <para>gevolgen van deze werkelijkheid te voorkomen: er behoeft voor</para>
      <para>zover wordt ingebracht niet te worden afgerekend. Over</para>
      <para>onttrokken vermogensbestanddelen wordt daarentegen gewoon</para>
      <para>afgerekend. De (...) MvT [bevat] immers  (...) de</para>
      <para>opmerking:'Úiteraard zal een ter zake tot uitkering komende reserve</para>
      <para>belastbaar worden.' ".</para>
      <para>Jansen is van mening (1997):&amp;lt;(13) MBB 1997, blz. 344, par. 3.2.</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>"(...) de eis dat alle activa en passiva moeten worden</para>
      <para>ingebracht vindt geen steun in de ratio en de wetsgeschiedenis</para>
      <para>van de regeling. Bovendien kan van een soepeler standpunt geen</para>
      <para>misbruik worden gemaakt omdat bij een onttrekking geen fiscale</para>
      <para>claims verloren gaan. Verder ontstaan er thans allerlei</para>
      <para>praktische problemen die probleemloos kunnen worden opgelost</para>
      <para>als een onttrekking wordt toegestaan. De staatssecretaris had</para>
      <para>er dan ook beter aan gedaan het inbrengvereiste wat minder</para>
      <para>strak toe te passen. Zowel theoretisch als praktisch is dat</para>
      <para>goed verdedigbaar."</para>
      <para>Cornelissse&amp;lt;(14) R.P.C. Cornelisse, Geruisloze omzetting, 1997, blz. 19: "(...) Ik zie (...) geen</para>
      <para>redelijke grond voor het stellen van (de) voorwaarde [dat de volledige juridische</para>
      <para>eigendom moet worden ingebracht]. Aangezien bij de inbreng van de economische dan</para>
      <para>wel de juridische eigendom geen fiscale claims in geding zijn, kan deze voorwaarde</para>
      <para>niet rusten op art. 18 lid 2 Wet IB (1964). Ik acht het zeer twijfelachtig of deze</para>
      <para>voorwaarde wel op de wettelijke voorwaarden van art. 18 lid 1 Wet IB (1964) kan</para>
      <para>worden gegrond. Immers ook bij de economische eigendom is naar mijn mening sprake</para>
      <para>van een omzetting in de aldaar bedoelde zin.".</para>
      <para>&amp;gt;, Essers&amp;lt;(15) De NV, 1992 nr 70, blz. 4.</para>
      <para>&amp;gt;, Mobach/Sillevis&amp;lt;(16) H. Mobach/L.W. Sillevis, Cursus Belastingrecht (Inkomstenbelasting), 2.2.28.B.</para>
      <para>d.2. blz. 895 (Suppl. 262 sept. 1997): "Wij vragen ons af welke bezwaren er kunnen</para>
      <para>bestaan tegen een inbreng in (volledige) economische eigendom, die immers elders in</para>
      <para>het belastingrecht geheel op dezelfde wijze wordt behandeld als de juridische</para>
      <para>inbreng.(...).".</para>
      <para>&amp;gt; en Zwemmer&amp;lt;(17) WFR 1992/6019, blz. 1086, pt. 3.</para>
      <para>&amp;gt; zouden de faciliteit</para>
      <para>ook willen toepassen als uitsluitend de economische eigendom van een</para>
      <para>vermogensbestanddeel wordt ingebracht. In die zin kennelijk ook, na</para>
      <para>eerst nog geaarzeld te hebben&amp;lt;(18) A.w. blz. 219.</para>
      <para>&amp;gt;, Rijkers&amp;lt;(19) WFR 1992/5992, blz. 49.</para>
      <para>&amp;gt;.</para>
      <para>4. Onttrekkingen bij geruisloze omzetting, beschouwing.</para>
      <para>4.1. Art. 18 Wet IB 1964 biedt een faciliteit voor het geval de</para>
      <para>rechtsvorm waarin of op basis waarvan een onderneming wordt</para>
      <para>gedreven, wordt gewijzigd. De faciliteit is in de in par. 2.3.</para>
      <para>geciteerde passage uit de MvT gemotiveerd met de opmerking, dat bij</para>
      <para>een dergelijke wijziging in werkelijkheid vaak alles 'bij het oude</para>
      <para>(blijft), ook in de boekhouding'.</para>
      <para>Dat 'bij het oude blijven', 'ook in de boekhouding' slaat blijkens</para>
      <para>het vervolg van het citaat op de overneming in de boekhouding van de</para>
