<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1999:AA2931</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T00:13:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA2931</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1999-10-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">342</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1999:AA2931" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1999:AA2931</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002368&amp;artikel=6&amp;g=1999-10-27">Algemene Kinderbijslagwet 6</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1999, 305</rdf:li>
          <rdf:li>BNB 2000/22 met annotatie van M.W.C. Feteris</rdf:li>
          <rdf:li>FED 1999/660</rdf:li>
          <rdf:li>WFR 1999/1457</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 1999/52.16</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA2931">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA2931</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:47:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1999:AA2931 Parket bij de Hoge Raad , 27-10-1999 / 342</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA2931:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA2931:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
  <parablock>
    <para>Nr. 342                            Mr. Ilsink</para>
    <para>Derde Kamer A                      Conclusie inzake:</para>
    <para>Algemene Kinderbijslagwet          X</para>
    <para>tegen</para>
    <para>Parket, 31 maart 1999              de Sociale Verzekeringsbank</para>
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para>1. Feiten en procesverloop</para>
    <para>1.1. Bij beschikking van 10 augustus 1994 heeft de Sociale</para>
    <para>Verzekeringsbank X (hierna: belanghebbende) mededeling gedaan van</para>
    <para>het volgende:</para>
    <para>"Sinds 1 augustus 1992, bent u in het genot van een VUT[vervroegd</para>
    <para>uittreden]-uitkering. Uit een ingesteld onderzoek is gebleken dat</para>
    <para>u sindsdien woonachtig bent in Marokko, en slechts nog een</para>
    <para>postadres in Nederland heeft.</para>
    <para>Nu gesteld kan worden dat u uw maatschappelijk leven niet meer in</para>
    <para>Nederland heeft en Nederland metterwoon heeft verlaten bent u niet</para>
    <para>meer als ingezetene aan te merken. Evenmin bent u op grond van uw</para>
    <para>VUT-uitkering verzekerd.</para>
    <para>Om deze redenen bestaat met ingang van het vierde kwartaal 1992,</para>
    <para>geen recht op kinderbijslag."</para>
    <para>1.2. Bij brief met dagtekening 13 september 1994 is namens</para>
    <para>belanghebbende bezwaar gemaakt tegen voornoemde beschikking. Bij</para>
    <para>uitspraak van 20 december 1994 heeft de Sociale Verzekeringsbank</para>
    <para>het bezwaar ongegrond verklaard.</para>
    <para>1.3. Bij brief, ingekomen op 3 januari 1995, is namens</para>
    <para>belanghebbende tegen die uitspraak op bezwaar, bij de</para>
    <para>Arrondissementsrechtbank te Utrecht  beroep ingesteld. Bij</para>
    <para>uitspraak van 26 januari 1996, Reg.nr. 95/30 AKW, waarvan het</para>
    <para>afschrift is verzonden op 30 januari 1996, heeft de Rechtbank het</para>
    <para>beroep ongegrond verklaard.</para>
    <para>1.4. Van deze uitspraak is belanghebbende bij een schrijven</para>
    <para>ingekomen op 5 maart 1996, in hoger beroep gekomen bij de Centrale</para>
    <para>Raad van Beroep (hierna: CRvB). Bij uitspraak van 15 januari 1998,</para>
    <para>kenmerk 96/2459 AKW, waarvan een afschrift is verzonden op 30</para>
    <para>januari 1998, heeft de CRvB de aangevallen uitspraak bevestigd.</para>
    <para>1.5. Tegen deze laatste uitspraak is namens belanghebbende beroep</para>
    <para>in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is op 25</para>
    <para>maart 1998 ingekomen bij de CRvB; het bevat twee middelen.</para>
    <para>1.6. De Sociale Verzekeringsbank heeft een vertoogschrift</para>
    <para>ingediend.</para>
    <para>&amp;lt;</para>
    <para>?</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie</para>
    <para>2.1. De uitspraak van de CRvB is op 30 januari 1998 per post aan</para>
    <para>partijen verzonden. Gelet op het bepaalde in de art. 6:7, 6:8 en</para>
    <para>6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met</para>
    <para>art. 17, lid 4, van de Wet administratieve rechtspraak</para>
    <para>belastingzaken (Wet ARB), was 13 maart 1998 de laatste dag van de</para>
    <para>beroepstermijn. Aangezien het beroepschrift in cassatie bij de</para>
    <para>CRvB op 25 maart is binnengekomen, is het niet tijdig ingediend.</para>
    <para>De griffier heeft de gemachtigde van belanghebbende ter zake niet</para>
    <para>om opheldering verzocht. In de uitspraak van de CRvB is vermeld</para>
    <para>dat beroep in cassatie kan worden ingesteld binnen twee maanden</para>
    <para>nadat het afschrift van de uitspraak ter post is bezorgd. De</para>
    <para>gemachtigde van belanghebbende zal daarom vermoedelijk ervan zijn</para>
    <para>uitgegaan dat de termijn voor het indienen van het beroep in</para>
    <para>cassatie op 30 maart 1998 eindigde.</para>
    <para>2.2. In Van Wijk, Hoofdstukken van administratief recht, tiende,</para>
    <para>geheel herziene druk door W. Konijnenbelt en R.M. van Male,</para>
