<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1999:AA2922</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T18:12:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA2922</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1999-10-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">324</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1999:AA2922" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1999:AA2922</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBV0002871&amp;g=1999-10-13">Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staat Israël, Jeruzalem, 25-04-1984</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2000, 54</rdf:li>
          <rdf:li>RZA 2000, 24</rdf:li>
          <rdf:li>BNB 2000/123 met annotatie van W.A.Sinninghe Damsté</rdf:li>
          <rdf:li>FED 1999/640</rdf:li>
          <rdf:li>FED 2000/186</rdf:li>
          <rdf:li>WFR 1999/1374</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 1999/49.15</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 1999/331</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA2922">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA2922</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:47:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1999:AA2922 Parket bij de Hoge Raad , 13-10-1999 / 324</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA2922:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA2922:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Nr. 324                     Parket, 31 maart 1999                 mr. Ilsink</para>
      <para>Derde Kamer A</para>
      <para>Conclusie inzake:</para>
      <para>Algemene wet bijzondere ziektekosten  Onderlinge</para>
      <para>Waarborgmaatschappij</para>
      <para>ZAO Zorgverzekeringen U.A.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para>          </para>
    <parablock>
      <para>1. X</para>
      <para>2. Y</para>
      <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
      <para>1. Feiten en procesverloop</para>
      <para>1.1. X en Y zijn na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar en vóór</para>
      <para>1 juli 1989, in het genot van - onder meer - een pensioen ingevolge</para>
      <para>de Algemene Ouderdomswet dat tenminste gelijk was aan 35% van het</para>
      <para>wettelijk minimumloon, vanuit Nederland naar Israël geëmigreerd.</para>
      <para>Beiden hebben in 1993 de Onderlinge Waarborgmaatschappij ZAO</para>
      <para>Zorgverzekeringen U.A.&amp;lt;(1) In de uitvoering van de AWBZ wordt voorzien door de ziekenfondsen, de</para>
      <para>ziektekostenverzekeraars en de uitvoerende organen van de publiekrechtelijke</para>
      <para>ziektekostenverzekering. ZAO is een ziekenfonds (zie losbladige SVW-serie,</para>
      <para>deel 7 AWBZ, Band ???, bijlage 7, lijst nr. 1). De toelating van een</para>
      <para>ziekenfonds voor de uitvoering van de AWBZ is in de wet niet geregeld. (Zie:</para>
      <para>losbladige SVW-serie, deel 7 AWBZ, Band ?, art. 33, aant. 1.) Aangenomen is</para>
      <para>dat de ter uitvoering van de Ziekenfondswet toegelaten ziekenfondsen ook</para>
      <para>voor hun verzekerden kunnen optreden ter uitvoering van de AWBZ.</para>
      <para>&amp;gt; (hierna: ZAO) verzocht hen in te schrijven</para>
      <para>als verzekerde ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten</para>
      <para>(hierna: AWBZ) aangezien zij meenden voor de AWBZ verzekerd te zijn</para>
      <para>omdat op het door hen ontvangen pensioen van het Algemeen Burgerlijk</para>
      <para>Pensioenfonds premie voor de AWBZ werd ingehouden&amp;lt;(2) In het tweede lid van art. 9 AWBZ is bepaald dat verzekerde personen die</para>
      <para>noch bij een ziekenfonds zijn ingeschreven noch bij een</para>
      <para>ziektekostenverzekeraar zijn verzekerd noch aan een publiekrechtelijke</para>
      <para>ziektekostenregeling voor ambtenaren deelnemen zich moeten melden bij een</para>
      <para>ziekenfonds dan wel bij een ziektekostenverzekeraar, die hun woongemeente</para>
      <para>als werkgebied heeft. Dit alles met inachtneming van het op het derde lid</para>
      <para>van art. 9 AWBZ gebaseerde Inschrijvingsbesluit bijzondere</para>
      <para>ziektekostenverzekering. In art. 1 van de Nadere regeling inschrijving</para>
      <para>bijzondere ziektekostenverzekering worden verzekerden die woonachtig zijn in</para>
      <para>het buitenland geacht te wonen in het werkgebied van het ziekenfonds of</para>
      <para>ziektekostenverzekeraar of het uitvoerend orgaan waar zij zich hebben</para>
      <para>aangemeld.</para>
      <para>&amp;gt;.</para>
      <para>1.2. Op 10 augustus 1993 heeft ZAO voor beroep vatbare beslissingen</para>
      <para>gegeven, als bedoeld in art. 58, eerste lid, aanhef en onderdeel a,</para>
      <para>AWBZ, inhoudende het besluit belanghebbenden niet als AWBZ-</para>
      <para>verzekerden in te schrijven. Daarbij werd verwezen naar art. 6 van</para>
      <para>het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der</para>
      <para>Nederlanden en de Staat Israël (Trb. 1984, 65) (hierna ook: het</para>
      <para>Verdrag) zodat, nu het Verdrag van toepassing is op personen die in</para>
      <para>Israël wonen, voor wat betreft de volksverzekeringen belanghebbenden</para>
      <para>zijn onderworpen aan de Israëlische sociale zekerheidswetgeving,</para>
      <para>terwijl art. 36 van het Besluit uitbreiding en beperking kring</para>
      <para>verzekerden volksverzekeringen 1989 (Stb. 1989, 164) (hierna ook: KB</para>
      <para>164) de exclusiviteit daarvan meebrengt.</para>
      <para>1.3. De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam&amp;lt;(3) Ingevolge art. 59 van de AWBZ (tekst 1993) stond tegen een dergelijk</para>
      <para>besluit beroep open bij de Raad van Beroep. Op grond van art. 1, vierde lid,</para>
      <para>van de Beroepswet (Stb. 1992, 278) treedt daarvoor (een kamer van) de</para>
      <para>arrondissementsrechtbank in de plaats.</para>
      <para>&amp;gt; heeft bij uitspraak</para>
      <para>van 4 januari 1995 in twee afzonderlijke uitspraken (nr. AWBZ</para>
      <para>93/3011/16 en nr. AWBZ 93/3012/16) het beroep gegrond verklaard en</para>
      <para>het bestreden besluit vernietigd.</para>
      <para>1.4. ZAO heeft tegen beide uitspraken hoger beroep ingesteld. De</para>
      <para>Centrale Raad van Beroep&amp;lt;(4) De CRvB is bevoegd ingevolge art. 18, eerste lid, onder b Beroepswet.</para>
      <para>&amp;gt; heeft beide zaken gevoegd behandeld&amp;lt;(5) Ingevolge art. 17 Beroepswet is art. 8:14 Awb inzake voeging van</para>
      <para>toepassing.</para>
      <para>&amp;gt; en bij</para>
      <para>uitspraak van 5 november 1997, nr. 95/1717 AWBZ + nr. 95/1731 AWBZ&amp;lt;(6) Gepubliceerd in RSV 1998/159.</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>de aangevallen uitspraken bevestigd.</para>
      <para>1.5. Tegen deze uitspraak heeft ZAO tijdig beroep in cassatie</para>
      <para>ingesteld. Namens S. Monasch is een vertoogschrift ingediend.</para>
      <para>2. Belanghebbenden en de AWBZ op grond van nationale bepalingen</para>
      <para>2.1. Het antwoord op de vraag of belanghebbenden verzekerd zijn</para>
      <para>ingevolge de AWBZ moet in de eerste plaats worden gevonden in het</para>
      <para>(mede) op art. 5, tweede lid, AWBZ gebaseerde KB 164. Tot 1 juli</para>
      <para>1989 bepaalde de voorganger van KB 164, het Besluit van 19 oktober</para>
      <para>1976, Stb. 557&amp;lt;(7) Zoals het luidde na wijzingingen door KB 1 juli 1980, Stb. 388 en KB van 26</para>
      <para>april 1985, Stb. 297.</para>
      <para>&amp;gt; (hierna ook: KB 557):</para>
      <para>"Art. 1</para>
      <para>1. Als verzekerde wordt aangemerkt:</para>
      <para>(?)</para>
      <para>4e in de zin van de (?) [AWBZ] (?):</para>
      <para>k. degene, die buiten het Rijk woont en hetzij:</para>
      <para>1o een uitkering ontvangt ingevolge de Algemene Ouderdomswet,</para>
      <para>(?)</para>
      <para>evenwel indien hij noch krachtens een buitenlandse wetgeving een</para>
      <para>uitkering ontvangt wegens ouderdom, overlijden of langdurige</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid, noch arbeid verricht, doch in beide gevallen</para>
      <para>gedurende ten hoogste één jaar na de dag met ingang waarvan op</para>
      <para>betrokkenen het hiervoor bepaalde onder 1o, 2o, (?) van toepassing</para>
      <para>werd; de in de vorige zinsnede bedoelde beperking tot ten hoogste één</para>
      <para>jaar geldt niet voor degene, die zijn woonplaats heeft op het</para>
      <para>grondgebied van een Lid-Staat van de Europese Economische</para>
      <para>Gemeenschap, van een Staat, waarmee een overeenkomst gesloten, is</para>
      <para>welke bijzondere bepalingen bevat inzake takken van verzekering, die</para>
      <para>overeenkomen met de in de aanhef van dit artikel genoemde, of van</para>
      <para>door Onze Minister van Sociale Zaken aan te wijzen Staten; (?)</para>
      <para>2. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid worden de in dat</para>
      <para>lid bedoelde personen niet als verzekerde in de zin van de (?) [AWBZ]</para>
      <para>aangemerkt, indien zij de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt (?)."</para>
      <para>2.2. In het per 1 juli 1989 inwerking getreden KB van 3 mei 1989,</para>
      <para>Stb. 164 (tekst 1989) is bepaald:</para>
      <para>"Begripsbepalingen</para>
      <para>Artikel 1</para>
      <para>In dit besluit wordt verstaan onder:</para>
      <para>a. de volksverzekeringen: De Algemene Ouderdomswet, de Algemene</para>
      <para>Weduwen- en Wezenwet, de Algemene Kinderbijslagwet en de Algemene Wet</para>
      <para>Bijzondere Ziektekosten;</para>
      <para>(?).</para>
      <para>Artikel 8</para>
      <para>1. Verzekerd ingevolge de volksverzekeringen is degene, die buiten</para>
      <para>Nederland is gaan wonen en op de dag van zijn vertrek recht had op</para>
      <para>(?)</para>
      <para>d. een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet,</para>
      <para>2. Verzekerd ingevolge de volksverzekeringen is degene, die niet in</para>
      <para>Nederland woont en recht heeft op een uitkering, een pensioen of een</para>
      <para>toelage, genoemd in het eerste lid, indien dat recht aansluit op de</para>
      <para>verplichte verzekering ingevolge de volksverzekeringen (?) en mits</para>
      <para>die uitkering, dat pensioen of die toelage ten minste gelijk is aan</para>
      <para>35% van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet</para>
      <para>minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag.</para>
      <para>3. De in het eerste en tweede lid bedoelde personen zijn niet</para>
      <para>verzekerd ingevolge de volksverzekeringen indien zij buiten Nederland</para>
      <para>arbeid verrichten of een uitkering ontvangen krachtens een</para>
      <para>buitenlandse wettelijke regeling.</para>
      <para>4. In afwijking van het eerste en tweede lid is degene, die recht</para>
      <para>heeft op een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet, niet</para>
      <para>verzekerd ingevolge de (?) [AWBZ].</para>
      <para>(?)</para>
      <para>Overgangsbepalingen</para>
      <para>(?)</para>
      <para>Exclusieve werking</para>
      <para>Artikel 36</para>
      <para>Niet verzekerd ingevolge de volksverzekeringen is de ingezetene of</para>
      <para>niet-ingezetene op wie ingevolge een overeenkomst of een regeling</para>
      <para>inzake sociale zekerheid, die tussen Nederland en één of meer andere</para>
      <para>mogendheden van kracht is, de wetgeving van een andere mogendheid van</para>
      <para>toepassing is."</para>
      <para>2.3. In de Nota van Toelichting is te lezen:</para>
      <para>"(blz. 13) Met name de buiten Nederland wonende personen met een</para>
      <para>langlopende Nederlandse sociale verzekeringsuitkering dienden op</para>
      <para>verzoek van de Tweede Kamer hier te lande verplicht verzekerd te</para>
      <para>blijven. De ontwikkelingen binnen de Europese Gemeenschap met</para>
      <para>betrekking tot het creëren van nieuwe aanwijsregels inzake de</para>
      <para>toepasselijke wetgeving ten aanzien van postactieven</para>
      <para>(uitkeringsgerechtigden) moesten worden afgewacht, aldus de Kamer. De</para>
      <para>verzekering van de hiervoor bedoelde personen is in het onderhavige</para>
      <para>besluit dan ook in beginsel gehandhaafd (artikel 8).</para>
      <para>(?)</para>
      <para>(blz. 23) Artikel 8</para>
      <para>Algemeen</para>
      <para>In dit artikel gaat het om de verzekering krachtens de</para>
      <para>volksverzekeringen van personen, die niet in Nederland wonen en een</para>
      <para>Nederlandse sociale verzekeringsuitkering ontvangen. Het</para>
      <para>inventarisatierapport van de SVr met betrekking tot het KB 557 bevat</para>
      <para>vele interpretatievragen aangaande de onderhavige verzekering, die</para>
      <para>het noodzakelijk maken de huidige bepalingen - nu voorgesteld wordt</para>
      <para>de verzekering in beginsel te handhaven - te toetsen aan de</para>
