<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1999:AA2911</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T09:16:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA2911</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1999-10-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">34210</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1999:AA2911" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1999:AA2911</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002226&amp;artikel=21&amp;g=1999-10-06">Successiewet 1956 21</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002226&amp;artikel=45&amp;g=1999-10-06">Successiewet 1956 45</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002226&amp;artikel=53&amp;g=1999-10-06">Successiewet 1956 53</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>PW 2000, 21161</rdf:li>
          <rdf:li>BNB 2000/1 met annotatie van J.W. Zwemmer</rdf:li>
          <rdf:li>FED 1999/624</rdf:li>
          <rdf:li>FED 1999/753</rdf:li>
          <rdf:li>WFR 1999/1345</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 1999/48.22</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA2911">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA2911</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:47:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1999:AA2911 Parket bij de Hoge Raad , 06-10-1999 / 34210</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA2911:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA2911:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Nr. 34.210                  Mr Moltmaker</para>
      <para>Derde Kamer B               Conclusie inzake:</para>
      <para>Successierecht              X</para>
      <para>tegen</para>
      <para>Parket, 2 maart 1999        DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIEN</para>
      <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
      <para>1 Feiten en geschil&amp;lt;(1) Deze zaak is als lopende procedure bij de Hoge Raad vermeld in V-N 1997, blz.</para>
      <para>4756, punt 1.3.</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>1.1 Voor de feiten verwijs ik in de eerste plaats naar het arrest</para>
      <para>van de Hoge Raad van 26 maart 1997, nr. 30.454, BNB 1997/186*,</para>
      <para>m.nt. J. W. Zwemmer, FED 1997/422 m.nt. J. A. Smit, PW 20797.</para>
      <para>Belanghebbende was in loondienst werkzaam op het</para>
      <para>veehoudersbedrijf van erflaatster. Erflaatster heeft aan</para>
      <para>belanghebbende het volledige bedrijf gelegateerd onder de</para>
      <para>verplichting de waarde (in verpachte staat en zonder de waarde</para>
      <para>van het melkquotum) van het gelegateerde aan de erfgenamen uit</para>
      <para>te keren.</para>
      <para>Aan het legaat was de verplichting verbonden om bij</para>
      <para>vervreemding binnen twintig jaar van de eventueel alsdan</para>
      <para>verkregen "netto-meeropbrengst" een gedeelte af te staan aan de</para>
      <para>erfgenamen (hierna aangeduid als "het verrekenbeding").</para>
      <para>Op 8 juli 1993 hebben de beide erfgenamen afstand gedaan van</para>
      <para>hun rechten op de hiervóór bedoelde "netto-meeropbrengst". Zij</para>
      <para>verkregen hiervoor van belanghebbende ieder ƒ 50.000,--.</para>
      <para>1.2 Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat de waarde in het</para>
      <para>economische verkeer vrij van pacht van de boerderij met inbegrip</para>
      <para>van het melkquotum door de Inspecteur terecht was gebaseerd op</para>
      <para>een door twee deskundigen opgemaakt taxatierapport.</para>
      <para>Voorts oordeelde dit Hof dat belanghebbendes beroep op het</para>
      <para>gelijkheidsbeginsel in verband met de Resolutie van de</para>
      <para>Staatssecretaris van 30 juni 1987 (BNB 1987/255; hierna: de</para>
      <para>Resolutie) faalde omdat het hier niet betrof een overdracht of</para>
      <para>overgang van een land- of tuinbouwbedrijf van (groot)ouders op</para>
      <para>(klein)kinderen.</para>
      <para>1.3 Ingevolge de Resolutie kan bij overdrachten en overgangen van</para>
      <para>land- en tuinbouwbedrijven van (groot)ouders op (klein)kinderen</para>
      <para>de waardering van landbouwgrond op ten minste de objectief vast</para>
      <para>te stellen waarde in verpachte staat worden aangehouden, mits</para>