    <para>hoofdstuk 13, is te lezen:</para>
    <para>"37 Verschoonbare termijnoverschrijding - Artikel 6:11 Awb bepaalt</para>
    <para>dat niet-ontvankelijkverklaring van een na afloop van de termijn</para>
    <para>ingediend bezwaar- of beroepschrift achterwege blijft indien</para>
    <para>redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de indiener in</para>
    <para>verzuim is geweest.(?)</para>
    <para>Twee groepen van situaties zijn hierbij te onderscheiden. In de</para>
    <para>eerste plaats die waarin het verzuim aan de indiener moet worden</para>
    <para>toegerekend; in de tweede plaats die waarin toerekening aan de</para>
    <para>administratie behoort plaats te vinden.</para>
    <para>(?)</para>
    <para>Voor rekening van het bestuur komt een ontbrekende of gebrekkige</para>
    <para>rechtsmiddelvoorlichting, het verzuim bij de bekendmaking of</para>
    <para>mededeling van het besluit melding te maken van de mogelijkheid</para>
    <para>van bezwaar of beroep (artikelen 3:45, 6:23, 7:12, vierde lid en</para>
    <para>7:26, vijfde lid, Awb). Niettemin moet hierbij volgens de MvT&amp;lt;(1) Ik verwijs in dit verband naar PG Awb I blz. 299 lk.</para>
    <para>&amp;gt; ook</para>
    <para>rekening worden gehouden met de mate van deskundigheid die de</para>
    <para>indiener van het bezwaar- of beroepschrift heeft."</para>
    <para>2.3. In HR 15 februari 1995, nr. 30 089, BNB 1995/96, is</para>
    <para>overwogen;</para>
    <para>"3. (?) Vaststaat dat aan belanghebbende in de door het Hof met</para>
    <para>uitspraak van het Hof meegezonden brief is medegedeeld dat het</para>
    <para>beroep in cassatie wordt ingesteld binnen twee maanden nadat het</para>
    <para>afschrift van de uitspraak van het Hof ter post is bezorgd.</para>
    <para>Aangezien blijkens het tot de stukken van het geding behorende</para>
    <para>afschrift van de uitspraak van het Hof dit op 11 januari 1994 ter</para>
    <para>post is bezorgd, is belanghebbende ervan uitgegaan dat de termijn</para>
    <para>voor het indienen van het beroep in cassatie op 11 maart 1994</para>
    <para>eindigde. Onder deze omstandigheden kan redelijkerwijs niet worden</para>
    <para>geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest."</para>
    <para>2.4. In de conclusie van A-G Loeb bij HR 8 juli 1997, nr. 278, RSV</para>
    <para>1997/266, § 3.1, is vermeld:</para>
    <para>"Het beroepschrift in cassatie is in elk geval niet binnen</para>
    <para>daartoe gestelde termijn ingediend.</para>
    <para>De griffier heeft de gemachtigde van [belanghebbende] ter zake</para>
    <para>niet om opheldering verzocht.</para>
    <para>Uit de stukken van het geding blijkt niet dat de CRvB, zoals</para>
    <para>artikel 8:77, lid 1, onder f, Awb, eveneens ingevolge artikel 21</para>
    <para>van de Beroepswet van overeenkomstige toepassing, voorschrijft,</para>
    <para>heeft aangegeven, dat en binnen welke termijn cassatieberoep kon</para>
    <para>worden ingesteld. Hierop lettend en in aanmerking nemend dat de</para>
    <para>termijn voor het indienen van een beroepschrift in cassatie vóór</para>
    <para>1994 twee maanden bedroeg, meen ik dat redelijkerwijs niet kan</para>
    <para>worden geoordeeld dat [belanghebbende] in verzuim is geweest in de</para>
    <para>zin van artikel 6:11 Awb [noot: Vgl. HR 15 februari 1995, nr. 30089, BNB</para>
    <para>1995/96 voor een geval waarin een onjuiste mededeling werd gedaan omtrent</para>
    <para>de termijn voor het instellen van cassatieberoep. In dat verband valt in</para>
    <para>deze zaak op te merken dat onder een eveneens op 17 december 1993 door de</para>
    <para>CRvB uitgesproken uitspraak (bij Uw Raad aanhangig onder nr. 277), waarin</para>
    <para>dezelfde gemachtigde optrad, een termijn van twee maanden is vermeld.],</para>
    <para>zodat niet-ontvankelijkverklaring wegens het na afloop van de</para>
    <para>termijn indienen van het beroepschrift in cassatie achterwege moet</para>
    <para>blijven. [noot: Zie voor een andere benadering: HR 4 oktober 1996, nr.</para>
    <para>8793, [NJ 1997/63], na conclusie van de A-G Asser waarin (de Eerste Kamer</para>
    <para>van) Uw Raad overwoog dat de onjuiste "Rechtsmittelbelehrung"</para>
    <para>verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding opleverde, gelet op de</para>
    <para>deskundigheid van de optredende gemachtigde. Mij lijkt dit te zeer</para>
    <para>gesubjectiveerd.]"</para>
    <para>2.5. In RSV 1997/266 gaat Uw Raad niet in op de kwestie van de</para>
    <para>ontvankelijkheid. Kennelijk was Uw Raad met de A-G van oordeel dat</para>
    <para>art. 6:11 Awb kon worden toegepast, omdat de termijnoverschrijding</para>
    <para>verschoonbaar was. Mede gelet op BNB 1995/96 ben ik dan ook van</para>
    <para>mening dat belanghebbende in zijn beroep in cassatie kan worden</para>
    <para>ontvangen.</para>
    <para>2.6. Ik heb mij nog afgevraagd of daaraan - zoals in NJ 1997, 63 -</para>
    <para>zou moeten afdoen dat belanghebbende werd bijgestaan door een</para>
    <para>advocaat, van wie niet alleen redelijkerwijs mag worden verwacht</para>
    <para>dat hij op de hoogte is van de geldende cassatietermijn maar ook</para>
    <para>dat hij zich niet van de wijs laat brengen door een onjuiste</para>