      <para>oorspronkelijke bedoelingen van de wetgever; een structurele</para>
      <para>wijziging wordt niet beoogd. Deze bedoelingen komen erop neer, dat de</para>
      <para>Nederlandse overheid zijn verantwoordelijkheid behoudt die niet-</para>
      <para>ingezetenen, die goeddeels voor hun kosten van levensonderhoud</para>
      <para>aangewezen blijven op een Nederlandse inkomensbron, te beschermen</para>
      <para>tegen de sociale risico's, welke door de volksverzekeringen worden</para>
      <para>gedekt. In deze situatie is het zaak, dat de verzekering ingevolge de</para>
      <para>volksverzekeringen na vertrek uit Nederland met medeneming van een</para>
      <para>Nederlandse inkomensbron, te beschermen tegen de sociale risico's,</para>
      <para>welke door de volksverzekeringen worden gedekt. In deze situatie is</para>
      <para>het zaak, dat de verzekering ingevolge de volksverzekeringen na</para>
      <para>vertrek uit Nederland met medeneming van een Nederlandse sociale</para>
      <para>verzekeringsuitkering wordt voortgezet.</para>
      <para>Voorgaand uitgangspunt noopt tot wijziging van de huidige bepalingen</para>
      <para>op de volgende onderdelen:</para>
      <para>- er bestaat geen aanleiding om - zoals thans gebeurt - bij de</para>
      <para>voorwaarden voor verzekering onderscheid te maken tussen de WAO- en</para>
      <para>daarmee gelijkgestelde uitkeringen enerzijds en de AOW-, AWW-, AAW-</para>
      <para>en enige bijzondere uitkeringen anderzijds;</para>
      <para>- de hiervoor genoemde verantwoordelijkheid van de Nederlandse</para>
      <para>overheid leent zich niet voor een beperking tot het grondgebied van</para>
      <para>de Europese Gemeenschap en van verdragslanden, terwijl evenmin een</para>
      <para>begrenzing in de tijd bij die verantwoordelijkheid past, indien de</para>
      <para>omstandigheden waaronder de Nederlandse uitkering wordt genoten niet</para>
      <para>veranderen; (?).</para>
      <para>(blz. 25) Vierde en vijfde lid</para>
      <para>Deze leden komen overeen met artikel 1, tweede en derde lid van het</para>
      <para>KB 557.(?)</para>
      <para>(blz. 37) Overgangsbepalingen</para>
      <para>(?)</para>
      <para>(blz. 41) Exclusieve werking</para>
      <para>Artikel 36</para>
      <para>Gelet op de arresten van de Hoge Raad van 25 juni 1986 (RSV 1986,</para>
      <para>nrs. 26 en 27) over de verzekeringsplicht van in Nederland</para>
      <para>gedetacheerde Joegoslavische werknemers staat niet langer vast dat</para>
      <para>aanwijsregels inzake toepasselijke wetgeving van de door Nederland</para>
      <para>gesloten verdragen inzake sociale zekerheid zogenaamde exclusieve</para>
      <para>werking hebben, indien die aanwijsregels dat niet expliciet</para>
      <para>vermelden.</para>
      <para>Met de exclusieve werking van aanwijsregels wordt bedoeld dat bij</para>
      <para>uitsluiting van een andere wetgeving slechts één wetgeving kan worden</para>
      <para>toegepast.</para>
      <para>Ondergetekenden streven ernaar de internationale afspraken op dit</para>
      <para>punt - voorzover nodig - aan te passen zodat in de toekomst de</para>
      <para>bedoeling van verdragspartners expliciet zal vastliggen. Zolang die</para>
      <para>aanpassing nog niet is gerealiseerd, is het noodzakelijk bij wijze</para>
      <para>van overgangsbepaling de exclusieve werking tot uitdrukking te</para>
      <para>brengen in de nationale wetgeving.</para>
      <para>Na aanpassing van de internationale regelingen in de gewenste zin zal</para>
      <para>de nu voorgestelde bepaling kunnen komen te vervallen.</para>
      <para>Het onderhavige artikel spreekt niet alleen van de ingezetene maar</para>
      <para>ook van de niet-ingezetene daar ook deze ingevolge de</para>
      <para>volksverzekeringen, in verband met het verrichten van arbeid in</para>
      <para>dienstbetrekking in Nederland of op grond van dit besluit verzekerd</para>
      <para>is."</para>
      <para>2.4. Bij KB van 30 november 1989, Stb. 555, is art. 8, lid 4, KB 164</para>
      <para>met ingang van 1 januari 1990 vervallen. In de Nota van Toelichting</para>
      <para>is op blz. 3 vermeld:</para>
      <para>"In het kader van de Oort-operatie zijn de uitkeringen ingevolge</para>
      <para>AOW en de AWW onder de premieheffing volksverzekeringen gebracht,</para>
      <para>teneinde in het nieuwe heffingssysteem tot uniformering van de</para>
      <para>heffingsmaatstaf te komen. Als gevolg daarvan vindt per 1 januari</para>
      <para>1990 inhouding plaats van premie volksverzekeringen (waaronder AWBZ</para>
      <para>en AAW) op AOW- en AWW-uitkeringen. Tegelijkertijd worden de AOW- en</para>
      <para>AWW-uitkeringen verhoogd, teneinde de uitkeringen netto op hetzelfde</para>
      <para>niveau te houden (?).</para>
      <para>De bepalingen, die personen met een AOW- of een AWW-uitkering</para>
      <para>uitsluiten van de verzekering ingevolge de AWBZ en de AAW, zullen in</para>
      <para>verband daarmee derhalve vervallen.</para>
      <para>Overigens zij nog opgemerkt dat indien het (?) voorstel van wet tot</para>
      <para>handhaving leeftijdsgrens verzekerings- en premieplicht AAW</para>
      <para>(Kamerstukken II, 1989-1990, 21 350) tot wet wordt verheven, personen</para>
      <para>van 65 jaar en ouder niet langer verplicht verzekerd zullen zijn voor</para>
      <para>de AAW en derhalve niet langer premieplichtig. Dit impliceert dat</para>
      <para>personen van 65 jaar en ouder alleen voor de AWBZ premie verschuldigd</para>
      <para>zullen zijn."</para>
      <para>2.5. Vaststaat dat belanghebbenden beiden ná het bereiken van de</para>
      <para>leeftijd van 65 jaar en vóór 1 juli 1989, in het genot van - onder</para>
      <para>meer - een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet dat tenminste</para>
      <para>gelijk was aan 35% van het wettelijk minimumloon, vanuit Nederland</para>
      <para>naar Israël zijn geëmigreerd. Dat betekent dat belanghebbenden sinds</para>
      <para>1 jan. 1990 op grond van het bepaalde in art. 8 van het KB 164</para>
      <para>verzekerd zijn voor de AWBZ&amp;lt;(8) In het dossier bevindt zich een brief, met dagtekening 20 september 1990,</para>
      <para>van het Algemeen Burgerlijk pensioenfonds, gericht aan X, waarin wordt</para>
      <para>medegedeeld dat de Inspecteur der Directe Belastingen van mening is dat</para>
      <para>betrokkene onder meer premies AWBZ verschuldigd is. In een brief met</para>
      <para>dagtekening 13 april 1993 wordt betrokkene medegedeeld dat uit een schrijven</para>
      <para>van de Ziekenfondsraad van 16 maart 1993 blijkt dat geen sprake is van</para>
      <para>verzekering ingevolge de Nederlandse volksverzekeringen zodat</para>
      <para>premierestitutie over het tijdvak 1 jan. 1993 tot 1 april 1993 zal</para>
      <para>plaatsvinden.</para>
      <para>&amp;gt;, tenzij art. 36 van dat KB daaraan in de</para>
      <para>weg staat. Voordat wordt ingegaan op de vraag of art. 36 van KB 164</para>
      <para>bewerkstelligt dat toch niet sprake is van verzekering van</para>
      <para>belanghebbenden voor (onder meer) de AWBZ, moet worden nagegaan of</para>
      <para>het Verdrag ook betrekking heeft op de AWBZ.</para>
      <para>2.6. Dit laatste is per 1 januari 1992 voor betrokkenen zoals</para>
      <para>belanghebbenden van bijzonder belang geworden en wel in verband met</para>
      <para>het navolgende. In art. 11 van de AWBZ staat na het van kracht</para>
      <para>worden van de Wet van 20 november 1991, Stb. 587, de grondslag voor</para>
      <para>een regeling betreffende het geven van een vergoeding in geld of een</para>
      <para>verstrekking in gevallen, waarin een verzekerde zich wegens</para>
      <para>bijzondere omstandigheden niet aan de normale regels van de</para>
      <para>verzekering heeft kunnen houden. Aan die bevoegdheid is uitvoering</para>
      <para>gegeven in art. 34 van het Besluit zorgaanspraken bijzondere</para>
      <para>ziektekostenverzekering (Stb. 1991, 590). In de Nota van toelichting</para>
      <para>bij dat artikel is opgemerkt&amp;lt;(9) Zie losbladige SVW-serie, deel 7 AWBZ, Band ???, bijlage 3, nr. 1.1, aant.</para>
      <para>31.</para>
      <para>&amp;gt;:</para>
      <para>"De AWBZ is naar haar strekking zo opgezet dat aanspraken ingevolge</para>
      <para>die wet in wezen beperkt blijven tot de hulp in het kader van de</para>
      <para>georganiseerde gezondheidszorg in Nederland. Ondanks dat zijn</para>
      <para>krachtens het (?) [KB 164] ook diverse groepen van personen die niet</para>
      <para>in Nederland wonen maar in het buitenland - en dus in het buitenland</para>
      <para>het middelpunt van hun maatschappelijk bestaan hebben - onder de</para>
      <para>AWBZ-verzekering gebracht. Voor die groepen zou zonder de onderhavige</para>
      <para>bepaling gelden dat er wel AWBZ-premie moet worden betaald, doch dat</para>
      <para>daar tegenover niet de mogelijkheid staat om vanuit de dagelijkse</para>
      <para>woonsituatie aanspraken ingevolge de verzekering te realiseren.</para>
      <para>Feitelijk zou dat betekenen dat in het buitenland woonachtige AWBZ-</para>
      <para>verzekerden verstoken zijn van AWBZ-verstrekkingen zolang zij niet</para>
      <para>hun woonplaats en daarmee hun maatschappelijk bestaan in het</para>
      <para>buitenland opgeven en in Nederland terugkeren."</para>
      <para>2.7. Bij brief van 25 juni 1992&amp;lt;(10) Brief met kenmerk SZ/SV/T/92/2642.</para>
      <para>&amp;gt; is door de Staatssecretaris van</para>
      <para>Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede namens de Staatssecretaris</para>
      <para>van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, aan de Ziekenfondsraad</para>
      <para>advies gevraagd inzake de in KB 164 neergelegde materie. In die</para>
      <para>brief is (onder meer) vermeld:</para>
      <para>"Ingevolge artikel 8 van KB 164 zijn buiten Nederland wonende</para>
      <para>personen verplicht verzekerd voor de volksverzekeringen indien zij</para>
      <para>recht hebben op een uitkering ingevolge de Wet op de</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, een pensioen op basis</para>
      <para>van arbeidsongeschiktheid ingevolge de Algemene burgerlijke</para>
      <para>pensioenwet, de Spoorwegpensioenwet of de Algemene militaire</para>
      <para>pensioenwet, een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW),</para>
      <para>een weduwenuitkering ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet, of</para>
      <para>een uitkering of toelage ingevolge de Algemene</para>
      <para>Arbeidsongeschiktsheidswet. Voorwaarde is dat de uitkering, het</para>
      <para>pensioen of de toelage ten minste 35% bedraagt van het bruto-</para>
      <para>minimumloon en betrokkene geen arbeid buiten Nederland verricht noch</para>
      <para>een uitkering ontvangt ingevolge een buitenlandse wettelijke</para>
      <para>regeling. Voorts is vereist dat het recht op uitkering bestond op de</para>
      <para>(blz. 2) datum van vertrek uit Nederland, danwel dat het recht op</para>
      <para>uitkering is ontstaan in aansluiting op verplichte verzekering</para>
      <para>ingevolge de volksverzekeringen of ingevolge de vrijwillige</para>
      <para>verzekering AOW/AWW. Ook in de voorloper van KB 164, het besluit van</para>
      <para>19 oktober 1976 (Stb. 557), waren in het buitenland wonende</para>
      <para>uitkeringsgerechtigden onder - overigens andere en deels meer</para>
      <para>beperkte - voorwaarden verplicht verzekerd voor de</para>
      <para>volksverzekeringen. De voorwaarden waren destijds dat de</para>
      <para>verzekeringsplicht voor deze groep van uitkeringsgerechtigden</para>
      <para>uitsluitend was toebedeeld aan hen die woonden in een EG-lidstaat of</para>
      <para>in een van de landen waarmee Nederland een bi- of multilateraal</para>
      <para>sociaal zekerheidsverdrag had gesloten. De verzekeringsplicht voor</para>
      <para>AOW-, AWW- en AAW-gerechtigden die buiten één van de hiervoor</para>
      <para>bedoelde landen woonden was destijds beperkt tot één jaar.</para>
      <para>In zijn notitie van 27 augustus 1986 (Kamerstukken II, 1985-1986, 19</para>
      <para>515, nrs. 1-2. pag. 39-40) stelde het toenmalige kabinet zich echter</para>
      <para>op het standpunt dat strikter vastgehouden diende te worden aan het</para>
      <para>uitgangspunt dat uitbreiding van de verplichte verzekering beperkt</para>
      <para>blijft tot personen van wie de verzekering in Nederland voor korte</para>
      <para>tijd wordt onderbroken. Dit betekende dat in beginsel bij vertrek uit</para>
      <para>Nederland de verplichte verzekering zou moeten worden beëindigd. In</para>
      <para>het buitenland wonende personen met een langlopende Nederlandse</para>
      <para>sociale verzekeringsuitkering zouden in het vervolg dan ook niet</para>
      <para>langer verzekerd dienen te zijn. Tijdens de schriftelijke en</para>
      <para>mondelinge gedachtenwisseling over de kabinetsvoornemens met</para>