      <para>ten tijde van de overdracht of overgang bij de opvolger het</para>
      <para>voornemen bestaat het bedrijf voort te zetten en ook de</para>
      <para>familieleden van de opvolger voor hun onderlinge verhoudingen</para>
      <para>niet van een hogere waarde uitgaan.</para>
      <para>1.4 Bij het in punt 1.1 vermelde arrest oordeelde Uw Raad, dat niet</para>
      <para>valt in te zien waarom in het geval waarin het bedrijf voor de</para>
      <para>in punt 1.3 hiervóór bedoelde lagere waarde overgaat naar een</para>
      <para>verder verwant familielid of naar een niet-verwant, en de</para>
      <para>verkoper of de erflater en diens rechtverkrijgenden voor zover</para>
      <para>onderling moet worden afgerekend ook op basis van die lagere</para>
      <para>waarde afrekenen, niet als een gelijk geval zou moeten gelden.</para>
      <para>1.5 De zaak werd verwezen. Het verwijzingshof diende nog de vragen</para>
      <para>te beantwoorden</para>
      <para>a. of ten tijde van het overlijden van de erflaatster bij</para>
      <para>belanghebbende het voornemen bestond het bedrijf voort te zetten</para>
      <para>en</para>
      <para>b. of de overige verkrijgers uit de nalatenschap voor hun</para>
      <para>onderlinge verhoudingen niet van een hogere waarde uitgaan.</para>
      <para>1.6 Het Gerechtshof 's-Gravenhage&amp;lt;(2) De uitspraak van het Hof te 's-Gravenhage van 29 januari 1998 is als lopende</para>
      <para>procedure bij de Hoge Raad gepubliceerd in V-N 1998/44.1.6.</para>
      <para>&amp;gt; (hierna: het Hof) heeft ten</para>
      <para>aanzien van de vraag onder a. geoordeeld dat niet meer in</para>
      <para>geschil is dat ten tijde van het overlijden van de erflaatster</para>
      <para>bij belanghebbende het voornemen bestond tot voortzetting van</para>
      <para>het bedrijf van de erflaatster.</para>
      <para>1.7 Ten aanzien van de vraag onder b. heeft het Hof geoordeeld dat</para>
      <para>het verrekenbeding op zichzelf niet reeds toepassing van de</para>
      <para>Resolutie verhindert, omdat, aldus het Hof, in dat geval de Hoge</para>
      <para>Raad de zaak op die grond zelf had kunnen afdoen. Het Hof</para>
      <para>overweegt vervolgens dienaangaande nog (rov. 5.3, tweede</para>
      <para>volzin):</para>
      <para>"Bovendien zou de faciliteit van bedoelde resolutie vrijwel</para>
      <para>altijd illusoir zijn omdat een verrekenbeding als het</para>
      <para>onderhavige, naar belanghebbende heeft gesteld en het Hof</para>
      <para>ook ambtshalve bekend is, nagenoeg steeds wordt opgenomen in</para>
      <para>geval van verkrijgingen tegen de waarde in</para>
      <para>verpachte/verhuurde staat."</para>
      <para>1.8 Uit het feit, dat in 1993 beide erfgenamen jegens belanghebbende</para>
      <para>afstand hebben gedaan van hun rechten op afrekening van de in</para>
      <para>het verrekenbeding bedoelde meerwaarde tegen betaling van een</para>
      <para>bedrag van ƒ 50.000,-- elk, leidt het Hof af dat "de overige</para>
      <para>verkrijgers uit de nalatenschap voor hun onderlinge</para>
      <para>verhoudingen", zij het achteraf, zijn uitgegaan van een hogere</para>
      <para>waarde dan de waarde in verpachte staat, zodat de Resolutie hier</para>
      <para>geen toepassing kan vinden. Het Hof kan belanghebbende niet</para>
      <para>volgen in zijn redenering dat de zinsnede "voor hun onderlinge</para>
      <para>verhoudingen" alleen doelt op de relatie van de overige</para>
      <para>verkrijgers onderling (rov. 5.4).</para>
      <para>1.9 Het Hof overweegt tenslotte nog, dat het in het onderhavige</para>
      <para>geval geen verschil maakt of sprake is van een voorwaarde dan</para>
      <para>wel van een last. Het gaat er slechts om, of de beide erfgenamen</para>
      <para>genoegen hebben genomen met de inbreng van de waarde in</para>
      <para>verpachte staat van het gelegateerde. Dat is niet het geval, nu</para>
      <para>zij uiteindelijk op grond van een overeenkomst met de legataris</para>
      <para>meer dan die waarde hebben ontvangen (rov. 5.5).</para>
      <para>1.10 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in</para>
      <para>cassatie ingesteld. Volgens het cassatiemiddel heeft het Hof</para>