    <para>rechtsmiddelverwijzing. Een bevestigend antwoord impliceert dat</para>
    <para>een belanghebbende met een onwetende advocaat slechter af zou zijn</para>
    <para>dan een belanghebbende zonder advocaat en dat acht ik uit oogpunt</para>
    <para>van rechtsbescherming niet aanvaardbaar. Bovendien zou telkenmale</para>
    <para>de deskundigheid van de rechtshulpverlener moeten worden getoetst</para>
    <para>en dat is onbegonnen werk op een rechtsgebied waar geen verplichte</para>
    <para>procesvertegenwoordiging geldt en vogels van diverse pluimage hun</para>
    <para>diensten aanbieden, terwijl doorgaans een adequate, in een</para>
    <para>publiekrechtelijke regeling neergelegde tuchtrechtspraak</para>
    <para>ontbreekt. NJ 1997, 63 verdient in sociale zekerheids- en</para>
    <para>belastingzaken dan ook geen navolging.</para>
    <para>3. Niet-ingezeten verzekerden voor de AKW</para>
    <para>3.1. Art. 6 van de Algemene Kinderbijslagwet&amp;lt;(2) Stb. 1962, 160.</para>
    <para>&amp;gt; (AKW) (tekst 1993&amp;lt;(3) Ingevolge de wet van 27 april 1989, Stb. 127, luidt de tekst aldus sinds</para>
    <para>1 jan. 1990. Bij wet van 26 maart 1998, Stb, 203 (Koppelingswet) is dit</para>
    <para>artikel gewijzigd.</para>
    <para>&amp;gt;)</para>
    <para>luidt</para>
    <para>"1. Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene,</para>
    <para>die</para>
    <para>a. ingezetene is;</para>
    <para>b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in</para>
    <para>dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is</para>
    <para>onderworpen.</para>
    <para>2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in</para>
    <para>afwijking van het eerste lid, uitbreiding dan wel beperking worden</para>
    <para>gegeven aan de kring der verzekerden."</para>
    <para>3.2. In de MvT&amp;lt;(4) Kamerstukken II 1957/58, 4953, nr. 3, blz. 25 rk.</para>
    <para>&amp;gt; is vermeld:</para>
    <para>"In het onderhavige wetsontwerp is (?) in artikel 6</para>
    <para>omschrijving van degenen, die tot de verzekerden behoren, gelijk</para>
    <para>aan de overeenkomstige omschrijving in artikel 6 van de Algemene</para>
    <para>Ouderdomswet. Slechts op één punt bestaat tussen de gebezigde</para>
    <para>omschrijving van de kring der verzekerden een afwijking. Deze</para>
    <para>afwijking betreft de duur van de verzekeringsperiode. In de</para>
    <para>Algemene Ouderdomswet is bepaald, dat men verzekerd is van de 15-</para>
    <para>jarige tot de 65-jarige leeftijd; in het ontwerp-Algemene</para>
    <para>Kinderbijslagwet loopt de verzekeringsduur van de 15-jarige</para>
    <para>leeftijd af onbeperkt door."</para>
    <para>3.3. In de MvT&amp;lt;(5) Kamerstukken II 1954/55, 4009, nr. 3, blz. 28.</para>
    <para>&amp;gt; inzake de Algemene Ouderdomswet (Stb. 1956, 281) is</para>
    <para>vermeld:</para>
    <para>"(blz. 28, rk) d. Niet-ingezetenen</para>
    <para>De opzet van de regeling brengt mede, dat in beginsel ieder, die</para>
    <para>hier te lande woont, verzekerd zal dienen te zijn. Voorts zullen</para>
    <para>ook degenen, die niet hier te lande, hun woonplaats hebben, doch</para>
    <para>die hier te lande als werknemer werkzaam zijn, onder de</para>
    <para>verzekering dienen te vallen. Met name wordt hier gedacht aan de</para>
    <para>grensarbeiders. Internationaal wordt immers algemeen als</para>
    <para>gedragslijn aanvaard, dat een werknemer zijn pensioen opbouwt in</para>
    <para>het land, waar hij werkt. Het opnemen in de verzekering van alle</para>
    <para>hier te lande werkzame werknemers is bovendien wenselijk ter</para>
    <para>vermijding van ongelijke concurrentie-verhoudingen, welke zouden</para>
    <para>ontstaan, indien niet-ingezetenen van de verzekering en derhalve</para>
    <para>van de daaraan verbonden premiebetaling zouden worden vrijgesteld.</para>
    <para>(?).</para>
    <para>(blz. 54, rk) Aangezien de premie-inning voor de loontrekkenden</para>
    <para>zal geschieden op analoge wijze als is voorgeschreven voor de</para>
    <para>inning van de loonbelasting, is in het eerste lid onder b,</para>
    <para>enerzijds door het vereiste van het onderworpen zijn aan de</para>
    <para>loonbelasting, anderzijds door het woord "dienstbetrekking",</para>
    <para>aansluiting gezocht bij de terminologie van de artikelen 2 en 3</para>
    <para>van het Besluit op de Loonbelasting 1940. Van onderworpen zijn aan</para>
    <para>de loonbelasting is ook sprake, wanneer ten aanzien van een</para>
    <para>loonbelastingplichtige op grond van een verdrag, ter voorkoming</para>
    <para>van dubbele belastingheffing, de feitelijke heffing van</para>
    <para>loonbelasting ingevolge de Nederlandse wet achterwege blijft.</para>
    <para>Ten aanzien van het begrip "dienstbetrekking" dient te worden</para>
    <para>opgemerkt, dat het onderhavige wetsontwerp alleen het grondbegrip</para>
    <para>"dienstbetrekking" met het Besluit op de Loonbelasting 1940 gemeen</para>
    <para>heeft. De in dat Besluit genoemde gevallen, waarin men steeds</para>
    <para>geacht wordt zijn arbeid in dienstbetrekking te verrichten, zijn in</para>
    <para>dit wetsontwerp niet overgenomen.</para>
    <para>Zo bepaalt artikel 2, eerste lid, onder b, van het Besluit op de</para>