      <para>betrekking tot de uitbreiding en beperking van de kring van</para>
      <para>verzekerden voor de volksverzekeringen bleek dat de Kamer grote</para>
      <para>bezwaren had tegen het afschaffen van de verzekeringsplicht van de</para>
      <para>buiten Nederland wonende uitkeringsgerechtigden.</para>
      <para>Deze bezwaren werden onder meer ingegeven door het op 12 juni 1986</para>
      <para>door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen gewezen</para>
      <para>arrest in de zaak Ten Holder (RSV 1987/24). In dat arrest besliste</para>
      <para>het Hof dat een werknemer onderworpen blijft aan de sociale</para>
      <para>verzekeringswetgeving van de EG-Lid-staat waar hij zijn laatste</para>
      <para>werkzaamheden heeft verricht, ongeacht de tijd die na de beëindiging</para>
      <para>van die laatste werkzaamheden is verstreken. Verwarring ontstond over</para>
      <para>de uitleg die het Hof in dit arrest aan de werkingssfeer van de</para>
      <para>Verordening (EEG) nr. 1408/71 gaf. In de meest vergaande</para>
      <para>interpretatie zouden de aanwijsregels inzake toepasselijke wetgeving</para>
      <para>niet enkel betrekking hebben op de actieve beroepsbevolking, die hun</para>
      <para>werkzaamheden gedurende korte tijd hebben onderbroken, maar ook op</para>
      <para>personen die een langlopende sociale verzekeringsuitkering ontvangen</para>
      <para>(post-actieven) of, zonder uitkering, inmiddels het arbeidsproces</para>
      <para>hebben verlaten (non-actieven). Zoals hierna nog zal worden</para>
      <para>aangegeven is die ruime interpretatie onjuist gebleken.</para>
      <para>Overeenkomstig de wens van de Kamer is daarop besloten de</para>
      <para>ontwikkelingen in Europees verband ten aanzien van post-actieven af</para>
      <para>te wachten en vooralsnog geen wijziging te brengen in de</para>
      <para>verzekeringspositie van in het buitenland wonende personen met een</para>
      <para>Nederlandse sociale verzekeringsuitkering (Handelingen UCV II 1986-</para>
      <para>1987, nr. 74, blz. 14-15).</para>
      <para>(blz. 3) Inmiddels is de Verordening (EEG) nr. 1408/71 gewijzigd. Dit</para>
      <para>is dan ook aanleiding om advies te vragen hoe de verzekeringspositie</para>
      <para>van post-actieven en non-actieven met een uitkering, rekening houdend</para>
      <para>met bedoelde wijzinging, zou moeten worden geregeld. (?)</para>
      <para>(blz. 4) Met de wijziging [invoeging in de Vo 1408/71 van art. 13,</para>
      <para>lid 2, onder f] is beoogd aanwijsregels te creëren voor de</para>
      <para>toepasselijke wetgeving voor personen die niet langer verzekerd zijn</para>
      <para>ingevolge de wetgeving van de Lid-Staat waar de laatste werkzaamheden</para>
      <para>zijn verricht, zonder dat op grond van het verrichten van</para>
      <para>werkzaamheden de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat</para>
      <para>ingevolge de Verordening op hem van toepassing wordt. In de arresten</para>
      <para>in de zaken Noij en Daalmeijer (HvJ 21 februari 1991, zaken C-140/88</para>
      <para>en C-245/88, RSV 1991/200 en 201) was inmiddels door het Hof van</para>
      <para>Justitie bepaald dat de nog niet aangepaste Titel II van de</para>
      <para>Verordening niet van toepassing is op personen die hun</para>
      <para>beroepswerkzaamheden voorgoed hebben gestaakt. Het staat het laatste</para>
      <para>werkland derhalve vrij te bepalen of en onder welke voorwaarden post-</para>
      <para>actieven die in een ander land wonen verzekerd blijven. Ingevolge</para>
      <para>artikel 10ter van Verordening (EEG) nr. 574/72 kunnen Lid-Staten dan</para>
      <para>ook zelf de voorwaarden bepalen waaronder deze post-actieven</para>
      <para>verzekerd blijven. Artikel 13, lid 2, onder f, is dan ook een</para>
      <para>aanwijzing van de wetgeving van het woonland indien en vanaf het</para>
      <para>moment waarop verzekering ingevolge het stelsel van het laatste</para>
      <para>werkland ontbreekt.</para>
      <para>Conclusie is dan ook dat de nationale wetgever in het kader van KB</para>
      <para>164 zelf kan bepalen of en onder welke voorwaarden post-actieven, die</para>
      <para>laatstelijk in Nederland werkzaam zijn geweest maar buiten Nederland</para>
      <para>wonen, verzekerd kunnen blijven danwel uitgesloten kunnen worden van</para>
      <para>de verzekeringsplicht.</para>
      <para>(?)</para>
      <para>(blz. 8) De grootste groep [binnen de categorie: wel AWBZ-verzekerd,</para>
      <para>echter niet verzekerd voor de Zfw] wordt gevormd door personen met</para>
      <para>een langlopende sociale verzekeringsuitkering, zoals opgesomd in</para>
      <para>artikel 8 van KB 164. Het betreft hier personen waarvan het niet</para>
      <para>aannemelijk is dat zij nog zullen terugkeren naar Nederland. Indien</para>
      <para>deze personen eveneens verzekerd zijn voor de Zfw en wonen in een</para>
      <para>andere EG-Lid-Staat dan wel een land waarmee Nederland e[e]n verdrag</para>
      <para>inzake sociale zekerheid heeft gesloten waarin een bepaling is</para>
      <para>opgenomen met betrekking tot de ziektekosten, is er geen probleem.</para>
      <para>Betrokkenen kunnen in het buitenland medische zorg genieten via het</para>
      <para>aldaar bestaande ziektekostenstelsel ten laste van de Nederlandse</para>
      <para>sociale ziektekosten-verzekeringskassen. Is dit niet het geval, dan</para>
      <para>dient betrokkene (indien hij zijn recht op verstrekkingen in natura</para>
      <para>wenst te genieten) in principe terug te keren naar Nederland om aan</para>
      <para>de verzekering voor de AWBZ en de daarmee samenhangende premieplicht</para>
      <para>ook rechten te kunnen ontlenen. Seder[t] 1 januari 1992 hebben deze</para>
      <para>personen evenwel recht op een vergoeding in geld. Het gaat hierbij om</para>
      <para>ca. 20.000 personen, waarvan ca. 6.000 AOW-gerechtigden en ca. 10.000</para>
      <para>overige uitkeringsgerechtigden met een langlopende sociale</para>
      <para>zekerheidsuitkering (artikel 8 situaties)."</para>
      <para>2.8. In het vervolgens door de Ziekenfondsraad uitgebrachte advies&amp;lt;(11) Advies inzake verzekeringspositie van in het buitenland wonende post-</para>
      <para>actieven, uitgebracht door de Ziekenfondsraad aan de Staatssecretaris van</para>
      <para>Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 26 november 1992 (uitgave van de</para>
      <para>Ziekenfondsraad 566).</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>is te lezen:</para>
      <para>"(blz. 7) 2 Voorgeschiedenis</para>
      <para>Reeds bij eerdere gelegenheden heeft de raad zich uitgelaten over de</para>
      <para>problematiek inzake AWBZ-verzekering van in het buitenland</para>
      <para>woonachtige uitkeringsgerechtigden. (?). De raad heeft, redenerend</para>
      <para>vanuit de verzekeringsgedachte en indachtig de opzet van de AWBZ die</para>
      <para>zodanig is dat aanspraken in wezen beperkt blijven tot hulp die in</para>
      <para>het kader van de georganiseerde gezondheidszorg in Nederland is</para>
      <para>ingeroepen, het standpunt ingenomen dat AWBZ-verzekering van in het</para>
      <para>buitenland wonende uitkeringsgerechtigden in beginsel dient te worden</para>
      <para>afgewezen.</para>
      <para>Vervolgens heeft de raad, geconfronteerd met het feit dat de bedoelde</para>
      <para>categorie niettemin onder de verzekeringsplicht ingevolge de AWBZ is</para>
      <para>gebracht&amp;lt;(12) In een brief van de Ziekenfondsraad aan de Staatssecretaris van Welzijn,</para>
      <para>Volksgezondheid en Cultuur, met dagtekening 19 december 1991 is te lezen:</para>
      <para>"In het kader van de Oort-wetgeving zijn per 1 januari 1990 in het buitenland</para>
      <para>woonachtige AOW- en AWW-gerechtigden premieplichtig gemaakt voor de AWBZ door</para>
      <para>aanwijzing van deze categorie uitkeringsgerechtigden als AWBZ-verzekerden.</para>
      <para>Deze aanwijzing heeft een belastingtechnische achtergrond. Vanuit de</para>
      <para>verzekeringsgedachte is deze aanwijzing echter niet juist omdat er in veel</para>
      <para>gevallen geen reële verzekeringsaanspraak tegenover de AWBZ-verzekerings- en</para>
      <para>-premieplicht is gesteld.</para>
      <para>Overigens is ook geen advies aan de Ziekenfondsraad gevraagd over de</para>
      <para>aanwijzing van de onderhavige categorie uitkeringsgerechtigden als AWBZ-</para>
      <para>verzekerden, hetgeen gelet op het voorgaande in de rede had gelegen."</para>
      <para>&amp;gt;, het standpunt ingenomen dat de verzekeringsgedachte de</para>
      <para>overheid de verplichting oplegt ervoor zorg te dragen dat AWBZ-</para>
      <para>gerechtigden op relatief eenvoudige wijze hun aanspraken krachtens de</para>
      <para>AWBZ-verzekering geldend kunnen maken.</para>
      <para>Hoewel regeling van deze materie in het kader van Verordening (EEG)</para>
      <para>nr. 1408/71 en van bilaterale verdragen inzake sociale zekerheid met</para>
      <para>het oog op de noodzakelijke samenhang tussen AWBZ en Ziekenfondswet</para>
      <para>volgens de raad de meest geschikte oplossing zou zijn besefte de raad</para>
      <para>dat hieraan twee wezenlijke bezwaren verbonden zouden zijn. Ten</para>
      <para>eerste zou een regeling langs deze weg veel tijd vergen en ten tweede</para>
      <para>zou daarmee geen oplossing worden geboden voor die personen die</para>
      <para>woonachtig zijn in landen die geen EG-lidstaat of verdragsland zijn</para>
      <para>of in landen waar geen wettelijk ziektekostenverzekeringstelsel</para>
      <para>bestaat en waarmee derhalve geen verdrag kan worden gesloten.&amp;lt;(13)  In een brief van de Ziekenfondsraad aan de Staatsecretaris van Welzijn,</para>
      <para>Volksgezondheid en Cultuur, met dagtekening 22 november 1990 is geschreven:</para>
      <para>"De meest geëigende oplossing zou zijn, een regeling van aanspraken via</para>
      <para>Verordening (EEG nr. 1408/71 en via (bilaterale) verdragen inzake sociale</para>
      <para>zekerheid. De Raad beseft echter, en heeft daar begrip voor, dat zulks niet</para>
      <para>binnen een redelijke termijn valt te realiseren. De Raad wijst er bovendien op</para>
      <para>dat niet voor alle gevallen een dergelijke oplossing kan worden gerealiseerd.</para>
      <para>De Raad denkt daarbij aan AWBZ-verzekerden die woonachtig zijn in landen die</para>
      <para>geen EG-Lidstaat of verdragsland zijn, of aan AWBZ-verzekerden die woonachtig</para>
      <para>zijn in landen waar geen wettelijke ziekte(kosten)verzekering bestaat en</para>
      <para>waarmee derhalve geen verdrag kan worden gesloten."</para>
      <para>&amp;gt;"</para>
      <para>2.9. Alvorens het Verdrag nader te bezien, wijs ik erop dat het KB</para>
      <para>164 per 1 januari 1999 is vervallen en dat daarvoor in de plaats is</para>
      <para>gekomen het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden</para>
      <para>volksverzekering 1999 van 24 december 1998, Stb. 1998, 746 (hierna</para>
      <para>ook: KB 746). Door dit KB 746 zijn in de verzekeringspositie van in</para>
      <para>het buitenland wonenden, zoals belanghebbenden, aanmerkelijke</para>
      <para>wijzigingen aangebracht. Dit KB is op grond van overgangsrecht (in</para>
      <para>art. 30 wordt bepaald dat het KB 164 wordt ingetrokken) direct ook</para>
      <para>op belanghebbenden van toepassing.&amp;lt;(14) Een uitvoerige uiteenzetting van de nieuw ontstane situatie door het KB 746</para>
      <para>zou hier te ver voeren. Ik wil verwijzen naar V-N 1999, 21 januari 1999, nr.</para>
      <para>6, Bijzonder nummer. Kort gezegd komt de regeling hierop neer dat in het</para>
      <para>buitenland wonende personen met een langlopende Nederlandse</para>
      <para>socialeverzekeringsuitkering (per 1 jan. 2000 (art. 26)) niet langer onder</para>
      <para>de verplichte Nederlandse volksverzekeringen vallen. Wel kunnen ( ingevolge</para>
      <para>art. 25) personen die reeds op 1 jan. 1999 of op 1 jan. 2000 aanspraak</para>
      <para>maakten op vergoeding ter zake van bijv. intramurale zorg (in het</para>
      <para>verzekeringsjargon: "brandende huizen") verzoeken te bewerkstelligen dat die</para>
      <para>vergoeding wordt voortgezet zolang deze zorg nog voortduurt.</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>3. Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der</para>
      <para>Nederlanden en de Staat Israël</para>
      <para>3.1. De relevante bepalingen luiden:</para>
      <para>"Deel I. Algemene bepalingen</para>
      <para>(?)</para>
      <para>Art 2. 1. Dit Verdrag is van toepassing</para>
      <para>A. in Nederland op alle wetgevingen betreffende de navolgende takken:</para>
      <para>a. ziekteverzekering,</para>
      <para>(?)</para>
      <para>Art. 3. Tenzij in dit Verdrag anders wordt bepaald, worden voor de</para>
      <para>toepassing van de wetgeving van een Verdragsluitende Partij de</para>
      <para>volgende personen, die op het grondgebied van een Verdragsluitende</para>