      <para>niet overeenkomstig de verwijzingsopdracht vastgesteld of</para>
      <para>partijen voor hun onderlinge verrekening van een hogere waarde</para>
      <para>zijn uitgegaan. Het Hof heeft aan die voorwaarde een onjuiste</para>
      <para>uitleg gegeven door uit te gaan van een feit dat zich in 1993,</para>
      <para>dus na het overlijden van de erflaatster, heeft voorgedaan.</para>
      <para>1.11 De Staatssecretaris heeft een vertoogschrift in cassatie</para>
      <para>ingediend.</para>
      <para>2 Beschouwingen</para>
      <para>2.1 De faciliteit</para>
      <para>2.1.1 De Resolutie van 25 augustus 1965, No. D5/4310, PW 17691, hield</para>
      <para>in:</para>
      <para>(2) ?.vestig ik ? uw aandacht op, dat bij overdrachten van</para>
      <para>land- en tuinbouwbedrijven door ouders aan kinderen de</para>
      <para>bepaling van de koopprijs veelal in sterkte mate wordt</para>
      <para>beïnvloed door de overweging, dat de opvolger het bedrijf</para>
      <para>zal voortzetten en daartoe slechts in staat zal zijn als</para>
      <para>hem een nog juist lonende exploitatie wordt mogelijk</para>
      <para>gemaakt. Indien vaststaat, dat het in de bedoeling ligt,</para>
      <para>dat het bedrijf door de opvolger nog geruime tijd zal</para>
      <para>worden voortgezet, zal een verschil tussen de vrije-</para>
      <para>marktwaarde en de "agrarische" waarde van het bedrijf, zo</para>
      <para>een dergelijk verschil mocht bestaan, door de opvolger</para>
      <para>gedurende die tijd niet of wellicht nimmer worden</para>
      <para>gerealiseerd. Het verdient daarom naar mijn oordeel</para>
      <para>aanbeveling in deze gevallen van de mogelijkheid tot het</para>
      <para>vragen van een minnelijke verhoging of het aanzeggen van</para>
      <para>een gerechtelijke waardering niet dan met terughoudendheid</para>
      <para>gebruik te maken en slechts in sterk sprekende gevallen</para>
      <para>over te gaan tot het vorderen van een schenkingsaangifte."</para>
      <para>2.1.2 De Resolutie van 1965 werd ingetrokken bij de Resolutie van 30</para>
      <para>juni 1987, no. 287-9104, BNB 1987/255, PW 19523. Bij die</para>
      <para>Resolutie werd bepaald:</para>
      <para>"De inspecteurs der registratie en successie zijn</para>
      <para>gemachtigd bij overdrachten en overgangen van land- en</para>
      <para>tuinbouwbedrijven van (groot)ouders op (klein)kinderen in</para>
      <para>te stemmen met de waardering van landbouwgrond op ten</para>
      <para>minste de objectief vast te stellen waarde in verpachte</para>
      <para>staat. Deze machtiging geldt slechts indien ten tijde van</para>
      <para>de overdracht of overgang bij de opvolger het voornemen</para>
      <para>bestaat het bedrijf voort te zetten en ook de familieleden</para>
      <para>van de opvolger voor hun onderlinge verhoudingen niet van</para>
      <para>een hogere waarde uitgaan."</para>
      <para>2.1.3 De faciliteit werd bij de Resolutie van 21 oktober 1992, nr.</para>
      <para>VB92/2108, BNB 1993/14, PW 20158, zoals gewijzigd bij de</para>
      <para>Resolutie van 24 augustus 1993, nr. VB93/299, BNB 1993/285, PW</para>
      <para>20290, als volgt geherformuleerd en uitgebreid:</para>
      <para>"4. Successie- en schenkingsrecht</para>
      <para>A. Ongefaseerde bedrijfsovergang</para>
      <para>Mede ter vermijding van problemen die zich voordoen bij de</para>
      <para>toepassing van artikel 21, lid 5, van de Successiewet 1956</para>
      <para>kan bij overdrachten en overgangen van (groot)ouders op</para>
      <para>(klein)kinderen van land- en tuinbouwbedrijven voor de</para>
      <para>bepaling van de waarde van het in eigendom overgaande</para>
      <para>bedrijf worden volstaan met de waardering van de activa en</para>
      <para>passiva, waarbij de waarde van de grond op ten minste de</para>
      <para>objectief vast te stellen waarde in verpachte staat en de</para>
      <para>waarde van melk- en mestquota op nihil gesteld kunnen</para>
      <para>worden.</para>
      <para>Hieraan verbind ik de volgende voorwaarden:</para>
      <para>1. de opvolger heeft ten tijde van de overdracht of</para>
      <para>de overgang het voornemen het bedrijf voort te zetten;</para>
      <para>2. de familieleden van de opvolger gaan voor hun</para>
      <para>onderlinge verhoudingen eveneens van deze waarde uit.</para>