    <para>Loonbelasting 1940, dat aan de loonbelasting onderworpen zijn de</para>
    <para>niet binnen het Rijk wonende bestuurders en commissarissen van</para>
    <para>vennootschappen, verenigingen en maatschappijen, welke binnen het</para>
    <para>Rijk zijn gevestigd. Artikel 3, tweede lid van meergenoemd Besluit</para>
    <para>bepaalt, dat commissarissen van vennootschappen, verenigingen en</para>
    <para>andere rechtspersonen, steeds geacht worden hun arbeid als zodanig</para>
    <para>in dienstbetrekking te verrichten. Ten aanzien van genoemde</para>
    <para>personen is voor de loonbelastingheffing derhalve niet vereist,</para>
    <para>dat zij in feite in dienstbetrekking werken. Zij zijn, ook als ze</para>
    <para>niet in dienstbetrekking werkzaam zouden zijn, toch onderworpen</para>
    <para>aan de loonbelasting. Artikel 6, eerste lid, onder b, van het</para>
    <para>onderhavige wetsontwerp is evenwel slechts dan op hen van</para>
    <para>toepassing, indien een werkelijke dienstbetrekking aanwijsbaar is.</para>
    <para>Voorts dient nog te worden opgemerkt, dat de in de artikelen 2 en</para>
    <para>3 van het Besluit op de Loonbelasting voorkomende term "vroeger</para>
    <para>verrichte arbeid" niet is overgenomen, zodat het in artikel</para>
    <para>eerste lid, onder b, van het wetsontwerp bepaalde zich niet</para>
    <para>uitstrekt tot degenen, die terzake van vroeger binnen het Rijk</para>
    <para>verrichte arbeid pensioen genieten.</para>
    <para>Door de aangegeven afwijkingen van het Besluit op de Loonbelasting</para>
    <para>1940 wordt bereikt, dat van de niet-ingezetenen slechts zij, die</para>
    <para>werkelijk tot de categorie der loontrekkenden behoren, door de</para>
    <para>onderhavige bepaling in de verzekering worden opgenomen."</para>
    <para>3.4. Het voorgaande maakt duidelijk dat, wil een niet-ingezetene</para>
    <para>op de voet van art. 6, lid 1, aanhef en onderdeel b, AKW verzekerd</para>
    <para>zijn, hij aan de loonbelasting moet zijn onderworpen op grond van</para>
    <para>een actuele, daadwerkelijk in Nederland uitgeoefende</para>
    <para>dienstbetrekking.</para>
    <para>3.5. Niet-ingezetenen kunnen vervolgens nog wel als verzekerden</para>
    <para>worden aangemerkt ingevolge het (mede) op het tweede lid van art.</para>
    <para>6 AKW gebaseerde Besluit uitbreiding en beperking kring</para>
    <para>verzekerden volksverzekeringen 1989.&amp;lt;(6) Voor de volledigheid merk ik op dat het Algemeen Verdrag inzake Sociale</para>
    <para>Zekerheid tussen het Koninkrijk Der Nederlanden en het Koninkrijk</para>
    <para>Marokko, alleen ziet op werknemers en daarmee gelijkgestelden, waaronder</para>
    <para>VUT-ters niet zijn begrepen.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>4. Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden</para>
    <para>volksverzekeringen 1989 (KB 164)</para>
    <para>4.1. De Sociale Verzekeringsraad heeft op 25 februari 1986,</para>
    <para>kenmerk 86/1101, aan de Staatssecretaris van Sociale Zaken en</para>
    <para>Werkgelegenheid een advies uitgebracht inzake de voorgenomen</para>
    <para>wijziging van het Besluit uitbreiding en beperking kring</para>
    <para>verzekerden volksverzekeringen (KB van 19 oktober 1976, Stb. 557,</para>
    <para>kortweg KB 557). Met betrekking tot de niet in dat besluit</para>
    <para>voorkomende groep van niet-ingezetenen met een VUT-uitkering is in</para>
    <para>dat advies te lezen:</para>
    <para>"7.4. Vut-uitkeringen of equivalenten daarvan</para>
    <para>Mede naar aanleiding van de behandeling van de problematiek rond</para>
    <para>artikel 1, eerste lid sub k, alsmede artikel 2, eerste lid, sub c</para>
    <para>(en d), van het KB 557 (niet-ingezetenen met AOW-uitkering resp.</para>
    <para>ingezetenen met buitenlandse ouderomsuitkeringen c.q. Belgische</para>
    <para>mijnwerkers-rustpensioenen) heeft de Raad zich afgevraagd of er</para>
    <para>eventueel aanleiding zou kunnen bestaan om de gerechtigden tot</para>
    <para>zgn. VUT-uitkeringen eveneens in het KB 557 te betrekken. Dit moet</para>
    <para>aldus worden verstaan dat de vraag is opgeworpen:</para>
    <para>1 of er verplichte verzekering ingevolge de</para>
    <para>volksverzekeringswetten ingevoerd zou moeten of kunnen worden ten</para>
    <para>aanzien van niet-ingezetenen die gebruik hebben gemaakt van een</para>
    <para>Nederlandse regeling inzake vrijwillig vervroegde uittreding c.q.</para>
    <para>enige jaren vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd een VUT-</para>
    <para>uitkering gaan genieten en dus niet meer aan het Nederlandse</para>
    <para>arbeidsproces deelnemen, met als variant daarop degenen die reeds</para>
    <para>een aantal jaren vóór genoemde leeftijd de arbeid in Nederland</para>
    <para>beëindigen en functioneel leeftijdsontslag bekomen met vervroegde</para>
    <para>pensionering. Een en ander kan zowel betrekking hebben op</para>
    <para>grensarbeiders (in België of Duitsland wonend, in Nederland</para>
    <para>gewerkt) als op ingezetenen (Nederlanders) die zich met bedoelde</para>
    <para>uitkeringen metterwoon in het buitenland vestigen.</para>
    <para>2 (?).</para>
    <para>De Raad is ten aanzien van de situatie ad 1 van mening dat er géén</para>
    <para>aanleiding bestaat de hierbedoelde personen, die vrijwillig</para>