      <para>Partij wonen, gelijkgesteld met onderdanen van die Verdragsluitende</para>
      <para>Partij:</para>
      <para>onderdanen van de andere Verdragsluitende Partij;</para>
      <para>(?)</para>
      <para>Deel II Bepalingen inzake de toe te passen wetgeving</para>
      <para>Art. 6 Onverminderd het bepaalde in de artikelen 7, 8 en 9 zijn</para>
      <para>personen op wie dit Verdrag van toepassing is, onderworpen aan de</para>
      <para>wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan</para>
      <para>zij wonen of, wat de in artikel 2, eerste lid, genoemde takken van</para>
      <para>verzekering die niet van wonen afhankelijk zijn, betreft, aan de</para>
      <para>wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan</para>
      <para>zij werkzaam zijn."</para>
      <para>3.2. Ter zake van de te verkrijgen goedkeuring is in de toelichtende</para>
      <para>nota opgemerkt&amp;lt;(15) Kamerstukken II 1983/84, 18 531, nr. 1.</para>
      <para>&amp;gt;:</para>
      <para>"(blz. 2) Algemeen</para>
      <para>(?) Evenals de andere door Nederland gesloten verdragen is ook dit</para>
      <para>verdrag gebaseerd op het beginsel van wederkerigheid; het waarborgt</para>
      <para>dat enerzijds de onderdanen van de beide landen gelijke behandeling</para>
      <para>zullen genieten ten opzichte van de onderscheiden nationale</para>
      <para>wetgevingen en dat anderzijds de verzekerden en hun</para>
      <para>rechtverkrijgenden sociale zekerheidsuitkeringen ontvangen ongeacht</para>
      <para>de plaats waar zij werken of wonen.</para>
      <para>De materiële werkingssfeer van het verdrag omvat alle takken van</para>
      <para>sociale zekerheid met uitzondering van de verstrekkingen bij ziekte.</para>
      <para>Ten aanzien van deze tak van verzekering zijn geen bepalingen in het</para>
      <para>verdrag opgenomen omdat in Israël geen wettelijke</para>
      <para>ziektekostenverzekering bestaat. Een beknopt overzicht van de</para>
      <para>Israëlische wetgeving inzake sociale zekerheid is als bijlage bij</para>
      <para>deze nota gevoegd.&amp;lt;(16) In die bijlage is onder I vermeld:</para>
      <para>"(blz. 9) h. Verstrekkingen bij ziekte</para>
      <para>In Israël bestaat momenteel nog geen verplichte verzekering inzake</para>
      <para>geneeskundige verzorging. Het grootste deel van de bevolking is vrijwillig</para>
      <para>verzekerd bij vier grote ziekenfondsen. In het algemeen verstrekken deze (blz.</para>
      <para>10) fondsen een volledig pakket aan medische verzorging, hoewel de omvang</para>
      <para>daarvan per fonds geringe verschillen vertoont. Die verzorging omvat</para>
      <para>preventieve, diagnostische en curatieve behandeling, alsmede</para>
      <para>revalidatievoorzieningen. De geneeskundige verstrekkingen omvat</para>
      <para>huisartsenhulp, klinische en niet-klinische behandeling, behandeling door</para>
      <para>specialisten en ziekenhuisopname, zowel voor de leden van de fondsen als hun</para>
      <para>gezinsleden."</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>Het personele toepassingsgebied van het verdrag omvat alle personen</para>
      <para>die onder de wettelijke sociale zekerheidsstelsels van beide landen</para>
      <para>vallen, onverschillig of dit is uit hoofde van ingezetenschap,</para>
      <para>dienstbetrekking of pensioen. (?).</para>
      <para>Toe te passen wetgeving</para>
      <para>In deel II van het verdrag is een tot in bijzonderheden gaande</para>
      <para>regeling opgenomen met betrekking tot de vraag welke van beide</para>
      <para>nationale wetgevingen in bepaalde situaties moet worden toegepast.</para>
      <para>Hiermede wordt vermeden dat personen in beide landen verzekerd zijn</para>
      <para>en derhalve in beide landen premies zouden moeten betalen, terwijl</para>
      <para>tevens wordt voorkomen dat personen in geen van beide landen</para>
      <para>verzekerd zijn en derhalve het recht op sociale zekerheidsprestaties</para>
      <para>zouden moeten ontberen. De constructie die in het voorliggende</para>
      <para>verdrag voor deze regeling is gekozen is voor Nederland nieuw. In</para>
      <para>geen enkel ander verdrag inzake sociale zekerheid dat (blz. 3)</para>
      <para>Nederland heeft gesloten komt een zelfde regeling voor. In het</para>
      <para>verdrag wordt namelijk in beginsel als toepasselijke wetgeving</para>
      <para>aangewezen de wetgeving van de verdragsluitende partij op het</para>
      <para>grondgebied waarvan de betrokkene woont. Wanneer het evenwel een</para>
      <para>wettelijke regeling betreft waarin niet de woonplaats</para>
      <para>verzekeringscriterium is, dan is van toepassing de wetgeving van het</para>
      <para>land waar de betrokkene werkzaam is. In het kort gezegd komt het</para>
      <para>hierop neer, dat wat de volksverzekeringen betreft de woonplaats</para>
      <para>criterium is bij het aanwijzen van de toepasselijke wetgeving en wat</para>
      <para>de werknemersverzekeringen betreft de plaats waar de arbeid wordt</para>
      <para>verricht. (?)</para>
      <para>Ziekte en moederschap</para>
      <para>Zoals reeds onder Algemeen is opgemerkt, bevat het verdrag geen</para>
      <para>bepalingen met betrekking tot het recht op verstrekkingen. (?)"</para>
      <para>3.3. In verband met de goedkeuringsprocedure is door Leden van de</para>
      <para>Tweede Kamer een lijst van vragen&amp;lt;(17) Kamerstukken II 1984/85, 18 531, nr. 7.</para>
      <para>&amp;gt; opgesteld:</para>
      <para>"1</para>
      <para>Om welke reden is de regering waar het betreft de systematiek en de</para>
      <para>uitgangspunten, zoals die in het voorliggende verdrag zijn</para>
      <para>uitgewerkt, afgeweken van de voorgaande bilaterale verdragen op het</para>
      <para>gebied van de sociale zekerheid?</para>
      <para>2</para>
      <para>Op welke onderdelen, behalve het hanteren van « het woonlandbeginsel</para>
      <para>», wijkt het onderhavige verdrag af van andere sociale</para>
      <para>zekerheidsverdragen?</para>
      <para>(?)</para>
      <para>9</para>
      <para>Is over de toepassing van het woonlandbeginsel bij de</para>
      <para>volksverzekeringen, anders dan op grond van de AKW, overleg gevoerd</para>
      <para>met landen van de EG, danwel niet-EG-landen, waarmee een sociaal</para>
      <para>zekerheidsverdrag is gesloten?</para>
      <para>(?)</para>
      <para>11</para>
      <para>Is de regering bereid te erkennen dat, gelet op de specifieke</para>
      <para>situatie tussen beide landen, onder meer blijkend uit het onderling</para>
      <para>verkeer van hun burgers en het feit dat het aantal in Israël</para>
      <para>geregistreerde Nederlanders het aantal in Nederland geregistreerde</para>
      <para>Israëli's enige malen overtreft, het verdrag voor wat Nederland</para>
      <para>betreft niet zonder meer precedentwerking zal hebben in multilaterale</para>
      <para>of bilaterale onderhandelingen ten aanzien van verdragen inzake</para>
      <para>sociale zekerheid en in het bijzonder met betrekking tot</para>
      <para>kinderbijslagregelingen?"</para>
      <para>3.4. In een lijst van antwoorden&amp;lt;(18) Kamerstukken II 1984/85, 18 531, nr. 8.</para>
      <para>&amp;gt; is van regeringszijde hierop</para>
      <para>geantwoord:</para>
      <para>"1. Aan het verdrag met Israël liggen dezelfde uitgangspunten ten</para>
      <para>grondslag als aan alle andere bilaterale verdragen waarbij Nederland</para>
      <para>partij is en die coördinatie van sociale zekerheidswetgevingen ten</para>
      <para>doel hebben.</para>
      <para>Die uitgangspunten zijn:</para>
      <para>a. gelijke behandeling van onderdanen van beide landen;</para>
      <para>b. vaststelling van een toepasselijke wetgeving, zodat wordt</para>
      <para>voorkomen dat personen niet dan wel dubbel zijn verzekerd;</para>
      <para>c. samenstelling&amp;lt;(19) Lees: samentelling.</para>
      <para>&amp;gt; van tijdvakken van verzekering, arbeid of wonen voor</para>
      <para>de opening van het recht op uitkering, voor die uitkeringen waarvoor</para>
      <para>het voldoen aan een referte-eis voorwaarde is;</para>
      <para>d. export van uitkeringen.</para>
      <para>Bij het verwezenlijken van die uitgangspunten stuit men op problemen,</para>
      <para>omdat tussen de sociale zekerheidsstelsels van de verschillende</para>
      <para>landen grotere dan wel kleinere verschillen bestaan. Voor die</para>
      <para>problemen moeten oplossingen worden gevonden, die in het verdrag</para>
      <para>worden neergelegd. Mede gelet op de diversiteit van de stelsels komen</para>
      <para>daardoor verschillende oplossingen in de verschillende verdragen</para>
      <para>voor. Elk probleem kent zijn eigen oplossing.</para>
      <para>Het verdrag met Israël bevat op het punt van de coördinatie een</para>
      <para>noviteit. Voor de oplossing van het probleem van de vaststelling van</para>
      <para>de toepasselijke wetgeving is gekozen voor een splitsing ten aanzien</para>
      <para>van volks- en werknemersverzekeringen.</para>
      <para>Dat kon in dit geval omdat Israël zowel als Nederland</para>
      <para>volksverzekeringen en werknemersverzekeringen voor dezelfde takken</para>
      <para>van verzekeringen kennen.</para>
      <para>Een dergelijke oplossing is zelden mogelijk omdat er vrijwel geen</para>
      <para>land is dat volksverzekeringen voor dezelfde takken van verzekering</para>
      <para>kent als Nederland.</para>
      <para>2. Zoals in antwoord op vraag 1 is aangegeven kon met betrekking tot</para>
      <para>de toepasselijke wetgeving worden gekozen voor de volksverzekeringen</para>
      <para>voor het criterium wonen. Overigens zijn in dit verdrag geen</para>
      <para>regelingen getroffen, die niet reeds eerder in een bilateraal verdrag</para>
      <para>zijn opgenomen.</para>
      <para>(?)</para>
      <para>9. Zoals al eerder uiteengezet kent elk probleem zijn eigen</para>
      <para>oplossing. Elk bilateraal verdrag voorziet in een coördinatie-</para>
      <para>regeling, die past op de specifieke stelsels van de beide landen, die</para>
      <para>bij het verdrag betrokken zijn. Een dergelijk verdrag heeft geen</para>
      <para>betekening&amp;lt;(20) Lees: betekenis.</para>
      <para>&amp;gt; voor derde landen. Om die reden is het wel zeer</para>
      <para>ongebruikelijk om met derde landen te overleggen over oplossingen,</para>
      <para>die in een bilaterale verhouding, worden voorgesteld.</para>
      <para>(?)</para>
      <para>11. Zoals reeds hiervoor vermeld, staat elk verdag op zich.</para>
      <para>Regelingen in het ene verdrag kunnen niet zonder meer</para>
      <para>precedentwerking hebben ten aanzien van andere verdragen, omdat</para>
      <para>immers een regeling in het ene verdrag niet zonder meer toepasbaar is</para>
      <para>in de situatie met een ander land waarvoor een oplossing moet worden</para>
      <para>gevonden."</para>
      <para>3.5. W.W. Wijnbeek, Verdrag met Israël inzake sociale zekerheid, PS</para>
      <para>26, 3 december 1985, schrijft:</para>
      <para>"(blz. 1525) 3. Algemene bepalingen</para>
      <para>(?) Behalve het uitgangspunt van de gelijke behandeling van</para>
      <para>onderdanen en met hen gelijkgestelden van beide landen, liggen aan</para>
      <para>het verdrag, evenals aan alle bilaterale verdragen waarbij Nederland</para>
      <para>partij is en die de coördinatie van de sociale zekerheidswetgevingen</para>
      <para>ten doel hebben, nog andere uitgangspunten ten grondslag. Deze zijn</para>
      <para>vaststelling van een toepasselijke wetgeving, zodat wordt voorkomen</para>
      <para>dat personen niet dan wel dubbel verzekerd zijn, samentelling van</para>
      <para>tijdvakken van verzekering, arbeid of wonen voor de opening van het</para>
      <para>recht op uitkering, voor die uitkeringen waarvoor een eis van een</para>
      <para>minimum-verzekeringsduur geldt en export van uitkerin- (blz. 1526)</para>
      <para>gen. (?).</para>
      <para>(?)</para>
      <para>5. Materiële werkingssfeer</para>
      <para>Ingevolge art. 2 van het verdrag is dit, voor wat Nederland betreft,</para>
      <para>van toepassing op de ZW, AAW, WAO, AOW, AWW, WW en AKW. Voor wat</para>
      <para>Israël betreft is het verdrag van toepassing op de verzekering inzake</para>
      <para>ouderdom en nagelaten betrekkingen, invaliditeitsverzekering,</para>
      <para>arbeidsongevallenverzekering, moederschapsverzekering,</para>
      <para>kinderverzekering en werkloosheidsverzekering. Omdat in Israël geen</para>
      <para>wettelijke ziektekostenverzekering bestaat, is het verdrag niet van</para>
      <para>toepassing op verstrekkingen bij ziekte. De ZFW en AWBZ vallen</para>
      <para>derhalve niet onder de materiële werkingssfeer van het verdrag."</para>
      <para>3.6. P. Kavelaars, Toewijzingsregels in het Europees sociaal-</para>
      <para>vezekeringsrecht, Europese fiscale monografieën (1992), schrijft:</para>
      <para>"(blz. 137) a. Algemeen</para>
      <para>Nederland heeft met een veertiental niet-EG-Lid-Staten bilaterale</para>
