<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1999:AA2920</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T18:02:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA2920</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1999-11-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">34829</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1999:AA2920" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1999:AA2920</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002740&amp;artikel=2&amp;g=1999-11-03">Wet op belastingen van rechtsverkeer 2</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>PW 2000, 21150</rdf:li>
          <rdf:li>BNB 2000/23 met annotatie van J.W. Zwemmer</rdf:li>
          <rdf:li>FED 1999/678</rdf:li>
          <rdf:li>WFR 1999/1544, 1</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 1999/53.19</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA2920">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA2920</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:47:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1999:AA2920 Parket bij de Hoge Raad , 03-11-1999 / 34829</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA2920:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA2920:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Nr.  34.829                    Mr Moltmaker</para>
      <para>Derde Kamer B                  Conclusie inzake:</para>
      <para>Overdrachtsbelasting 1995      DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN</para>
      <para>tegen</para>
      <para>Parket, 25 mei 1999            X</para>
      <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
      <para>1 Feiten en geschil</para>
      <para>1.1 Bij notariële akte van 1 september 1995 (hierna: de akte) hebben</para>
      <para>belanghebbende en zijn echtgenote (in de akte als koper aangeduid),</para>
      <para>gekocht van de vader van belanghebbendes echtgenote (hierna: de</para>
      <para>verkoper) een woning met garage, tuin en verder toebehoren (hierna:</para>
      <para>de woning).</para>
      <para>1. In de akte staat vermeld (voor zover van belang):</para>
      <para>"GEEN LEVERING</para>
      <para>Deze akte is geen akte van levering die de overdracht van het</para>
      <para>verkochte kan bewerkstelligen.</para>
      <para>BEZITSVERSCHAFFING/RISICO</para>
      <para>Het verkochte behoort met ingang van het tijdstip van</para>
      <para>ondertekening van deze akte in economische zin aan koper als</para>
      <para>bezitter toe, zodat vanaf dat moment bij hem het belang bij het</para>
      <para>verkochte berust, de baten de koper ten goede komen en de lasten</para>
      <para>voor zijn rekening zijn. Vanaf gemeld tijdstip komen met name</para>
      <para>ook voordelen of nadelen, voortvloeiende uit vervreemding van</para>
      <para>het verkochte aan derden, te zijnen bate en te zijnen laste. Het</para>
      <para>risico van het tenietgaan van het verkochte blijft bij verkoper.</para>
      <para>Verkoper is in verband met het bovenstaande verplicht de in</para>
      <para>artikel 174 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde</para>
      <para>aansprakelijkheid van de bezitter van een opstal te verzekeren</para>
      <para>en verzekerd te houden bij een solide verzekeringsmaatschappij.</para>
      <para>(?)</para>
      <para>OMZETBELASTING/OVERDRACHTSBELASTING/KOSTEN AKTE</para>
      <para>Ter zake van deze aflevering is (?) geen overdrachtsbelasting</para>
      <para>verschuldigd, aangezien het risico van het verkochte bij</para>
      <para>verkoper blijft.</para>
      <para>(?)</para>
      <para>&amp;lt;</para>
      <para>?</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>BEPALINGEN TER ZAKE VAN DE TOEKOMSTIGE LEVERING EN OVERDRACHT</para>
      <para>a. De voor overdracht van het verkochte vereiste levering zal</para>
      <para>plaatsvinden op eerste verzoek van koper (?).</para>
      <para>b. (?) Bij de levering zal het risico overgaan op koper."</para>
      <para>1.3 Belanghebbende meent dat de overdracht van het risico van tenietgaan</para>
      <para>in de definitie van economische eigendom in de overdrachtsbelasting</para>
      <para>een zelfstandige eis is naast de overdracht van het risico van</para>
      <para>waardeverandering. Doordat in de akte is bepaald dat dit risico niet</para>
      <para>overgaat op de koper, is niet voldaan aan de vereisten voor de</para>
      <para>verkrijging van de economische eigendom zodat heffing van</para>
      <para>overdrachtsbelasting niet aan de orde is.</para>
      <para>1.4 De Inspecteur heeft naheffingsaanslagen aan belanghebbende en zijn</para>
      <para>echtgenote opgelegd, ieder voor een bedrag van ½ x 6% van ƒ 175.000</para>
      <para>of ƒ 5.250. Nadat zijn bezwaarschrift door de Inspecteur was</para>
      <para>afgewezen, heeft belanghebbende beroep ingesteld bij het Gerechtshof</para>
      <para>te 's-Hertogenbosch (hierna: het Hof). Het Hof&amp;lt;(1) V-N 1998.41.3.1 en V-N 1998.55.1.2.</para>
      <para>&amp;gt; heeft belanghebbende</para>
      <para>in het gelijk gesteld, daarbij overwegend</para>
      <para>- dat de Inspecteur uitdrukkelijk heeft verklaard dat de</para>
      <para>risicoclausule niet een schijnclausule is;</para>
      <para>- dat het risico van tenietgaan op de koper overgaat bij de</para>
      <para>(juridische) levering;</para>
      <para>- dat uit de akte niet de conclusie kan worden getrokken dat</para>
      <para>belanghebbende door overdracht enig rechtstreeks gelopen risico</para>
      <para>van tenietgaan van de woning heeft verkregen;</para>
      <para>- dat niet valt in te zien dat door het ontbreken van een</para>