    <para>vervroegd uittreden en een op privaatrechtelijke regelingen</para>
    <para>gebaseerde VUT-uitkering ontvangen, bij wonen buiten het Rijk in</para>
    <para>de verplichte verzekering te betrekken, hetgeen ook geldt ten</para>
    <para>aanzien van personen die via functioneel leeftijdsontslag op</para>
    <para>privaatrechtelijke basis met vervroegd pensioen zijn gegaan, zoals</para>
    <para>in sommige beroepen of ondernemingen voorkomt. De uitbreiding van</para>
    <para>de kring van verzekerden ten aanzien van onder meer gerechtigden</para>
    <para>tot langlopende Nederlandse uitkeringen wegens leeftijd wenst de</para>
    <para>Raad beperkt te houden tot de wettelijke uitkeringen; een nog</para>
    <para>verdergaande uitbreiding van de kring acht hij niet of minder</para>
    <para>gewenst. Ook internationaal-rechteliijk bezien acht de Raad dit</para>
    <para>standpunt verdedigbaar, waarbij wordt opgemerkt dat betrokkenen in</para>
    <para>aansluiting op hun verplichte verzekering desgewenst een</para>
    <para>vrijwillige verzekering AOW/AWW kunnen sluiten voor de resterende</para>
    <para>periode tot het 65e jaar."</para>
    <para>4.2. Aan de Tweede Kamer is door de Staatssecretaris van Sociale</para>
    <para>Zaken en Werkgelegenheid bij brief van 27 augustus 1986 een nota</para>
    <para>aangeboden inzake herziening van KB 557. Hierin is vermeld&amp;lt;(7) Kamerstukken II 1985/86, 19 615, nrs. 1-2, blz. 65.</para>
    <para>&amp;gt;:</para>
    <para>"§ 5.3. VUT-uitkeringen of daarmee gelijk te stellen uitkeringen</para>
    <para>SVr-advies</para>
    <para>In zijn advies werpt de SVr de vraag op of enerzijds verplicht</para>
    <para>verzekerd moeten blijven niet-ingezetenen die gebruik maken van</para>
    <para>een Nederlandse regeling inzake vrijwillig vervroegde uittreding,</para>
    <para>vervroegd pensioen, functioneel leeftijdsontslag e.d. en</para>
    <para>anderzijds van de verzekering moeten worden uitgezonderd</para>
    <para>ingezetenen, die een buitenlandse VUT-uitkering, vervroegd</para>
    <para>pensioen of equivalent daarvan ontvangen.</para>
    <para>De Raad ziet ten aanzien van de uitbreiding van de kring van</para>
    <para>verzekerden geen aanleiding de hiervoor bedoelde personen</para>
    <para>verzekerd te houden. Hij baseert zijn standpunt op het feit dat</para>
    <para>het om privaatrechtelijke regelingen gaat; de Raad wil de</para>
    <para>uitbreiding beperkt houden tot wettelijke regelingen. (?).</para>
    <para>Kabinetsstandpunt</para>
    <para>Het advies van de SVr en de gebruikte argumenten, kunnen worden</para>
    <para>onderschreven, evenwel onder de voorwaarden die het kabinet er aan</para>
    <para>geeft.</para>
    <para>Ook het kabinet wenst de uitbreiding en beperking van de kring van</para>
    <para>verzekerden ingevolge de volksverzekeringen te beperken tot</para>
    <para>gevallen, waarin het gaat om uitkeringen krachtens wettelijke</para>
    <para>regelingen. Deze bieden in de regel meer waarborgen dan</para>
    <para>privaatrechtelijke regelingen met betrekking tot de duur en hoogte</para>
    <para>van de uitkering."</para>
    <para>4.3. Uit het Verslag van de Vaste Commissie voor Sociale Zaken en</para>
    <para>Werkgelegenheid blijkt dat onder andere de volgende vraag is</para>
    <para>gesteld&amp;lt;(8) Kamerstukken II 1986/87, 19 615, nr. 3, blz. 5.</para>
    <para>&amp;gt;:</para>
    <para>"32</para>
    <para>Kunnen niet-ingezetenen die gebruikmaken van een Nederlandse</para>
    <para>regeling inzake vrijwillig vervroegd uittreden, functioneel</para>
    <para>leeftijdsontslag, etc., in de visie van de staatssecretaris</para>
    <para>vrijwillig hun AOW/AWW verzekering voortzetten? (?)."</para>
    <para>4.4. Hierop is van regeringszijde in de Nota naar aanleiding van</para>
    <para>het verslag geantwoord&amp;lt;(9) Kamerstukken II 1986/87, 19 615, nr. 4, blz. 12.</para>
    <para>&amp;gt;:</para>
    <para>"32</para>
    <para>De niet-ingezetene die uit hoofde van zijn in Nederland in</para>
    <para>dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is</para>
    <para>onderworpen, is verplicht verzekerd krachtens de</para>
    <para>volksverzekeringen.</para>
    <para>De Nederlandse dienstbetrekking en daarmede de Nederlandse</para>
    <para>verzekeringsplicht eindigt zodra die persoon gebruik maakt van een</para>
    <para>regeling inzake vrijwillig vervroegd uittreden of inzake</para>
    <para>functioneel leeftijdsontslag.</para>
    <para>Een ieder die niet langer verplicht verzekerd is krachtens de</para>
    <para>volksverzekeringen kan zich, ongeacht zijn nationaliteit, binnen</para>
    <para>één jaar na beëindiging van die verplichte verzekering, vrijwillig</para>
    <para>verzekeren ingevolge de AOW en de AWW. Deze mogelijkheid bestaat</para>
    <para>reeds op grond van de huidige wetgeving.</para>
    <para>(?)."</para>
    <para>4.5. In een Lijst van vragen is vervolgens te lezen&amp;lt;(10) Kamerstukken II 1987/88, 19 615 nr. 12, blz. 2.</para>
    <para>&amp;gt;:</para>
    <para>"14. Wordt onder artikel 7 of onder artikel 8 ook begrepen een</para>
    <para>Nederlandse VUT-uitkering? En hoe is dit geregeld voor personen</para>
    <para>met vervroegd pensioen krachtens een bedrijfs- of</para>