      <para>?????</para>
      <para>B. Gefaseerde bedrijfsovergang</para>
      <para>?????.</para>
      <para>5. Bovenstaande regeling vindt toepassing voor</para>
      <para>verplichtingen die worden aangegaan na 30 juni 1987 en voor</para>
      <para>na die datum opengevallen nalatenschappen."</para>
      <para>2.1.4 Het arrest BNB 1997/186* had betrekking op de resolutie van</para>
      <para>1987, maar geldt ook voor de resolutie van 1993, BNB 1993/285.</para>
      <para>Aldus een persbericht van het Ministerie van Financiën van 4</para>
      <para>juni 1997, nr. 97/103, V-N 19 juni 1997, punt 3, FED 1997/450,</para>
      <para>WFR 6250/1997. In deze zin ook HR 22 oktober 1997, nr. 31.677,</para>
      <para>Infobulletin 97/802.</para>
      <para>2.1.5 Volledigheidshalve vermeld ik nog dat de hierboven bedoelde</para>
      <para>faciliteit van de Resolutie BNB 1993/285 in verband met de</para>
      <para>inmiddels in art. 26, leden 3 tot en met 9, Invorderingswet 1990</para>
      <para>opgenomen kwijtscheldingfaciliteit is vervallen voor</para>
      <para>verplichtingen aangegaan na 31 augustus 1998 en voor na die</para>
      <para>datum opengevallen nalatenschappen (Besluit van 11 augustus</para>
      <para>1998, nr. VB 98/1670.1, V-N 1998/42.28, Infobulletin 98/624, PW</para>
      <para>20990).</para>
      <para>2.2 Het karakter van het testamentaire verrekenbeding</para>
      <para>2.2.1 Omdat er enig misverstand lijkt te bestaan omtrent het karakter</para>
      <para>van de in het testament opgenomen verplichting dat de legataris</para>
      <para>bij vervreemding binnen een bepaalde periode een deel van de</para>
      <para>hogere waarde aan de erfgenamen moet afstaan, zal ik daaraan</para>
      <para>enkele beschouwingen wijden, alvorens het cassatiemiddel te</para>
      <para>bespreken.</para>
      <para>2.2.2 De bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval even</para>
      <para>buiten beschouwing latend, ga ik uit van het volgende voorbeeld:</para>
      <para>Erflater X overlijdt op 1 juli 1997. Zijn enige erfgenaam is</para>
      <para>Y. Bij zijn testament had X zijn huis aan Z gelegateerd tegen</para>
      <para>inbreng van de waarde en onder de verplichting dat als Z het</para>
      <para>huis binnen drie jaar na het overlijden van X verkoopt, hij de</para>
      <para>opbrengst bij verkoop voor de helft moet afstaan aan Y. Ten</para>
      <para>sterfdage van X is het huis ƒ 250.000 waard. Op 1 juli 1999</para>
      <para>verkoopt Z het huis voor ƒ 300.000. Ter voldoening aan de hem</para>
      <para>door X opgelegde verplichting keert Z aan Y een bedrag van</para>
      <para>ƒ 25.000 uit. Wat zijn de consequenties van een en ander voor de</para>
      <para>heffing van het successierecht?</para>
      <para>2.2.3 Het verrekenbeding ten behoeve van Y is een making onder</para>
      <para>opschortende voorwaarde. Omdat het een making van een geldsom</para>
      <para>betreft zou ik het bij voorkeur geen (voorwaardelijke)</para>
      <para>lastbevoordeling willen noemen, maar een (sub)legaat. Zie mijn</para>
      <para>conclusie voor HR 8 januari 1986, NJ 1986, 475 m.nt. WMK, BNB</para>
      <para>1986/105* m.nt. Laeijendecker, PW 19392 en de jurisprudentie en</para>
      <para>literatuur vermeld door Asser-Van der Ploeg-Perrick (Erfrecht),</para>
      <para>12e druk (1996), nr. 137, noot 190.</para>
      <para>2.2.4 Ten sterfdage wordt Z niet belast. Y wordt belast voor zijn</para>
      <para>verkrijging groot ƒ 250.000. Denkbaar zou zijn dat dit bedrag</para>
      <para>wordt verhoogd wegens een te schatten kans op vervulling van de</para>
      <para>voorwaarde (het onderhavige beroepschrift in cassatie doet een</para>
      <para>suggestie in die richting), maar dat is niet het systeem van de</para>
      <para>Successiewet 1956 (Sw. 1956). In dat systeem (art. 45 en 53)</para>
      <para>sluit de heffing van het successierecht aan bij de situatie na</para>
      <para>het vervullen van de voorwaarde. Zie mijn eerder vermelde</para>
      <para>conclusie BNB 1986/105*.</para>
      <para>2.2.5 In het gestelde voorbeeld betekent dit laatste, dat Y in 1999</para>
      <para>alsnog belast wordt voor een nadere verkrijging van ƒ 25.000.</para>
      <para>Dat dit bedrag is ontstaan door de waardestijging na het</para>