      <para>gedetailleerde regeling voor het geval de woning inderdaad door</para>
      <para>een calamiteit zal worden getroffen enig risico van tenietgaan van</para>
      <para>de woning bij belanghebbende is komen te liggen.</para>
      <para>1.5 De staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in</para>
      <para>cassatie ingesteld onder aanvoering van een cassatiemiddel. Volgens</para>
      <para>dit middel heeft het Hof een onjuiste uitleg gegeven van het begrip</para>
      <para>economische eigendom als bedoeld in art. 2, tweede lid, WBR.</para>
      <para>1.6 Namens belanghebbende is een vertoogschrift in cassatie ingediend.</para>
      <para>1.7 Het cassatieberoep van belanghebbendes echtgenote is onder nr.</para>
      <para>34 828 bij Uw Raad aanhangig. Die zaak betreft dezelfde</para>
      <para>problematiek. In voornoemde zaak zal ik niet afzonderlijk</para>
      <para>concluderen.</para>
      <para>2 De ontvankelijkheid van het cassatieberoep</para>
      <para>De uitspraak van het Hof is verzonden op 3 augustus 1998. Het op 14</para>
      <para>september 1998 gedateerde beroepschrift in cassatie van de</para>
      <para>staatssecretaris is bij het Hof ingekomen op 15 september 1998, dus</para>
      <para>één dag na het verstrijken van de termijn van zes weken. Omdat</para>
      <para>blijkens het poststempel op de in het dossier aanwezige enveloppe</para>
      <para>het beroepschrift aangetekend per post is verzonden op 14 september</para>
      <para>1998, is het ingevolge art. 6:9, tweede lid, Algemene wet</para>
      <para>bestuursrecht tijdig ingediend.</para>
      <para>3 Economische eigendom</para>
      <para>3.1 Wetsgeschiedenis</para>
      <para>3.1.1 In het oorspronkelijk wetsontwerp&amp;lt;(2) Tweede Kamer, vergaderjaar 1994-1995, 24 172, nr. 2.</para>
      <para>&amp;gt; was in art. 2, tweede lid, WBR als</para>
      <para>definitie van het begrip economische eigendom voorgesteld:</para>
      <para>"Onder economische eigendom wordt verstaan elk belang bij</para>
      <para>het eerste lid bedoelde onroerende zaken of rechten waaraan deze</para>
      <para>zijn onderworpen, dat als gevolg van een overeenkomst waarbij</para>
      <para>rechten en verplichtingen - waaronder het risico van</para>
      <para>waardeverandering en tenietgaan - worden overgedragen, toekomt</para>
      <para>aan een ander dan de eigenaar of beperkt gerechtigde."</para>
      <para>3.1.2 In zijn advies&amp;lt;(3) Advies Raad van State en Nader Rapport, stuk nr. A.</para>
      <para>&amp;gt; merkte de Raad van State onder punt 10 op:</para>
      <para>"... In ieder geval zal moeten worden gemotiveerd of het</para>
      <para>betrekken in de belastingheffing is gebaseerd op (feitelijke)</para>
      <para>beschikkingsmacht dan wel op (economisch) belang bij</para>
      <para>waardeveranderingen dan wel op samenloop van beide. ?"</para>
      <para>en onder punt 11:</para>
      <para>"In het voorgestelde artikel 2, tweede lid, van de Wet</para>
      <para>belastingen van rechtsverkeer is een omschrijving opgenomen van</para>
      <para>de economische eigendom. Deze omschrijving is, zoals uit de</para>
      <para>toelichting blijkt, uitdrukkelijk ruim geformuleerd. De Raad</para>
      <para>acht het in deze opzet ook met het oog op de rechtszekerheid</para>
      <para>echter noodzakelijk dat tenminste in de toelichting wordt</para>
      <para>aangegeven welke elementen in ieder geval in de overeenkomst</para>
      <para>moeten zijn neergelegd, wil sprake zijn van overdracht van</para>
      <para>economische eigendom. Tevens moet daarbij aandacht worden</para>
      <para>gegeven aan overeenkomsten, waarbij in beperkte mate het belang</para>
      <para>overgaat ..."</para>
      <para>Het antwoord van de staatssecretaris luidde:</para>
      <para>"Aan het advies van de Raad om in de toelichting aan te geven</para>
      <para>welke elementen in de definitie van de economische eigendom</para>
      <para>doorslaggevend zijn, is gehoor gegeven. Tevens is de toelichting</para>
      <para>op het begrip economische eigendom aangevuld, waarbij ook</para>
      <para>aandacht is gegeven aan overeenkomsten waarbij het belang in</para>
      <para>beperkte mate overgaat."</para>
      <para>3.1.3 De MvT zegt over de economische eigendom in het algemeen&amp;lt;(4) Stuk nr. 3, blz. 23.</para>
      <para>&amp;gt;:</para>
      <para>"De omschrijving van het begrip economische eigendom</para>
      <para>jurisprudentie en literatuur is geen constante. In de</para>
      <para>inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting, waar het veelal</para>
      <para>gaat om de vraag of afschrijvingen of investeringsaftrek ter</para>
      <para>zake van bedrijfsmiddelen kunnen plaatsvinden, is het criterium</para>
      <para>vaak of het risico van waardeverandering in positieve casu quo</para>
      <para>negatieve zin aan de belastingplichtige toekomt. In de</para>
      <para>omzetbelasting is de overdracht van de beschikkingsmacht het</para>
      <para>doorslaggevend criterium. Een eensluidende definitie is daarom</para>
      <para>moeilijk te geven, zoals ook in de literatuur over dit onderwerp</para>
      <para>wordt aangegeven, maar er bestaat een algemene overeenstemming</para>
      <para>over het volgende. Bij economische eigendom is er steeds sprake</para>
      <para>van een splitsing tussen macht (in de juridische betekenis) en</para>
      <para>belang (in de economische betekenis) bij het goed op grond van</para>
      <para>een overeenkomst tussen partijen. Rechten en verplichtingen ten</para>
      <para>aanzien van dat goed en het risico van waardeverandering in</para>
      <para>positieve en negatieve zin komen aan de ene partij (economisch</para>
