<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1999:AA2898</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T15:31:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA2898</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1999-09-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">33267</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1999:AA2898" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1999:AA2898</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>BNB 2000/16 met annotatie van I.J.J. Burgers</rdf:li>
          <rdf:li>FED 2000/287</rdf:li>
          <rdf:li>WFR 1999/1304</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 1999/46.9</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA2898">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA2898</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:46:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2003-01-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1999:AA2898 Parket bij de Hoge Raad , 29-09-1999 / 33267</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA2898:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA2898:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
  <parablock>
    <para>Nr. 33.267                       Mr Van den Berge</para>
    <para>Derde Kamer B                    Conclusie inzake:</para>
    <para>Inkomstenbelasting 1993          X</para>
    <para>Parket, 19 februari 1999         tegen:</para>
    <para>de staatssecretaris van</para>
    <para>Financiën</para>
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para>1. Inleiding</para>
    <para>1.1. Het beroep in cassatie is gericht tegen de uitspraak van het</para>
    <para>gerechtshof te Amsterdam (het Hof) van 21 maart 1997, nr. P95/3690&amp;lt;(1) V-N 1997, blz. 3499, pt. 3.1. en Infobulletin 1997/606.</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>Het beroep is ingesteld door de belanghebbende.</para>
    <para>1.2. De belanghebbende was in 1993 woonachtig in Nederland. Hij was</para>
    <para>sedert 1991 als projectmanager in dienst bij een in Nederland</para>
    <para>gevestigde werkgever. Uit hoofde van zijn functie was de</para>
    <para>belanghebbende in de jaren 1991 tot en met 1995 gedurende in totaal</para>
    <para>83, 70, 93, 74 en 76 dagen per jaar werkzaam in Duitsland. De</para>
    <para>overige dagen was hij werkzaam in Nederland.</para>
    <para>1.3. Het geschil betreft de volgende vragen:</para>
    <para>a. deelt art. 10 van het Nederlands-Duitse belastingverdrag (hierna:</para>
    <para>het Verdrag)&amp;lt;(2) Overeenkomst van 16 juni 1959, Trb. 1959, 85 en 1960, 107.</para>
    <para>&amp;gt; het heffingsrecht over het gedeelte van het door de</para>
    <para>belanghebbende over 1993 genoten loon, dat kan worden toegerekend</para>
    <para>aan de werkzaamheden die de belanghebbende in Duitsland heeft</para>
    <para>verricht, toe aan Nederland of aan Duitsland?</para>
    <para>b. als het artikel het heffingsrecht toewijst aan Nederland, mocht</para>
    <para>de belanghebbende er dan, gelet op een in 1967 gepubliceerde</para>
    <para>uitlating van de Minister van Financiën, op rekenen dat zou worden</para>
    <para>gedaan alsof het heffingsrecht toekwam aan Duitsland?</para>
    <para>1.4. Het Hof was van oordeel dat het heffingsrecht over die</para>
    <para>inkomsten gelet op art. 10 van het Verdrag toekwam aan Nederland en</para>
    <para>dat de belanghebbende aan de uitlating van de Minister geen recht</para>
    <para>kon ontlenen om te doen alsof dat anders was.</para>
    <para>1.5. De belanghebbende voert in cassatie twee middelen aan, één</para>
    <para>gericht tegen het oordeel van het Hof ten aanzien van de vraag a en</para>
    <para>één tegen het antwoord van het Hof op de vraag b.</para>
    <para>1.6. De staatssecretaris van Financiën (de Staatssecretaris) heeft</para>
    <para>de middelen bij vertoogschrift bestreden.</para>
    <para>&amp;lt;</para>
    <para>?</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>1.7. Onder nummer 34.482 is bij Uw Raad een soortgelijke zaak</para>
    <para>aanhangig.&amp;lt;(3) De beroepen in die zaak zijn gericht tegen een uitspraak van het gerechtshof te</para>
    <para>'s-Gravenhage van 15 mei 1998, nr. BK-96/03040, VN 1999, blz. 387, pt. 1.1.</para>
    <para>&amp;gt; In die zaak zal ik eveneens concluderen. Een aantal aspecten, die</para>
    <para>in beide zaken van belang zijn, behandel ik in een bijlage, die ik</para>
    <para>aan beide conclusies zal hechten.</para>
    <para>1.8. In de zaak nr. 34.492 gaat het in cassatie ook nog om een</para>
    <para>andere kwestie, namelijk de bepaling van het deel van het jaarloon</para>
    <para>dat kan worden toegerekend aan de in het buitenland verrichte</para>
    <para>werkzaamheden. Die vraag is in de onderhavige zaak voor het Hof ook</para>
    <para>aan de orde gesteld, maar het Hof kon die kwestie gelet op zijn</para>
    <para>oordelen buiten behandeling laten. Mocht Uw Raad tot de beslissing</para>
    <para>komen dat de uitspraak van het Hof moet worden vernietigd, dan zal</para>
    <para>die vraag wel moeten worden behandeld. Voor mijn opvatting over die</para>
    <para>kwestie verwijs ik naar par. 8 van de bijlage bij de conclusies.</para>
    <para>2. Het eerste middel, vraag a</para>
    <para>2.1. Ingevolge art. 10 van het Verdrag (Nederlandse tekst) kunnen de</para>
    <para>inkomsten uit arbeid die een inwoner van Nederland heeft verkregen</para>
    <para>door middel van werkzaamheden die hij in Duitsland heeft verricht,</para>
    <para>uitsluitend in Nederland worden belast als hij in verband met het</para>
    <para>verrichten van die werkzaamheden "tijdelijk in totaal niet meer dan</para>
    <para>183 dagen gedurende een kalenderjaar" in Duitsland heeft verbleven.</para>
    <para>In de Duitse tekst van art. 10 van het Verdrag luidt die zinsnede:</para>
    <para>"sich vorübergehend, zusammen nicht mehr als 183 Tage im lauf eines</para>
    <para>Kalenderjahres, in (Nederland) aufhält".</para>
    <para>2.2. Ingevolge art. 25 van het Verdrag kunnen de hoogste</para>
    <para>belastingautoriteiten van Nederland en Duitsland nader afspraken</para>
    <para>maken over de uitleg van de bepalingen van het Verdrag. Op enig</para>
    <para>moment - de datum is niet bekend - hebben die autoriteiten</para>
    <para>afgesproken, dat aan het in art. 10 van het Verdrag gebruikte begrip</para>
    <para>'tijdelijk' geen zelfstandige betekenis moet worden toegekend</para>
    <para>(bijlage, par. 6.1). Die afspraak is in de openbaarheid gebracht</para>
    <para>door de publicatie in het Vakstudienieuws van 10 augustus 1995 van</para>
    <para>een besluit van de Staatssecretaris van 13 juli van dat jaar, waarin</para>
    <para>werd meegedeeld dat die afspraak was gemaakt. De afspraak zelf is,</para>
    <para>voor zover ik kon nagaan, in Nederland nooit officieel bekend</para>
    <para>gemaakt (bijlage, par. 6.2).</para>
    <para>2.3. Niettemin heeft het Hof op basis van (de inhoud van) dat</para>
    <para>besluit van de Staatssecretaris geoordeeld dat aan het in art. 10</para>
    <para>van het Verdrag gebruikte woord 'tijdelijk' geen betekenis toekomt</para>
    <para>(o. 5.2.1).</para>
    <para>2.4. In het eerste middel wordt die beslissing terecht bestreden. De</para>
    <para>rechtskracht van dergelijke afspraken is omstreden (bijlage, par.</para>
    <para>5.2 e.v.) en als men aan dergelijke afspraken al enige bindende</para>
    <para>kracht zou willen toekennen, dan kan dat alleen gelden voor</para>
    <para>afspraken die op behoorlijke wijze bekend zijn gemaakt. Een</para>
    <para>publicatie in een fiscaal vakblad van een besluit van de Nederlandse</para>
    <para>'hoogste belastingautoriteit', waarin wordt meegedeeld dat hij een</para>
    <para>dergelijke afspraak heeft gemaakt, voldoet niet aan de eisen die</para>
    <para>daarvoor gelden (bijlage, par. 5.12).</para>
    <para>2.5. Dit betekent echter niet dat de beslissing waartoe het Hof is</para>
    <para>gekomen - kort gezegd: dat het heffingsrecht over de inkomsten,</para>
    <para>omdat de belanghebbende in 1993 minder dan 183 dagen in Duitsland</para>
    <para>heeft verbleven, aan Nederland toekomt - onjuist is. De betekenis</para>
    <para>van de in art. 10 van het Verdrag gebruikte term 'tijdelijk' is niet</para>
    <para>erg duidelijk (bijlage, par. 3.2). De term is zo vaag, dat ik in een</para>
    <para>geval als het onderhavige wel van een tijdelijk verblijf in de zin</para>
    <para>van die bepaling zou willen spreken (bijlage, par. 4.6).</para>
    <para>2.6. Derhalve faalt dit middel.</para>
    <para>3. Het tweede middel, de waarde van het onderschrift van de Minister</para>
    <para>van Financiën</para>
    <para>3.1. Het gerechtshof te Arnhem heeft in een uitspraak van 19</para>
    <para>december 1966, BNB 1967/78 een beslissing gegeven over de betekenis</para>
    <para>van het in art. 10 van het Verdrag gebruikte begrip 'tijdelijk',</para>
    <para>waarin het hof aan die term wèl een zelfstandige betekenis toekende.</para>
    <para>Als onderschrift bij die uitspraak is in de BNB een brief van de</para>