    <para>ondernemingspensioenregeling?"</para>
    <para>4.6. Hierop is in de lijst van antwoorden als volgt gereageerd&amp;lt;(11) Kamerstukken II 1987/88, 19 615, nr. 13, blz. 8.</para>
    <para>&amp;gt;;</para>
    <para>"In de artikelen 7 en 8 wordt niet gesproken over Nederlandse VUT-</para>
    <para>uitkeringen of uitkeringen in het kader van vervroegde</para>
    <para>pensionering. Bij het verlenen van deze uitkeringen is er geen</para>
    <para>sprake van een tijdelijke onderbreking van de in Nederland</para>
    <para>verrichte arbeid in de zin van artikel 7.</para>
    <para>Personen in het buitenland met dergelijke uitkeringen worden niet</para>
    <para>op grond van artikel 8 verplicht verzekerd gehouden voor de</para>
    <para>volksverzekeringen. Artikel 8 beperkt zich tot een opsomming van</para>
    <para>uitkeringen die krachtens wettelijke sociale</para>
    <para>verzekeringsregelingen worden verleend. Het ligt niet in mijn</para>
    <para>voornemen de verplichte verzekering uit te breiden tot niet-</para>
    <para>ingezetenen die uitkeringen ontvangen op grond van</para>
    <para>privaatrechtelijke afspraken met bij voorbeeld een voormalige</para>
    <para>werkgever."</para>
    <para>4.7. Tijdens de beraadslagingen in de UCV is door mevr. Groenman</para>
    <para>(D66) nog opgemerkt&amp;lt;(12) Handelingen II 20 mei 1987, UCV 73-13 lk.</para>
    <para>&amp;gt;:</para>
    <para>"ik [wil] nog een vraagteken zetten bij de VUT-regelingen voor</para>
    <para>deze werknemers. Het standpunt dat alleen verzekeringsplicht kan</para>
    <para>bestaan op grond van wettelijke regelingen, vind ik wat</para>
    <para>gekunsteld. Dat geldt zowel voor de uitbreiding als voor de</para>
    <para>beperking. Wat het eerste betreft: wat is er tegen om mensen die</para>
    <para>naar het buitenland vertrekken, verzekerd te houden krachtens de</para>
    <para>AOW, de ten aanzien van deze groep meest relevante verzekering?"</para>
    <para>4.8. In de schriftelijke reactie van Staatssecretaris De Graaf is</para>
    <para>geantwoord&amp;lt;(13) Handelingen II 25 mei 1987, UCV 74-21 mk en rk.</para>
    <para>&amp;gt;:</para>
    <para>"16</para>
    <para>Zowel ten aanzien van de uitbreidingskant als van de</para>
    <para>beperkingskant van de kring van verzekerden heeft het kabinet in</para>
    <para>de beleidsnota als standpunt ingenomen, dat privaatrechtelijke</para>
    <para>regelingen niet bij de beoordeling van iemands verzekeringspositie</para>
    <para>dienen te worden betrokken. Dit heeft onder meer consequenties</para>
    <para>voor buitenlanders die een Nederlandse dan wel Nederlanders die</para>
    <para>een buitenlandse VUT-uitkering ontvangen. Dit standpunt wordt door</para>
    <para>de SVr gedeeld en ook internationaalrechtelijk verdedigd. Bij</para>
    <para>beoordelingen van de toepasselijkheid van de sociale</para>
    <para>verzekeringswetgeving van één bepaald land ligt het niet voor de</para>
    <para>hand niet-wettelijke aanspraken te betrekken. Dat geldt zowel voor</para>
    <para>VUT-uitkeringen, als ook bijvoorbeeld voor andere (secundaire)</para>
    <para>arbeidsvoorwaarden, vermogensposities e.d. Indien een dergelijk</para>
    <para>onderscheid niet zou worden gemaakt, zou de verzekeringssituatie</para>
    <para>onderworpen zijn aan (mogelijk) telkens wisselende omstandigheden</para>
    <para>in inkomensposities, exclusief de wettelijke sociale</para>
    <para>uitkeringscomponenten. Bovendien ontstaat een systeem van</para>
    <para>coördinatieregels, dat vele uitvoeringstechnische problemen</para>
    <para>oproept."</para>
    <para>4.9. Tijdens de bijeenkomst van de Vaste Commissie is door de</para>
    <para>Staatssecretaris nog gesteld&amp;lt;(14) Handelingen II 25 mei 1987, UCV 74-16 mk.</para>
    <para>&amp;gt;:</para>
    <para>"Mevrouw Oomen vraagt nogmaals waarom mensen met een VUT-uitkering</para>
    <para>niet worden meegenomen. Ik heb mijn argumenten hiervoor al</para>
    <para>schriftelijk gegeven. Wat moet ik er nog meer van zeggen? Ik</para>
    <para>verwijs naar mijn schriftelijke reactie."</para>
    <para>4.10. Mevrouw Oomen-Ruijten repliceerde&amp;lt;(15) Handelingen II 25 mei 1987, UCV 74-16 mk.</para>
    <para>&amp;gt;:</para>
    <para>"De staatssecretaris heeft daarbij niet gereageerd op mijn vraag</para>
    <para>over de pensioenuitkeringen. Immers, ook in het buitenland kent</para>
    <para>men bedrijfspensioenen en die zijn natuurlijk wel vast. Het</para>
    <para>probleem blijft zich voordoen zolang hij niet ook voor deze</para>
    <para>categorie vaststelt dat er geen premieplicht is."</para>
    <para>4.11. De Staatssecretaris beëindigde de discussie met&amp;lt;(16) Handelingen II, 25 mei 1987, UCV 74-16 mk.</para>
    <para>&amp;gt;:</para>
    <para>"Ik heb er in mijn schriftelijk antwoord al op gewezen dat wij</para>
    <para>maken hebben met verzekeringen en verplichte verzekeringen. Dat is</para>
    <para>iets anders dan VUT-regelingen. Op dit</para>
    <para>ogenblik heb ik daaraan niets meer toe te voegen."</para>
    <para>4.12. In het op 1 juli 1989 inwerking getreden Besluit uitbreiding</para>
    <para>en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989 (KB 164) is</para>
    <para>in art. 8 bepaald welke personen die buiten Nederland zijn gaan</para>