      <para>eigenaar) toe, terwijl het goed niet zijn eigendom is of hem</para>
      <para>krachtens een zakelijk recht ter beschikking staat, omdat het</para>
      <para>niet geleverd is door de juridische eigenaar. De facto is hij</para>
      <para>genothebbende, de iure niet."</para>
      <para>3.1.4 De MvT zegt vervolgens op blz. 24&amp;lt;(5) In enigszins andere bewoordingen herhaald op blz. 34.</para>
      <para>&amp;gt;:</para>
      <para>"Er wordt een ruime definitie gegeven van de economische</para>
      <para>eigendom, teneinde te voorkomen dat - bij een te beperkte</para>
      <para>definitie - de kans wordt aangegrepen met een kleine afwijking</para>
      <para>daarvan alsnog aan de heffing van overdrachtsbelasting te</para>
      <para>ontkomen. Anderzijds is de definitie niet zo ruim dat elke</para>
      <para>overeenkomst met betrekking tot onroerende zaken eronder valt.</para>
      <para>Met het oog daarop zijn in de definitie de elementen ??risico</para>
      <para>van waardeverandering en tenietgaan?? opgenomen. Deze beide</para>
      <para>elementen vormen de essentie van de definitie. Indien aan een</para>
      <para>van beide criteria niet is voldaan, kan niet worden gesproken</para>
      <para>van economische eigendom. Daarom valt bij voorbeeld de</para>
      <para>rechtsfiguur van huur niet eronder. De huurder loopt immers niet</para>
      <para>het risico van waardeverandering. Evenmin is het sluiten van de</para>
      <para>zogenoemde voorlopige koopovereenkomst voldoende om de overgang</para>
      <para>van economische eigendom aan te nemen. De koper draagt immers</para>
      <para>niet het risico van tenietgaan. Ook is het niet de bedoeling dat</para>
      <para>koopopties eronder vallen. Het is immers bij het aangaan van die</para>
      <para>overeenkomst lang niet zeker dat deze optie zal worden</para>
      <para>uitgeoefend; het is echter niet onmogelijk dat onder</para>
      <para>omstandigheden, te weten indien de overeenkomst waarbij de optie</para>
      <para>wordt verleend in haar totaliteit wel alle elementen van de</para>
      <para>definitie bevat - bij voorbeeld het risico van tenietgaan en</para>
      <para>waardeverandering ligt gezien de voorwaarden van de overeenkomst</para>
      <para>in feite vanaf het sluiten van de overeenkomst bij de</para>
      <para>optiehouder - er wel sprake kan zijn van een economische-</para>
      <para>eigendomsoverdracht. De huurkoper wordt wel geacht economisch</para>
      <para>eigenaar te zijn."</para>
      <para>3.1.5 In de brief aan de Tweede Kamer d.d. 27 juni 1995&amp;lt;(6) Stuk nr. 7 (chronologisch voorafgaand aan het Verslag, stuk nr. 4, dat dateert van</para>
      <para>5 juli 1995).</para>
      <para>&amp;gt; zegt de</para>
      <para>staatssecretaris:</para>
      <para>"De definitie is met opzet ruim gekozen om constructies</para>
      <para>voorkomen waarmee men materieel hetzelfde bereikt, maar formeel</para>
      <para>buiten de economische eigendom blijft. Onder de voorgestelde</para>
      <para>definitie van economische eigendom valt zowel het begrip</para>
      <para>economische eigendom uit de omzetbelasting als dat uit de</para>
      <para>directe belastingen."</para>
      <para>3.1.6 Over de verkrijging van een gedeelte van de economische eigendom</para>
      <para>merkt de staatssecretaris op&amp;lt;(7) MvT blz. 35.</para>
      <para>&amp;gt;:</para>
      <para>"Wel zullen verkrijgingen van een gedeelte van de economische</para>
      <para>eigendom eronder vallen, zowel in de zin van een gedeelte</para>
      <para>(percentage) van de volledige economische eigendom als van de</para>
      <para>verkrijging van een zodanig samenstel van rechten en</para>
      <para>verplichtingen inclusief risico van tenietgaan en van</para>
      <para>waardeveranderingen - dat de volledige economische eigendom</para>
      <para>benadert. ? Het is voor de uitvoeringspraktijk niet mogelijk om</para>
      <para>daarmee zeer genuanceerd om te gaan; er is economische eigendom</para>
      <para>of niet. Op deze wijze wordt voorkomen dat men, door een kleine</para>
      <para>afwijking van de thans in jurisprudentie aangegeven criteria</para>
      <para>voor economische eigendom dan wel het niet aangaan van in de</para>
      <para>praktijk voorkomende accessoire rechtsverhoudingen zoals een</para>
      <para>onherroepelijke volmacht tot levering, ontkomt aan de heffing</para>
      <para>van overdrachtsbelasting. De definitie dekt tevens de situatie</para>
      <para>waarin men de macht heeft om als eigenaar over een goed te</para>
      <para>beschikken in de zin van de omzetbelasting."</para>
      <para>3.1.7 Op blz. 22 van de Nota naar aanleiding van het Verslag&amp;lt;(8) Stuk nr. 5.</para>
      <para>&amp;gt; zegt de</para>
      <para>staatssecretaris:</para>
      <para>"De definitie van economische eigendom is er ? op gericht het</para>
      <para>ontgaan van heffing zoveel mogelijk te voorkomen. Om die reden</para>
      <para>is nu juist gekozen voor een ruime definitie. ? Mocht ? in de</para>
      <para>toekomst blijken dat de creativiteit van de praktijk ? zodanig</para>
      <para>is dat er nog mogelijkheden voor constructies bestaan, dan zal</para>
      <para>daarop snel en adequaat worden gereageerd."</para>
      <para>en op blz. 25:</para>
      <para>"Bij de definiëring van het begrip economische eigendom</para>
      <para>goed mogelijk aangesloten bij het begrip economische eigendom,</para>
      <para>zoals dat zich in de jurisprudentie voor de inkomsten- en</para>
      <para>vennootschapsbelasting heeft gevormd. Hierbij ben ik van oordeel</para>