      <para>voortzettende vennootschap van de boek-waarden van de ingebrachte</para>
      <para>activa. In de geciteerde passage wordt voor toepassing van de</para>
      <para>faciliteit niet als eis gesteld dat alles in elk opzicht 'bij het</para>
      <para>oude blijft'. In tegendeel: in het slot van de geciteerde passage</para>
      <para>wordt uitdrukkelijk de mogelijkheid geboden om vermogensbestanddelen</para>
      <para>die tot het bedrijfsvermogen van de ondernemer behoren, van inbreng</para>
      <para>uit te sluiten.</para>
      <para>4.2. De wetgever was kennelijk van mening dat de wijziging van de</para>
      <para>rechtsvorm van de onderneming, ook vanuit de onderneming bezien, een</para>
      <para>bijzondere omstandigheid vormde die wijziging van de zgn.</para>
      <para>etikettering van vermogensbestanddelen rechtvaardigde. Die wijziging</para>
      <para>kan slechts de activa en passiva betreffen die, beoordeeld naar de</para>
      <para>situatie op het moment waarop de wijziging van rechtsvorm</para>
      <para>plaatsvindt, tot het zgn. keuzevermogen behoren. Voor een verdere</para>
      <para>beperking van die herzieningsmogelijkheid zie ik geen reden. De</para>
      <para>jurisprudentie van Uw Raad ten aanzien van de vraag wat tot het zgn.</para>
      <para>'verplichte' ondernemingsvermogen behoort, verzekert dat activa en</para>
      <para>passiva die essentieel zijn voor de voortzetting van de</para>
      <para>bedrijfsuitoefening, niet kunnen worden onttrokken. Die</para>
      <para>jurisprudentie garandeert dus ook dat hetgeen wél wordt ingebracht -</para>
      <para>in de woorden van de MvT - nog een onderneming vormt.</para>
      <para>4.3. Mij is geen jurisprudentie bekend over de vraag, of het een</para>
      <para>ondernemer- natuurlijk persoon is toegestaan uitsluitend de</para>
      <para>economische eigendom van zijn bedrijfsmiddelen tot zijn</para>
      <para>ondernemingsvermogen te rekenen. Dat ligt ook voor de hand: de</para>
      <para>scheiding van de juridische en de economische eigendom veronderstelt</para>
      <para>dat die juridische of economische eigendom in handen is van</para>
      <para>verschillende personen; men kan nu eenmaal geen rechten of plichten</para>
      <para>ten opzichte van zichzelf hebben.&amp;lt;(20) Wel kan, bij aangaan van een vennootschap onder firma, worden volstaan met de</para>
      <para>inbreng van de economische eigendom van bedrijfsmiddelen, zie HR 29 oktober 1952,</para>
      <para>B. 9298. Dat sluit echter niet uit dat in een dergelijk geval de juridische</para>
      <para>eigendom van die bedrijfsmiddelen blijft behoren tot het buitenvennootschappelijk</para>
      <para>bedrijfsvermogen van de inbrenger.</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>4.4. Door de inbreng van een onderneming in een BV ontstaat die</para>
      <para>mogelijkheid tot splitsing van de eigendom echter wel. Het lijkt mij</para>
      <para>niet onmogelijk, dat dan kan worden volstaan met de inbreng van de</para>
      <para>economische eigendom van bedrijfsmiddelen. Als het voor het drijven</para>
      <para>van de onderneming niet noodzakelijk is dat de BV ook beschikt over</para>
      <para>de juridische eigendom van de bedrijfsmiddelen en de economische</para>
      <para>eigendom de BV daartoe al voldoende mogelijkheden geeft, kan de</para>
      <para>inbrenger er naar mijn mening voor kiezen, alleen de economische</para>
      <para>eigendom van die zaken in te brengen. Vereist is dan wel, dat die</para>
      <para>'economische eigendom' van de zaken de BV in staat stelt die zaken</para>
      <para>naar eigen inzicht te gebruiken.</para>
      <para>4.5. Art. 18, lid 2 Wet IB 1964 geeft de Minister of de</para>
      <para>staatssecretaris van Financiën de bevoegdheid om ten aanzien van de</para>