    <para>toenmalige Minister van Financiën opgenomen, waarin die bewindsman</para>
    <para>meedeelde, dat hij het juist achtte, dat het gerechtshof aan het</para>
    <para>woord 'tijdelijk' zelfstandige betekenis toekende, naast het</para>
    <para>vereiste van 'in totaal niet meer dan 183 dagen gedurende een</para>
    <para>kalenderjaar'.</para>
    <para>3.2. Voor het Hof heeft de belanghebbende aangevoerd, dat hij er</para>
    <para>gelet op die brief op mocht vertrouwen dat de belastingadministratie</para>
    <para>ook in zijn geval zou handelen, als zou het heffingsrecht over het</para>
    <para>deel van zijn over 1993 genoten loon dat was toe te rekenen aan de</para>
    <para>dagen dat hij in Duitsland had gewerkt, toevallen aan Duitsland.</para>
    <para>3.3. Het Hof heeft die stelling afgewezen, overwegend (o. 5.3.1,</para>
    <para>derde volzin):</para>
    <para>"(de) brief houdt (?) niet meer in dan een accoordverklaring</para>
    <para>met de interpretatie die het Hof had gegeven aan (art. 10 van</para>
    <para>het Verdrag). Van een toezegging of goedkeuring in</para>
    <para>bestuursrechtelijke zin, waaraan de belastingdienst was</para>
    <para>gebonden totdat zij zou zijn herroepen, is hier derhalve geen</para>
    <para>sprake. Onder die omstandigheden kan belanghebbende zich niet</para>
    <para>met succes beroepen op het vertrouwensbeginsel."</para>
    <para>3.4. De belanghebbende bestrijdt dat oordeel met zijn tweede middel.</para>
    <para>3.5. Als onderschrift bij een uitspraak gepubliceerde brieven van de</para>
    <para>bewindsman die verantwoordelijk is voor het reilen en zeilen van de</para>
    <para>Belastingdienst kunnen, evenals andere gepubliceerde brieven van</para>
    <para>diens hand, vertrouwen opwekken waarop de burger mag afgaan. Voor</para>
    <para>zover in de overweging van het Hof een beslissing in andere zin moet</para>
    <para>worden gelezen, geeft het Hof daarmee blijk van een rechtsopvatting</para>
    <para>die niet meer bij de tijd is (bijlage, par. 7.2).</para>
    <para>3.6. Het Hof heeft echter gelijk als het stelt dat de toenmalige</para>
    <para>bewindsman in zijn brief op dit punt niet meer afgaf dan een</para>
    <para>akkoordverklaring met de uitleg die het hof Arnhem aan het begrip</para>
    <para>'tijdelijk' gaf, en dan nog wel slechts in die zin, dat hij instemde</para>
    <para>met de uitleg, dat aan het begrip 'tijdelijk', naast de 183-dagen-</para>
    <para>eis, zelfstandige betekenis toekomt. In zijn brief gaf die</para>
    <para>bewindsman vervolgens zijn visie op de toepassing van art. 10 van</para>
    <para>het Verdrag in het geval dat aan het hof was voorgelegd. Hij liet</para>
    <para>zich niet uit over de toepassing van de bepaling in andere gevallen.</para>
    <para>Aangezien het geval waarover dat hof oordeelde op een aantal -</para>
    <para>wezenlijke - punten verschilt van de situatie waarin de</para>
    <para>belanghebbende in 1993 verkeerde, is de conclusie waartoe het Hof</para>
    <para>kwam - dat de belanghebbende aan die brief geen vertrouwen kon</para>
    <para>ontlenen dat zijn geval op een zelfde manier zou worden behandeld -</para>
    <para>juist.</para>
    <para>3.7. Derhalve faalt ook het tweede middel.</para>
    <para>4. Conclusie</para>
    <para>Bevindend dat de middelen falen, concludeer ik tot verwerping van</para>
    <para>het beroep.</para>
    <para>De Procureur-Generaal</para>
    <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
    <para>(a-g)</para>
    <para>Uitspraak CBB geanonimiseerd:</para>
    <para>Bijlage bij conclusies nrs. 33.267 en 34.482</para>
    <para>1. Art. 10 van het Nederlands-Duitse belastingverdrag</para>
    <para>1.1. Art. 10, leden 1 en 2 van het op 16 juni 1959 gesloten</para>
    <para>Nederlands-Duitse belastingverdrag&amp;lt;(1) Overeenkomst van 16 juni 1959, Trb. 1959, 85.</para>
    <para>&amp;gt; (hierna: het Verdrag),</para>
    <para>Nederlandse tekst, houdt in:</para>
    <para>"1. Indien een natuurlijk persoon met woonplaats in een van</para>
    <para>Staten inkomsten verkrijgt uit niet-zelfstandige arbeid, heeft</para>
    <para>de andere Staat het recht tot belastingheffing voor deze</para>
    <para>inkomsten, indien de arbeid in de andere Staat wordt</para>
    <para>uitgeoefend.</para>
    <para>2. In afwijking van het eerste lid kunnen inkomsten uit niet-</para>
    <para>zelfstandige arbeid slechts in de Staat worden belast, waar de</para>
    <para>werknemer zijn woonplaats heeft, indien deze werknemer</para>
    <para>1. tijdelijk in totaal niet meer dan 183 dagen gedurende een</para>
    <para>kalenderjaar, in de andere Staat verblijft (...)"</para>
    <para>1.2. Art. 10, lid 2, aanhef en onder 1 luidt in het Duits:</para>
    <para>"Abweichend von Absatz 1 können Einkünfte aus nichtselbständiger</para>
    <para>Arbeit nur in dem Vertragstaate besteuert werden, in dem der</para>
    <para>Arbeitnehmer seinen Wohnsitz hat, wenn dieser Arbeitnehmer</para>
    <para>1. sich vorübergehend, zusammen nicht mehr als 183 Tage im Lauf</para>
    <para>eines Kalenderjahres, in dem anderen Staat aufhält (?)."</para>
    <para>2. De herkomst van de bepaling</para>
    <para>2.1. Art. 10, lid 1 en 2 werd overgenomen uit een in 1958 tussen</para>
    <para>Nederland en Duitsland gesloten (maar niet bekrachtigd) verdrag.&amp;lt;(2) Overeenkomst van 18 augustus 1958, Trb. 1958, 122.</para>
    <para>&amp;gt; De</para>
    <para>onderhandelingen voor dat verdrag begonnen in 1954. Schulze-</para>
    <para>Brachmann en Dirksen, die bij de onderhandelingen betrokken waren,</para>
    <para>delen mee&amp;lt;(3) A. Schulze-Brachmann en W. Dirksen, Erläuterungen zum Deutsch-</para>
    <para>Niederländischen Doppelbesteuerungsabkommen, band II, 1968, blz. 3 en 4;</para>
    <para>zie ook het in band IIA van dat werk (blz. V/2) opgenomen Denkschrift van</para>
    <para>Duitse zijde bij het Verdrag.</para>
    <para>&amp;gt;:</para>
    <para>"In den Verhandlungen wurde von beiden Vertragspartners je ein</para>
    <para>Entwurf vorgelegt (...). Dem deutschen Entwurf lag das (...)</para>
    <para>deutsch-österreichische Doppelbesteuerungsabkommen vom 4.10.1954</para>
    <para>zugrunde. (...)."</para>
    <para>2.2. Art. 9 van dat verdrag houdt in:</para>
    <para>"1. Bezieht eine natürliche Person mit Wohnsitz in einem der</para>
    <para>Vertragsstaaten Einkünfte aus nichtselbständiger Arbeit, die in</para>
    <para>dem anderen Staat ausgeübt wird, so hat der andere Staat das</para>
    <para>Besteuerungsrecht für diese Einkünfte (?).</para>
    <para>2. Absatz 1 gilt nicht, wenn die natürliche Person</para>
    <para>1. sich nur vorübergehend, zusammen nicht mehr als 183 Tage im</para>
    <para>Lauf eines Kalenderjahres, in dem anderen Staat aufhält (?)."</para>
    <para>2.3. De termijn van 183 dagen lijkt ontleend aan Art. VI van het in</para>
    <para>1946 door het Financiële Comité van de Volkenbond opgestelde Model-</para>
    <para>verdrag&amp;lt;(4) Modèle de convention bilatérale tendant a éviter les doubles impositions</para>
    <para>en matière d'impots sur le revenu et la fortune (Projet de Londres); N°</para>
    <para>C.88.M.88 1946.II.A, Série de Publications de la Société des nations II.</para>
    <para>Questions économiques et financières 1946.II.A.7, blz. 65. Idem art. VII</para>
    <para>van het in 1943 in Mexico opgestelde model.</para>
    <para>&amp;gt;, dat luidde:</para>
    <para>&amp;lt;</para>
    <para>?</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>"1. La rémunération du travail ou des services personnels</para>
    <para>sera imposable que dans l'Etat contractant où ces services sont</para>
    <para>rendus.</para>
    <para>2. Toutefois, une personne ayant son domicile fiscal dans l'un</para>
    <para>des Etats contractants sera exonérée dans l'autre Etat, en se</para>
    <para>qui concerne toute rémunération de ce genre, si elle séjourne</para>
    <para>temporairement dans le second Etat pendant une ou plusieurs</para>
    <para>périodes ne dépassant pas un total de 183 jours de l'année</para>
    <para>civile, et restera imposable dans le premier Etat.</para>
    <para>3. Si cette personne séjourne dans le second Etat pendant plus</para>
    <para>de 183 jours, elle y sera imposable à raison de la rénumération</para>
    <para>qu'elle a gagné pendant son séjour dans le dit Etat, mais ne</para>
    <para>sera pas imposable, au titre de cette rénumération, dans le</para>
    <para>premier Etat."</para>
    <para>Ook in het nationale Duitse recht valt wel een mogelijke bron aan te</para>
    <para>wijzen.&amp;lt;(5) Zie § 2, lid 1 Einkommensteuergesetz 1925: "(...) ünbeschränkt</para>
    <para>einkommensteuerpflichtig (sind) alle natürlichen Personen, solange sie im</para>
    <para>Deutschen Reiche einen Wohnsitz oder ihren gewöhnlichen aufenthalt haben.</para>
    <para>Als gewöhnlich gilt ein Aufenthalt von mehr als sechs Monaten; beträgt der</para>
    <para>aufenthalt mehr als sechs Monate, so erstreckt sich die Steuerpflicht auch</para>