      <para>dat indien de macht om als eigenaar over een zaak te beschikken</para>
      <para>is overgegaan, daarmee in ieder geval de economische eigendom</para>
      <para>van die zaak is overgegaan."</para>
      <para>Op blz. 26 bespreekt hij HR 17 april 1991, BNB 1991/181 betreffende</para>
      <para>een geval van huurkoop, waarbij wel het belang was overgedragen,</para>
      <para>maar - naar het hof had vastgesteld - de huurverkoper het risico van</para>
      <para>tenietgaan bleef dragen. De staatssecretaris merkt op:</para>
      <para>"Ik ... ben tot de conclusie gekomen dat het in het berechte</para>
      <para>geval toch wel twijfelachtig is of het risico van tenietgaan</para>
      <para>niet is overgegaan op de huurkoper. In verband met dat risico</para>
      <para>was namelijk tevens vastgelegd dat de huurverkoper de onroerende</para>
      <para>zaak moest verzekeren, dat de koper de verzekeringspremie moest</para>
      <para>vergoeden, dat eventuele uitkeringen in overleg met de huurkoper</para>
      <para>moesten worden aangewend voor herstel en dat eventuele</para>
      <para>overschotten aan de huurkoper moesten worden uitgekeerd. Maar</para>
      <para>ook afgezien daarvan acht ik het wenselijk dat huurkoop in alle</para>
      <para>gevallen onder economische eigendom wordt gerangschikt."</para>
      <para>Op blz. 27 geeft hij nogmaals aan, dat de definitie van economische</para>
      <para>eigendom niet vereist dat het risico van waardeverandering volledig</para>
      <para>voor rekening van de economisch eigenaar komt, enig risico is</para>
      <para>voldoende. Over een casus waarbij het risico van tenietgaan bij de</para>
      <para>verhuurder blijft en de huurder het recht heeft om het pand na 10</para>
      <para>jaar te kopen, merkt hij op dat een dergelijke situatie kenmerken</para>
      <para>kan vertonen van een lease-contract waarbij sprake zou kunnen zijn</para>
      <para>van overgang van economische eigendom. Dergelijke situaties dienen</para>
      <para>per geval te worden beoordeeld. De overdracht van de economische</para>
      <para>eigendom van een werkkamer aan een BV (zie Hof Amsterdam 11 januari</para>
      <para>1995, V-N 1995 blz. 1462) valt onder de werking van de</para>
      <para>overdrachtsbelasting.</para>
      <para>3.1.8 Bij Nota van Wijziging&amp;lt;(9) Stuk nr. 6.</para>
      <para>&amp;gt; wordt de definitie van economische eigendom</para>
      <para>voorgesteld zoals deze thans is opgenomen in art. 2, tweede lid,</para>
      <para>WBR:</para>
      <para>"Onder economische eigendom wordt verstaan een samenstel van</para>
      <para>rechten en verplichtingen met betrekking tot de in het eerste</para>
      <para>lid bedoelde onroerende zaken of rechten waaraan deze zijn</para>
      <para>onderworpen, dat een belang bij die zaken of rechten</para>
      <para>vertegenwoordigt. Het belang omvat ten miste enig risico van</para>
      <para>waardeverandering en tenietgaan en komt toe aan een ander dan de</para>
      <para>eigenaar of beperkt gerechtigde."</para>
      <para>Op blz. 3 van de Toelichting op deze NvW zegt de staatssecretaris,</para>
      <para>dat daarmee geen inhoudelijke wijziging is beoogd.</para>
      <para>3.1.9 Tijdens de mondelinge behandeling in de Tweede Kamer betoogde de</para>
      <para>heer Van Rey het volgende&amp;lt;(10) Tweede Kamer 12 september 1995, blz. 101-6164 rk.</para>
      <para>&amp;gt;:</para>
      <para>"De definitie van de economische eigendom verdient geen</para>
      <para>schoonheidsprijs. Bijna iedereen heeft dat reeds gezegd. Zoals</para>
      <para>de staatssecretaris in de memorie van toelichting reeds aangaf,</para>
      <para>geeft de definiëring van het begrip veel moeilijkheden. Het</para>
      <para>probleem is dat het begrip economisch eigendom nu eenmaal geen</para>
      <para>vastomlijnde inhoud heeft en dat elke definitie haar eigen</para>
      <para>ontgaansmogelijkheden creëert. De basisidee van de definitie is</para>
      <para>gestoeld op twee elementen, namelijk het risico van</para>
      <para>waardeverandering en van teniet gaan. Volgens mijn fractie is</para>
      <para>deze definitie zeker niet sluitend. Het risico van teniet gaan</para>
      <para>bijvoorbeeld pleegt te worden verzekerd. Het is nu geen kunst om</para>
      <para>contrac-tueel overeen te komen, dat de verkoper dat doet.</para>
      <para>Kortom, het is duidelijk dat dit een bron van moeilijkheden kan</para>
      <para>gaan worden. De definitie van economisch eigendom is zodanig dat</para>
      <para>zij gemakkelijk valt te omzeilen."</para>
      <para>3.1.10 De staatssecretaris beantwoordde dit betoog als volgt&amp;lt;(11) Tweede Kamer 12 september 1995, blz. 101-6174 mk.</para>
      <para>&amp;gt;:</para>
      <para>"Wij hebben niet naar een schoonheidsprijs gestreefd als het</para>
      <para>gaat om het definiëren, het inhoud geven aan het begrip</para>
      <para>"economisch eigendom", maar wij hebben gepoogd om de definitie</para>
      <para>zodanig op te zetten dat er geen ruimte meer is voor</para>
      <para>constructies. Ik kan natuurlijk niet tegenspreken dat het geen</para>
      <para>schoonheidsprijs verdient, maar wij hebben wel geprobeerd - dat</para>
      <para>kan men ook zien - om het zodanig op te zetten dat zoveel</para>
      <para>mogelijk waarborgen worden gecreëerd die voorkomen dat men er</para>
      <para>als het ware weer omheen gaat. Dat is een kwestie van tasten,</para>
      <para>afwegen en herformuleren en dat dat dan geen schoonheidsprijs</para>
      <para>verdient, is inherent aan de poging om alle nieuwe, creatieve</para>
      <para>vondsten op dat terrein te voorkomen. Het is uitdrukkelijk ruim</para>