      <para>overlijden, doet m.i. niet ter zake. Reeds lang is aanvaard, dat</para>
      <para>het mogelijk is dat over een hoger bedrag successierecht wordt</para>
      <para>geheven dan over het saldo van de nalatenschap. Zo wordt bijv.</para>
      <para>in de MvT Tweede Kamer, Zitting 1948 - 915, No. 3, blz. 2, het</para>
      <para>schrappen van de woorden "uit den boedel" als volgt toegelicht:</para>
      <para>"Ook hebben de vermelde woorden voet gegeven aan</para>
      <para>opvatting, dat nimmer meer belast kan worden dan het beloop</para>
      <para>van de waarde van het actief van de nalatenschap. Een</para>
      <para>beperkte leer ten aanzien van de beide bedoelde punten is,</para>
      <para>ook naar het oordeel van de schrijvers, zonder goede grond</para>
      <para>en in strijd met het beginsel, dat de heffing gebaseerd op</para>
      <para>de overgang van vermogen krachtens erfrecht, waarbij het</para>
      <para>niet terzake doet of de vermogenswaarden, welke krachtens</para>
      <para>erfrecht overgaan, zich al dan niet feitelijk in de</para>
      <para>nalatenschap bevonden (vgl. ook artikel 1015 van het</para>
      <para>Burgerlijk Wetboek).</para>
      <para>2.2.6 Een geval als hier geschetst ben ik in de jurisprudentie of</para>
      <para>literatuur voor wat betreft de consequenties voor het</para>
      <para>successierecht niet tegengekomen. Enigszins in de buurt komt het</para>
      <para>geval van de Rechtsvraag in WPNR 4821 (1964). Het betrof een</para>
      <para>ouderlijke boedelverdeling, waarin de erfdelen van de kinderen</para>
      <para>door de langstlevende ouder tot diens dood schuldig werden</para>
      <para>gebleven, met (o.m.) de bepaling, dat de omvang van de alsdan</para>
      <para>bestaande schuld zou worden herrekend op basis van het</para>
      <para>prijsindexcijfer voor de kosten van levensonderhoud. Volgens IJ.</para>
      <para>D. C. van Duyn zou, als de uitkeringen mettertijd op grond van</para>
      <para>die bepaling zouden worden verhoogd, herrekening van het</para>
      <para>successierecht moeten plaatsvinden.</para>
      <para>2.2.7 Minder eenvoudig ligt de kwestie met betrekking tot de</para>
      <para>herrekening van het successierecht bij Z. Art. 53 Sw. 1956</para>
      <para>verleent vermindering van de aanslag indien en voor zover ten</para>
      <para>gevolge van de vervulling van een voorwaarde wijziging wordt</para>
      <para>gebracht in (de persoon van de verkrijger of in) het verkregene.</para>
      <para>Z heeft nooit successierecht betaald en een negatieve aanslag</para>
      <para>kent de Sw. 1956 niet.</para>
      <para>2.2.8 Wat zou de oplossing zijn als in ons voorbeeld de erflater zijn</para>
      <para>huis aan Z had gelegateerd tegen de waarde in verhuurde staat,</para>
      <para>welke waarde ten sterfdage ƒ 150.000 bedraagt? De erfgenaam Y</para>
      <para>wordt bij het overlijden van X belast voor ƒ 150.000 en Z voor</para>
      <para>ƒ 100.000 (aangenomen dat er geen faciliteit van toepassing is).</para>
      <para>Als Z het huis twee jaar later verkoopt voor ƒ 300.000 moet hij</para>
      <para>ƒ 75.000 aan Y betalen, waarvoor Y op grond van art. 45, derde</para>
      <para>lid, Sw. 1956 wordt belast. Mag Z dan deze ƒ 75.000 op grond van</para>
      <para>art. 53 Sw. 1956 van zijn oorspronkelijke verkrijging van</para>
      <para>ƒ 100.000 aftrekken, zodat er per saldo bij hem slechts ƒ 25.000</para>
      <para>belast wordt? Het door hem te betalen bedrag van ƒ 75.000 heeft</para>
      <para>voor ƒ 50.000 betrekking op het ten sterfdage bestaande verschil</para>
      <para>tussen de waarde in verhuurde en de waarde in vrij op te leveren</para>
      <para>staat en voor ƒ 25.000 op de waardestijging na het overlijden</para>
      <para>van X. Een redelijke toepassing van art. 53 Sw. 1956 brengt m.i.</para>
      <para>mee, dat Z slechts ƒ 50.000 mag aftrekken. Naar mijn mening kan</para>
      <para>moeilijk worden volgehouden, dat de betaling van het bedrag van</para>
      <para>ƒ 25.000 voor wat Z betreft een wijziging in het verkregene</para>
      <para>betreft als bedoeld in art. 53, eerste lid, slot. Daarmee is dan</para>
      <para>wel de symmetrie tussen art. 45 en art. 53 verbroken, maar de</para>
      <para>oplossing lijkt mij - zoals gezegd - redelijk en op grond van de</para>