      <para>toepassing van art. 18, lid 1 Wet IB 1964 voorwaarden te stellen.</para>
      <para>Die voorwaarden mogen blijkens art. 18, lid 2 Wet IB 1964 slechts</para>
      <para>strekken 'ter verzekering van de heffing en de invordering van de</para>
      <para>inkomsten- en vennootschapsbelasting' over - kort gezegd - de</para>
      <para>doorgeschoven stille reserves.</para>
      <para>4.6. Over de stille reserves van de onttrokken activa moet worden</para>
      <para>afgerekend. Ik zie daarom geen gevaar voor 'claimverlies', althans</para>
      <para>voor het verloren gaan van de claim op de stille reserves van die</para>
      <para>activa. Ten aanzien van de claim over eventuele stille reserves ten</para>
      <para>aanzien van andere, wel ingebrachte activa en passiva kan door de</para>
      <para>onttrekking van waardevolle activa wijziging optreden in de</para>
      <para>mogelijkheden voor de fiscus om zijn vordering te innen. Het lijkt</para>
      <para>mij echter buiten proportie om, uitsluitend ter verzekering van de</para>
      <para>mogelijkheid tot invordering van de op die stille reserves van</para>
      <para>andere activa of passiva betrekking hebbende belastingschulden,</para>
      <para>steeds de inbreng van alle activa of van de volle eigendom van alle</para>
      <para>activa te verlangen. Dat belang kan zo nodig ook op andere - minder</para>
      <para>vergaande - wijze worden gerealiseerd, bij voorbeeld in de vorm van</para>
      <para>een verplichte borgstelling door de inbrenger voor de daaruit</para>
      <para>voortvloeiende belastingschulden van de besloten vennootschap.</para>
      <para>5. Het onderhavige geval.</para>
      <para>5.1. De akte van inbreng houdt in (blz. 1, midden en 4, midden):</para>
      <para>"Ter storting op de aandelen zal de oprichter op de voet van</para>
      <para>(art.) 18 (wet IB 1964)  (?) in de vennootschap inbrengen zijn</para>
      <para>onderneming bestaande uit:</para>
      <para>(?)</para>
      <para>b. zijn buitenvennootschappelijk bedrijfsvermogen;</para>
      <para>(?)</para>
      <para>(blz. 4, na het midden)</para>
      <para>Vervolgens verklaarde de komparant (de belanghhebbende, v.d.</para>
      <para>B.) dat tot het (?) buitenvennootschappelijk bedrijfsvermogen</para>
      <para>behoren de (?) onroerende zaken, waarvan de "economische</para>
      <para>eigendom" ten deze is ingebracht:</para>
      <para>a. de bedrijfsgebouwen met erf en grond  (...);</para>
      <para>b.een kantoortje, schuur, twee garages en werkplaats met erf,</para>
      <para>grond  en overige aanhorigheden  (...);</para>
      <para>c. een onbebouwd perceel opslagterrein  (...)</para>
      <para>(blz. 8, midden)</para>
      <para>Vervolgens verklaarde de komparant dat tot het vermogen van de</para>
      <para>(...) vennootschap onder firma, in welk vermogen de inbrenger</para>
      <para>voor de helft gerechtigd is, behoort de navolgende onroerende</para>
      <para>zaak, waarvan ten deze de "economische eigendom" is ingebracht</para>
      <para>:</para>
      <para>(een) vrijstaande behuizing met aangebouwde berging, erf en</para>
      <para>tuin en verder toebehoren (...) "</para>
      <para>5.2. Asser-Mijnssen-De Haan&amp;lt;(21)Zakenrecht, algemeen goederenrecht, 13e dr. 1992, blz. 398.</para>
      <para>&amp;gt; betogen:</para>
      <para>"(?) de zogenaamde economische eigendom (?) is te beschouwen</para>
      <para>als een verzamel-term voor gevallen, waarin een goed in</para>
      <para>juridische zin toekomt aan de een, terwijl de economische</para>
      <para>waarde ervan ten goede komt aan een ander. (?)."</para>
      <para>5.3. Uit de gedingstukken valt niet op te maken, wat men in dit</para>
      <para>geval - anders dan dat het economische belang bij de genoemde zaken</para>