      <para>opgezet, juist om die constructies te voorkomen."</para>
      <para>3.2 Het risico van tenietgaan</para>
      <para>3.2.1 In § 6.1.2.3 slot van Belastingen van rechtsverkeer&amp;lt;(12) Fiscale Monografieën nr. 25, 6e druk, 1997, blz. 9.</para>
      <para>&amp;gt; vermeldde ik de</para>
      <para>in punt 3.1.9 hiervóór geciteerde opmerkingen van Van Rey onder de</para>
      <para>toevoeging, dat de staatssecretaris hierop niet gereageerd heeft.</para>
      <para>Deze toevoeging behoeft in zoverre verduidelijking, dat de</para>
      <para>staatssecretaris weliswaar in algemene zin op de bedoelde</para>
      <para>opmerkingen heeft gereageerd (zie punt 3.1.10), maar juist niet op</para>
      <para>het specifieke door van Rey genoemde geval, dat partijen</para>
      <para>contractueel overeenkomen dat de verkoper het goed verzekert (m.a.w.</para>
      <para>het risico van tenietgaan loopt). De laatste volzin van het citaat</para>
      <para>in punt 3.1.10 kan naar het mij voorkomt toch bezwaarlijk als een</para>
      <para>adequate reactie worden beschouwd.</para>
      <para>3.2.2 In mijn artikel in WFR 1995/6157 betreffende de reparatiewetgeving</para>
      <para>op het gebied van de overdrachtsbelasting en de omzetbelasting</para>
      <para>merkte ik in noot 1 op blz. 926 op, dat het vereiste dat het belang</para>
      <para>van de economisch eigenaar ten minste enig risico van het teniet</para>
      <para>gaan loopt ook zou kunnen worden gezien als een afgeleide van het</para>
      <para>vereiste dat het belang enig risico van waardeverandering omvat. Ik</para>
      <para>verwees daarbij naar mijn omschrijving van het begrip economische</para>
      <para>eigendom in punt 4.1 van mijn conclusie voor HR 24 juni 1992, NJ</para>
      <para>1993, 548 m.nt. MB (Ogenia/'s-Gravenhage). Ik noemde daar als</para>
      <para>minimum-vereisten voor economische eigendom dat de economisch</para>
      <para>eigenaar recht heeft op de (eventueel: netto-)reve-nuen van het goed</para>
      <para>en dat hij het voor- of nadeel draagt van de waardeveranderingen van</para>
      <para>het goed. Onder dat begrip waardeverandering zou dan mede kunnen</para>
      <para>worden begrepen het tenietgaan, dat zou kunnen worden beschouwd als</para>
      <para>een waardeverandering in de meest extreme vorm, zij het dat deze</para>
      <para>waardeverandering een fysieke oorzaak heeft (maar dat geldt ook voor</para>
      <para>een waardedaling door slecht onderhoud enz.).</para>
      <para>3.2.3 Het vorenstaande neemt niet weg, dat in de formulering van de wet</para>
      <para>het risico van waardeverandering en het risico van tenietgaan naast</para>
      <para>elkaar worden genoemd en in de MvT uitdrukkelijk is gezegd, dat</para>
      <para>beide elementen essentieel zijn voor het begrip economische eigendom</para>
      <para>en dat aan beide moet zijn voldaan (zie punt 3.1.4 hiervóór), zij</para>
      <para>het dat de overdracht van "enig" risico voldoende is. Dit betekent,</para>
      <para>dat art. 2 WBR een eigen begrip economische eigendom hanteert, dat</para>
      <para>soms (veel) ruimer is, dan dat voor de inkomstenbelasting&amp;lt;(13) Zie bijv. HR 8 mei 1985, BNB 1986/75* m.nt. Bartel, NJ 1986, 273 m.nt. WMK, waarbij</para>
      <para>de HR in een geval van een lease-contract oordeelde, dat van economische eigendom</para>
      <para>slechts sprake is indien de lessee het gehele economische belang verkrijgt. Vgl.</para>
      <para>voorts de beschouwingen, vermeld in punt 3.1.7 hiervóór, over het huurkoop-geval van</para>
      <para>BNB 1991/181. De slotzin van het daarop betrekking hebbende citaat, waarin de</para>
      <para>staatssecretaris stelt dat huurkoop altijd belast moet zijn, achtte ik voor de</para>
      <para>belastbaarheid niet voldoende (zie mijn eerdervermeld WFR-artikel onder 2.5 op blz.</para>
      <para>929), aangezien de verkrijging rechtstreeks aan de omschrijving van art. 2, tweede</para>
      <para>lid, WBR moet worden getoetst.</para>
      <para>&amp;gt;, de</para>
      <para>vennootschapsbelasting en de omzetbelasting, maar soms (wellicht)</para>
      <para>beperkter. Zo lijkt het mij zeer de vraag of de definitie van de</para>
      <para>omzetbelasting "de macht om als eigenaar over het goed</para>
      <para>beschikken&amp;lt;(14) HvJ EG 8 februari 1990, BNB 1990/271* en HR 4 juli 1990, BNB 1990/272* m.nt.</para>
      <para>Reugebrink.</para>
      <para>&amp;gt;" impliceert dat de economisch eigenaar ook het risico van tenietgaan</para>
      <para>moet lopen&amp;lt;(15) In § 6.1.2.3 van mijn Belastingen van rechtsverkeer (zie noot 12) merkte ik op, dat</para>
      <para>de opmerking uit de Tweede Kamer, dat er fiscaal voortaan drie verschillende soorten</para>
      <para>economische eigendom zijn, niet geheel misplaatst lijkt. Zie voorts over het begrip</para>
      <para>economische eigendom voor de omzetbelasting a.w. § 18.3.8.2.</para>
      <para>&amp;gt;. In verband hiermee lijkt het mij noodzakelijk enkele</para>
      <para>beschouwingen te wijden aan het begrip "risico van tenietgaan".</para>
      <para>3.2.4 Bij koop en verkoop blijft de verkochte zaak in beginsel tot het</para>
      <para>moment van de (juridische) levering voor risico van de verkoper. De</para>
      <para>zaak is echter voor risico van de koper vanaf het moment van de</para>
      <para>aflevering&amp;lt;(16) D.w.z. als de zaak in het bezit van de koper wordt gesteld, danwel  - ingeval van</para>
      <para>koop met eigendomsvoorbehoud - de zaak in de macht van de koper wordt gesteld (art.</para>
      <para>7:9 BW). Zie voor wat betreft de discussie over de zogenaamde "sleutelverklaring" §</para>