      <para>tekst van art. 53 te verdedigen.</para>
      <para>2.2.9 Als in het laatste voorbeeld Z over het verschil van ƒ 100.000</para>
      <para>tussen de waarde in verhuurde staat en de waarde in vrij op te</para>
      <para>leveren staat geen successierecht zou hebben betaald ingevolge</para>
      <para>een bepaalde faciliteit - zoals dus in het onderhavige geval -</para>
      <para>zou aftrek van ƒ 50.000 (bijv. als Z naast het legaat van het</para>
      <para>huis nog andere zaken krachtens erfrecht had verkregen) geheel</para>
      <para>misplaatst zijn.</para>
      <para>01. Daarmee kom ik op het onderhavige geval zelf en met name op de</para>
      <para>vraag of een en ander anders ligt als het verrekenbeding niet</para>
      <para>wordt uitgevoerd, maar voor het verstrijken van de gestelde</para>
      <para>termijn wordt afgekocht. Naar het mij voorkomt ligt in het</para>
      <para>systeem van de Sw. 1956 besloten dat voor de heffing van het</para>
      <para>successierecht bij deze afwikkeling door de betrokkenen van de</para>
      <para>tussen hen bestaande rechtsverhouding wordt aangesloten. Gelet</para>
      <para>op het voorafgaande zou dit m.i. betekenen dat de erfgenamen</para>
      <para>alsnog worden belast voor de door hen genoten afkoopsom.</para>
      <para>02. Voor de heffing van successierecht ten laste van de legataris</para>
      <para>heeft het vorenstaande geen consequenties, indien zou worden</para>
      <para>geoordeeld, dat de enkele aanwezigheid van het verrekenbeding</para>
      <para>en/of de afkoop daarvan aan de toepassing van de faciliteit niet</para>
      <para>in de weg staat. In dat geval is en blijft de erfrechtelijke</para>
      <para>verkrijging van de legataris nihil en valt er geen</para>
      <para>successierecht terug te geven. Dit zou in mijn standpunt</para>
      <para>overigens niet anders zijn, indien de legataris naast het legaat</para>
      <para>van de boerderij nog andere zaken (zonder inbreng van de waarde)</para>
      <para>zou hebben verkregen (zie punt 2.2.9).</para>
      <para>03. De afkoopsom van tweemaal ƒ 50.000 die door de legataris is</para>
      <para>betaald, kan geacht worden ten dele betrekking te hebben op het</para>
      <para>verschil tussen de waarde ten sterfdage van de boerderij vrij</para>
      <para>van pacht + het melkquotum en de waarde ten sterfdage van de</para>
      <para>boerderij in verpachte staat zonder het melkquotum (ƒ 582.812)</para>
      <para>en ten dele op de waardestijging van de boerderij vrij van pacht</para>
      <para>+ het melkquotum tussen de sterfdag en de datum van de afkoop.</para>
      <para>Zou worden geoordeeld, dat de enkele aanwezigheid van het</para>
      <para>verrekenbeding en/of de afkoop daarvan aan de toepassing van de</para>
      <para>faciliteit in de weg staat, dan heeft in mijn visie (zie punt</para>
      <para>2.2.8) de legataris ingevolge art. 53 Sw. 1956 recht op aftrek</para>
      <para>van het gedeelte van de door hem betaalde afkoopsom, dat kan</para>
      <para>worden toegerekend aan het bedrag van ƒ 582.812. Voor het andere</para>
      <para>gedeelte van de afkoopsom (dat geacht kan worden betrekking te</para>
      <para>hebben op de waardestijging van de boerderij tussen de sterfdag</para>
      <para>en de datum van de afkoop) zou naar mijn mening art. 53 geen</para>
      <para>aftrek toelaten, omdat in zoverre de verkrijging van de</para>
      <para>legataris niet is gewijzigd (zie punt 2.2.8 slot).</para>
      <para>In dit standpunt zou de zaak (opnieuw) moeten worden</para>
      <para>verwezen, opdat feitelijk wordt vastgesteld welk gedeelte van de</para>
      <para>door de legataris betaalde afkoopsom kan worden toegerekend aan</para>
      <para>het bedrag van ƒ 582.812, met welk gedeelte zijn verkrijging zou</para>
      <para>moeten worden verminderd.</para>
      <para>04. In het standpunt van het hof, dat de enkele aanwezigheid van het</para>
      <para>verrekenbeding aan de faciliteit niet in de weg staat, maar de</para>
      <para>afkoop ervan - en naar ik aanneem dus ook een eventuele</para>
      <para>effectuering ervan (zonder afkoop) doordat de legataris binnen</para>
      <para>twintig jaar tot vervreemding overgaat - wèl, zou nog de vraag</para>