      <para>kennelijk slechts de besloten vennootschap zou aangaan, onder de</para>
      <para>"economische eigendom" heeft verstaan. Wellicht hield dat ook het</para>
      <para>recht in om de zaak naar eigen inzicht te gebruiken, maar uit de</para>
      <para>stukken valt dat niet af te leiden.</para>
      <para>5.4. Evenmin valt aan de hand van de stukken vast te stellen, wat de</para>
      <para>status van die goederen - verplicht ondernemingsvermogen of</para>
      <para>keuzevermogen - was.</para>
      <para>5.5. Bij brief van 16 februari 1995 schreef de gemachtigde van de</para>
      <para>belanghebbende aan de Inspecteur&amp;lt;(22) "Bijlage 10 bij het vertoogschrift van de inspecteur, blz.</para>
      <para>&amp;gt;:</para>
      <para>"Zoals met u besproken zullen de door u af te geven</para>
      <para>standaardvoorwaarden worden aanvaard met dien verstande dat</para>
      <para>deze anders worden uitgelegd dan de Staatssecretaris aangeeft</para>
      <para>in zijn toelichting. Ten aanzien van de (...) onroerende zaken</para>
      <para>stellen wij ons op het standpunt dat inbreng van het</para>
      <para>economisch (in plaats van juridisch) eigendom volstaat. Wij</para>
      <para>stellen voor deze kwestie voor te leggen aan de</para>
      <para>belastingrechter."</para>
      <para>5.6. Een kennelijk daarna -aan de Inspecteur geschreven - brief&amp;lt;(23) Bijlage 9 bij het vertoogschrift van de Inspecteur.</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>houdt in:</para>
      <para>"De ondergetekende, [de belanghebbende, v.d.B.], ten deze</para>
      <para>zowel handelende voor zich als voor de (BV), verklaart hierbij</para>
      <para>de voorwaarden en beperkingen welke zijn vervat in de</para>
      <para>beschikking inzake toepassing van (art.) 18 (Wet IB 1964),</para>
      <para>inzake het adres met dagtekening 16 februari 1995 (...) te</para>
      <para>aanvaarden."</para>
      <para>5.7. De Inspecteur stelde in zijn vertoogschrift (blz. 2, pt. 3.2.,</para>
      <para>slot):</para>
      <para>"De standaardvoorwaarden zijn door de belanghebbende aanvaard</para>
      <para>(...) met dien verstande dat de voorwaarden anders worden</para>
      <para>uitgelegd dan de Staatssecretaris aangeeft in zijn toelichting</para>
      <para>(...)."</para>
      <para>De Inspecteur verwees daarbij naar de in par. 5.5 en 5.6. geciteerde</para>
      <para>brieven.</para>
      <para>6. De uitspraak van het Hof.</para>
      <para>6.1. Het Hof heeft overwogen (blz. 4):</para>
      <para>"(...) 5.01. Nu de belanghebbende van een aantal activa, die</para>
      <para>in volle eigendom (...) deel uitmaakten van zijn</para>
      <para>ondernemingsvermogen, slechts de economische eigendom in de BV</para>
      <para>inbracht, heeft hij (...) niet voldaan aan de (...) zonder</para>
      <para>enig voorbehoud aanvaarde eerste standaardvoorwaarde dat hij</para>
      <para>alle tot het ondernemingsvermogen behorende activa in de BV</para>
      <para>zou inbrengen. (...)</para>
      <para>5.02. Dat de staatssecretaris zich voor het eerst in (...)</para>
      <para>1991 (...) in dezelfde zin heeft uitgelaten ziet het hof niet</para>
      <para>als een beleidswijziging maar als een aanvulling of verduide</para>
      <para>lijking waartoe hij gerechtigd was. (...) in redelijkheid kan</para>
      <para>niet worden volgehouden dat met de juridische eigendom van de</para>
      <para>onderwerpelijke onroerende zaken geen activa van waarde buiten</para>
      <para>de inbreng zijn gebleven. Aan de voormelde conclusie doet</para>
      <para>evenmin af dat in de gegeven situatie de heffing van</para>
      <para>overdrachtsbelasting niet kan worden voorkomen. (...)"</para>
      <para>7. Het eerste middel.</para>
      <para>7.1. Het eerste middel bevat twee klachten.Ik begin met de klacht</para>