      <para>6.1.3.3 van mijn boek Belastingen van rechtsverkeer.</para>
      <para>&amp;gt;, zelfs al is de eigendom nog niet overgedragen (art.</para>
      <para>7:10, eerste lid, BW). Partijen kunnen evenwel een ander moment</para>
      <para>overeenkomen waarop het risico overgaat. Wat zijn de consequenties</para>
      <para>voor de verkoper van het feit dat het risico gedurende een bepaalde</para>
      <para>periode (tot de juridische levering c.q. de feitelijke aflevering)</para>
      <para>bij hem blijft? De wetgever heeft kennelijk geen behoefte gehad om</para>
      <para>in het BW daarover een uitvoerige regeling te treffen. Men zal het</para>
      <para>moeten doen met de algemene bepaling van art. 7:17 BW, dat de</para>
      <para>afgeleverde zaak aan de overeenkomst moet beantwoorden, met de</para>
      <para>daarop in art. 7:21, eerste lid, BW gestelde sancties. Een</para>
      <para>verstandige verkoper zal bijv. zijn opstalverzekering continueren</para>
      <para>tot het moment dat het risico overgaat.</para>
      <para>3.2.5 In het algemeen zal bij economische eigendom het risico bij de</para>
      <para>economische eigenaar berusten, hetzij omdat dit ook zonder</para>
      <para>duidelijke afspraak reeds voortvloeit uit de afspraken met</para>
      <para>betrekking tot de overgang van het belang, hetzij omdat de zaak in</para>
      <para>het bezit of in de macht van de economisch eigenaar is gesteld. Het</para>
      <para>staat partijen echter vrij om - zoals in het onderhavige geval -</para>
      <para>overeen te komen dat het risico pas overgaat op het moment van de</para>
      <para>juridische levering&amp;lt;(17) Zie bijv. art. 7:10, vierde lid, BW, waar in de eerste volzin wordt bepaald, dat</para>
      <para>wanneer de zaak na de aflevering voor risico van de verkoper is gebleven, het</para>
      <para>tenietgaan of de achteruitgang ervan door toedoen van de koper eveneens voor</para>
      <para>rekening van de verkoper komt.</para>
      <para>&amp;gt;. In het algemeen zullen zakelijk handelende</para>
      <para>partijen dan nog wel geneigd zijn de algemene wettelijke regeling,</para>
      <para>bedoeld in het vorige punt, te preciseren of aan te scherpen, maar</para>
      <para>beslist noodzakelijk lijkt mij dat niet.</para>
      <para>3.2.6 Art. 7:10 BW noemt als elementen van het risico "tenietgaan</para>
      <para>achteruitgang". De vraag rijst wat in art. 2, tweede lid, WBR en ook</para>
      <para>in de onderhavige overeenkomst is bedoeld met "het risico van</para>
      <para>tenietgaan". Moet men daarbij uitsluitend denken aan een volledig</para>
      <para>tenietgaan&amp;lt;(18) Het gaat hierbij om de opstallen en niet om de grond, die (vrijwel) nooit</para>
      <para>tenietgaat. Voor grond loopt dus noch de verkoper noch de koper enig risico van</para>
      <para>tenietgaan, zodat naar mijn mening de staatssecretaris zich terecht op het standpunt</para>
      <para>stelt (Besluit van 8 augustus 1997, nr. VB97/1921, PW 20 851, V-N 1997, blz. 3062,</para>
      <para>besproken in FBN 1997, nr. 61), dat de vraag of er sprake is van overdracht van</para>
      <para>economische eigendom in dat geval uitsluitend moet worden beoordeeld aan de hand van</para>
      <para>het criterium "risico van waardeverandering".</para>
      <para>&amp;gt; of ook aan "achteruitgang"? Onder achteruitgang begrijp</para>
      <para>ik dan alle schades die door een normale opstalverzekering worden</para>
      <para>gedekt (brand-, water-, stormschade enz.), waarbij volledig</para>
      <para>tenietgaan uitzondering is, maar in de regel slechts sprake is van</para>
      <para>partiële schade, anders gezegd: van een gedeeltelijk tenietgaan.</para>
      <para>Consequentie van de eerste opvatting zou zijn, dat - gesteld dat</para>
      <para>een verzekeringsmaatschappij daaraan zou willen meewerken - partijen</para>
      <para>het risico van het (volledig) teniet gaan zouden kunnen afsplitsen</para>
      <para>aldus, dat alle partiële schades als vorenbedoeld voor rekening zijn</para>
      <para>van de economisch eigenaar (en door deze verzekerd worden) en de</para>
      <para>juridisch eigenaar uitsluitend aansprakelijk is (en zich verzekert)</para>
      <para>voor het volledig tenietgaan, dit laatste naar ik aanneem tegen een</para>
      <para>kleine fractie van de voor een normale opstalverzekering</para>
      <para>verschuldigde premie.</para>
      <para>Consequentie van de laatste opvatting is, dat als bijvoorbeeld</para>
      <para>de juridisch eigenaar alle risico's loopt met uitzondering van</para>
      <para>glasbreuk (en dus een volledige opstalverzekering heeft gesloten met</para>
      <para>uitzondering van een glasverzekering&amp;lt;(19) Ik merk volledigheidshalve op, dat in het onderhavige geval uit de overgelegde</para>
      <para>kopie van de verzekeringspolis blijkt, dat ook de glasverzekering door de verkoper</para>
      <para>is gesloten.</para>
      <para>&amp;gt;    ), en de economisch eigenaar de</para>
      <para>glasverzekering sluit, voldaan is aan het vereiste dat de laatste</para>
      <para>enig risico van tenietgaan loopt. M.a.w. tenietgaan betekent ook</para>
      <para>"gedeeltelijk tenietgaan".</para>
      <para>Ik houd de laatste opvatting voor de juiste, omdat in de eerste</para>
      <para>opvatting het ontgaan van overdrachtsbelasting nog eenvoudiger wordt</para>
      <para>en omdat - wat er zij van de niet steeds met elkaar sporende</para>
      <para>uitlatingen van de staatssecretaris bij de parlementaire behandeling</para>
      <para>- de strekking van de wetsbepaling duidelijk is, namelijk om zo min</para>
      <para>mogelijk ruimte te laten voor het ontgaansconstructies (mits - naar</para>