      <para>sociale-zekerheidsverdragen gesloten.(?) Deze verdragen hebben een</para>
      <para>structuur die doorgaans vrijwel steeds vergelijkbaar is met die van</para>
      <para>Vo. 1408/71. De verdragen met Australië en Nieuw-Zeeland wijken op</para>
      <para>een aantal punten af van die met de overige staten gesloten</para>
      <para>verdragen; dat geldt ook voor het verdrag met Israël. (?) Daarnaast</para>
      <para>kent ook het verdrag met Israël een enigszins afwijkende structuur.</para>
      <para>In dit verdrag wordt de verzekeringsplicht namelijk in beginsel</para>
      <para>steeds toegewezen aan de woonstaat. (?).</para>
      <para>b. De personele werkingssfeer</para>
      <para>De meeste bilaterale verdragen zijn wat betreft de personele</para>
      <para>werkingssfeer in de eerste plaats gericht op:</para>
      <para>a. degenen met de nationaliteit van de desbetreffende verdragsstaten;</para>
      <para>b. degenen op wie de sociale-zekerheidswetgeving van een der staten</para>
      <para>van toepassing (geweest ) is; alsmede</para>
      <para>c. andere personen voor zover die rechten ontlenen aan de hiervoor</para>
      <para>onder a en b bedoelde personen.</para>
      <para>(?)</para>
      <para>(blz. 138) c. Materiële werkingssfeer</para>
      <para>(?) Deze materiële werkingssfeer geeft aan welke sociale-</para>
      <para>zekerheidsregelingen van de beide verdragspartners onder het verdrag</para>
      <para>vallen. (?)</para>
      <para>(blz. 139) Voor Nederland geldt vrijwel steeds de regel dat de</para>
      <para>materiële werkingssfeer zich uitstrekt tot alle werknemers- en</para>
      <para>volksverzekeringen. Wat betreft de buitenlandse stelsels gaat het</para>
      <para>meestal om de regelingen die voor werknemers, respectievelijk</para>
      <para>zelfstandigen gelden. (?)</para>
      <para>Wat betreft Nederland is het uitgangspunt dat zowel de vijf</para>
      <para>volksverzekeringen als de vier werknemersverzekeringen in principe</para>
      <para>onder het materiële toepassingsbereik van de bilaterale verdragen</para>
      <para>vallen. Uitzonderingen zijn te vinden in de verdragen met Australië,</para>
      <para>(?) Israël [noot: Het verdrag is in beginsel niet van toepassing op de AWBZ</para>
      <para>en de ZFW. Wel is ze op die twee wetten van toepassing voor zover het de</para>
      <para>aanwijzing van de toepasselijke wetgeving betreft.], Joegoslavië, (?)</para>
      <para>Nieuw-Zeeland, (?) Tunesië, (?) Turkije, (?) Zweden (?) en</para>
      <para>Zwitserland. [noot: Het verdrag is niet van toepassing op de AWBZ en in</para>
      <para>beginsel ook niet op de WW, ZW en ZFW. Alleen voor zover het de aanwijzing van</para>
      <para>de toepasselijke wetgeving betreft is het verdrag ook van toepassing op de ZW,</para>
      <para>WW, ZFW en AWBZ.] (?).</para>
      <para>(blz. 167) Reeds op deze plaats zij opgemerkt dat wanneer toetsing</para>
      <para>aan de personele werkingssfeer tot de conclusie leidt dat een persoon</para>
      <para>onder een bepaalde internationale regeling valt, dit nog niet zonder</para>
      <para>meer impliceert dat op hem ook de allocatieregels van die regeling</para>
      <para>van toepassing zijn. Dit zal dus steeds afzonderlijk moeten worden</para>
      <para>getoetst. Praktisch leidt dit overigens nauwelijks tot verschillen.</para>
      <para>De post-actieven wormden echter lange tijd een typisch voorbeeld van</para>
      <para>deze discrepantie&amp;lt;(21) Deze opmerking ziet op de post-actieven in Vo. 1408/71. Het HvJ heeft in de</para>
      <para>arresten Daalmeijer en Noij (21 februari 1991, nr. 245/88, Jur. 1991, 555</para>
      <para>respectievelijk nr. 140/88, Jur.1991, 387), geoordeeld dat post-actieven wel</para>
      <para>onder de personele werkingssfeer van Vo. 1408/71 vallen maar dat de</para>
      <para>toewijzingsregels van Titel II op hen niet van toepassing zijn. Dit heeft</para>
      <para>tot gevolg dat de vraag waar post-actieven verzekerd zijn uitsluitend</para>
      <para>bepaald dient te worden aan de hand van de nationale regelgeving van de Lid-</para>
      <para>staten. Sinds 29 juli 1991 is aan art. 13, tweede  lid, van de Vo. 1408/71</para>
      <para>een onderdeel f toegevoegd, een aanwijsregel voor post-actieven.</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>(?).</para>
      <para>(blz. 184) Schema 4.1. Personele werkingssfeer verdragen</para>
      <para>Verdrag</para>
      <para>&amp;lt;-----------&amp;gt;</para>
      <para>personele werking (a)</para>
      <para>&amp;lt;------------&amp;gt;</para>
      <para>definitie begrip</para>
      <para>werknemer (b)</para>
      <para>&amp;lt;-------------&amp;gt;</para>
      <para>&amp;lt;-----------&amp;gt;</para>
      <para>&amp;lt;------------&amp;gt;</para>
      <para>&amp;lt;-------------&amp;gt;</para>
      <para>Australië</para>
      <para>&amp;lt;-----------&amp;gt;</para>
      <para>inwoners van Australië</para>
      <para>en degenen onderworpen</para>
      <para>aan de Nederlandse</para>
      <para>sociale-</para>
      <para>zekerheidswetgeving</para>
      <para>&amp;lt;------------&amp;gt;</para>
      <para>nee</para>
      <para>&amp;lt;-------------&amp;gt;</para>
      <para>Canada</para>
      <para>&amp;lt;-----------&amp;gt;</para>
      <para>onderdanen</para>
      <para>&amp;lt;------------&amp;gt;</para>
      <para>degene werkzaam</para>
      <para>indienstbetrekking,</para>
      <para>alsmede de nationale</para>
      <para>wetgeving (c)</para>
      <para>&amp;lt;-------------&amp;gt;</para>
      <para>(blz. 185) Israël</para>
      <para>&amp;lt;-----------&amp;gt;</para>
      <para>nee</para>
      <para>&amp;lt;------------&amp;gt;</para>
      <para>nee (d)</para>
      <para>&amp;lt;-------------&amp;gt;</para>
      <para>Joegoslavië</para>
      <para>&amp;lt;-----------&amp;gt;</para>
      <para>werknemer</para>
      <para>&amp;lt;------------&amp;gt;</para>
      <para>loontrekkende en</para>
      <para>daarmee gelijkgestelde</para>
      <para>(e)</para>
      <para>&amp;lt;-------------&amp;gt;</para>
      <para>Kaapverdië</para>
      <para>&amp;lt;-----------&amp;gt;</para>
      <para>werknemer</para>
      <para>&amp;lt;------------&amp;gt;</para>
      <para>loontrekkende en</para>
      <para>daarmee gelijkgestelde</para>
      <para>(e)</para>
      <para>&amp;lt;-------------&amp;gt;</para>
      <para>Marokko</para>
      <para>&amp;lt;-----------&amp;gt;</para>
      <para>werknemers en</para>
      <para>gelijkgestelden (f)</para>
      <para>&amp;lt;------------&amp;gt;</para>
      <para>nee</para>
      <para>&amp;lt;-------------&amp;gt;</para>
      <para>Nieuw-Zeeland</para>
      <para>&amp;lt;-----------&amp;gt;</para>
      <para>werknemer</para>
      <para>&amp;lt;------------&amp;gt;</para>
      <para>nationale wetgeving (c)</para>
      <para>&amp;lt;-------------&amp;gt;</para>
      <para>Noorwegen</para>
      <para>&amp;lt;-----------&amp;gt;</para>
      <para>onderdanen</para>
      <para>&amp;lt;------------&amp;gt;</para>
      <para>degene werkzaam in</para>
      <para>dienstbetrekking en de</para>
      <para>daarmee gelijkgestelde,</para>
      <para>te beoordelen naar</para>
      <para>toepasselijke wetgeving</para>
      <para>( c)</para>
      <para>&amp;lt;-------------&amp;gt;</para>
      <para>Oostenrijk</para>
      <para>&amp;lt;-----------&amp;gt;</para>
      <para>nee</para>
      <para>&amp;lt;------------&amp;gt;</para>
      <para>nationale wetgeving (c)</para>
      <para>&amp;lt;-------------&amp;gt;</para>
      <para>Tunesië</para>
      <para>&amp;lt;-----------&amp;gt;</para>
      <para>werknemer</para>
      <para>&amp;lt;------------&amp;gt;</para>
      <para>loontrekkende en</para>
      <para>daarmee gelijkgestelde</para>
      <para>(e)</para>
      <para>&amp;lt;-------------&amp;gt;</para>
      <para>Turkije</para>
      <para>&amp;lt;-----------&amp;gt;</para>
      <para>werknemers en</para>
      <para>gelijkgestelden (f)</para>
      <para>&amp;lt;------------&amp;gt;</para>
      <para>nee</para>
      <para>&amp;lt;-------------&amp;gt;</para>
      <para>Verenigden Staten</para>
      <para>&amp;lt;-----------&amp;gt;</para>
      <para>werknemers</para>
      <para>&amp;lt;------------&amp;gt;</para>
      <para>nationale wetgeving (c)</para>
      <para>&amp;lt;-------------&amp;gt;</para>
      <para>Zweden</para>
      <para>&amp;lt;-----------&amp;gt;</para>
      <para>onderdanen</para>
      <para>&amp;lt;------------&amp;gt;</para>
      <para>nationale wetgeving (c)</para>
      <para>&amp;lt;-------------&amp;gt;</para>
      <para>Zwitserland</para>
      <para>&amp;lt;-----------&amp;gt;</para>
      <para>nee</para>
      <para>&amp;lt;------------&amp;gt;</para>
      <para>nee</para>
      <para>&amp;lt;-------------&amp;gt;</para>
      <para>Rijnvarendenverdrag</para>
      <para>&amp;lt;-----------&amp;gt;</para>
      <para>werknemer</para>
      <para>&amp;lt;------------&amp;gt;</para>
      <para>nationale wetgeving (g)</para>
      <para>&amp;lt;-------------&amp;gt;</para>
      <para>Europees Verdrag</para>
      <para>inzake sociale</para>
      <para>zekerheid</para>
      <para>&amp;lt;-----------&amp;gt;</para>
      <para>onderdanen (f)</para>
      <para>&amp;lt;------------&amp;gt;</para>
      <para>loontrekkende en de</para>
      <para>daarmee gelijkgestelde</para>
      <para>(e )</para>
      <para>&amp;lt;-------------&amp;gt;</para>
      <para>Transportverdrag</para>
      <para>&amp;lt;-----------&amp;gt;</para>
      <para>werknemer</para>
      <para>&amp;lt;------------&amp;gt;</para>
      <para>loontrekkende en de</para>
      <para>daarmee gelijkgestelde</para>
      <para>(c)</para>
      <para>&amp;lt;-------------&amp;gt;</para>
      <para>&amp;lt;-----------&amp;gt;</para>
      <para>&amp;lt;-----------&amp;gt;</para>
      <para>Toelichting:</para>
      <para>(a) deze kolom geeft aan of het verdrag een bepaling inzake de</para>
      <para>personele werkingssfeer bevat;</para>
      <para>(b) deze kolom geeft aan hoe het begrip werknemer beoordeeld moet</para>
      <para>worden;</para>
      <para>(c) toegepast moet worden de nationale wetgeving van de verdragsstaat</para>
      <para>waar men verzekerd is;</para>
      <para>(d) via een algemene bepaling wordt aangegeven dat wanneer er geen</para>
      <para>definitie in het verdrag is opgenomen, de nationale wettelijke</para>
      <para>bepalingen van de verdragsstaat welker wetgeving van toepassing is,</para>
      <para>bepalend is;</para>
      <para>(e) volgens de wetgeving van de verdragsstaat (niet wordt aangegeven</para>
      <para>welke verdragsstaat);</para>
      <para>(f) te bepalen naar de wetgeving van een der verdragstaten;</para>
      <para>diplomaten, beroepsconsulaire ambtenaren en kanselarijbeambten zijn</para>
      <para>uitgesloten. In het verdrag met Turkije zijn tevens personen in</para>
      <para>overheidsdienst uitgesloten;</para>
      <para>(g) het verdrag zelf definieert het begrip werknemer niet expliciet,</para>
      <para>doch geeft invulling aan het begrip Rijnvarende.</para>
      <para>(?)</para>
      <para>(blz. 186) Ook de positie van post-actieven is in de bilaterale</para>
      <para>verdragen niet geregeld. Een met art. 13, tweede lid, onderdeel f,</para>
      <para>Vo. 1408/71 overeenkomstige bepaling ontbreekt in alle verdragen.</para>
      <para>Voor zover bekend is ook anderszins geen regelgeving en rechtspraak</para>
      <para>aangaande post-actieven onder bi- en multilaterale verdragen gewezen.</para>
      <para>Alleen in situaties waarin de personele werkingssfeer zich uitstrekt</para>
      <para>tot onderdanen, zullen post-actieven in voorkomende gevallen een</para>
      <para>beroep kunnen doen op de verdragen. In de overige gevallen wordt de</para>
      <para>verzekeringsplicht uitsluitend bepaald door de (respectieve)</para>
      <para>nationale regelgevingen.</para>
      <para>(?)</para>
      <para>(blz. 204) Bi- en multilaterale verdragen</para>
      <para>In elk van de verdragen is aangegeven welke nationale wettelijke</para>
      <para>regelingen onder het desbetreffende verdrag vallen. In hoofdzaak zijn</para>
      <para>dat de volks- en de werknemersverzekeringen. Enkele verdragen</para>
      <para>strekken zich evenwel ook uit tot andere regelingen. Sommige</para>
      <para>verdragen daarentegen hebben niet op alle volks- en</para>
      <para>werknemersverzekeringen betrekking. Dat is met name het geval indien</para>
      <para>de sociale-zekerheidsstelsels van de verdragstaten te veel uiteen</para>
      <para>lopen, bijvoorbeeld omdat enkele sociale rechten niet op nationaal</para>
      <para>niveau tot stand zijn gebracht, doch op federaal of regionaal niveau.</para>
      <para>Daarnaast zijn er nog verdragen die op enkele verzekeringen slechts</para>
      <para>in beperkte mate van toepassing zijn, doordat de materiële</para>
      <para>werkingssfeer zich alleen uitstrekt tot de toewijzingssystematiek; in</para>
      <para>dergelijke verdragen wordt ten aanzien van met name genoemde</para>