      <para>kunnen rijzen wat het karakter is van de aan de legataris alsnog</para>
      <para>opgelegde aanslag.</para>
      <para>Als een inspecteur vanaf het begin van de aanslagregeling</para>
      <para>deze opvatting van het hof huldigt, zal hij de legataris voor</para>
      <para>diens verkrijging van andere zaken dan het legaat ten sterfdage</para>
      <para>hebben belast (en dus een primitieve aanslag hebben opgelegd)</para>
      <para>of, als er door de aanvankelijke toepassing van de faciliteit</para>
      <para>geen verkrijging is, hebben beslist geen aanslag op te leggen.</para>
      <para>De afkoop c.q. effectuering van het verrekenbeding is een nieuw</para>
      <para>feit, dat tot een navorderingsaanslag leidt. Maar daarbij is de</para>
      <para>inspecteur dan wel gebonden aan de termijn van vijf jaren. Van</para>
      <para>een nadere aanslag op de voet van art. 45, derde lid, Sw. 1956</para>
      <para>(zonder termijn) kan naar mijn mening geen sprake zijn,</para>
      <para>aangezien het hier niet een verkrijging door de legataris</para>
      <para>betreft als gevolg van de vervulling van een voorwaarde in de</para>
      <para>zin van die bepaling. Het verspelen van de faciliteit is m.i.</para>
      <para>geen vervulling van een voorwaarde die aan de verkrijging van de</para>
      <para>legataris als zodanig is verbonden.</para>
      <para>In het onderhavige geval is hier geen probleem, omdat de</para>
      <para>inspecteur van de aanvang af het standpunt heeft ingenomen dat</para>
      <para>de faciliteit niet van toepassing is en dienovereenkomstig een</para>
      <para>primitieve aanslag heeft opgelegd (met als dagtekening 24</para>
      <para>september 1990).</para>
      <para>3 Het cassatiemiddel</para>
      <para>3.1 Het Hof heeft geoordeeld, dat het enkele feit, dat in het</para>
      <para>testament een verrekenbeding is opgenomen, toepassing van de</para>
      <para>resolutie niet verhindert. Eén van de argumenten die het Hof</para>
      <para>voor dat standpunt gebruikt is, dat Uw Raad dat standpunt</para>
      <para>kennelijk deelt, omdat anders Uw Raad de zaak zelf had kunnen</para>
      <para>afdoen. Het is de vraag of dat juist is. Uit het in de BNB</para>
      <para>opgenomen arrest en het uittreksel uit de uitspraak van het Hof</para>
      <para>Amsterdam wordt van het verrekenbeding geen melding gemaakt. Het</para>
      <para>meest volledig is de uitspraak van het Hof Amsterdam opgenomen</para>
      <para>in PW 20797 (waarin deze overigens ten onrechte wordt</para>
      <para>toegeschreven aan Hof Arnhem). Daaruit blijkt (in</para>
      <para>overeenstemming met het mij ter beschikking staande volledige</para>
      <para>arrest met de daaraan gehechte uitspraak van het Hof), dat de</para>
      <para>aanwezigheid van het verrekenbeding niet door het Hof onder de</para>
      <para>tussen partijen vaststaande feiten is opgenomen.</para>
      <para>3.2 Het komt mij daarom voor, dat uit het stilzwijgen van Uw Raad</para>
      <para>niet kan worden afgeleid, dat Uw Raad zou hebben geoordeeld, dat</para>
      <para>de enkele aanwezigheid van het verrekenbeding niet aan de</para>
      <para>faciliteit in de weg staat. Het lijkt mij zeer wel mogelijk, dat</para>
      <para>Uw Raad, nu na verwijzing is komen vast te staan dat dit beding</para>
      <para>is gemaakt (zie overweging 3, "Vaststaande feiten" van de thans</para>
      <para>in cassatie aangevallen hofuitspraak), zou oordelen dat er ten</para>
      <para>sterfdage onvoldoende zekerheid bestaat, dat partijen voor hun</para>
      <para>onderlinge verhouding niet van een hogere waarde zullen uitgaan,</para>
      <para>en dat dit aan de faciliteit in de weg staat. In deze zin J. W.</para>
      <para>Zwemmer in punt 2, slot, van zijn noot onder het arrest in de</para>
      <para>BNB.</para>
      <para>3.3 Ik merk hierbij op, dat het feit, dat de Staatssecretaris tegen</para>
      <para>de andersluidende opvatting van het Hof geen (incidenteel)</para>
      <para>cassatiemiddel heeft aangevoerd, aan een beslissing van Uw Raad</para>
      <para>in de vorenbedoelde zin naar het mij voorkomt niet in de weg</para>
      <para>staat, aangezien het hier een rechtsvraag betreft en Uw Raad de</para>
      <para>uitspraak van het Hof zou kunnen bevestigen onder aanvulling van</para>
      <para>de rechtsgronden.</para>