      <para>ik toevoeg - daarbij binnen de formulering van de wet wordt</para>
      <para>gebleven).</para>
      <para>3.2.7 Als een juridisch eigenaar zijn economisch belang in een onroerende</para>
      <para>zaak verkoopt, maar het risico van tenietgaan - in de vorenbedoelde</para>
      <para>ruime zin - blijft lopen, behoudt hij - economisch gezien -</para>
      <para>uitsluitend een nadeel. Dit nadeel zou kunnen worden geschat op de</para>
      <para>gekapitaliseerde verzekeringspremies, vermeerderd met een opslag</para>
      <para>voor niet verzekerbare risico's. Of hij het risico - al dan niet</para>
      <para>daartoe door de koper verplicht - ook werkelijk verzekert, doet niet</para>
      <para>ter zake. Een zakelijk handelende verkoper zou dan van de koper</para>
      <para>bedingen dat deze hem dat gekapitaliseerde bedrag - of eventueel een</para>
      <para>jaarlijks bedrag voor het in dat jaar te lopen risico - vergoedt.</para>
      <para>Indien partijen dit niet uitdrukkelijk zijn overeengekomen, zal</para>
      <para>moeten worden aangenomen, dat deze vergoeding in de koopprijs is</para>
      <para>begrepen. Voor de overdrachtsbelasting - aangenomen dat deze</para>
      <para>verschuldigd is - zou dit betekenen dat geheven zou moeten worden</para>
      <para>over de koopprijs, verminderd met vorenbedoeld gekapitaliseerd</para>
      <para>bedrag (in zoverre is de koopprijs niet betaald voor - het</para>
      <para>economisch belang bij - de onroerende zaak, maar voor een andere</para>
      <para>prestatie van de verkoper), tenzij de waarde hoger is.</para>
      <para>3.2.8 Uit het gestelde in het vorige punt volgt dat het voor de</para>
      <para>beoordeling van de vraag of de verkrijger enig risico van tenietgaan</para>
      <para>loopt, niet van belang is of verkrijger al dan niet de premies voor</para>
      <para>de door de verkoper te sluiten opstalverzekering aan deze vergoedt.</para>
      <para>Uiteraard kunnen bijkomende omstandigheden in een andere richting</para>
      <para>wijzen&amp;lt;(20) Ik laat in het midden of de omstandigheden, door de staatssecretaris vermeld in het</para>
      <para>citaat van punt 3.1.7 betreffende het geval BNB 1991/181, de conclusie</para>
      <para>rechtvaardigen dat daar de huurkoper enig risico van tenietgaan droeg.</para>
      <para>&amp;gt;, maar in het onderhavige geval is daar niet van gebleken.</para>
      <para>3.2.9 In het onderhavige geval is in de akte wel een verzekeringsplicht</para>
      <para>voor de verkoper tegen wettelijke aansprakelijkheid op de voet van</para>
      <para>art. 6:174 BW opgenomen, maar niet een verplichting tot het sluiten</para>
      <para>van een opstalverzekering. Partijen zijn er kennelijk van uitgegaan</para>
      <para>dat de lopende opstalverzekering van de verkoper zonder meer wordt</para>
      <para>gecontinueerd (zie rov. 6.7 van de uitspraak van het Hof). Zoals</para>
      <para>belanghebbende bij herhaling heeft verklaard (zie rov. 5.4 van de</para>
      <para>uitspraak van het Hof), is bij de aan de overeenkomst voorafgaande</para>
      <para>besprekingen een vergoeding voor het blijven lopen van het risico</para>
      <para>van tenietgaan door de verkoper niet expliciet aan de orde geweest,</para>
      <para>maar waren partijen zich van dat risico wel bewust. Zoals gezegd</para>
      <para>zouden zakelijk handelende partijen hebben bedongen, dat een bedrag</para>
      <para>tenminste gelijk aan de gekapitaliseerde toekomstige door de</para>
      <para>verkoper te betalen verzekeringspremies voor de opstalverzekering</para>
      <para>aan de verkoper wordt vergoed (zie rov. 6.8 van de uitspraak van het</para>
      <para>Hof), maar nu partijen dat niet gedaan hebben, moet worden</para>
      <para>aangenomen, dat dit bedrag in de koopprijs is begrepen. Bij de</para>
      <para>heffing van overdrachtsbelasting heeft de Inspecteur daar geen</para>
      <para>rekening mee gehouden. Indien de waarde van de onroerende zaak niet</para>
      <para>lager is dan ƒ 175.000, was dat ook niet nodig, maar een en ander is</para>
      <para>niet door het Hof feitelijk vastgesteld, zodat bij gegrondbevinding</para>
      <para>van het cassatieberoep van de staatssecretaris de zaak verwezen zou</para>
      <para>moeten worden.</para>
      <para>3.2.10 De Inspecteur heeft uitdrukkelijk verklaard, dat hij niet heeft</para>
      <para>willen stellen dat de risico-clausule een schijnclausule is (zie</para>
      <para>rov. 6.5 van de uitspraak van het Hof). Zoals uit het voorafgaande</para>
      <para>volgt, heeft het Hof naar het mij voorkomt in rov. 6.7 terecht</para>
      <para>geoordeeld dat de omstandigheid, dat de verkoper het risico van de</para>
      <para>woning verzekerd had en heeft gehouden, geen ondersteuning biedt aan</para>
      <para>het standpunt van de Inspecteur. Het Hof beantwoordt vervolgens op</para>
      <para>basis van het in de rov. 6.1 tot en met 6.8 overwogene de vraag of</para>
      <para>er enig risico van tenietgaan van de woning op belanghebbende is</para>
      <para>overgegaan, ontkennend (rov. 6.9).</para>
      <para>4 Beoordeling van het cassatiemiddel</para>
      <para>1. Uit de wetsgeschiedenis en de beschouwingen onder punt 3 volgt naar</para>
      <para>mijn mening, dat het Hof bij zijn uitleg van het begrip economische</para>
      <para>eigendom in het onderhavige geval, uitgaande van de vastgestelde</para>
      <para>feiten, niet blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting,</para>
      <para>zodat de in het cassatiemiddel vervatte rechtsklacht faalt.</para>
      <para>1. Het cassatiemiddel bevat voorts nog motiveringsklachten. Binnen die</para>