    <para>wonen, verzekerd blijven ingevolge de volksverzekeringen. Tot die</para>
    <para>opsomming van personen behoren inderdaad niet VUT-gerechtigden.</para>
    <para>Dat was ook wel te verwachten, gelet op het standpunt van de</para>
    <para>Regering in het voorafgaande overleg met de Tweede Kamer. In de</para>
    <para>nota van toelichting bij KB 164 wordt aan niet-ingezetenen met een</para>
    <para>VUT-uitkering geen aandacht meer besteed met dien verstande dat</para>
    <para>onder "Algemeen" is opgemerkt:</para>
    <para>"(blz. 13) De volgende hoofdlijnen zijn in het onderhavige besluit</para>
    <para>te onderkennen.</para>
    <para>Uitbreiding van de kring van verzekerden vindt thans in de regel</para>
    <para>plaats ten aanzien van personen, die met Nederland in het verleden</para>
    <para>een band hebben gehad in de vorm van verzekering ingevolge de</para>
    <para>volksverzekeringen.</para>
    <para>Met betrekking tot deze uitbreiding tot buiten Nederland wonende</para>
    <para>personen zijn tot nu toe de volgende redenen te onderscheiden:</para>
    <para>- het wonen in het buitenland is van tijdelijke aard, zodat een</para>
    <para>onderbreking van de verzekering voor korte duur niet zinvol is, en</para>
    <para>- er ontbreekt een adequate buitenlandse voorziening of deze is</para>
    <para>onvol (blz. 14) ledig, terwijl een bepaalde band met Nederland is</para>
    <para>blijven bestaan (ontvangen van een Nederlandse uitkering).</para>
    <para>Voorgesteld wordt in het vervolg strikter vast te houden aan het</para>
    <para>uitgangspunt dat bij vertrek uit Nederland in beginsel de</para>
    <para>verzekering eindigt.</para>
    <para>Een uitzondering willen de ondergetekenden slechts maken voor</para>
    <para>degenen van wie de verzekering kort wordt onderbroken. Met name</para>
    <para>zouden dan blijvend buiten Nederland wonende personen, die een</para>
    <para>langlopende Nederlandse sociale verzekeringsuitkering ontvangen,</para>
    <para>niet langer verplicht verzekerd zijn.</para>
    <para>Zoals gezegd zullen ten aanzien van deze categorie van personen</para>
    <para>echter de ontwikkelingen in EG-verband worden afgewacht."</para>
    <para>4.13. Het KB 164 leidt derhalve alleen voor niet-ingezetenen met</para>
    <para>een publiekrechtelijke sociale zekerheidsuitkering&amp;lt;(17) Dit geldt overigens niet voor alle sociale zekerheidsuitkeringen. In HR</para>
    <para>2 juli 1997, nr. 282, RSV 1997/240, is geoordeeld dat het KB 164 beperkt</para>
    <para>uitgelegd moet worden en dat een uitkering ingevolge de Toeslagenwet niet</para>
    <para>in ogenschouw kan worden genomen bij de vaststelling of een sociale</para>
    <para>zekerheidsuitkering van voldoende omvang wordt genoten.</para>
    <para>&amp;gt; (met een</para>
    <para>bepaalde omvang) tot verzekeringsplicht voor de volksverzekeringen</para>
    <para>in Nederland, maar niet voor niet-ingezetenen met een</para>
    <para>privaatrechtelijke uitkering, zoals een VUT-uitkering&amp;lt;(18) Ook in het op 1 januari 1999 in de plaats van voornoemd KB 164 inwerking</para>
    <para>getreden Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden</para>
    <para>volksverzekeringen 1999 (KB 746) vallen VUT-gerechtigden buiten de</para>
    <para>uitbreiding. Sterker nog, in KB 746 is ook geen sprake meer van verzekerd</para>
    <para>zijn voor de volksverzekeringen van niet-ingezetenen met een uitkering</para>
    <para>ingevolge de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving. Wel is in art. 27</para>
    <para>een overgangsbepaling opgenomen op grond waarvan deze personen voor de</para>
    <para>AKW verzekerd blijven indien zij dat reeds waren, tot het tijdstip waarop</para>
    <para>het jongste kind de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>5. De middelen</para>
    <para>5.1. De Rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende in de</para>
    <para>betrokken periode niet in Nederland woonde en hij dus geen</para>
    <para>ingezetene was. De CRvB heeft zich met dat oordeel verenigd.</para>
    <para>Voorafgaand aan de middelen, als het ware in de considerans van</para>
    <para>het beroepschrift, geeft belanghebbende een korte samenvatting van</para>
    <para>de zaak, waarin ik lees dat hij betwist dat hij zijn woonplaats</para>
    <para>van Nederland naar Marokko heeft verplaatst. Daaruit begrijp ik</para>
    <para>dat hij klaagt over 's Raads oordeel dat hij in de betrokken</para>
    <para>periode geen ingezetene in de zin van art. 6, lid 1, aanhef en</para>
    <para>onderdeel a, AKW was.</para>
    <para>5.2. De klacht faalt aangezien dat oordeel niet blijk geeft van</para>
    <para>een onjuiste rechtsopvatting en voor het overige als van</para>
    <para>feitelijke aard en niet onbegrijpelijk in cassatie onaantastbaar</para>
    <para>is.</para>
    <para>5.3. Middel I gaat uit van de opvatting dat een niet-ingezetene</para>
    <para>met een VUT-uitkering, zijnde een uitkering die wordt genoten als</para>
    <para>gevolg van het verrichten van arbeid in dienstbetrekking, die is</para>
    <para>onderworpen aan de loonbelasting, voor de AKW is verzekerd</para>
    <para>ingevolge art. 6, lid 1, aanhef en onderdeel b, AKW.</para>
    <para>5.4. Zoals hiervoor in § 3.4 is geconcludeerd, is die opvatting</para>