      <para>3.4 Ik zou evenwel de opvatting van het Hof willen verdedigen, dat</para>
      <para>het verrekenbeding als zodanig niet aan de faciliteit in de weg</para>
      <para>staat. Uitgangspunt en voorwaarde voor de faciliteit is, dat de</para>
      <para>opvolger het voornemen heeft het bedrijf van de erflater voort</para>
      <para>te zetten. Verkoop van het gelegateerde kort na het overlijden</para>
      <para>van de erflater kan twijfel oproepen over de vraag hoe serieus</para>
      <para>dat voornemen was, maar eenmaal aangenomen dat het voornemen</para>
      <para>serieus was, is een latere verkoop een incident, dat op het</para>
      <para>moment van de verkrijging door de opvolger niet was voorzien.</para>
      <para>Anders gezegd: voortzetting is de regel, verkoop (binnen</para>
      <para>betrekkelijk korte tijd na de verkrijging) is de uitzondering.</para>
      <para>Het feit dat een erflater in dat uitzonderingsgeval zijn</para>
      <para>(andere) erfgenamen van de hogere verkoopprijs mee wil laten</para>
      <para>profiteren, is zeer wel te billijken, maar dat daardoor de</para>
      <para>faciliteit zou worden verspeeld, lijkt mij te ver gaan, mede</para>
      <para>gelet op het door het Hof vermelde, uit diens eigen wetenschap</para>
      <para>bekende feit, dat een verrekenbeding in gevallen als het</para>
      <para>onderhavige nagenoeg steeds wordt opgenomen.</para>
      <para>3.5 Als men - met mij - kiest voor de opvatting, dat het enkele feit</para>
      <para>dat het verrekenbeding is gemaakt niet aan de faciliteit in de</para>
      <para>weg staat, dan houdt dat in, dat men aanneemt dat ten sterfdage</para>
      <para>de voorwaarden voor de toepassing van de faciliteit zijn vervuld</para>
      <para>en accepteert men mijns inziens daarbij op voorhand de</para>
      <para>mogelijkheid, dat er - op grond van bijzondere, ten sterfdage</para>
      <para>niet te voorziene omstandigheden - te eniger tijd toch tussen de</para>
      <para>betrokkenen op basis van een andere waarde wordt afgerekend.</para>
      <para>Anders gezegd: De consequentie van de keuze voor deze opvatting</para>
      <para>lijkt mij, dat men daarmee tevens aanvaardt, dat als de</para>
      <para>voorwaarde van het verrekenbeding wordt vervuld, dit geen</para>
      <para>gevolgen heeft voor de heffing van successierecht ten laste van</para>
      <para>de legataris. Mijns inziens is art. 45, derde lid, Sw. 1956 niet</para>
      <para>voor deze situatie geschreven: de legataris verkrijgt niet ten</para>
      <para>gevolge van de vervulling van een voorwaarde, als bedoeld in dat</para>
      <para>artikel (zie punt 2.2.13). Er vindt bij hem dus geen bijtelling</para>
      <para>plaats, maar dan - uiteraard - ook geen aftrek op grond van art.</para>
      <para>53 Sw. 1956 van het door hem ingevolge het verrekenbeding aan de</para>
      <para>erfgenamen betaalde bedrag (zie de punten 2.2.7 en 2.2.9). Die</para>
      <para>erfgenamen worden voor hun nadere verkrijging dan wèl belast op</para>
      <para>grond van art. 45, derde lid (zie punt 2.2.5).</para>
      <para>3.6 Van dit laatste standpunt lijkt mij weer de logische</para>
      <para>consequentie, dat als partijen via een afkoopregeling</para>
      <para>verhinderen dat de voorwaarde van het verrekenbeding vervuld</para>
      <para>wordt, dit evenmin gevolgen heeft voor de heffing van het</para>
      <para>successierecht ten laste van de legataris (zie punt 2.2.10; voor</para>
      <para>de erfgenamen heeft dit op grond van art. 45, derde lid, Sw.</para>
      <para>1956 wèl consequenties, zie het slot van het vorige punt).</para>
      <para>3.7 Uit het voorafgaande volgt, dat naar mijn mening het</para>
      <para>cassatiemiddel terecht is voorgesteld.</para>
      <para>4 Conclusie</para>
      <para>Het cassatiemiddel gegrond bevindend, concludeer ik tot</para>
      <para>vernietiging van de uitspraak van het Hof, tot vernietiging van</para>
      <para>de uitspraak van de Inspecteur op het bezwaarschrift en tot</para>
      <para>vernietiging van de opgelegde aanslag.</para>
      <para>De</para>
      <para>Procureur-Generaal bij de</para>
      <para>Hoge</para>
      <para>Raad der Nederlanden</para>
      <para>A-G i.b.d.</para>
    </parablock>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>