      <para>motiveringsklachten gaat nog een rechtsklacht verscholen, t.w. dat</para>
      <para>het Hof het begrip tenietgaan ten onrechte slechts betrekt op de</para>
      <para>wijze van verzekeren, maar dat dit begrip ook kan worden betrokken</para>
      <para>op onteigening, welke voor rekening van belanghebbende komt. Naar</para>
      <para>het mij voorkomt faalt ook deze rechtsklacht. Naar mijn mening kan</para>
      <para>onteigening niet worden beschouwd als tenietgaan in de zin van art.</para>
      <para>2, tweede lid, WBR. Er valt veel voor te zeggen, dat het valt onder</para>
      <para>het in de akte gebruikte begrip vervreemding aan een derde, maar</para>
      <para>deze vraag van uitlegging van de overeenkomst is niet aan het Hof</para>
      <para>voorgelegd en het Hof heeft deze feitelijke vraag dan ook niet</para>
      <para>beantwoord.</para>
      <para>1. Voor het overige verwijten de motiveringsklachten het Hof - kort</para>
      <para>samengevat - dat het zijn oordeel onvoldoende heeft onderbouwd, te</para>
      <para>weinig feitenonderzoek heeft gedaan en de bewijslast onjuist heeft</para>
      <para>verdeeld. Ik ga op enkele klachten afzonderlijk in.</para>
      <para>a.  Het middel klaagt erover dat het Hof voor wat betreft de</para>
      <para>invulling van het risico van tenietgaan niet veel verder komt dan te</para>
      <para>wijzen op het feit, dat de op naam van de verkoper staande</para>
      <para>opstalverzekering zonder wijziging wordt gecontinueerd. Het is mij</para>
      <para>niet duidelijk welke nadere invulling het Hof had moeten geven,</para>
      <para>anders dan bijv. de constatering (in rov. 6.5) dat de risicoclausule</para>
      <para>geen schijnclausule is, dat de risicoclausule duidelijk zegt, dat</para>
      <para>het risico van tenietgaan niet bij belanghebbende ligt (rov. 6.6,</para>
      <para>slot) en dat hetgeen de inspecteur overigens heeft gesteld daarmee</para>
      <para>niet in strijd is (rov. 6.8). De klacht faalt.</para>
      <para>b.  Het middel acht het zeer de vraag of het wel relevant is op</para>
      <para>wiens naam de verzekering staat. Het Hof had ook moeten onderzoeken</para>
      <para>aan wie de verzekeringsuitkering toekomt en voor wiens rekening het</para>
      <para>niet verzekerde (bijv. onderverzekering) en niet verzekerbare risico</para>
      <para>komt. Het Hof heeft naar mijn mening in dit opzicht kunnen en mogen</para>
      <para>volstaan met de feitelijke en op zichzelf niet onbegrijpelijke</para>
      <para>constatering (rov. 6.6) dat de inhoud van de risicoclausule</para>
      <para>duidelijk is en dat aan het ontbreken van een gedetailleerde</para>
      <para>regeling over een mogelijke afwikkeling in geval van een calamiteit</para>
      <para>niet het vermoeden kan worden ontleend, dat er enig risico van</para>
      <para>tenietgaan bij belanghebbende is komen te liggen (vgl. ook het</para>
      <para>gestelde in punt 3.2.5 hiervóór).</para>
      <para>c.  Het Hof zou onderzoek hebben moeten doen naar het feit - dat</para>
      <para>volgens het middel buiten kijf staat - dat voor de</para>
      <para>inkomstenbelasting de economische eigendom aan belanghebbende</para>
      <para>toekomt. Zoals ik in punt 3.2.3 heb betoogd, zijn de opvattingen</para>
      <para>voor de inkomstenbelasting (en andere belastingen) voor de</para>
      <para>toepassing van art. 2, tweede lid, WBR niet doorslaggevend, zodat</para>
      <para>het Hof niet tot een dergelijk onderzoek verplicht was. Het verwijt</para>
      <para>treft derhalve geen doel.</para>
      <para>d.  De opmerking, dat blijkt, dat in de tussen verkoper en koper</para>
      <para>gehanteerde prijs geen rekening is gehouden met het risico van</para>
      <para>tenietgaan, mist feitelijke grondslag. Het Hof heeft dit niet</para>
      <para>feitelijk vastgesteld, maar in rov. 6.8 ad 4.2.b slechts overwogen,</para>
      <para>dat indien moet worden aangenomen, dat de verkoper voor de</para>
      <para>risicoclausule geen vergoeding heeft bedongen, dit hoogstens een</para>
      <para>aanwijzing is dat partijen niet op puur zakelijke basis hebben</para>
      <para>gehandeld, maar dat het geding om een andere kwestie gaat. Zie voor</para>
      <para>het overige de opmerkingen in punt 3.2.9 hiervóór.</para>
      <para>e.  In het kader van de verdeling van de bewijslast merkt de</para>
      <para>staatssecretaris op, dat bij hem de stellige indruk bestaat "dat het</para>
      <para>realiteitsgehalte van de risicoclausule niet hoog te achten is en</para>
      <para>voor het overige slechts een papieren aangelegenheid betreft". Het</para>
      <para>Hof neemt in rov. 6.5 in aanmerking, dat de Inspecteur niet heeft</para>
      <para>beoogd te willen stellen, dat de risicoclausule een schijnclausule</para>
      <para>is. Vervolgens bespreekt het Hof in de rov. 6.6 tot en met 6.8</para>
      <para>uitvoerig hetgeen de inspecteur met betrekking tot die clausule</para>
      <para>heeft gesteld. Het is mij niet duidelijk welke bewijzen van de</para>
      <para>realiteit van de clausule het Hof volgens het middel nog van</para>
      <para>belanghebbende zou hebben moeten verlangen (zie ook punt 3.2.5</para>
      <para>hiervóór). Van een onjuiste verdeling van de bewijslast is naar mijn</para>
      <para>mening geen sprake.</para>
      <para>5 Conclusie</para>
      <para>Het cassatiemiddel ongegrond bevindend, concludeer ik tot verwerping</para>
      <para>van het beroep.</para>
      <para>De Procureur-Generaal bij de</para>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
      <para>A-G i.b.d.</para>
    </parablock>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>