<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1999:AA2936</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T16:23:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA2936</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1999-11-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">33467</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1999:AA2936" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1999:AA2936</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=7:12&amp;g=1999-11-03">Algemene wet bestuursrecht 7:12</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=6:8&amp;g=1999-11-03">Algemene wet bestuursrecht 6:8</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002320&amp;artikel=22j&amp;g=1999-11-03">Algemene wet inzake rijksbelastingen 22j</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>BNB 1999/446</rdf:li>
          <rdf:li>FED 1999/671</rdf:li>
          <rdf:li>WFR 1999/1542</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 1999/52.6</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA2936">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA2936</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:47:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1999:AA2936 Parket bij de Hoge Raad , 03-11-1999 / 33467</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA2936:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA2936:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Nr. 33.467                             Mr Van den Berge</para>
      <para>Derde Kamer B                     Conclusie inzake:</para>
      <para>Inkomstenbelasting 1992           X</para>
      <para>Parket, 10 maart 1999                  tegen:</para>
      <para>de staatssecretaris</para>
      <para>van Financiën</para>
      <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
      <para>1.Inleiding</para>
      <para>1.1. Het cassatieberoep is gericht tegen de schriftelijke</para>
      <para>uitspraak van het gerechtshof te Amsterdam (het Hof)van 20 mei</para>
      <para>1997, kenmerk 95/4512. Het beroep is ingesteld door de</para>
      <para>belanghebbende.</para>
      <para>1.2. Volgens zijn beroepschrift heeft de belanghebbende bij</para>
      <para>het Hof beroep ingesteld tegen:</para>
      <para>"de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst,</para>
      <para>Afdeling Ondernemingen P d.d. 2 oktober 1995."</para>
      <para>1.3. De kop van de betreffende brief van deze inspecteur luidt:</para>
      <para>"2e uitspraak op bezwaarschriften aanslag</para>
      <para>inkomstenbelasting 1992 en 1993 ten name van [de</para>
      <para>belanghebbende]".</para>
      <para>1.4. Het Hof heeft dienaangaande overwogen:</para>
      <para>"5.1.     (...) Bij de mondelinge behandeling ter zitting</para>
      <para>van 25 maart 1995 heeft de inspecteur deze aanhef</para>
      <para>verklaard met de mededeling dat zij eerder uitspraak had</para>
      <para>gedaan op het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag</para>
      <para>inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar</para>
      <para>1992, en wel op 10 maart 1995. De gemachtigde van</para>
      <para>belanghebbende heeft, nadat hij ter zitting was</para>
      <para>verschenen, erkend al gezien te hebben dat de inspecteur</para>
      <para>twee keer "uitspraak" heeft gedaan. Het Hof is van oordeel</para>
      <para>dat tweemaal uitspraak doen op hetzelfde bezwaarschrift</para>
      <para>niet mogelijk is (HR 3 april 1963, nr. 14 968, BNB</para>
      <para>1963/128), zodat het besluit van 2 oktober 1995 moet</para>
      <para>worden vernietigd. Het Hof komt, nu het beroep te laat is</para>
      <para>voor de uitspraak van 10 maart 1995, niet toe aan de</para>
      <para>beoordeling van de geschilpunten tussen partijen.</para>
      <para>5.2.     Het Hof wijst af het verzoek van de gemachtigde</para>
      <para>van belanghebbende, gedaan bij de tweede mondelinge</para>