    <para>auf die ersten sechs Monate."</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>2.4. In juli 1959 verscheen het tweede rapport van het Fiscale</para>
    <para>Comité van de OECD met modelbepalingen voor de behandeling van</para>
    <para>inkomsten 'des professions indépendantes et dépendantes'. De tekst</para>
    <para>van die bepalingen (VI en VII) komt overeen met die van art. 14 en</para>
    <para>15 van het OECD-Modelverdrag van 1963 (en 1977). Art. 15 van dat</para>
    <para>modelverdrag houdt in:</para>
    <para>"1. Subject to the provisions of Articles (?), salaries, wages</para>
    <para>and other similar remuneration derived by a resident of a</para>
    <para>Contracting State in respect of an employment shall be taxable</para>
    <para>only in that State unless the employment is exercised in the</para>
    <para>other Contracting State. If the employment is so exercised, such</para>
    <para>remuneration as is derived therefrom may be taxed in that other</para>
    <para>State.</para>
    <para>2. Notwithstanding the provisions of paragraph 1, remuneration</para>
    <para>derived by a resident of a Contracting State in respect of an</para>
    <para>employment exercised in the other Contracting State shall be</para>
    <para>taxable only in the first-mentioned State if:</para>
    <para>a) the recipient is present in the other State for a periode or</para>
    <para>periods not exceeding in the aggregate 183 days in the fiscal</para>
    <para>year concerned (?)."</para>
    <para>2.5. In het Commentaar bij dit artikel werd opgemerkt: (blz. 131)</para>
    <para>"The second paragraph of Article 15 contains (...) a general</para>
    <para>exception to the rule in paragraph 1. This exception, which</para>
    <para>concerns employment of short duration abroad, is mainly intended</para>
    <para>to facilitate the international movement of qualified personnel,</para>
    <para>as in the case of firms which sell capital goods and are</para>
    <para>responsible for installing and assembling them abroad.&amp;lt;(6) In die zin ook het commentaar bij art. VI, leden 2 en 3 van het</para>
    <para>Volkenbond-model (t.a.p. blz. 25): "Cette modification (...) est destinée à</para>
    <para>faciliter les opérations des entreprises se livrant au commerce</para>
    <para>international, ainsi que les déplacements des travailleurs à travers les</para>
    <para>frontières nationales."</para>
    <para>&amp;gt; (?) The</para>
    <para>exemption is limited to the 183-day period which is stipulated</para>
    <para>in the Mexico and London Model Conventions of the League of</para>
    <para>Nations. (?)."</para>
    <para>2.6. In 1992 werd de tekst van art. 15, lid 2 onder a gewijzigd in:</para>
    <para>"not exceeding in the aggregate 183 days in any twelve month</para>
    <para>period commencing or ending in the fiscal year concerned".</para>
    <para>In de in het commentaar omschreven doelstelling verdween de</para>
    <para>verwijzing naar 'employment of short duration abroad'. In plaats</para>
    <para>daarvan werd betoogd:</para>
    <para>"(?) the exemption is limited to the 183 day period.</para>
    <para>further stipulated that this time period may not be exceeded</para>
    <para>'in any twelve month period commencing or ending in the fiscal</para>
    <para>year concerned.' This contrasts with the 1963 Draft Convention</para>
    <para>and the 1977 Model Convention which provided that the 183 day</para>
    <para>period should not be exceeded 'in the fiscal year concerned', a</para>
    <para>formulation that created difficulties where the fiscal years of</para>
    <para>the Contracting States did not coincide and which opened up</para>
    <para>opportunities in the sense that operations were sometimes</para>
    <para>organised in such a way that, for example, workers stayed in</para>
    <para>the State concerned for the last 5 ½ months of one year and the</para>
    <para>first 5 ½ months of the following year. The present wording of</para>
    <para>sub-paragraph 2 a) does away with such opportunities for tax</para>
    <para>avoidance."</para>
    <para>2.7. Het Duitse Bundesfinanzhof (BFH) betrok in een oordeel van 10</para>
    <para>juli 1996 I R 4/96 [BFHE 181, 158, Bundessteuerblatt 1997, II, 15]</para>
    <para>over de uitleg van het in art. 10, lid 2 onder 1 van het Verdrag</para>
    <para>voorkomende term 'verblijft' ('aufhält') ook de tekst van art. 15,</para>
    <para>lid 2 onder 1 van dat Model-verdrag, overwegend (o. 3.c):</para>
    <para>"Auch wenn Art. 10 DBA-Niederlande aus dem Jahre 1959 und das</para>
    <para>erste OECD-MustAbk aus dem Jahre 1963 stammen, belegt der</para>
    <para>Regelungsinhalt von Art. 10 Abs. 2 Nr. 1 DBA-Niederlande und</para>
    <para>Art. 15 Abs. 2 Nr. 1 OECD-MustAbk, daß das DBA-Niederlande auf</para>
    <para>den Arbeiten des Steuerausschusses der (OECD) aufbaut, die</para>
    <para>bereits 1956 begannen (...)".</para>
    <para>2.8. Nu werd het Fiscale Comité van de OECD al in 1956 ingesteld,</para>
    <para>maar aanwijzingen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat degenen die</para>
    <para>over het Nederlands-Duitse verdrag onderhandelden - op het punt waar</para>
    <para>het thans om gaat - al konden beschikken over resultaten van het in</para>
    <para>het kader van dat Comité gevoerde overleg, heb ik niet aangetroffen.</para>
    <para>Bovendien wijkt de tekst van art. 10 van het Verdrag duidelijk af</para>
    <para>van die van art. 15 van het OECD-Modelverdrag. Een eis als</para>
    <para>"tijdelijk/vorübergehend" komt daarin immers niet voor. De</para>
    <para>overeenkomst met art. 9 van het Duits-Oostenrijkse verdrag</para>
    <para>daarentegen, is duidelijk.</para>
    <para>2.9. De begrippen 'tijdelijk' resp. 'vorübergehend' treft men</para>
    <para>overigens ook in andere - oudere - verdragen aan.&amp;lt;(7) Zie wat Nederland betreft o.a. art. XVI van het in 1948 gesloten verdrag</para>
    <para>met Amerika en art. X van het in dat jaar gesloten verdrag met het Verenigd</para>
    <para>Koninkrijk van Groot Brittanië en Noord-Ierland en voor Duitsland, naast</para>
    <para>het Verdrag met Oostenrijk van 1954, het protocol bij het in 1935</para>
    <para>afgesloten verdrag met Finland en de eveneens in 1958 afgesloten verdragen</para>
    <para>met Luxemburg en Noorwegen.</para>
    <para>Een dergelijk begrip [temporary present (...) for a period or periods not</para>
    <para>exceeding a total of 183 days during the taxable year] kwam ook voor in</para>
    <para>art. X, lid 2 van het in 1951 afgesloten verdrag tussen Amerika en</para>
    <para>Zwitserland.</para>
    <para>&amp;gt; In modernere</para>
    <para>verdragen wordt veelal de tekst van het OECD-Model gevolgd.</para>
    <para>3. De strekking van de bepaling</para>
    <para>3.1. Het Verdrag bevat nog een ander artikel waarin het (al dan</para>
    <para>niet) tijdelijk verblijf in een van de staten een rol speelt, het</para>
    <para>woonplaats-artikel (art. 3). In art. 3, lid 1 wordt de woonplaats in</para>
    <para>beginsel gekoppeld aan het houden en gebruiken van een woning. Art.</para>
    <para>3, lid 2 luidt:</para>
    <para>"Indien een natuurlijk persoon in geen van de Staten een woning</para>
    <para>(?) heeft, maar in een van de Staten gewoonlijk verblijft,</para>
    <para>wordt voor de toepassing van deze Overeenkomst het gewoonlijk</para>
    <para>verblijven als woonplaats beschouwd. Iemand verblijft</para>
    <para>gewoonlijk in een Staat, indien hij daar verblijft onder</para>
    <para>omstandigheden, waaruit valt af te leiden, dat hij in deze</para>
    <para>Staat niet slechts tijdelijk vertoeft."</para>
    <para>In het Duits luidt het slot van dat lid: 'nicht nur vorübergehend</para>
    <para>verweilt'.</para>
    <para>3.2. Die bepaling heeft tot gevolg dat het in art. 10 gebruikte</para>
    <para>begrip 'tijdelijk' - los van de toegevoegde 183-dagen-eis -</para>
    <para>rijkelijk onbepaald van inhoud is. Art. 10 ziet op personen die in</para>
    <para>een staat wonen maar enige tijd elders verblijven. Dat verblijf kan,</para>
    <para>gelet op art 3, lid 2 niet anders dan tijdelijk zijn.</para>
    <para>3.3. Pijl&amp;lt;(8) H. Pijl, MBB 1995, blz. 287, par. 3.2.</para>
    <para>&amp;gt; betoogde in 1995:</para>
    <para>"In Duitsland wordt de 183-dageneis slechts als explicitering</para>
    <para>van de tijdelijkheid verstaan. Tijdelijk valt daar dus samen</para>
    <para>met 183 dagen. Tekstueel lijkt hier ook aanleiding toe, want</para>
    <para>wat in de Duitse tekst tussen komma's staat lijkt een</para>
    <para>bijstelling bij vorübergehend (...). Ook historisch (...)</para>
    <para>lijken voor deze duiding argumenten aanwezig (volgt verwijzing</para>
    <para>naar het in par. 2.3 geciteerde art. uit het Model -verdrag van</para>
    <para>de Volkenbond, v.d.B.)."</para>
    <para>3.4. Het begrip 'vorübergehend' komt ook voor in § 9 van de Duitse</para>
    <para>Abgabenordnung (AO). Die paragraaf houdt in:</para>
    <para>"Den gewöhnlichen Aufenthalt hat jemand dort, wo er sich unter</para>
    <para>Umständen aufhält, die erkennen lassen, daß er an diesem Ort</para>