      <para>verzekeringen alleen aangegeven in welke staat betrokkene verzekerd</para>
      <para>is.&amp;lt;(22) In een schema , blz. 205, wordt vervolgens aangegeven dat de AWBZ alleen</para>
      <para>voor zover het de toewijzing van de verzekeringsplicht betreft, behoort tot</para>
      <para>de materiële werkingssfeer van het Verdrag met Israël.</para>
      <para>&amp;gt; (?).</para>
      <para>(blz. 366) Post-actieven en de overige verdragen</para>
      <para>In de door Nederland afgesloten sociale-zekerheidsverdragen zijn geen</para>
      <para>bepalingen opgenomen met betrekking tot post-actieven. Uiteraard is</para>
      <para>ook de jurisprudentie van het Hof van Justitie te dezen niet</para>
      <para>relevant. Dat betekent dat de verzekeringsplicht van post-actieven in</para>
      <para>alle gevallen waar Vo. 1408/71 niet van toepassing is, in beginsel</para>
      <para>uitsluitend bepaald wordt door de nationale regelgeving. Dat geldt</para>
      <para>doorgaans ook voor degenen die een pensioen of andersoortige</para>
      <para>uitkering ontvangen van een volkenrechtelijke organisatie.</para>
      <para>(?).</para>
      <para>(blz. 371) a. Niet-ingezetenen uitkeringsgerechtigden</para>
      <para>(?).</para>
      <para>(blz. 373) Art. 8 KB 164 bevat - in tegenstelling tot de</para>
      <para>contrabepaling (art. 24 KB 164) - geen bijzondere regeling voor de</para>
      <para>verzekeringsplicht ingevolge de AWBZ. Dat impliceert dat de niet-</para>
      <para>ingezetene die gerechtigd is tot een uitkering als hiervoor bedoeld,</para>
      <para>onverkort verzekerd is voor die verzekering. Tot 1 januari 1990 lag</para>
      <para>dat overigens anders: toen waren de niet-ingezeten AOW-en AWW-</para>
      <para>gerechtigden niet verzekerd ingevolge het voormalige vierde en vijfde</para>
      <para>lid van art. 8 KB 164. In verband met de Oortoperatie is aan dit</para>
      <para>onderscheid een einde gemaakt.(?)  De onderhavige verzekeringsplicht</para>
      <para>voor de AWBZ stemt overeen met art. 33 Vo 1408/71 (?).</para>
      <para>(blz. 376) a. Vo. 1408/71, de overige verdragen en medische zorg</para>
      <para>De specifieke positie van de toewijzing van de verzekeringsplicht bij</para>
      <para>ziektekostenverzekeringen is in hoofdzaak terug te voeren op de</para>
      <para>omstandigheid dat er met name op praktische gronden in beginsel naar</para>
      <para>gestreefd wordt het recht op prestaties in verband met ziekte toe te</para>
      <para>wijzen aan de regelgeving van de woonstaat, zodat de verzekerde zich</para>
      <para>niet behoeft te wenden tot uitvoeringsorganen in een andere dan de</para>
      <para>woonstaat.</para>
      <para>(?).</para>
      <para>(blz. 379) b. Het KB 164</para>
      <para>(?)</para>
      <para>(blz. 380) Geen bijzondere regeling is getroffen voor de niet-</para>
      <para>ingezetenen met een Nederlandse sociale-zekerheidsuitkering. Art. 8</para>
      <para>KB 164 brengt deze categorie integraal onder de Nederlandse</para>
      <para>volksverzekeringsplicht (?). Tot 1 januari 1990 waren de AOW- en AWW-</para>
      <para>uitkeringsgerechtigden niettemin van verzekering voor de AWBZ</para>
      <para>uitgesloten (art. 8, vierde en vijfde lid, KB 164 oud). Deze</para>
      <para>uitsluiting is in verband met de Oortoperatie ongedaan gemaakt (?),</para>
      <para>zodat zij in principe in Nederland verzekerd en premieplichtig zijn</para>
      <para>voor de AWBZ. In beginsel zal dan de staat waar de gerechtigden tot</para>
      <para>de Nederlandse uitkering wonen, af moeten zien van het heffen van</para>
      <para>premie voor medisch zorg. [noot: In de resolutie van 16 januari 1992, nr.</para>
      <para>IFZ 91/1507, V-N 1992, blz. 359 heeft de staatssecretaris meegedeeld dat hij</para>
      <para>nog een mededeling zal doen ter zake van de premie AWBZ voor deze niet-</para>
      <para>ingezeten gerechtigden tot een Nederlandse sociale-zekerheidsuitkering, een en</para>
      <para>ander in verband met de uitbreiding van de toepassing van Titel II Vo. 1408/71</para>
      <para>tot post-actieven.]</para>
      <para>(blz. 381) Tot 1 januari 1992 was het voor de niet-ingezetenen</para>
      <para>effectief veelal niet mogelijk om een beroep te doen op de</para>
      <para>verstrekkingen ingevolge de AWBZ, omdat alleen recht bestond op</para>
      <para>naturavergoedingen door in Nederland gevestigde instellingen of</para>
      <para>wonende personen. Per die datum is echter een vergoedingsregeling tot</para>
      <para>stand gekomen (art. 34 Besluit zorgaanspraken bijzondere</para>
      <para>ziektekostenverzekering; Stb. 1991, 590). Op grond daarvan kan buiten</para>
      <para>Nederland verleende zorg vergoed worden voor zover die overeenkomt</para>
      <para>met verstrekkingen ingevolge de AWBZ(?)."</para>
      <para>3.7. J.J.G. Sijstermans, Praktijkhandboek verzekerings- en</para>
      <para>premieplicht voor de Nederlandse volksverzekeringen (1995), schrijft</para>
      <para>over het Verdrag met Israël:</para>
      <para>"(blz. 159) 3. Personele werkingssfeer</para>
      <para>Het verdrag kent geen bepaling die de personele werkingssfeer</para>
      <para>beperkt. Daarom vallen in principe alle personen, ongeacht</para>
      <para>nationaliteit of status, onder het verdrag. Evenwel is op dit moment</para>
      <para>de heersende mening dat de personele werkingssfeer, gelet op de</para>
      <para>aanwijsregels, beperkt is tot actieven en dat gepensioneerden hier</para>
      <para>niet toe behoren, dit naar analogie van deze problematiek rondom EG-</para>
      <para>Vo 1408/71. Het ministerie van Financiën steunt deze visie maar</para>
      <para>bijvoorbeeld de Ziekenfondsraad rekent postactieven wel tot de</para>
      <para>personele werkingssfeer. Dit is nu aan het ministerie van Sociale</para>
      <para>Zaken voorgelegd teneinde uniforme interpretatie te bereiken.</para>
      <para>Uit de bepalingen inzake de toe te passen wetgeving valt op te maken</para>
      <para>dat het verdrag zowel op werknemers als zelfstandigen ziet.</para>
      <para>(blz. 160) 4. Materiële werkingssfeer</para>
      <para>Door het bepaalde in art. 2 ziet het verdrag op alle Nederlandse</para>
      <para>volksverzekeringenswetten."</para>
      <para>3.8. De Ziekenfondsraad heeft in een circulaire&amp;lt;(23) Circulaire met dagtekening 24 maart 1993, nr. AWBZ/29/93.</para>
      <para>&amp;gt; aan de</para>
      <para>uitvoeringsorganen medegedeeld:</para>
      <para>"In de circulaire nr. AWBZ/44/92 van 20 mei 1992 bent u uitvoerig</para>
      <para>geïnformeerd over de invloed van internationale coördinatieregels op</para>
      <para>de verzekering ingevolge de AWBZ.</para>
      <para>Ter aanvulling hierop wil ik u, naar aanleiding van uit Israël</para>
      <para>ontvangen verzoeken om informatie, nog attent maken op de bijzondere</para>
      <para>situatie die zich voordoet, wanneer de belanghebbenden in Israël</para>
      <para>woonachtig zijn.</para>
      <para>Ingevolge artikel 6 van het (?) [Verdrag] zijn de personen op wie dat</para>
      <para>verdrag van toepassing is en die in Israël wonen, voor wat betreft de</para>
      <para>volksverzekeringen, onderworpen aan de Israëlische sociale</para>
      <para>zekerheidswetgeving. Genoemd verdrag is van toepassing op personen</para>
      <para>met  Nederlandse of de Israëlische nationaliteit alsmede op</para>
      <para>vluchtelingen en staatlozen. Verder bepaalt artikel 36 van het (?)</para>
      <para>[KB 164], dat niet verzekerd zijn ingevolge de volksverzekeringen</para>
      <para>personen op wie op grond van een tussen Nederland en één of meer</para>
      <para>andere mogendheden van kracht zijnde overeenkomst of internationale</para>
      <para>regeling, de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.</para>
      <para>De bovengenoemde bepalingen hebben in combinatie tot gevolg, dat</para>
      <para>personen die in Israël wonen, niet verzekerd zijn ingevolge de AWBZ."</para>
      <para>4. Het Verdrag en post-actieven</para>
      <para>4.1. De CRvB is in navolging van de rechtbank en partijen kennelijk</para>
      <para>ervan uitgegaan dat het Verdrag mede betrekking heeft op zogenoemde</para>
      <para>'post-actieven'. In ieder geval heeft de CRvB geen overweging</para>
      <para>hieraan gewijd.</para>
      <para>4.2. In het dossier is een briefwisseling aanwezig tussen het</para>
      <para>Ministerie van Financiën enerzijds en het Ministerie van Sociale</para>
      <para>Zaken anderzijds. Van de zijde van Financiën wilde men weten of</para>
      <para>post-actieven tot de personele werkingssfeer van het Verdrag</para>
      <para>behoren. Aangezien deze vraag door de inspecteur van de</para>
      <para>Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen buitenland te Heerlen</para>
      <para>negatief werd beantwoord en door de Ziekenfondsraad positief, werd</para>
      <para>de vraag voorgelegd aan het Ministerie van Sociale Zaken. Namens de</para>
      <para>Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is geantwoord&amp;lt;(24) Brief met dagtekening 12 oktober 1993, kenmerk DGSV/SV/I/93/3123.</para>
      <para>&amp;gt;:</para>
      <para>"[I]k [deel] u mede dat ik de uitleg van de Ziekenfondsraad</para>
      <para>betreffende de personele werkingssfeer van het Nederlands-Israëlisch</para>
      <para>Verdrag inzake sociale zekerheid van 25 april 1984, alsmede</para>
      <para>betreffende de aanwijsregel inzake toepasselijke wetgeving van</para>
      <para>artikel 6 van dat Verdrag onderschrijf. Deze opvatting is, in</para>
      <para>onderhandelingen met de Israëlische autoriteiten over wijziging van</para>
      <para>het Verdrag die in maart  1993 hebben plaatsgevonden, aan beide</para>
      <para>zijden nog eens bevestigd.</para>
      <para>Dit betekent dat de in uw brief genoemde personen die in Israël</para>
      <para>woonachtig zijn niet verzekerd zijn ingevolge de Nederlandse</para>
      <para>volksverzekeringen, omdat zij gelet op de aanwijsregel onder de</para>
      <para>Israëlische wetgeving vallen."&amp;lt;(25) Naar aanleiding van deze brief heb ik bij het Ministerie van Sociale Zaken</para>
      <para>navraag laten doen of die opvatting op enigerlei wijze schriftelijk is</para>
      <para>vastgelegd; dit bleek niet het geval. Overigens heb ik begrepen dat de</para>
      <para>onderhandelingen met Israël in maart 1993 op niets zijn uitgelopen.</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>4.3. Uit het overzicht&amp;lt;(26) Aan dit overzicht moet voor de volledigheid nog het verdrag met Chili</para>
      <para>worden toegevoegd. Dit verdrag (Trb. 1996, 61) is inwerking getreden op 1</para>
      <para>maart 1997 (Trb. 1997,7).</para>
      <para>&amp;gt; van Kavelaars inzake de personele</para>
      <para>werkingssfeer van de verdragen (zie § 3.6) volgt dat de verdragen</para>
      <para>met Oostenrijk en Zwitserland evenmin als het hier aan de orde</para>
      <para>zijnde Verdrag, een bepaling bevatten inzake de personele</para>
      <para>werkingssfeer. Uit de omstandigheid dat een verdrag, door het</para>
      <para>ontbreken van een beperkende bepaling inzake de personele</para>
      <para>werkingssfeer, wellicht ook van toepassing is op post-actieven kan</para>
      <para>niet automatisch worden afgeleid dat ook de toewijzingsregels van</para>
      <para>dat verdrag van toepassing zijn op post-actieven. Ervan uitgaande</para>
      <para>dat het Verdrag ook van toepassing is op laatstvermelde groep, en</para>
      <para>dat ligt in de rede gezien het ontbreken van een bepaling waarin een</para>
      <para>beperking wordt aangebracht, moet derhalve nog worden nagegaan of de</para>
      <para>toewijzingsregels ook zien op post-actieven.</para>
      <para>4.4. Uit het in § 4.2. opgenomen citaat blijkt dat de</para>
      <para>Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ervan uitgaat</para>
      <para>dat de aanwijsregels van deel II van het Verdrag ook van toepassing</para>
      <para>zijn op post-actieven. Gelet op de bewoordingen van art. 6 van het</para>
      <para>Verdrag, waarin melding gemaakt wordt van personen die wonen en van</para>
      <para>personen die werken, lijkt mij die opvatting juist. In de andere</para>
      <para>verdragen waarin een algemene aanwijsregel is opgenomen, wordt</para>
      <para>melding gemaakt van ofwel werknemers ofwel degenen die beroepsarbeid</para>
      <para>verrichten, waarna soms zelfstandigen apart worden vermeld. In de</para>
      <para>toelichtende nota (zie § 3.2) is ook opgenomen dat het Verdrag ziet</para>
      <para>op alle personen die onder de wettelijke sociale zekerheidsstelsels</para>
      <para>van beide landen vallen, uit welken hoofde dan ook. Het is dus goed</para>
      <para>te verdedigen dat de toewijzingsregels van het Verdrag met Israël,</para>
      <para>in afwijking van alle andere verdragen, ook van toepassing zijn op</para>
      <para>post-actieven.</para>
      <para>5. Behoort de AWBZ tot de materiële werkingssfeer van het Verdrag?</para>
      <para>5.1. Alhoewel duidelijk is dat ieder verdrag inzake de sociale</para>