      <para>behandeling van de zaak, om zich alsnog schriftelijk te</para>
      <para>&amp;lt;?</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>mogen uitlaten over de vraag of belanghebbende</para>
      <para>"ontvankelijk" is. Ter zitting heeft hij erkend dat hij al</para>
      <para>eerder had gezien dat er twee keer uitspraak was gedaan</para>
      <para>door de inspecteur, maar hij meende dat de tweede</para>
      <para>uitspraak als vervanging van de eerste kon worden</para>
      <para>aangemerkt. De gemachtigde heeft, naar het oordeel van het</para>
      <para>Hof, voldoende gelegenheid gehad zich uit te laten over</para>
      <para>deze kwestie. Bovendien gaf de gemachtigde aanvankelijk</para>
      <para>ter zitting te kennen geen behoefte te hebben op deze</para>
      <para>kwestie in te gaan en deed hij zijn verzoek daartoe eerst</para>
      <para>aan het einde van de mondelinge behandeling."</para>
      <para>1.5. In cassatie voert de belanghebbende drie klachten aan. De</para>
      <para>eerste betreft het oordeel dat het beroep te laat is, de</para>
      <para>tweede betreft de beslissing om de belanghebbende geen</para>
      <para>schriftelijke uitlating toe te staan, en de derde betreft de</para>
      <para>consequenties van het feit dat de uitspraak van 2 oktober 1995</para>
      <para>betrekking heeft op twee verschillende belastingjaren.</para>
      <para>1.6. De staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift</para>
      <para>ingediend.</para>
      <para>2.   De eerste klacht</para>
      <para>2.1. Volgens de eerste klacht is het oordeel dat het beroep</para>
      <para>tegen de uitspraak van 10 maart 1995 te laat is ingesteld</para>
      <para>onbegrijpelijk (beroepschrift in cassatie, blz. 2),</para>
      <para>"daar het Hof niet heeft vastgesteld op welk tijdstip c.q.</para>
      <para>datum deze uitspraak aan belanghebbende bekend gemaakt is.</para>
      <para>Gelet op artikel 3:40 van de Algemene Wet Bestuursrecht</para>
      <para>treedt een besluit c.q. een beschikking niet in werking</para>
      <para>voordat het bekend is gemaakt. De bekendmaking is derhalve</para>
      <para>een constitutief vereiste voor het verkrijgen van</para>
      <para>rechtskracht en daarmee het intreden van de rechtsgevolgen</para>
      <para>van de uitspraak op het bezwaarschrift. (...)"</para>
      <para>2.2. Volgens P. Meyjes/J. van Soest/J.W. van den Berge/J.H. van</para>
      <para>Gelderen, Fiscaal procesrecht, 1997, blz. 101, zijn er feiten</para>
      <para>"waar de rechter 'ambtshalve', dat wil zeggen buiten</para>
      <para>stellingen van partijen om, op moet letten. Dit doet zich</para>
      <para>voor bij de toepassing van bepalingen die men kortweg 'van</para>
      <para>openbare orde' noemt.</para>
      <para>Daartoe behoren in de eerste plaats de regels die de</para>
      <para>ontvankelijkheid van een rechtsmiddel beheersen, zoals de</para>
      <para>beroepstermijnen, (...)."</para>
      <para>2.3. Volgens art. 6:8, lid 1, Algemene wet bestuursrecht (Awb)</para>
      <para>vangt de beroepstermijn aan</para>
      <para>"met ingang van de dag na die waarop het besluit</para>
      <para>voorgeschreven wijze bekend is gemaakt."</para>
      <para>Volgens art. 3:41, lid 1, Awb geschiedt zodanige bekendmaking</para>
      <para>"door toezending of uitreiking aan [degenen tot wie het</para>
      <para>besluit is gericht]."</para>
      <para>Volgens art. 7:12, lid 2, eerste volzin, Awb wordt de</para>
      <para>beslissing op een bezwaar</para>
      <para>"bekendgemaakt door toezending of uitreiking aan degenen</para>
      <para>tot wie zij is gericht."</para>
      <para>2.4. HR 8 juli 1997, BNB 1997/312, overwoog:</para>
      <para>"3.2.     (...) Onder de dag van toezending moet worden</para>
      <para>verstaan de dag van terpostbezorging van de uitspraak,</para>
      <para>ongeacht of de verzending per aangetekende post of</para>