    <para>oder in diesem Gebiet nicht nur vorübergehend verweilt. Als</para>
    <para>gewöhnlicher Aufenthalt (?) ist stets und von Beginn an ein</para>
    <para>zeitlich zusammenhängender Aufenthalt von mehr als sechs</para>
    <para>Monaten Dauer anzusehen (?). Satz 2 gilt nicht, wenn der</para>
    <para>Aufenthalt ausschließlich zu Besuchs-, Erholungs-, Kur- oder</para>
    <para>ähnlichen privaten Zwecken genommen wird und nicht länger als</para>
    <para>ein Jahr dauert." &amp;lt;(9) § 9, tweede volzin, AO is ontleend aan oudere bepalingen, vgl. de in noot</para>
    <para>5 geciteerde § 2 Einkommensteuergesetz 1925 en § 14. Steueranpassungsgesetz</para>
    <para>1934.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>3.5. Het BFH overwoog in zijn in par. 2.7 genoemde uitspraak van 10</para>
    <para>juli 1996:</para>
    <para>"§ 9 AO 1977 definiert den gewöhnlichen Aufenthalt als</para>
    <para>Anknüpfungsmerkmal für die unbeschränkte Steuerpflicht. Die</para>
    <para>Vorschrift stellt nicht auf den Aufenthalt innerhalb eines</para>
    <para>Kalenderjahres ab. Dagegen liegen dem Art. 10 Abs. 2 Nr. 1 DBA-</para>
    <para>Niederlande Vereinfachungs- und Praktikabilitätserwägungen</para>
    <para>zugrunde. Das strikte Arbeitsortprinzip des Art. 10 Abs. 1 DBA-</para>
    <para>Niederlande wird durch Abs. 2 u.a. bei vorübergehenden</para>
    <para>Arbeitseinsätzen in dem anderen Vertragsstaat aufgegeben, weil</para>
    <para>die steuerliche Erfassung der Einkünfte für den anderen</para>
    <para>Vertragsstaat schwierig ist und das Steueraufkommen häufig in</para>
    <para>keinem Verhältnis zu dem mutmaßlichen Verwaltungsaufwand steht.</para>
    <para>Dabei wird jedes Kalenderjahr für sich gesehen, weil sich auch</para>
    <para>die steuerliche Erfassung auf Kalenderjahre bezieht. Zwar</para>
    <para>erfordert ein Aufenthalt von mehr als 183 Tagen im Kalenderjahr</para>
    <para>nicht, daß der Arbeitnehmer an mehr als 183 Tagen im</para>
    <para>Kalenderjahr in dem anderen Vertragsstaat nichtselbständig</para>
    <para>tätig wird. Gerade deshalb muß jedoch ein nicht mehr nur</para>
    <para>vorübergehender Aufenthalt angenommen werden, wenn im</para>
    <para>Einzelfall die nichtselbständige Arbeit an mehr als 183 Tagen</para>
    <para>im anderen Vertragsstaat ausgeübt wird. (?)".</para>
    <para>3.6. De veronderstelling van het BFH dat de regeling van art. 10,</para>
    <para>lid 2 onder 1 van het Verdrag op praktische gronden berust, lijkt</para>
    <para>aannemelijk. Zie ook Schulze-Brachmann&amp;lt;(10) Schulze-Brachmann-Dirksen, a.w. blz. C-XIII/8 Rz. 16.</para>
    <para>&amp;gt; die betoogde:</para>
    <para>"Um zusätzliche administrative Komplikationen des ohnehin</para>
    <para>tatsächlicher Beziehung schwierigen Gebiets der Lohnbesteuerung</para>
    <para>zu vermeiden, gilt (...) die sogen. 183-Tage-Klausel. Diese</para>
    <para>(...) Klausel besagt, dass unter bestimmten Voraussetzungen</para>
    <para>(...) ein Arbeitnehmer seinen Steuergläubiger nicht wechselt,</para>
    <para>nämlich den seines Wohnsitzes, wenn er sich nicht länger als</para>
    <para>183 Tage im Laufe eines Kalenderjahrs im anderen Staate</para>
    <para>aufhält, ohne seinen Wohnsitz aufzugeben."</para>
    <para>3.7. Zie voor de strekking verder de in par. 2.5 geciteerde</para>
    <para>toelichting op art. 15 van het OECD-Modelverdrag en het in noot 6</para>
    <para>geciteerde commentaar bij art. VI van het Volkenbond-Model.</para>
    <para>3.8. Het BFH lijkt uit te gaan van een beoordeling van de</para>
    <para>verblijfsduur op jaarbasis. Het begrip 'tijdelijk/vorübergehend'</para>
    <para>heeft dan geen zelfstandige betekenis. Die opvatting is, ook in</para>
    <para>Duitsland, niet algemeen aanvaard. Zo betoogt Schauhoff&amp;lt;(11) S. Schauhoff in Debatin/Wassermaeyer, Doppelbesteuerung, Commentaar</para>
    <para>verdrag Duitsland-Nederland, art. 10, blz. 13, aant. 3 b Rz 29 (Januari</para>
    <para>1998).</para>
    <para>&amp;gt;:</para>
    <para>"Deutlicher als in (art. 15, lid 2, onder a van het OECD-</para>
    <para>Modelverdrag) wird in Art. 10 Abs. 2 Nr. 1 [van het Verdrag</para>
    <para>Nederland-Duitsland, v.d.B.] betont, daß es sich bei dem</para>
    <para>Aufenthalt im anderen Staat um einen vorübergehenden Aufenthalt</para>
    <para>handeln muß. Auch wenn der Steuerpflichtige sich im Einzelfall</para>
    <para>in einem Kalenderjahr weniger als 183 Tage im anderen</para>
    <para>Vertragsstaat aufhält, sich aber aus dem Gesamtcharakter seines</para>
    <para>Aufenthaltes ergibt, daß ein dauernder Aufenthalt im anderen</para>
    <para>Vertragsstaat begründet worden ist, beispielweise weil sich der</para>
    <para>Aufenthalt nach dem Jahreswechsel fortsetzt, liegt kein</para>
    <para>vorübergehender Aufenthalt mehr vor. (?)."</para>
    <para>3.9. In het merendeel van de door Duitsland afgesloten verdragen</para>
    <para>wordt de tekst van art. 15 van het OECD-Modelverdrag (tekst</para>
    <para>1963/1977) gevolgd. In die gevallen moet dus naar de tekst</para>
    <para>uitsluitend de 183-dagen-regeling worden gehanteerd en wel op</para>
    <para>jaarbasis. In die zin luidt ook een in 1994 gegeven ambtelijke</para>
    <para>instructie.&amp;lt;(12) BMF-Schreiben van 5 januari 1994 IV C 5 - S 1300 -197/93, BStBl. I 11, ook</para>
    <para>afgedrukt in Debatin/Wassermeyer, a.w. Band I, Anhang B II 41a.</para>
    <para>&amp;gt; Volgens Schieber&amp;lt;(13) P.H. Schieber in Debatin/Wassermeyer, Doppelbesteuerung, Commentaar art 15</para>
    <para>OECD-Modelverdrag, blz. 46, Rz. 95.</para>
    <para>&amp;gt; echter, werd in de door Schauhoff</para>
    <para>bedoelde gevallen</para>
    <para>"In der Praxis (...) dem Abkommenstext teilweise in der Weise</para>
    <para>negiert, daß bei Erfüllung der Besteuerungsvoraussetzungen im</para>
    <para>ersten Steuerjahr zumindest ein unmittelbar fortgesetzter</para>
    <para>Einsatz im Folgejahr auch dann besteuert wurde, wenn er in</para>
    <para>diesem anderen Steuerabschnitt keine 183 Tage mehr erreichte".</para>
    <para>4. Nader: tijdelijk verblijven, Nederlandse rechtspraak</para>
    <para>4.1. Beoordeelt men, zoals het BFH lijkt voor te schrijven, de</para>
    <para>verblijfsduur op jaarbasis, dan heeft het begrip</para>
    <para>'tijdelijk/vorübergehend' geen zelfstandige betekenis. In die zin</para>
    <para>ook Lang en Schuch&amp;lt;(14) Debatin/Wassermeyer, Doppelbesteuerung, Commentaar verdrag Duitsland-</para>
    <para>Oostenrijk, art. 9, blz. 24 aant. 53.</para>
    <para>&amp;gt; ten aanzien van art. 9, lid 2 van het Duits-</para>
    <para>Oostenrijkse verdrag, onder verwijzing naar een in 1989 gemaakte</para>
    <para>afspraak tussen de belastingadministraties van die beide landen. Zij</para>
    <para>stellen zelfs:</para>
    <para>"(?) Dieses Ergebnis entspricht dem Abkommenswortlaut, der</para>
    <para>ohnedies als Beobachtungszeitraum jeweils ein Kalenderjahr</para>
    <para>normiert. Die Formulierung "vorübergehend" bezieht sich nämlich</para>
    <para>stets auf den Beobachtungszeitraum genau eines Kalenderjahres."</para>
    <para>Dat lijkt mij overtrokken. Weliswaar gaat het bij heffingen als de</para>
    <para>inkomstenbelasting vrijwel steeds om heffingen op jaarbasis, maar</para>
    <para>als de tijdsduur een rol speelt, is een beoordeling per kalenderjaar</para>
    <para>vrij willekeurig. Noch de tekst van art. 10 van het Verdrag noch de</para>
    <para>tekst van art. 9 van het Duits-Oostenrijkse verdrag dwingt naar mijn</para>
    <para>mening tot een beoordeling op jaarbasis.</para>
    <para>4.2. In de lagere Nederlandse rechtspraak heeft dat begrip wel</para>
    <para>betekenis gekregen. Enige steun kon daarbij worden ontleend aan het</para>
    <para>arrest HR 22 juni 1966, BNB 1966/202 m.nt. P. den Boer, waarin werd</para>
    <para>overwogen</para>
    <para>"dat (...) ingevolge artikel 10, lid 2, onder 1 [van het</para>
    <para>Verdrag] (...) het recht tot belastingheffing voor de werkstaat</para>
    <para>eerst intreedt bij een - tijdelijk - verblijf van de werknemer</para>
    <para>in die Staat van in totaal meer dan 183 dagen in een</para>
    <para>kalenderjaar (...)"</para>
    <para>al werd in dat arrest aan het begrip 'tijdelijk' verder geen inhoud</para>
    <para>gegeven.</para>
    <para>4.3. Het gerechtshof te Arnhem (uitspraak van 19 december 1966, BNB</para>
    <para>1967/78&amp;lt;(15) FED Dubb.B.: Verdr. W.-Duitsland: 28 m.nt. M.R. Reuvers.</para>
    <para>&amp;gt;) kreeg het geval voorgelegd van een in Nederland wonende</para>
    <para>werknemer, die in dienst was bij een Nederlandse werkgever en die</para>
    <para>vanaf eind maart 1960 totdat zijn dienstbetrekking op 23 september</para>
    <para>1962 (onverwacht) eindigde, in het kader van die dienstbetrekking</para>
    <para>als regel gedurende vier of vijf dagen per week in Duitsland had</para>
    <para>gewerkt. Het hof overwoog:</para>
    <para>"dat art. 10, lid 2, sub 1°, van het verdrag (...) bedoelt aan</para>
    <para>de voorwaarde van een maximum-verblijfsduur in het andere land</para>