      <para>zekerheid op zichzelf staat, wil ik toch enige aandacht besteden aan</para>
      <para>de andere door Nederland gesloten (bilaterale) verdragen op dat</para>
      <para>gebied. In de hierna volgende opsomming wordt aangegeven wat in het</para>
      <para>desbetreffende verdrag is vermeld met betrekking tot de materiële</para>
      <para>werkingssfeer ten aanzien van de verzekeringstak ziekte. Aangezien</para>
      <para>in de meeste verdragen (ook in het Verdrag met Israël) in de</para>
      <para>opsomming van takken van verzekering de invaliditeitsverzekering als</para>
      <para>een aparte verzekeringstak is opgenomen, behoren de wetten die de</para>
      <para>uitkeringen regelen inzake langdurige arbeidsongeschiktheid niet tot</para>
      <para>de verzekeringstak ziekte. In beginsel komen de Ziektewet (ZW), de</para>
      <para>Ziekenfondswet (ZFW) en de AWBZ daarvoor in aanmerking. Alhoewel in</para>
      <para>geen enkel verdrag deze verzekeringswetten als zodanig worden</para>
      <para>genoemd, is het wel zeker dat indien tussen haakjes aan de term</para>
      <para>'ziekteverzekering' is toegevoegd: 'uitkeringen en verstrekkingen',</para>
      <para>het verdrag op al deze drie verzekeringswetten van toepassing moet</para>
      <para>worden geacht. Dit laatste is niet anders indien melding gemaakt</para>
      <para>wordt van de term 'prestaties'. Daarmee is tot uitdrukking gebracht</para>
      <para>dat zowel uitkeringen in geld als verstrekkingen in natura aan de</para>
      <para>orde zijn. Tussen haakjes wordt het jaartal van inwerkingtreding van</para>
      <para>het verdrag aangegeven.</para>
      <para>5.2. Overzicht van verdragen&amp;lt;(27) Hierbij heb ik mij gebaseerd op de verdragen die zijn opgenomen in de</para>
      <para>losbladige SVW-serie, deel 2  Verdragen, Band ???.</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>Turkije (1968)</para>
      <para>&amp;lt;--------------&amp;gt;</para>
      <para>prestaties bij ziekte en moederschap</para>
      <para>&amp;lt;----------------------&amp;gt;</para>
      <para>Zwitserland (1971)</para>
      <para>&amp;lt;--------------&amp;gt;</para>
      <para>---- &amp;lt;(28) Dit verdrag heeft ingevolge de materiële werkingssfeer geen betrekking op</para>
      <para>de verzekeringstak ziekte. Uit het begeleidend Slotprotocol blijkt dat voor</para>
      <para>Nederland de aanwijsregels van Titel III echter ook van toepassing zijn op</para>
      <para>de wettelijke regelingen inzake ziekteverzekering (zowel uitkeringen als</para>
      <para>verstrekkingen) waarbij de AWBZ (evenals de ZFW) met name wordt genoemd.</para>
      <para>&amp;lt;--------------&amp;gt;</para>
      <para>&amp;gt;Vo 1408/71 (1971)</para>
      <para>&amp;lt;--------------&amp;gt;</para>
      <para>prestaties bij ziekte en moederschap</para>
      <para>&amp;lt;----------------------&amp;gt;</para>
      <para>Marokko (1973)</para>
      <para>&amp;lt;--------------&amp;gt;</para>
      <para>de ziekteverzekering (uitkeringen en</para>
      <para>verstrekkingen)</para>
      <para>&amp;lt;----------------------&amp;gt;</para>
      <para>Spanje (1974)</para>
      <para>&amp;lt;--------------&amp;gt;</para>
      <para>prestaties bij ziekte en moederschap (met</para>
      <para>inbegrip van prestaties bij ongevallen en</para>
      <para>beroepsziekten)</para>
      <para>&amp;lt;----------------------&amp;gt;</para>
      <para>Oostenrijk (1975)</para>
      <para>&amp;lt;--------------&amp;gt;</para>
      <para>de ziekteverzekering&amp;lt;(29) Uit Titel III (Bijzondere bepalingen) blijkt dat bij ziekte en moederschap</para>
      <para>ook gedacht is aan verstrekkingen, zodat het verdrag ook van toepassing is</para>
      <para>op de ZFW en de AWBZ.</para>
      <para>&amp;lt;--------------&amp;gt;</para>
      <para>&amp;gt;Europees Verdrag (1977)</para>
      <para>(Raad van Europa)</para>
      <para>&amp;lt;--------------&amp;gt;</para>
      <para>prestaties bij ziekte en moederschap</para>
      <para>&amp;lt;----------------------&amp;gt;</para>
      <para>Tunesië (1979)</para>
      <para>&amp;lt;--------------&amp;gt;</para>
      <para>prestaties bij ziekte en moederschap</para>
      <para>&amp;lt;----------------------&amp;gt;</para>
      <para>Portugal (1981)</para>
      <para>&amp;lt;--------------&amp;gt;</para>
      <para>de ziekteverzekering (uitkeringen en</para>
      <para>verstrekkingen bij ziekte en moederschap)</para>
      <para>&amp;lt;----------------------&amp;gt;</para>
      <para>Zweden (1983)</para>
      <para>&amp;lt;--------------&amp;gt;</para>
      <para>de ziekteverzekering (uitkeringen en</para>
      <para>verstrekkingen bij ziekte en moederschap)</para>
      <para>&amp;lt;----------------------&amp;gt;</para>
      <para>Israël (1985)</para>
      <para>&amp;lt;--------------&amp;gt;</para>
      <para>de ziekteverzekering</para>
      <para>&amp;lt;----------------------&amp;gt;</para>
      <para>Rijnvarenden (1987)</para>
      <para>&amp;lt;--------------&amp;gt;</para>
      <para>prestaties bij ziekte en moederschap</para>
      <para>&amp;lt;----------------------&amp;gt;</para>
      <para>Kaapverdië (1988)</para>
      <para>&amp;lt;--------------&amp;gt;</para>
      <para>de ziekteverzekering (uitkeringen en</para>
      <para>verstrekkingen bij ziekte en moederschap)</para>
      <para>&amp;lt;----------------------&amp;gt;</para>
      <para>Canada (1990)</para>
      <para>&amp;lt;--------------&amp;gt;</para>
      <para>de ziekteverzekering (uitkeringen en</para>
      <para>verstrekkingen)</para>
      <para>&amp;lt;----------------------&amp;gt;</para>
      <para>VS (1990)</para>
      <para>&amp;lt;--------------&amp;gt;</para>
      <para>de ziekteverzekering (uitkeringen en</para>
      <para>verstrekkingen)</para>
      <para>&amp;lt;----------------------&amp;gt;</para>
      <para>Australië (1992)</para>
      <para>&amp;lt;--------------&amp;gt;</para>
      <para>voor de toepassing van art. 6</para>
      <para>(detachering) ook de ziekteverzekering&amp;lt;(30) In de toelichtende nota is te lezen dat de materiële werkingssfeer van de</para>
      <para>bepaling inzake detachering (art. 6) onder meer wordt uitgebreid met</para>
      <para>regelingen voor ziekte (uitkeringen in geld en in natura).</para>
      <para>&amp;lt;--------------&amp;gt;</para>
      <para>&amp;gt;Nieuw-Zeeland (1992)</para>
      <para>&amp;lt;--------------&amp;gt;</para>
      <para>voor de toepassing van art. 5</para>
      <para>(detachering) ook de ziekteverzekering&amp;lt;(31) In de toelichtende nota is te lezen dat de materiële werkingssfeer voor</para>
      <para>Nederland van de bepaling inzake detachering (art. 5) wordt uitgebreid met</para>
      <para>regelingen voor ziekte (uitkeringen in geld en in natura).</para>
      <para>&amp;lt;--------------&amp;gt;</para>
      <para>&amp;gt;Chili (1997)</para>
      <para>&amp;lt;--------------&amp;gt;</para>
      <para>de ziekteverzekering (uitkeringen en</para>
      <para>verstrekkingen)</para>
      <para>&amp;lt;----------------------&amp;gt;</para>
      <para>Noorwegen (1997)</para>
      <para>&amp;lt;--------------&amp;gt;</para>
      <para>prestaties bij ziekte en moederschap</para>
      <para>&amp;lt;----------------------&amp;gt;</para>
      <para>5.3. Aan een tot de stukken van het geding behorende notitie,</para>
      <para>behorend bij een brief d.d. 19 januari 1993 van het Hoofd Sociaal</para>
      <para>Verzekeringsrecht en Internationale Zaken van de Sociale</para>
      <para>Verzekeringsbank aan de Ziekenfondsraad&amp;lt;(32) Bijlage A bij het aanvullend beroepschrift voor de CRvB.</para>
      <para>&amp;gt; inzake het Verdrag ontleen</para>
      <para>ik het volgende;</para>
      <para>"Materiële werkingssfeer</para>
      <para>Wat het eerste punt betreft is de vraag gerezen of de AWBZ onder de</para>
      <para>materiële werkingssfeer van het verdrag valt. In artikel 2, lid 1,</para>
      <para>sub A, punt a NIV is ziekteverzekering opgenomen. Hieruit blijkt niet</para>
      <para>of hiermee naast ziekte-uitkeringen ook verstrekkingen zijn bedoeld.</para>
      <para>In de Toelichtende Nota is echter het volgende vermeld: "De materiële</para>
      <para>werkingssfeer van het verdrag omvat alle takken van sociale zekerheid</para>
      <para>met uitzondering van de verstrekkingen bij ziekte. Ten aanzien van</para>
      <para>deze tak van verzekering zijn geen bepalingen in het verdrag</para>
      <para>opgenomen omdat in Israël geen wettelijke ziektekostenverzekering</para>
      <para>bestaat." [Noot: TK 1983-1984, 18531, nr. 1, p. 2.]</para>
      <para>Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat de AWBZ niet onder het verdrag</para>
      <para>zou vallen.</para>
      <para>Ter vergelijking hebben wij de materiële werkingssfeer van de overige</para>
      <para>bilaterale verdragen onderzocht. Hierbij dient het volgende te worden</para>
      <para>opgemerkt. Naar wij begrepen hebben kan men slechts een recht op</para>
      <para>verstrekkingen aan het verdrag ontlenen wanneer er aparte bepalingen</para>
      <para>hierover in het verdrag zijn opgenomen. Wanneer deze bepalingen</para>
      <para>ontbreken bestaat er géén recht op verstrekkingen op grond van het</para>
      <para>verdrag ook al valt het recht op verstrekkingen onder de materiële</para>
      <para>werkingssfeer van het verdrag.[Noot: Wel bestaan er nationale regelingen</para>
      <para>waardoor er in enkele gevallen recht op verstrekkingen of vergoedingen</para>
      <para>bestaat.]</para>
      <para>De bepalingen over de materiële werkingssfeer in overige verdragen</para>
      <para>geven het volgende beeld.</para>
      <para>In de overeenkomsten met Nieuw-Zeeland, Oostenrijk en Australië is de</para>
      <para>term ziekteverzekering zonder nadere specificatie opgenomen. Bij de</para>
      <para>Overeenkomst met Nieuw-Zeeland is in de Toelichtende Nota vermeld dat</para>
      <para>dit uitkeringen in geld en in natura behelst [Noot: De materiële</para>
      <para>werkingssfeer van de Overeenkomst met Nieuw-Zeeland is beperkt tot de algemene</para>
      <para>ouderdomsverzekering, de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de algemene</para>
      <para>nabestaandenverzekering. Voor toepassing van de detacheringsbepaling wordt dit</para>
      <para>echter uitgebreid met de ziekteverzekering, de werkloosheidsverzekering en</para>
      <para>kinderbijslagen. Over deze ziekteverzekering meldt de Toelichtende Nota dat</para>
      <para>het uitkeringen in geld en in natura betreft (TK 1990-1991, 22214, nr. 315 en</para>
      <para>nr. 1, p3)]. Uit de Overeenkomst met Oostenrijk blijkt uit bepalingen</para>
      <para>over verstrekkingen dat ziekteverzekering ook verstrekkingen omvat.</para>
      <para>In relatie met Australië is het recht op verstrekkingen in een apart</para>
      <para>verdrag geregeld. [Noot: De materiële werkingssfeer van de overeenkomst met</para>
      <para>Australië omvat voor wat Nederland betreft alleen de algemene</para>
      <para>ouderdomsverzekering (art. 2, lid 1, sub b, onder i NAO). Voor de toepassing</para>
      <para>van de detacheringsbepaling zijn wel een aantal takken opgenomen, waaronder de</para>
      <para>ziekteverzekering (art. 2, lid 1, sub b, onder ii NAO).]</para>
      <para>In sommige verdragen wordt achter de term ziekteverzekering tussen</para>
      <para>haakjes vermeld: uitkeringen en verstrekkingen [Noot: In het verdrag met</para>
      <para>Canada, Kaap-Verdië, Marokko, Noorwegen, de Verenigden Staten en Zweden. In de</para>
      <para>bepaling over de materiele werkingssfeer van de Overeenkomst met Zwitserland</para>
      <para>is de tak ziekteverzekeringen niet opgenomen. In het Slotprotocol bij de</para>
      <para>overeenkomst is echter vermeld dat de bepalingen van titel III (aanwijsregels)</para>
      <para>ook van toepassing zijn op Nederlandse ziekteverzekering te weten Ziektewet</para>
      <para>(uitkeringen), Ziekenfondswet (verstrekkingen) en AWBZ (verstrekkingen bij</para>
      <para>zware risico's).] en in andere verdragen wordt de term prestaties bij</para>
      <para>ziekte gebruikt, waarbij uit het verdrag zelf blijkt dat het gaat om</para>
      <para>uitkeringen en verstrekkingen. [Noot: Verdrag met Joegoslavië, Tunesië en</para>
      <para>Turkije.]</para>
      <para>In geen enkel ander verdrag wordt de AWBZ, apart van andere</para>
      <para>ziekteverzekering, van de materiële werkingssfeer uitgezonderd. [Noot:</para>
      <para>In de overeenkomsten met Nieuw-Zeeland en Zwitserland en het verdrag met</para>
      <para>Australië valt de AWBZ slechts voor een aantal bepalingen onder de materiële</para>
      <para>werkingssfeer, dit geldt dan echter voor alle ziekteverzekeringen inclusief de</para>
      <para>uitkeringen. De AWBZ is dus nooit apart van de andere ziekteverzekering</para>
      <para>uitgesloten]</para>
      <para>Een aantal van de bovengenoemde verdragen bevat geen aparte</para>
      <para>bepalingen over het recht op verstrekkingen, hoewel deze tak</para>
      <para>uitdrukkelijk vermeld is bij de bepaling over de materiële</para>