      <para>anderszins geschiedt. De uitreiking bedoeld in artikel</para>
      <para>3:41 Awb (...) is naar moet worden aangenomen de</para>
      <para>uitreiking door het betrokken overheidsorgaan zelf (...)."</para>
      <para>2.5. Art. 22a (tot 1 juni 1996; thans: 22j) Algemene wet inzake</para>
      <para>rijksbelastingen (AWR) bepaalt:</para>
      <para>"In afwijking van artikel 6:8 [Awb] vangt de termijn voor</para>
      <para>het instellen van bezwaar of beroep aan:</para>
      <para>a.   met ingang van de dag na die van dagtekening van</para>
      <para>(...) een uitspraak, tenzij de dag van dagtekening is</para>
      <para>gelegen vóór de dag van de bekendmaking (...)".</para>
      <para>2.6. HR 27 november 1996, met mijn conclusie, BNB 1997/68,</para>
      <para>m.nt. M.W.C. Feteris, overwoog:</para>
      <para>"3.6.     (...) Onder uitspraak moet in dit verband worden</para>
      <para>verstaan de beslissing in de zin van art. 7:12 Awb. Er</para>
      <para>bestaat geen grond aan te nemen dat de met de Awb beoogde</para>
      <para>eenheid in de bestuursrechtelijke wetgeving hier ook in</para>
      <para>die zin wordt doorbroken dat een geschrift dat, gelijk de</para>
      <para>onderhavige "Uitspraak op bezwaarschrift", wel de</para>
      <para>beslissing inhoudt maar niet de daaraan ten grondslag</para>
      <para>liggende motivering op zichzelf beschouwd voor het ingaan</para>
      <para>van de beroepstermijn zonder betekenis is. De dagtekening</para>
      <para>van een dergelijk geschrift is, tenzij deze is gelegen</para>
      <para>voor die van de bekendmaking, steeds bepalend voor het</para>
      <para>ingaan van de beroepstermijn. (....)"</para>
      <para>2.7. Uit een en ander volgt dat, teneinde te kunnen beoordelen</para>
      <para>of de beroepstermijn in acht is genomen, moet vaststaan:</para>
      <para>a.   dat er een als uitspraak aan te merken geschrift is;</para>
      <para>b.   wat de dagtekening van die uitspraak is;</para>
      <para>c.   wanneer die uitspraak aan de belanghebbende is</para>
      <para>bekendgemaakt.</para>
      <para>2.8. Onder '4. Standpunten van partijen' heeft het Hof vermeld:</para>
      <para>"4.5.  Op de tweede zitting heeft de inspecteur verklaard</para>
      <para>dat zij twee keer een uitspraak op het bezwaarschrift</para>
      <para>heeft gedaan. De eerste uitspraak dateert van 10 maart</para>
      <para>1995 - hiervan is ter zitting de zogenoemde resultatennota</para>
      <para>ter inzage gelegd -, de tweede van 2 oktober 1995.</para>
      <para>Mogelijk is reeds op 24 juli 1995 een tweede uitspraak</para>
      <para>gedaan. De brief van 30 januari 1995 bevat de motivering</para>
      <para>van de eerste uitspraak."</para>
      <para>2.9. In de hiervoor (pt. 1.4.) geciteerde o. 5.1. heeft het Hof</para>
      <para>kennelijk aannemelijk geacht dat de Inspecteur inderdaad op 10</para>
      <para>maart 1995 een uitspraak heeft gedaan. Op zichzelf was dat</para>
      <para>immers niet weersproken (vgl. pt. 4.3. van de hofuitspraak),</para>
      <para>ook al is van die uitspraak geen copie in het geding gebracht</para>
      <para>(de genoemde resultatennota [gedingstuk nr. 13] is kennelijk</para>
      <para>een intern stuk, dat niet bestemd was voor bekendmaking aan de</para>
      <para>belanghebbende).</para>
      <para>2.10.      In de hofuitspraak of de overige gedingstukken is</para>
      <para>echter geen enkele indicatie te vinden dat, laat staan wanneer</para>
      <para>deze uitspraak vervolgens - op regelmatige wijze - bekend is</para>
      <para>gemaakt. Mitsdien is onbegrijpelijk hoe het Hof heeft kunnen</para>
      <para>oordelen in o. 5.1., laatste volzin, dat het beroep te laat is</para>
      <para>ingesteld voor die uitspraak (vgl. Meyjes/Van Soest/Van den</para>
      <para>Berge/Van Gelderen, a.w., blz. 233-234).</para>
      <para>2.11. De eerste klacht is dus terecht voorgesteld.</para>
      <para>3.   De tweede klacht</para>