    <para>van in totaal 183 dagen in een kalenderjaar als vereiste voorop</para>
    <para>te stellen, dat dit verblijf (...) bovendien een 'tijdelijk' -</para>
    <para>'vorübergehend' - karakter moet dragen; (?)</para>
    <para>dat deze afzonderlijke eis van tijdelijkheid niet betrekking kan</para>
    <para>hebben op elke periode van verblijf in het andere land</para>
    <para>afzonderlijk, gevolgd en/of voorafgegaan door een periode van</para>
    <para>verblijf in het eigen land, aangezien aan de uitdrukking, aldus</para>
    <para>verstaan, in het zinsverband geen zelfstandige betekenis zou</para>
    <para>toekomen, doch het Hof deze eis aldus verstaat dat de betrokken</para>
    <para>werknemer zich niet over een langere tijdsduur telkens in het</para>
    <para>andere land ophoudt - zij het met min of meer regelmatige</para>
    <para>tussenpozen van verblijf in het eigen land - om daar werkzaam te</para>
    <para>zijn; dat (de werknemer) gedurende meerdere jaren regelmatig in</para>
    <para>Duitsland verbleef om daar zijn werkzaamheden voor (de</para>
    <para>werkgever) te verrichten en een zodanig verblijf als zich</para>
    <para>uitstrekkend over langere duur niet als "tijdelijk" in</para>
    <para>vorenbedoelde zin is aan te merken (...)."</para>
    <para>4.4. In dezelfde zin als het slot van dit citaat ook A-G Van Soest</para>
    <para>in zijn conclusie voor HR 5 januari 1977, BNB 1977/30, blz. 170 r.</para>
    <para>6/7, inzake een kortdurend, terugkerend verblijf betogend: "hij</para>
    <para>verblijft daar telkens weer, dus niet 'tijdelijk' ".</para>
    <para>4.5. Art. XIV, § 3 van het in 1949 gesloten verdrag met Frankrijk</para>
    <para>wees het recht tot belastingheffing van de arbeidsinkomsten, genoten</para>
    <para>door</para>
    <para>"(...) een persoon die (...) een tijdelijke opdracht vervult,</para>
    <para>die slechts een verblijf van korte duur met zich brengt (...)"</para>
    <para>toe aan de woonstaat. Peeters&amp;lt;(16) J.B.J. Peeters, Internationaal belastingrecht in Nederland, blz. Fr. 30.</para>
    <para>&amp;gt; betoogde</para>
    <para>"De voorwaarde, dat de werknemer een tijdelijke opdracht moet</para>
    <para>vervullen, is, dunkt mij, gesteld om het geregeld, zij het bij</para>
    <para>tussenpozen uitoefenen van een betrekking [uit te sluiten]. De</para>
    <para>werknemer die in opdracht van zijn Nederlandse werkgever zijn</para>
    <para>betrekking in Frankrijk geregeld om de maand of gedurende drie</para>
    <para>maanden per jaar uitoefent, valt niet onder [die bepaling]".</para>
    <para>4.6. De tekst van art. 10 van het Verdrag biedt echter geen</para>
    <para>aanknopingspunten om rekening te houden met de aard van de</para>
    <para>detachering. Laat men die aard buiten beschouwing, dan zie ik geen</para>
    <para>reden waarom een kortstondig weerkerend verblijf niet als</para>
    <para>'tijdelijk/vorübergehend' zou kunnen worden beschouwd. Dat begrip is</para>
    <para>immers zo vaag, dat een scherpe afscheiding van wat er wel onder</para>
    <para>valt en wat niet, moeilijk valt te geven. Er is nog een ander</para>
    <para>argument om een dergelijk kortstondig, terugkerend verblijf toch als</para>
    <para>'tijdelijk/vorübergehend' te beschouwen, namelijk de praktische aard</para>
    <para>van de regeling. Evenmin als het voor de werkstaat praktisch</para>
    <para>beschouwd erg zinvol is om een elders wonende belastingplichtige bij</para>
    <para>een incidenteel verblijf van enkele dagen als belastingplichtige in</para>
    <para>de heffing te betrekken, is het voor de werkstaat zinvol om dat te</para>
    <para>doen als het gaat om een terugkerend verblijf van enkele dagen per</para>
    <para>jaar. Dat praktische argument dient hier naar mijn mening bij de</para>
    <para>uitleg de doorslag te geven.</para>
    <para>4.7. Het gerechtshof te 's-Gravenhage overwoog in een uitspraak van</para>
    <para>23 februari 1970, BNB 1971/160:</para>
    <para>"Het naast elkaar gesteld zijn van de criteria "tijdelijk" en</para>
    <para>"in totaal niet meer dan 183 dagen gedurende een kalenderjaar"</para>
    <para>wijst erop dat de Hoge Verdragsluitende Partijen hebben</para>
    <para>overwogen dat een verblijf van meer dan 183 dagen gedurende een</para>
    <para>kalenderjaar niettemin tijdelijk kan zijn en dat een verblijf</para>
    <para>van 183 dagen of minder gedurende een kalenderjaar niet</para>
    <para>noodzakelijkerwijze tijdelijk behoeft te zijn. (?)."</para>
    <para>4.8. Die overweging is, wat het eerste deel betreft, onjuist. De</para>
    <para>Duitse tekst van art. 10 lid 2 van het Verdrag laat zien dat het</para>
    <para>niet gaat om nevengeschikte criteria. Verblijft men in een</para>
    <para>kalenderjaar van meer dan 183 dagen in de andere staat, dan verliest</para>
    <para>de woonstaat het recht tot belastingheffing over de in die periode</para>
    <para>verworven arbeidsinkomsten.</para>
    <para>4.9. Het in het slot van de overweging ingenomen standpunt valt</para>
    <para>beter te verdedigen. In de uitleg die het BFH aan art. 10 van het</para>
    <para>Verdrag geeft, moet de tijdelijkheid van het verblijf uitsluitend op</para>
    <para>jaarbasis worden getoetst. Een verblijf dat aanvangt in de tweede</para>
    <para>helft van een kalenderjaar, doorloopt in het volgende jaar en in</para>
    <para>totaal meer dan 183 dagen heeft geduurd, kan dan in beide jaren</para>
    <para>'tijdelijk' zijn. Juist met het oog op dergelijke gevallen is in de</para>
    <para>tekst van art 15 van het OECD-Modelverdrag een wijziging aangebracht</para>
    <para>(zie hiervoor, par. 2.6). Met behulp van de uitleg die het Haagse</para>
    <para>hof aan het begrip 'tijdelijk' gaf, zou men in dergelijke gevallen</para>
    <para>hetzelfde resultaat bereiken (toewijzing van het heffingsrecht aan</para>
    <para>de werkstaat).&amp;lt;(17) Zie voor een en ander ook Vogel, Doppelbesteuerungsabkommen, 3e dr. (1996)</para>
    <para>Art. 15, blz. 1148/9, aant. 23, 23a en 23b.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>4.10. De derde uitspraak waarin het begrip 'tijdelijk' een rol</para>
    <para>speelde was de uitspraak van het gerechtshof te Arnhem van 15 juni</para>
    <para>1973, BNB 1974/109. Het hof was van oordeel dat voor de inhouding</para>
    <para>van loonbelasting van uitgezonden werknemers moest worden afgegaan</para>
    <para>op de te verwachten duur van de tewerkstelling. Dat de feitelijke</para>
    <para>duur van de tewerkstelling korter uitviel dan 183 dagen, achtte het</para>
    <para>hof niet van belang.</para>
    <para>4.11. Bij de inhouding van loonbelasting zal men inderdaad</para>
    <para>noodgedwongen af moeten gaan op veronderstellingen; ten aanzien van</para>
    <para>de heffing van inkomstenbelasting zou ik echter uit willen gaan van</para>
    <para>de uiteindelijke duur van het verblijf.&amp;lt;(18) Anders kennelijk Dirksen in Schulze-Brachmann/Dirksen, a.w. band II, blz.</para>
    <para>D-XIII/4, Rz. 13.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>5. Onderling overleg</para>
    <para>5.1. Art. 25, lid 3, eerste volzin van het OECD-Modelverdrag luidt:</para>
    <para>"The competent authorities of the Contracting States shall</para>
    <para>endeavour to resolve by mutual agreement any difficulties or</para>
    <para>doubts arising as to the interpretation or application of the</para>
    <para>Convention (...)."</para>
    <para>5.2. In het commentaar wordt betoogd:</para>
    <para>"(par. 34) Under this provision the competent authorities can,</para>
    <para>in particular: - where a term has been incompletely or</para>
    <para>ambiguously defined in the Convention, complete or clarify its</para>
    <para>definition in order to obviate any difficulty (...).</para>
    <para>(par. 35) (...) it is important not to lose sight of the fact</para>
    <para>that, depending on the domestic law of Contracting States,</para>
    <para>other authorities (Ministry of Foreign Affairs, courts) have</para>
    <para>the right to interpret international treaties and agreements as</para>
    <para>well as the 'competent authority' designated in the Convention,</para>
    <para>and that this is sometimes the exclusive right of such other</para>
    <para>authorities."</para>
    <para>5.3. Vogel&amp;lt;(19) a.w. blz. 1718 art. 25, Randnr. 105.</para>
    <para>&amp;gt; stelt:</para>
    <para>"Umstritten ist der Rechtscharakter, insbesondere die</para>
    <para>Bindungswirkung von Auslegungsvereinbarungen (?). (?) Man</para>
    <para>könnte die Auslegungsvereinbarung als einen völkerrechtlichen</para>
    <para>Vertrag zur Ergänzung des DBA betrachten, gerichtet auf eine</para>
    <para>authentische Interpretation des DBA (...). Innerstaatliche</para>
    <para>Wirkungen könnte solch eine Vereinbarung aber nur nach den</para>
    <para>Grundsätzen des jeweils einschlägigen Verfassungsrechts</para>
    <para>erlangen, das heißt: ohne eine Mitwirkung des Parlaments nur in</para>
    <para>den Staaten, in denen völkerrechtliche Verträge innerstaatlich</para>
    <para>unmittelbar gelten (...) oder in denen eine Ermächtigung an die</para>