    <para>onjuist. Onderdeel b is alleen van toepassing op actieve</para>
    <para>werknemers met loon uit een actuele, daadwerkelijk in Nederland</para>
    <para>uitgeoefende dienstbetrekking en niet op post-actieve werknemers</para>
    <para>die loon genieten uit een vroegere dienstbetrekking. In dit</para>
    <para>verband wijs ik erop dat - naar van algemene bekendheid is - een</para>
    <para>voorwaarde voor deelneming aan een VUT-regeling is dat de</para>
    <para>dienstbetrekking wordt beëindigd&amp;lt;(19) Zie hiervoor: C.W.M. van Ballegooijen, De VUT-regelingen en de</para>
    <para>loonbelasting, WFR 23 augustus 1979, nr. 5416, blz. 877 ev. en W.</para>
    <para>Rodenhuis, Kluwer belastingwijzers 8, VUT en fiscus, hfst. 1.5.</para>
    <para>&amp;gt;. Dat belanghebbendes</para>
    <para>dienstbetrekking is geëindigd ligt overigens besloten in de</para>
    <para>feitelijke vaststellingen van Rechtbank en CRvB dat:</para>
    <para>"(e)iser (?) van 28 februari 1973 tot 1 augustus 1992 (heeft)</para>
    <para>gewerkt bij Van Broekhoven B.V. te Utrecht" en dat "(hij</para>
    <para>ingang van laatstgenoemde datum (?) met de VUT (is) gegaan en</para>
    <para>vervolgens [is] vertrokken naar Marokko, waar hij het merendeel</para>
    <para>van zijn tijd heeft doorgebracht".</para>
    <para>5.5. Middel I kan derhalve niet tot cassatie leiden.</para>
    <para>5.6. In middel II wordt betoogd dat sprake is van schending van</para>
    <para>internationaalrechtelijke antidiscriminatiewetpalingen nu de</para>
    <para>Besluitgever VUT-gerechtigden buiten de kring van in art. 8 KB 164</para>
    <para>genoemde verzekerden heeft gehouden. Het middel faalt aangezien</para>
    <para>een gerechtigde tot een privaatrechtelijke VUT-uitkering - mede</para>
    <para>gelet op doel en strekking van KB 164 (zie § 4 hiervoor) - niet</para>
    <para>vergelijkbaar is met een gerechtigde tot één van de in art. 8 KB</para>
    <para>164 genoemde publiekrechtelijke sociale verzekeringsuitkeringen&amp;lt;(20) In dit verband wijs ik erop dat op verzoek van de CRvB namens de</para>
    <para>Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid schriftelijke informatie</para>
    <para>verschaft, waarop door partijen schriftelijk is gereageerd. Van de zijde</para>
    <para>van de Sociale Verzekeringsbank is dienaangaande in haar brief van 5</para>
    <para>september 1997 aangevoerd:</para>
    <para>"Het antwoord dat u op uw vraagstelling heeft gekregen van het Min. van</para>
    <para>SoZa is naar onze mening alleszins duidelijk. Het verzekerd blijven met een</para>
    <para>VUT-uitkering is expliciet aan de orde geweest. Duidelijk is dat het</para>
    <para>kabinet zich toentertijd wilde beperken tot wettelijke regelingen, een</para>
    <para>privaatrechtelijke regeling zoals die van een VUT-uitkering paste niet in</para>
    <para>dat beeld. De SVB is evenwel van mening dat zeker een VUT-uitkering gezien</para>
    <para>moet worden als een "beloning" voor de staat van dienst van iemand, daarbij</para>
    <para>past ook het verzekerd blijven, uiteraard mits men onderworpen blijft aan</para>
    <para>de loonbelasting. De SVB is verder van mening dat een voorstel van deze</para>
    <para>strekking naar de huidige omstandigheden (terugtrekkende</para>
    <para>overheidsbemoeienis en de daarmee gepaard gaande toename van</para>
    <para>privaatrechtelijke regelingen) een grotere kans van slagen zou hebben</para>
    <para>gehad. Misschien is het de moeite waard om de kwestie alsnog aan de orde te</para>
    <para>stellen."</para>
    <para>Aldus heeft belanghebbende steun uit onverwachte hoek gekregen, evenwel -</para>
    <para>wat mij betreft - tevergeefs.</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>Bovendien zijn er goede gronden aangevoerd om de VUT-uitkeringen</para>
    <para>buiten de uitbreiding te houden zodat, mocht toch sprake zijn van</para>
    <para>gelijke gevallen, voor de ongelijke behandeling een redelijke</para>
    <para>rechtvaardiging bestaat.</para>
    <para>5.7. Overigens is het zo dat van regeringszijde werd beoogd de</para>
    <para>kring van verzekerden voor de volksverzekeringen niet uit te</para>
    <para>breiden met niet-ingezetenen die niet voor een korte duur</para>
    <para>buitenslands zouden verblijven. Dat in het KB 164 ook andere niet-</para>
    <para>ingezetenen tot de kring van verzekerden worden gerekend komt</para>
    <para>omdat de Tweede Kamer hierop heeft aangedrongen aangezien men van</para>
    <para>mening was dat daartoe een verplichting bestond op grond van het</para>
    <para>arrest van het HvJ EG 12 juni 1986, de zaak 302/84 (Ten Holder,</para>
    <para>RSV 1987/24). Later is gebleken dat die opvatting onjuist is.&amp;lt;(21) Zie het sinds 29 juli 1991 toegevoegde tweede lid, onderdeel f, van art.</para>
    <para>13 van de EG V0 1408/71 en de arresten van HvJ EG 21 februari 1991</para>
    <para>(Daalmeijer en Noij), RSV 1991/200-201 m.nt. F.W.M. Keunen.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>5.8. Middel II wordt derhalve eveneens tevergeefs voorgesteld.</para>
    <para>6. Conclusie</para>
    <para>Ik concludeer tot verwerping van het beroep.</para>
    <para>De Procureur-Generaal</para>
    <para>bij de Hoge Raad der</para>
    <para>Nederlanden</para>
    <para>A-G</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>