      <para>(aanvulling beroepschrift in cassatie, blz. 2, 3e al) tegen het in</para>
      <para>overweging 5.01 gegeven oordeel dat de belanghebbende de eerste</para>
      <para>standaardvoorwaarde 'zonder enig voorbehoud' heeft aanvaard.</para>
      <para>7.2. De belanghebbende wijst terecht op het voorbehoud, gemaakt in</para>
      <para>de in par. 5.5. geciteerde brief van 16 februari 1995. Dat</para>
      <para>voorbehoud werd weliswaar in de in par. 5.6. geciteerde brief niet</para>
      <para>meer herhaald, maar tussen partijen was - zie de in par. 5.7.</para>
      <para>geciteerde passage uit het vertoogschrift van de Inspecteur -</para>
      <para>kennelijk niet in geschil dat dit voorbehoud was blijven gelden. Met</para>
      <para>het bestreden oordeel is het Hof derhalve buiten de rechtsstrijd</para>
      <para>getreden.</para>
      <para>7.3. Partijen mochten er ook van uitgaan dat het in de brief van 16</para>
      <para>februari 1995 gemaakte voorbehoud was blijven gelden. Indien het Hof</para>
      <para>daar anders over dacht - en daarom tot de bestreden beslissing is</para>
      <para>gekomen - dan is het oordeel gebaseerd op een - impliciet</para>
      <para>gegeven - onjuist rechtsoordeel. De klacht is derhalve gegrond.</para>
      <para>7.4. De andere klacht houdt - samengevat - in dat het Hof heeft</para>
      <para>miskend dat de wet noch de voorwaarden eisen dat zowel de</para>
      <para>economische als de juridische eigendom van alle tot het</para>
      <para>bedrijfsvermogen behorende activa wordt ingebracht.</para>
      <para>7.5. De wetgever heeft de inbrenger de mogelijkheid willen bieden de</para>
      <para>'etikettering' van de vermogensbestanddelen te herzien. Wat tot het</para>
      <para>zogenaamde 'verplichte ondernemingsvermogen' behoort moet echter</para>
      <para>worden ingebracht, maar aan die verplichting kan naar mijn mening</para>
      <para>worden voldaan door inbreng van de economische eigendom van bepaalde</para>
      <para>zaken, aannemend dat die ecomomische eigendom het recht inhoudt die</para>
      <para>zaken naar eigen inzicht te gebruiken.</para>
      <para>7.6. Het Hof heeft dat miskend. Het heeft ook miskend dat de</para>
      <para>Staatssecretaris bij het stellen van voorwaarden niet mag treden</para>
      <para>buiten de in art. 18, lid 2 Wet IB 1964 gestelde grenzen. De</para>
      <para>voorwaarden mogen slechts strekken ter verzekering van de heffing en</para>
      <para>invordering van de inkomsten- en vennootschapsbelasting die zou zijn</para>
      <para>verschuldigd ingeval art. 18 buiten toepassing zou blijven. De in de</para>
      <para>toelichting op de voorwaarden opgenomen eis, dat steeds de volle</para>
      <para>eigendom van de bedrijfsmiddelen moet worden ingebracht kan niet</para>
      <para>dienen tot zekerstelling van de heffing van die belastingen (zie</para>
      <para>par. 4.6.). Wel wordt hierdoor de positie van de fiscus op het</para>
      <para>gebied van de invordering veiliggesteld, maar op dat stuk is de</para>
      <para>maatregel disproportioneel en daarom onverbindend (zie par. 4.6.).</para>
      <para>7.7. Het eerste onderdeel van de klacht (de wet eist niet dat zowel</para>
      <para>de economische als de juridische eigendom wordt ingebracht) is</para>
      <para>derhalve gegrond. Dat betekent dat het tweede onderdeel van de</para>
      <para>klacht (is voldaan aan de voorwaarden?) buiten behandeling kan</para>
      <para>blijven.</para>
      <para>8. Het tweede middel.</para>
      <para>8.1. In het tweede middel wordt een beroep gedaan op het</para>
      <para>vertrouwensbeginsel. De eis dat de volle eigendom van alle</para>
      <para>bedrijfsmiddelen moet worden ingebracht, werd pas gesteld in 1991,</para>