    <para>zuständigen Behörden verfassungsrechtlich zulässig ist, den</para>
    <para>Befehl zur innerstaatlichen Anwendung des Vertrags an Stelle</para>
    <para>des Parlaments zu erteilen. Da das nur in einer Minderheit der</para>
    <para>OECD-Staaten in Betracht kommt, wird man Art. 25 Abs. 3 nicht</para>
    <para>dahin auslegen können, daß er zu einer so verstandenen</para>
    <para>völkerrechtlichen Vereinbarung und zusätzlich auch noch zu</para>
    <para>deren Umsetzung in das innerstaatliche Recht ermächtigt (...).</para>
    <para>Die Auslegungsvereinbarung kann daher nur als eine Abrede der</para>
    <para>Verwaltungen verstanden werden, das DBA in einem bestimmten</para>
    <para>Sinne anzuwenden. Sie bindet als solche die beteiligten</para>
    <para>Verwaltungen, soweit nicht das Abkommen, das innerstaatliche</para>
    <para>Recht oder verbindliche gerichtliche Entscheidungen dem</para>
    <para>entgegenstehen. Dagegen bindet sie nicht die Gerichte, somit</para>
    <para>auch nicht die Steuerpflichtigen (...)."&amp;lt;(20) In die zin ook K. Koch in het het algemene overzicht van opvattingen van</para>
    <para>het in 1981 door de IFA gehouden congres over het mutual agreement, Cahiers</para>
    <para>de droit fiscal international, Vol. LXVIa, blz. 25. Een recenter overzicht</para>
    <para>van de opvattingen in een aantal landen vindt men in Vol. LXXVIIIa (1993,</para>
    <para>Interpretation of double taxation conventions).</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>5.4. Art. 31 van het verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht&amp;lt;(21) Trb. 1972, 51; 1977, 169 en 1985, 79.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>houdt in:</para>
    <para>"1. Een verdrag moet te goeder trouw worden uitgelegd</para>
    <para>overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het</para>
    <para>verdrag in hun context en in het licht van voorwerp en doel van</para>
    <para>het verdrag.</para>
    <para>(...)</para>
    <para>3. Behalve met de context dient ook rekening te worden gehouden</para>
    <para>met:</para>
    <para>a. iedere later tot stand gekomen overeenstemming tussen de</para>
    <para>partijen met betrekking tot de uitlegging van het verdrag of de</para>
    <para>toepasing van zijn bepalingen (...)."</para>
    <para>5.5. Aannemend dat de in een verdrag aangewezen 'competent</para>
    <para>authorities' als de bevoegde vertegenwoordigers van de partijen</para>
    <para>kunnen worden beschouwd&amp;lt;(22) Anders kennelijk de Engelse rechter Mummery J. in 1990 in de zaken IRC v.</para>
    <para>Commerzbank AG en IRC v. Banco do Brasil SA geciteerd door P. Baker, Double</para>
    <para>Taxation Conventions and International Tax Law, 2e dr. 1994, blz. 422: "It</para>
    <para>expresses the official view of the Revenue authorities of the two</para>
    <para>countries. That view may be right or wrong. Although Art. XXA (kennelijk de</para>
    <para>met art. 25, lid 3 van het OECD-Modelverdrag overeenkomende bepaling van</para>
    <para>het desbetreffende verdrag, v.d.B.) authorises the competent authorities to</para>
    <para>communicate with each other directly (...) 'to assure its consistent</para>
    <para>interpretation and application' it does not confer any binding or</para>
    <para>authoritative effect on the views or statements of the competent</para>
    <para>authorities in the English courts." Aarzelend ook Vogel en R. Prokisch,</para>
    <para>Cahiers de droit fiscal international vol. LXXVIIIa, blz. 36/7 die betogen</para>
    <para>dat zo'n afspraak in elk geval kan gelden als 'gebruik' als bedoeld in art.</para>
    <para>31, lid 3 onder b van het Weense verdrag. Dat 'gebruik' kan dan echter niet</para>
    <para>ten nadele van de belastingplichtigen werken.</para>
    <para>&amp;gt; en dat die nadere afspraak volgens het</para>
    <para>nationale recht bindend is&amp;lt;(23) Hetgeen naar Duits recht betekent dat die afspraak op zijn beurt door het</para>
    <para>parlement is goedgekeurd, zie BFH 1 februari 1989 IR 74/86, BFHE 157, 39,</para>
    <para>herhaald in de in par. 2.7 bedoelde uitspraak van 10 juli 1986 IR 4/96 BFHE</para>
    <para>181, 158.</para>
    <para>&amp;gt;, zal bij de uitleg van dat verdrag met</para>
    <para>een dergelijke afspraak rekening moeten worden gehouden.&amp;lt;(24) Vgl. o.a. Baker, a.w. blz. 422 en Avery Jones, Ellis c.s. MBB 1980 blz.</para>
    <para>274.</para>
    <para>&amp;gt; Daarmee is</para>
    <para>echter nog niets gezegd over het gewicht dat dan aan die afspraak</para>
    <para>moet worden toegekend.&amp;lt;(25) Vgl. o.a. H. Schaumburg, Internationales Steuerrecht, 2e dr. 1998, blz.</para>
    <para>815 ('Hilfsmittel für die Auslegung'). Vogel en Prokisch (t.a.p. blz. 37)</para>
    <para>lijken aan een dergelijke nadere afspraak over de uitleg van een</para>
    <para>verdragsbepaling, ook al is die afspraak bij gebreke aan de daarvoor</para>
    <para>vereiste parlementaire goedkeuring nog niet rechtens bindend, toch</para>
    <para>betekenis te willen toekennen als de "Auslegungsentscheidung mit dem</para>
    <para>Abkommen vereinbart werden kann". Zij wijzen daarbij op een uitspraak van</para>
    <para>het US Claims Court (Xerox Corp. v. US) waarin - in hun woorden - zou zijn</para>
    <para>beslist dat "a particular mutual agreement between the competent</para>
    <para>authorities follows the text of the convention and that there were no</para>
    <para>indications that it dit not fulfill the purpose of the treaty provision".</para>
    <para>Dat komt òfwel neer op een wat marginale toets (vgl. ook B. Peeters, Vol.</para>
    <para>LXXVIIa, blz. 236 en H.B. Hieltjes, Handboek Internationaal Belastingrecht,</para>
    <para>Hfst. III Art. 25, par. 3.1) waarbij aan de mening van de administratie</para>
    <para>meer waarde wordt toegekend dan aan de mening van de tegenpartij of het is</para>
    <para>een nietszeggende overweging, omdat de rechter die uitleg voor zijn</para>
    <para>rekening neemt.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>5.6. Staatssecretaris Vermeend betoogde onlangs&amp;lt;(26) Brief van de staatssecretaris van Financiën aan de Voorzitter van de Vaste</para>
    <para>Commissie voor Financiën van de Tweede Kamer van 18 december 1998, nr.</para>
    <para>IFZ98/1036 inzake vragen, gesteld naar aanleiding van de Notitie</para>
    <para>uitgangspunten van het beleid op het terrein van het internationaal fiscaal</para>
    <para>(verdragen) recht, VN 1999, blz. 415, zie ook VN 1998, blz. 2005.</para>
    <para>&amp;gt;:</para>
    <para>"Ik ben van mening dat de uitkomsten van zogeheten</para>
    <para>overlegprocedures, die binnen doel en strekking van het verdrag</para>
    <para>blijven, in beginsel bindend zijn voor belastingplichtigen. Dit</para>
    <para>is slechts anders indien de uitkomst van het overleg in strijd</para>
    <para>is met de tekst van het verdrag (...)."</para>
    <para>5.7. De in art. 25, lid 3 OECD-Modelverdrag bedoelde mogelijkheid</para>
    <para>vindt men ook in art. 25 lid 2 van het Verdrag, luidend:</para>
    <para>"De hoogste belastingautoriteiten zullen in onderlinge</para>
    <para>overeenstemming een regeling treffen, ten einde moeilijkheden en</para>
    <para>twijfelpunten, die zich bij de uitlegging of de toepassing van</para>
    <para>deze Overeenkomst voordoen, op te heffen, alsmede ten einde</para>
    <para>onbillijkheden op grond van dubbele belasting in gevallen die in</para>
    <para>deze Overeenkomst niet zijn geregeld, ongedaan te maken. (?)."</para>
    <para>5.8. Naar Duits recht is een dergelijke afspraak zoals gezegd</para>
    <para>slechts bindend (voor rechters en belanghebbenden) als die afspraak</para>
    <para>parlementair is goedgekeurd (BFH 10 juli 1996, IR 4/96, vermeld in</para>
    <para>par. 2.7 en in noot 23).&amp;lt;(27) Vgl. ook Dirksen, a.w. blz. D-XIX/2: "M.E. ist das Verständigungsverfahren</para>
    <para>des Art. 25 Abs. 2 als ein Verwaltungsverfahren zu betrachten (...). (...)</para>
    <para>die Bestimmung ist nicht wie eine Übertragung gesetzgebender Kompetenz an</para>
    <para>die obersten Finanzbehörden zu betrachten. Weder die Steuerpflichtigen noch</para>
    <para>die richterlichen Instanzen sind an das ergebnis des</para>
    <para>Verständigungsverfahrens gebunden."</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>5.9. Naar Nederlands recht verkrijgen verdragen in beginsel eerst</para>
    <para>verbindende kracht na goedkeuring door de Staten-Generaal (art. 91</para>
    <para>Grondwet en art. 2 Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen,</para>
    <para>hierna: de Rijkswet). Zgn. 'uitvoeringsverdragen' behoeven een</para>
    <para>dergelijke goedkeuring echter niet, tenzij door (een aantal leden</para>
    <para>van) de Staten-Generaal voorlegging ter goedkeuring wordt gevraagd,</para>
    <para>zie art. 7, aanhef en onder b en art. 8 van de Rijkswet.</para>
    <para>5.10. In de MvT inzake de Rijkswet&amp;lt;(28) Kamerstukken II, 1988-1989, 21 214 (R 1375) nr. 3 blz. 12; het betoog was</para>