      <para>werkingssfeer. [Noot: Het Nederlands-Amerikaans Verdrag, het Nederlands-</para>
      <para>Canadese Verdrag, de Nederlands-Nieuwe Zeelandse Overeenkomst en de</para>
      <para>Nederlands-Zwitserse Overeenkomst] Dit betekent dat geen recht op</para>
      <para>verstrekkingen bestaat op grond van deze verdragen.</para>
      <para>Tegen deze achtergrond is het zeer de vraag of in de Toelichtende</para>
      <para>Nota bij het verdrag met Israël niet dit laatste is bedoeld, namelijk</para>
      <para>dat er op grond van het verdrag geen recht op verstrekkingen bestaat.</para>
      <para>Was het de bedoeling van verdragspartijen geweest om in afwijking van</para>
      <para>alle andere verdragen de AWBZ van de materiële werkingssfeer uit te</para>
      <para>sluiten, dan had het in de rede gelegen om dit duidelijk in het</para>
      <para>verdrag zelf aan te geven en niet in de Toelichtende Nota.</para>
      <para>Tegen de achtergrond van de andere bilaterale verdragen concluderen</para>
      <para>wij dan ook dat de AWBZ onder de materiële werkingssfeer van het</para>
      <para>verdrag valt en dat de Toelichtende Nota zo moet worden gelezen dat</para>
      <para>bedoeld wordt dat op grond van het verdrag geen recht op</para>
      <para>verstrekkingen bestaat."</para>
      <para>6. Tussenbalans</para>
      <para>6.1. Zou louter KB 164 van toepassing zijn en niet het Verdrag, dan</para>
      <para>konden belanghebbenden uit hoofde van hun AOW-uitkering langs de weg</para>
      <para>van art. 34 van het Besluit zorgaanspraken bijzondere</para>
      <para>ziektekostenverzekering (zie § 2.6 hiervoor) aanspraak maken op</para>
      <para>AWBZ-verstrekkingen. De vraag is dus of het Verdrag daaraan afdoet.</para>
      <para>6.2. Uniek in het Verdrag is de personele werkingssfeer. Vooreerst</para>
      <para>bevat het Verdrag niet een algemene bepaling inzake de (beperking</para>
      <para>van de) personele werkingssfeer. En voorts behelst art. 6 het</para>
      <para>woonplaatsbeginsel zodat het ook ziet op post-actieven zoals</para>
      <para>belanghebbenden. Geen enkel ander verdrag kent zo'n ruime personele</para>
      <para>werkingssfeer.</para>
      <para>6.3. Alle verdragen zien - hoe dan ook - op de tak</para>
      <para>ziekteverzekering. Vrijwel steeds is - hoe dan ook - wel duidelijk</para>
      <para>dat daaronder niet alleen uitkeringen maar ook verstrekkingen moeten</para>
      <para>worden begrepen. Het Verdrag met Israël vormt daarop een</para>
      <para>uitzondering in die zin dat daarin elke nadere aanduiding of</para>
      <para>specificatie dienaangaande ontbreekt. Moet daarom worden aangenomen</para>
      <para>dat de verstrekkingen niet onder de materiële werkingssfeer van het</para>
      <para>Verdrag vallen? Mijn antwoord luidt ontkennend. Met evenveel - zo</para>
      <para>niet meer - recht kan immers worden gezegd dat er geen enkele reden</para>
      <para>is om aan te nemen dat inzake het begrip ziekteverzekering voor het</para>
      <para>Verdrag met Israël iets anders geldt dan voor de andere verdragen.</para>
      <para>Met Van Dale, Groot Woordenboek der Nederlandse Taal, zou ik zeggen</para>
      <para>dat onder 'ziekteverzekering' moet worden verstaan "verzekering</para>
      <para>tegen de kosten van ziekte, dan wel voor het ontvangen van</para>
      <para>ziekengeld en van geneeskundige verzorging"; kortom: uitkeringen</para>
      <para>verstrekkingen.</para>
      <para>6.4. Maar dan is daar de toelichtende nota op het Verdrag, die toch</para>
      <para>als een min of meer authentieke interpretatie ervan kan gelden. Die</para>
      <para>interpretatie is weliswaar afkomstig van één van beide</para>
      <para>contractspartijen - wat de ander ervan vindt, weten wij niet - maar</para>
      <para>het gaat hier wel om een uitleg die de basis is geweest voor de</para>
      <para>parlementaire goedkeuring van het Verdrag. Bovendien heeft de nota</para>
      <para>ten doel de abstracte omschrijvingen in het Verdrag te</para>
      <para>concretiseren. Aan de nota moet dus veel gewicht worden toegekend.</para>
      <para>In de nota staat: "De materiële werkingssfeer van het verdrag omvat</para>
      <para>alle takken van sociale zekerheid met uitzondering van de</para>
      <para>verstrekkingen bij ziekte". Mijn eerste neiging was het citaat</para>
      <para>verstaan dat de AWBZ niet onder de materiële werkingssfeer van het</para>
      <para>Verdrag valt. Bij nader inzien echter, mede gelet op hetgeen ik in §</para>
      <para>6.3 betoogde, kies ik ervoor aan het citaat een beperkte betekenis</para>
      <para>toe te kennen, aldus dat onder het begrip ziekteverzekering wel de</para>
      <para>AWBZ valt, maar dat het Verdrag geen recht geeft op AWBZ-</para>
      <para>verstrekkingen. Ik onderschrijf dus de visie van de SVB neergelegd</para>
      <para>in de in § 5.3 aangehaalde notitie; de daarin gegeven redenering</para>
      <para>acht ik overtuigend.</para>
      <para>6.5. Dat betekent dus dat de AWBZ naar mijn oordeel onder de</para>
      <para>materiële werkingssfeer van het Verdrag valt. Steun daarvoor vind ik</para>
      <para>ook nog in de omstandigheid dat een andere opvatting meebrengt dat</para>
      <para>in Israël gedetacheerde werknemers van een Nederlandse werkgever</para>
      <para>geen aanspraak hebben op AWBZ-verstrekkingen en dat kan niet de</para>
      <para>bedoeling zijn. Immers, onder 'wetgeving' als bedoeld in art. 7, lid</para>
      <para>1, van het Verdrag (het detacheringsartikel) moet volgens art. 1,</para>
      <para>lid 1, aanhef en ten 3e, van het Verdrag (het definitie-artikel)</para>
      <para>worden verstaan "de van kracht zijnde wetten, regelingen</para>
      <para>administratieve bepalingen die betrekking hebben op de in artikel 2</para>
      <para>bedoelde takken en stelsels van sociale zekerheid", zodat - ingeval</para>
      <para>onder 'ziekteverzekering' in art. 2 niet ook de AWBZ zou zijn</para>
      <para>begrepen - evenbedoelde gedetacheerde werknemers buiten de AWBZ-</para>
      <para>prijzen zouden vallen. Van gedetacheerde werknemers zegt de</para>
      <para>toelichtende nota op blz. 3 dan ook: "Gedurende twee jaar blijven</para>
      <para>deze gedetacheerde werknemers vallen onder de sociale</para>
      <para>zekerheidswetgeving van eerstbedoeld (dat is het uitzendende, jwi)</para>
      <para>land". Die werknemers hebben dus aanspraak op het gehele pakket,</para>
      <para>inclusief de AWBZ-verstrekkingen, en dat zou dunkt mij niet zo zijn</para>
      <para>als die verstrekkingen niet onder de materiële werkingssfeer van het</para>
      <para>Verdrag zouden vallen.</para>
      <para>6.6. Voor de volledigheid wil ik nog opmerken dat ook bij een andere</para>
      <para>benadering de in</para>
      <para>§ 6.5. bedoelde situatie kan worden bereikt, waarin in Israël</para>
      <para>gedetacheerden ook aanspraak hebben op AWBZ-verstrekkingen.</para>
      <para>Uitgaande van de opvatting dat de AWBZ niet valt onder de materiële</para>
      <para>werkingssfeer van het Verdrag, zou in navolging van het Verdrag met</para>
      <para>Zwitserland kunnen worden aangenomen dat de aanwijsregels wel</para>
      <para>betrekking hebben op de AWBZ. &amp;lt;(33) Waarschijnlijk is dit de opvatting van Kavelaars (zie: t.a.p., § 4.4.3.2.).</para>
      <para>Hij stelt daar dat de AWBZ alleen voor zover het de toewijzing van de</para>
      <para>verzekeringsplicht betreft valt onder de materiele werkingssfeer van het</para>
      <para>Verdrag met Israël. Voor het Verdrag met Zwitserland geldt volgens Kavelaars</para>
      <para>hetzelfde. Zie ook: de losbladige SVW-serie, deel 2 ISV, Band ???, Verdrag</para>
      <para>met Israël, art. 2, noot 2.</para>
      <para>&amp;gt;  Mijn bezwaar tegen deze benadering</para>
      <para>is dat hiervoor in het Verdrag of enig ander geschrift geen enkele</para>
      <para>aanwijzing is gegeven terwijl aldus geen recht wordt gedaan aan de</para>
      <para>letterlijke tekst van het Verdrag.</para>
      <para>7. Exclusieve werking</para>
      <para>7.1. Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat het Verdrag wel</para>
      <para>betrekking heeft op de AWBZ en dat voor de vraag of belanghebbenden</para>
      <para>verzekerd zijn ingevolge de AWBZ betekenis moet worden toegekend aan</para>
      <para>het bepaalde in art. 6 van het Verdrag, dat voor zover hier van</para>
      <para>belang inhoudt dat op hen van toepassing is de wetgeving van het</para>
      <para>land waar zij woonachtig zijn, en dat is Israël.</para>
      <para>7.2. Heeft art. 6 van het Verdrag exclusieve werking? Het antwoord</para>
      <para>op die vraag moet in het Verdrag zelf zijn te vinden, aldus dat wil</para>
      <para>een Verdrag exclusieve werking hebben, zulks uit de verdragstekst</para>
      <para>moet blijken&amp;lt;(34) Zie HR 25 juni 1986, nr. 186, RSV 1987/26, inzake het verdrag met</para>
      <para>Joegoslavië.</para>
      <para>&amp;gt;. Welnu, in het Verdrag met Israël is in de tekst niet</para>
      <para>aangegeven dat exclusieve werking is beoogd en dus moet worden</para>
      <para>aangenomen dat dit Verdrag die werking ontbeert. Om vast te stellen</para>
      <para>of belanghebbenden niettemin inzake de AWBZ verzekerd zijn, zijn</para>
      <para>derhalve alleen de nationale bepalingen van belang, dat wil zeggen</para>
      <para>de art. 8 en 36 van KB 164.</para>
      <para>7.3. Op grond van art. 8 van KB 164 worden belanghebbenden, evenals</para>
      <para>andere niet-ingezetenen met een AOW-uitkering van voldoende omvang,</para>
      <para>in beginsel aangemerkt als verzekerden voor alle volksverzekeringen</para>
      <para>in Nederland. Vervolgens is de vraag aan de orde of het bepaalde in</para>
      <para>art. 36 van KB 164 meebrengt dat men toch niet is verzekerd vanwege</para>
      <para>het feit dat het Verdrag in art. 6 te dezen de wetgeving van Israël</para>
      <para>aanwijst.</para>
      <para>7.4. Met het bepaalde in art. 36 is beoogd te bewerkstelligen dat</para>
      <para>ingezetenen in afwijking van andere bepalingen daaromtrent toch niet</para>
      <para>als verzekerden voor de volksverzekeringen worden aangemerkt indien</para>
      <para>op grond van een verdrag de wetgeving van de andere staat is</para>
      <para>aangewezen en vanwege het ontbreken van exclusieve werking van dat</para>
      <para>verdrag de nationale bepalingen toch van betekenis zijn. Art. 36 is</para>
      <para>ook van toepassing op niet-ingezetenen. Uit de toelichting blijkt</para>
      <para>dat de besluitgever daarbij het oog had op personen die in verband</para>
      <para>met het verrichten van arbeid in dienstbetrekking in Nederland</para>
      <para>verzekerd waren en op personen die op grond van het besluit</para>
      <para>verzekerd zijn. Naar mijn mening kan de Nederlandse wetgever</para>
      <para>eenzijdig beslissen dat op deze wijze alsnog de situatie wordt</para>
      <para>bereikt dat een verdrag exclusieve werking verkrijgt. Derhalve moet</para>
      <para>de slotsom zijn dat belanghebbenden niet zijn verzekerd voor de</para>
      <para>AWBZ.</para>
      <para>8. Het middel</para>
      <para>8.1. Het middel valt uiteen in twee onderdelen. Het eerste onderdeel</para>
      <para>is gericht tegen het oordeel van de CRvB dat - kort gezegd - de AWBZ</para>
      <para>niet onder de materiële werkingssfeer van het Verdrag valt. Dit</para>
      <para>onderdeel wordt, gelet op hetgeen ik in § 6 betoogde, terecht</para>
      <para>voorgesteld.</para>
      <para>8.2.Het tweede onderdeel van het middel gaat uit van de opvatting</para>
      <para>dat art. 36 van KB 164 meebrengt dat buiten Nederland wonende</para>
      <para>personen op wie het stelsel van sociale verzekering van hun woonland</para>
      <para>van toepassing is, niet verzekerd zijn voor de volksverzekeringen in</para>
      <para>Nederland. Deze opvatting is, gelet op hetgeen ik in § 7 betoogde,</para>
      <para>juist zodat ook dit onderdeel terecht wordt voorgesteld.</para>
      <para>8.3. Dat betekent dat het besluit van ZAO om belanghebbenden niet</para>
      <para>als AWBZ-verzekerden in te schrijven juist is. Mitsdien moet, na</para>
      <para>vernietiging van de uitspraak van de CRvB en van de beide uitspraken</para>
      <para>van de rechtbank, in beide gevallen het beroep (in eerste aanleg)</para>
      <para>tegen het besluit van ZAO ongegrond worden verklaard. Het komt mij</para>
      <para>voor dat Uw Raad dat zelf kan doen, zodat een terugwijzing naar de</para>
      <para>CRvB niet nodig is.</para>
      <para>9. Conclusie</para>
      <para>Het cassatiemiddel gegrond bevindend, concludeer ik tot vernietiging</para>
      <para>van de uitspraak van de CRvB, alsmede van de beide uitspraken van de</para>
      <para>rechtbank en in beide gevallen tot ongegrondverklaring van het</para>
      <para>beroep in eerste aanleg.</para>
      <para>De Procureur-Generaal bij</para>
      <para>de Hoge Raad der</para>
      <para>Nederlanden</para>
      <para>A-G</para>
    </parablock>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>