      <para>3.1. Volgens de tweede klacht (beroepschrift in cassatie, blz.</para>
      <para>4-5) is de bestreden handelwijze van het Hof</para>
      <para>"in strijd met een goede procesorde, daar de Inspecteur</para>
      <para>het vertoogschrift had geconcludeerd tot ontvankelijkheid</para>
      <para>en het Gerechtshof op de eerste zitting er met geen woord</para>
      <para>over gerept heeft. Ook heeft het Gerechtshof geen aandacht</para>
      <para>besteed aan de ontvankelijkheidsvraag in de nadien</para>
      <para>gewisselde schriftelijke inlichtingen comparitie.</para>
      <para>Het Gerechtshof heeft kennelijk pas bij de voorbereiding</para>
      <para>van de tweede zitting de kwestie van de ontvankelijkheid</para>
      <para>onderkend (en heeft daardoor vermoedelijk er over kunnen</para>
      <para>nadenken). Echter het Hof heeft partijen ter zitting er</para>
      <para>rouwelijks mee geconfronteerd, terwijl het Hof zich</para>
      <para>onvoldoende heeft gerealiseerd, dat</para>
      <para>ontvankelijkheidsvragen niet alleen juridisch van aard</para>
      <para>zijn, maar de beantwoording daarvan ook tot kennisneming</para>
      <para>van alle (relevante) feiten noopt."</para>
      <para>3.2. HR 4 februari 1998, BNB 1998/86, overwoog:</para>
      <para>"3.1.     In geval (...) een beroepschrift bij het</para>
      <para>gerechtshof niet is ingediend binnen de in artikel 6:7 jo.</para>
      <para>artikel 6:9 [Awb] bedoelde termijn, dit beroep niet wordt</para>
      <para>behandeld met toepassing van artikel 18a van de Wet</para>
      <para>administratieve rechtspraak belastingzaken, en de</para>
      <para>wederpartij geen beroep op niet-ontvankelijkheid van het</para>
      <para>beroep heeft gedaan waarop de belanghebbende heeft kunnen</para>
      <para>reageren, brengen de beginselen van een behoorlijke</para>
      <para>rechtspleging mee dat de rechter niet de niet-</para>
      <para>ontvankelijkheid van het beroep uitspreekt alvorens hij de</para>
      <para>belanghebbende uitdrukkelijk in de gelegenheid heeft</para>
      <para>gesteld feiten aan te voeren, op grond waarvan</para>
      <para>redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener</para>
      <para>van het beroepschrift in verzuim is geweest."</para>
      <para>3.3. Derhalve slaagt ook de tweede klacht.</para>
      <para>4.   De derde klacht</para>
      <para>4.1. Volgens de derde klacht moet aangenomen worden dat (ook)</para>
      <para>de uitspraak van 10 maart 1995 betrekking heeft op twee</para>
      <para>belastingjaren:</para>
      <para>"Gelet op de overwegingen van het Hof is het Hof ervan</para>
      <para>uitgegaan, dat de eerste uitspraak identiek is aan de</para>
      <para>tweede uitspraak, althans er blijkt niet uit de uitspraak</para>
      <para>van het Hof, dat het Hof twee verschillende uitspraken op</para>
      <para>[het] oog had.</para>
      <para>In dat licht bezien heeft de Inspecteur echter een</para>
      <para>onjuiste uitspraak gedaan."</para>
      <para>4.2. De hofuitspraak biedt evenwel geen steun aan de</para>
      <para>veronderstelling waarop de klacht berust, zodat deze</para>
      <para>onvoldoende feitelijke grondslag heeft.</para>
      <para>4.3. Bovendien kan de vraag of gecombineerde uitspraken</para>
      <para>gesplitst moeten worden pas aan de orde komen als het beroep</para>
      <para>ontvankelijk blijkt, hetgeen vooralsnog niet vaststaat.</para>
      <para>4.4. Mitsdien faalt de derde klacht.</para>
      <para>Conclusie</para>
      <para>De eerste en de tweede klacht gegrond bevindend, concludeer ik</para>
      <para>tot vernietiging van de uitspraak van het Hof en verwijzing</para>
      <para>van het geding ter verdere behandeling en beslissing.</para>
      <para>De Procureur-Generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der</para>
      <para>Nederlanden,</para>
    </parablock>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>