    <para>een herhaling van hetgeen t.a.v. art. 91 Grondwet was betoogd (Kamerstukken</para>
    <para>II, 1979-1980, 15 049 (R 1100), nr. 10, blz. 5).</para>
    <para>&amp;gt; werd betoogd</para>
    <para>"of een verdrag beschouwd moet worden als een</para>
    <para>uitvoeringsverdrag is primair afhankelijk van het daaraan ten</para>
    <para>grondslag liggende verdrag. In de praktijk worden hierbij twee</para>
    <para>criteria gehanteerd. Het eerste criterium is, of er in het</para>
    <para>«moederverdrag» een duidelijke basis gelegen is die een zekere</para>
    <para>juridische gehoudenheid meebrengt tot het tot stand brengen van</para>
    <para>het uitvoeringsverdrag. Het tweede criterium is of in het</para>
    <para>goedgekeurde «moederverdrag» voldoende duidelijk is aangegeven</para>
    <para>wat er nog bij wijze van uitvoering nader geregeld moet worden.</para>
    <para>(...)."&amp;lt;(29) Zie voor de inhoud van het begrip verder de MvA inzake die Rijkswet</para>
    <para>(Kamerstukken II, 1990/91, 21 214 (R 1375) nr. 8 blz. 8 en de brief van de</para>
    <para>bewindsman terzake aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 1992-1993, 21 214</para>
    <para>(R 1375) nr. 17.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>5.11. Zie voor een voorbeeld: HR 8 november 1995 nr. 263, na mijn</para>
    <para>conclusie, FED 1996/218 m.nt. M.W.C. Feteris.&amp;lt;(30) VN 1995 blz. 4359, pt. 38; RSV 1996/78.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>5.12. Met het oog op de mogelijkheid dat ook voor zo'n</para>
    <para>uitvoeringsverdrag toch de normale (goedkeurings)-procedure moet</para>
    <para>worden gevolgd, is voorgeschreven dat het voornemen tot het</para>
    <para>afsluiten van een dergelijk verdrag aan de Staten-Generaal moet</para>
    <para>worden meegedeeld (art. 8 van de Rijkswet). Voor dergelijke</para>
    <para>verdragen gelden verder de normale voorschriften t.a.v. publicatie</para>
    <para>etc.</para>
    <para>5.13. De regeling van art. 7 van de Rijkswet is ontleend aan art.</para>
    <para>62, lid 1 aanhef en onder b (oud) van de Grondwet. Avery Jones en</para>
    <para>Ellis c.s. betoogden in 1980 t.a.v. die bepaling&amp;lt;(31) MBB 1980, blz. 273, nt. 69.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>"At first sight this provision gives specific authority</para>
    <para>making legally binding mutual agreements. The Finance Ministry</para>
    <para>is, however, understood to consider that this provision has no</para>
    <para>application to interpretative mutual agreements."&amp;lt;(32) Het is gelet op dit standpunt opmerkelijk dat in het begin van de jaren</para>
    <para>'90 op basis van het overleg-artikel afspraken zijn gemaakt die nog veel</para>
    <para>verder gingen dan uitlegging van de verdragsbepalingen en die het kader van</para>
    <para>een uitvoeringsverdrag evident overschreden (afspraken van de Nederlandse</para>
    <para>met de Deense resp. de Duitse belastingadministratie over de rechtsmacht op</para>
    <para>het zgn continentale plat, resolutie van 21 december 1992 nr IFZ92/1469, VN</para>
    <para>1993, blz. 26 pt. 7 en resolutie van 16 november 1993 VN 1993, blz. 4061</para>
    <para>pt. 7).</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>5.14. Ik ben geneigd dat standpunt te delen. Het begrip</para>
    <para>uitvoeringsverdrag is weliswaar rijkelijk vaag, maar het gaat mij</para>
    <para>toch te ver om onder 'uitvoering' ook 'uitleg' te begrijpen. De</para>
    <para>uitleg van de verdragsbepalingen bepaalt immers de werkingssfeer van</para>
    <para>het verdrag of, anders gezegd, de omvang van hetgeen de staten</para>
    <para>hebben afgesproken. Het is niet aan de belastingadministratie om</para>
    <para>daarover een bindende uitspraak te doen.</para>
    <para>5.15. Zou men interpretatieve afspraken als bedoeld in art. 25, lid</para>
    <para>3 OECD-Modelverdrag niettemin in beginsel wel willen aanmerken als</para>
    <para>een uitvoeringsverdrag, dan zou ik toch in elk geval een</para>
    <para>uitzondering willen maken voor afspraken over kwesties van</para>
    <para>verdragsuitleg, waarover de rechter al een uitspraak heeft gedaan of</para>
    <para>die al aan de rechter zijn voorgelegd.</para>
    <para>6. De in 1995 o.g.v. art. 25 van het Verdrag gemaakte afspraak</para>
    <para>6.1. Een in het VN van 10 augustus 1995 gepubliceerd besluit van de</para>
    <para>staatssecretaris van Financiën van 13 juli 1995, nr. IFZ 95/904 M&amp;lt;(33) VN 1995, blz. 2657, pt. 9.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>houdt in:</para>
    <para>"1. Met betrekking tot de toepassing van artikel 10 van (het</para>
    <para>Verdrag) kan ik u het volgende meedelen. Na gebleken</para>
    <para>moeilijkheden bij de uitleg van dat artikel is op grond van</para>
    <para>artikel 25 van het verdrag tussen de Nederlandse en Duitse</para>
    <para>bevoegde autoriteiten de volgende overeenstemming bereikt over</para>
    <para>de interpretatie van (het begrip) (?) "tijdelijk" (?) in artikel</para>
    <para>10, tweede lid van het Verdrag (?).</para>
    <para>2. "Tijdelijk"</para>
    <para>Het begrip "tijdelijk" in artikel 10, tweede lid, onder 1, van</para>
    <para>het Verdrag dient overeenkomstig de interpretatie van artikel 15</para>
    <para>van het OESO-Modelverdrag 1992 op dit punt te worden uitgelegd.</para>
    <para>Dit heeft tot gevolg dat aan het begrip tijdelijk geen</para>
    <para>zelfstandige betekenis moet worden toegekend en dat een verblijf</para>
    <para>in de staat waar de arbeid wordt verricht als bedoeld in</para>
    <para>genoemde bepaling slechts getoetst wordt aan het 183-dagen</para>
    <para>criterium. (?)"</para>
    <para>(?)</para>
    <para>5. Inwerkingtreding</para>
    <para>Het onderwerpelijke besluit vindt toepassing met ingang van de</para>
    <para>datum van publicatie van het besluit en kan eveneens toepassing</para>
    <para>vinden met betrekking tot aanslagen die op of na de datum van</para>
    <para>publicatie van het onderhavige besluit nog niet definitief</para>
    <para>vaststaan (?).</para>
    <para>In het licht van bovengenoemde in gezamenlijk overleg tussen de</para>
    <para>bevoegde Nederlandse en Duitse autoriteiten overeengekomen</para>
    <para>uitleg van artikel 10 van het (Verdrag) dienen (?) de uitspraken</para>
    <para>van het gerechtshof Arnhem van 19 december 1966, nr. 630/64 (BNB</para>
    <para>1967/78) en het gerechtshof Den Haag van 23 februari 1970, nr.</para>
    <para>98/1969 (BNB 1971/160), waarbij aan het begrip "tijdelijk" een</para>
    <para>zelfstandige betekenis werd toegekend, niet meer tot richtlijn</para>
    <para>te worden genomen."</para>
    <para>6.2. Het gaat hier gelet op de aanhef van punt 1 kennelijk om een</para>
    <para>aanschrijving, gericht tot de hoofden van directies en eenheden van</para>
    <para>de Belastingdienst. De onder punt 2 opgenomen tekst van het besluit</para>
    <para>is kennelijk een weergave van (een deel van) de inhoud van de</para>
    <para>afspraak die de hoofden van de beide belastingadministraties hebben</para>
    <para>gemaakt. De tekst van die afspraak is, naar de afdeling voorlichting</para>
    <para>van het Ministerie van Financiën bij navraag meedeelde, in Nederland</para>
    <para>niet (apart) gepubliceerd. De afspraak is derhalve, gesteld al dat</para>
    <para>men daarin een uitvoeringsverdrag zou willen zien, voor de uitleg</para>
    <para>van art. 10 van het Verdrag niet bindend.</para>
    <para>6.3. Wat de inhoud van de in punt 2 weergegeven afspraak betreft,</para>
    <para>merk ik het volgende op. Uit par. 2.8 volgt dat aan art. 15 van het</para>
    <para>OECD-Modelverdrag als bepaling van later datum voor de uitleg van</para>
    <para>art. 10 van het Verdrag slechts een beperkte betekenis kan worden</para>
    <para>toegekend. Op zijn hoogst zou men uit het feit dat een eis als</para>
    <para>'tijdelijk/vorübergehend' in art. 15 van het OECD-Modelverdrag zelfs</para>
    <para>niet voor komt, kunnen afleiden dat de opstellers van het</para>
    <para>Modelverdrag een dergelijke eis niet noodzakelijk vonden&amp;lt;(34) In het in par. 2.3 geciteerde art. VI van het Volkenbond-Model kwam de eis</para>
    <para>nog wel voor (lid 2: 'temporairement'), maar ook in die bepaling had die</para>
    <para>eis, door de wijze waarop het derde lid van die bepaling was geformuleerd,</para>
    <para>eigenlijk al geen betekenis, zie ook H. Pijl, MBB 1995, blz. 287, par. 3.2.</para>
    <para>&amp;gt;, en dat kan</para>
    <para>een factor zijn die bij de uitleg van art. 10 van het Verdrag in</para>
    <para>aanmerking kan worden genomen. In die opvatting zou een verwijzing</para>
    <para>naar de tekst van art. 15 in plaats van naar de interpretatie van</para>
    <para>die bepaling passender zijn geweest. Van die verwijzing naar de</para>
    <para>tekst van de bepaling heeft men vermoedelijk afgezien, omdat een</para>
    <para>dergelijke verwijzing een ander probleem zou hebben opgeroepen. Op</para>
    <para>basis van de tot 1992 geldende tekst, zou een dergelijke verwijzing</para>