      <para>in de toelichting op de eerste standaardvoorwaarde (zie par. 3.3.).</para>
      <para>Volgens de belanghebbende (aanvulling beroepschrift in cassatie,</para>
      <para>blz. 3, 4e al.) gaat het hier om 'een beleidswijziging die niet is</para>
      <para>gemotiveerd, zodat daaraan rechtskracht moet worden ontzegd'.</para>
      <para>8.2. Een overheidsorgaan is gehouden het vertrouwen dat zij door</para>
      <para>publicatie van beleidsregels heeft gewekt, te respecteren. Het staat</para>
      <para>een overheidsorgaan echter in beginsel vrij zijn beleid te wijzigen.</para>
      <para>Als die beleidswijziging behoorlijk bekend is gemaakt, kunnen daarna</para>
      <para>- kwesties van overgangsrecht daargelaten - aan het oude - verlaten</para>
      <para>- beleid geen rechten meer worden ontleend. De redenen die het</para>
      <para>orgaan ertoe hebben gebracht zijn beleid te wijzigen zijn in dat</para>
      <para>verband niet van belang. Derhalve faalt dit middel.</para>
      <para>9. Beschouwing ambtshalve.</para>
      <para>9.1. Inbreng van een onderneming in een BV impliceert staking van de</para>
      <para>bedrijfsuitoefening door de inbrenger. Die staking vindt uiterlijk</para>
      <para>plaats op het moment van inbreng. Is een zgn. voorovereenkomst tot</para>
      <para>oprichting van de BV gesloten, dan kan daarin een eerder</para>
      <para>overgangstijdstip worden overeengekomen, zij het dat dit tijdstip in</para>
      <para>beginsel niet kan liggen voor het moment waarop die voorovereenkomst</para>
      <para>is aangegaan (HR 4 november 1953, BNB 1954/18 m.nt. M.A. Wisselink).</para>
      <para>9.2. Bij geruisloze omzetting op de voet van art. 18 Wet IB 1964</para>
      <para>neemt de fiscus een soepeler standpunt in. Volgens de toelichting op</para>
      <para>de tiende standaardvoorwaarde kan als overgangstijdstip worden</para>
      <para>gekozen de eerste dag na het aflopen van het laatste volledige</para>
      <para>boekjaar, mits de voorovereenkomst wordt gesloten binnen negen</para>
      <para>maanden na het aflopen van dat boekjaar.&amp;lt;(24) Besluit van 24 september 1997, BNB 1997/365, blz. 2892, par. 13.1.2.</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>9.3. In dit geval heeft de fiscus ingestemd met overgang van de</para>
      <para>bedrijfsuitoefening voor rekening van de BV met ingang van 1 januari</para>
      <para>1994. De datum van de voorovereenkomst moet dus hebben gelegen voor</para>
      <para>1 oktober van dat jaar. De exacte datum blijkt echter niet uit de</para>
      <para>stukken.</para>
      <para>9.4. Zou Uw Raad tot de conclusie komen dat de belanghebbende, door</para>
      <para>uitsluitend de economische eigendom van bepaalde zaken in te</para>
      <para>brengen, niet aan de voorwaarden voor toepassing van art. 18 Wet IB</para>
      <para>1964 heeft voldaan, dan rijst de vraag of de Inspecteur mocht menen</para>
      <para>dat staking plaatsvond op 31 december 1993. Dat standpunt is alleen</para>
      <para>juist als de voorovereenkomst op of voor die datum werd gesloten. De</para>
      <para>belanghebbende heeft het door de Inspecteur aangehouden</para>
      <para>overgangstijdstip niet bestreden. In cassatie zullen wij er daarom</para>
      <para>vanuit moeten gaan dat die voorovereenkomst inderdaad voor of op 31</para>
      <para>december 1993 werd gesloten.</para>
      <para>10. Conclusie.</para>
      <para>Het eerste middel gegrond bevindend, concludeer ik tot vernietiging</para>
      <para>van de uitspraak van het Hof en tot verwijzing van de zaak naar een</para>
      <para>ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing.</para>
      <para>De Procureur-Generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
      <para>(a-g)</para>
    </parablock>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>