    <para>inderdaad een sluitend betoog hebben opgeleverd, maar sinds 1992</para>
    <para>schrijft art. 15, lid 2 onder a van het OECD-Modelverdrag voor dat</para>
    <para>de 183-dagen-regel niet meer op jaarbasis moet worden toegepast (zie</para>
    <para>hiervoor, par. 2.6). Als er aan het begrip 'tijdelijk/vorübergehend'</para>
    <para>in art. 10 van het Verdrag geen betekenis wordt toegekend, dan komt</para>
    <para>men voor die bepaling uit op een beoordeling op jaarbasis. Hiervoor</para>
    <para>- par. 4.9 - heb ik betoogd dat men met behulp van het begrip</para>
    <para>'tijdelijk/vorübergehend' aan art. 10 van het Verdrag voor de</para>
    <para>gevallen welke men met die gewijzigde tekst van art. 15 van het</para>
    <para>OECD-Model op het oog had, een uitleg zou hebben kunnen geven die</para>
    <para>strookt met die gewijzigde tekst. Dat de beslissing om aan het</para>
    <para>begrip 'tijdelijk/vorübergehend' geen betekenis toe te kennen, wordt</para>
    <para>gemotiveerd met een verwijzing naar de sinds 1992 geldende versie</para>
    <para>van art. 15 van het OECD-Modelverdrag, is daarom in dit opzicht</para>
    <para>tegenstrijdig.&amp;lt;(35) Vgl. ook Schauhoff, Debatin/Wassermeyer, Doppelbesteuerung, Commentaar</para>
    <para>verdrag Nederland art. 10, blz. 14 Rz. 29: "übersehen (wird), daß in Art.</para>
    <para>15 MA nicht auf das Kalenderjahr, sondern auf einen Zeitraum von 12 Monaten</para>
    <para>abgestellt wird, so daß in Art. 15 MA im Gegensatz zu Art. 10 Abs. 2 kein</para>
    <para>zusätzliches Tatbestandsmerkmal für die Fälle erforderlich ist, in denen</para>
    <para>der Aufenthalt überden Wechsel des kalenderjahres hinaus andauert."</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>6.4. Voor de gevallen die thans voorliggen, is een en ander</para>
    <para>overigens, wat de uitleg van art. 10 van het Verdrag aangaat, niet</para>
    <para>van belang. In die gevallen kan naar mijn mening, ook als men aan</para>
    <para>het begrip 'tijdelijk/vorübergehend' wel een aparte betekenis</para>
    <para>toekent, worden gesproken van een 'tijdelijk/vorübergehend' verblijf</para>
    <para>in de zin van art. 10 van het Verdrag.</para>
    <para>7. Het onderschrift bij de uitspraak van het gerechtshof Arnhem</para>
    <para>7.1. Bij de uitspraak van het gerechtshof Arnhem van 19 december</para>
    <para>1966, BNB 1967/78 is de volgende noot opgenomen:</para>
    <para>"Bij brief van 23 januari 1967, no. B7/14, heeft de Minister aan</para>
    <para>de directeur medegedeeld dat hij heeft afgezien van het</para>
    <para>instellen van beroep in cassatie tegen de onderhavige uitspraak,</para>
    <para>onder toevoeging van het volgende:</para>
    <para>Dat het Hof aan het woord "tijdelijk" in artikel 10, tweede</para>
    <para>sub 1 van het Nederlands-Duitse belastingverdrag zelfstandige</para>
    <para>betekenis toekent naast het vereiste van "in totaal niet meer</para>
    <para>dan 183 dagen gedurende een kalenderjaar" acht ik juist.</para>
    <para>Bovendien leid ik uit de omstandigheden af dat A, indien het</para>
    <para>dienstverband met X niet voortijdig zou zijn verbroken,</para>
    <para>gedurende het kalenderjaar 1962 meer dan 183 dagen in Duitsland</para>
    <para>zou hebben verbleven.</para>
    <para>In zulke gevallen acht ik de 183 dagen-bepaling nooit van</para>
    <para>toepassing."</para>
    <para>7.2. Dergelijke 'algemene, ter kennis van het publiek gekomen</para>
    <para>uitlatingen' van de bewindsman die verantwoordelijk is voor de</para>
    <para>Belastingdienst, kunnen in rechte te respecteren vertrouwen opwekken</para>
    <para>(vgl. o.a. HR 2 maart 1983, BNB 1983/150 m.nt. G. Laeijendecker). In</para>
    <para>dergelijke onderschriften moet uiteraard niet meer worden gelezen</para>
    <para>dan daarmee is bedoeld.&amp;lt;(36) Vgl. ook R.H. Happé, Drie beginselen van fiscale rechtsbescherming, 1996,</para>
    <para>blz. 161/2.</para>
    <para>&amp;gt; Als de bewindsman aangeeft dat hij zo zijn</para>
    <para>eigen redenen heeft om tegen een uitspraak geen beroep in te</para>
    <para>stellen, dan betekent het niet instellen van dat beroep dus - bij</para>
    <para>voorbeeld - niet, dat hij die uitspraak als norm accepteert. Stemt</para>
    <para>hij blijkens zijn uitlating in met de uitspraak, dan behoeft dat nog</para>
    <para>niet te betekenen, dat hij die uitspraak in alle gevallen als norm</para>
    <para>wenst te aanvaarden.</para>
    <para>7.3. In dit geval verdienen twee punten de aandacht: De bewindsman</para>
    <para>stemde in met de beslissing van het gerechtshof te Arnhem, dat het</para>
    <para>begrip 'tijdelijk' een zelfstandige betekenis heeft. In de uitlating</para>
    <para>valt echter niet te lezen dat de bewindsman ook instemde met de</para>
    <para>uitleg die het gerechtshof in dat geval aan het begrip tijdelijk</para>
    <para>gaf, namelijk, dat onder een tijdelijk verblijf in de zin van art.</para>
    <para>10 van het Verdrag niet valt het verblijf van een werknemer die (BNB</para>
    <para>1967/78, blz. 235, r. 45 e.v.)</para>
    <para>"zich (?) over een langere tijdsduur telkens in het andere land</para>
    <para>ophoudt - zij het met min of meer regelmatige tussenpozen van</para>
    <para>verblijf in het eigen land (?)."</para>
    <para>De bewindsman stemde wel in met de beslissing waartoe het</para>
    <para>gerechtshof kwam - toewijzing van het heffingsrecht aan de</para>
    <para>woonstaat, maar gaf ook aan dat hij daarvoor zijn eigen redenen had.</para>
    <para>7.4. Nog minder valt in de uitlating naar mijn mening te lezen, dat</para>
    <para>de bewindsman niet als een tijdelijk verblijf zou willen beschouwen</para>
    <para>het min of meer omgekeerde geval waarin de betrokkene, over een</para>
    <para>langere tijdsduur bezien, zich in hoofdzaak ophoudt in de woonstaat</para>
    <para>maar regelmatig, steeds voor korte tijd, in de andere staat werkzaam</para>
    <para>is. Ik lees in de uitlating niet een toezegging of instructie om ook</para>
    <para>in die gevallen van een weerkerend, kortstondig verblijf het</para>
    <para>heffingsrecht over de aan die periode toe te rekenen</para>
    <para>arbeidsinkomsten te laten aan de werkstaat.</para>
    <para>7.5. Leest men in de uitlating wel een dergelijke toezegging, dan</para>
    <para>zal het besluit van 13 juli 1995 als een intrekking van die</para>
    <para>toezegging moeten worden beschouwd.</para>
    <para>7.6. Ingevolge art. 3:40 Awb treedt een besluit niet in werking</para>
    <para>voordat het is bekendgemaakt.</para>
    <para>Uit de toelichting blijkt dat de wetgever de bekendmaking zag als</para>
    <para>een 'constitutief vereiste', hetgeen de mogelijkheid open laat dat</para>
    <para>aan het besluit terugwerkende kracht wordt verleend.&amp;lt;(37) Memorie van toelichting inzake de Wet van 4 juni 1992, Stb. 315 (Awb,</para>
    <para>eerste tranche), Kamerstukken II, 1988-1989, 21 221, nr. 3, blz. 82.</para>
    <para>&amp;gt; Een intrekking</para>
    <para>van een toezegging met terugwerkende kracht zal echter de</para>
    <para>rechtszekerheid in de regel zodanig schaden, dat zij ontoelaatbaar</para>
    <para>moet worden geacht, vergelijk onder andere HR 22 juli 1994, BNB</para>
    <para>1994/296 m.nt. J. Brunt&amp;lt;(38) Nr. 29 632; FED 1994/790 m.nt. J.B.H. Röben, VN 1994 blz. 2465 pt. 5.</para>
    <para>&amp;gt;, overwegend</para>
    <para>"Als regel zal een belastingplichtige op grond van het</para>
    <para>vertrouwensbeginsel op toepassing van een in een resolutie</para>
    <para>vervatte beleidsregel mogen rekenen totdat de resolutie is</para>
    <para>ingetrokken of gewijzigd (...)."</para>
    <para>Uw Raad liet in dat arrest de mogelijkheid open dat onder</para>
    <para>omstandigheden van die regel kan worden afgeweken, maar dergelijke</para>
    <para>omstandigheden doen zich in het onderhavige geval naar mijn mening</para>
    <para>niet voor.&amp;lt;(39) Zie voor een discussie over een min of meer vergelijkbare problematiek</para>
    <para>(wets- of verdragswijziging met terugwerkende kracht) de Bijlage (notitie</para>
    <para>terugwerkende kracht) bij de Nota n.a.v. het Verslag (nr. 5) en MvA EK (nr.</para>
    <para>81a, pt. 2 en 4) bij de Wet van 13 december 1996, Stb. 650 (aanpassing</para>
    <para>openingsbalans directie-pensioenlichamen) en de MvT (nr. 5), het Verslag</para>
    <para>(nr. 6), de Nota n.a.v. het Verslag (nr. 7 blz. 4/5) en de Handelingen TK</para>
    <para>bij de Wet van 17 december 1998, Stb. 729 (wijziging belastingverdrag met</para>
    <para>Malta) alsmede S.H. Harkema, FED 1996/623 en 1997/311.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>7.7. Overigens valt uit de tekst van het besluit niet zonder meer af</para>
    <para>te leiden dat de bewindsman een dergelijke terugwerking dwingend</para>
    <para>heeft willen opleggen. Zo betoogt Pijl&amp;lt;(40) T.a.p., blz. 292 l.k.</para>
    <para>&amp;gt;:</para>
    <para>"Het Besluit vindt toepassing met ingang van de datum van</para>
    <para>publicatie ervan. Het kan echter eveneens toepassing vinden met</para>
    <para>betrekking tot aanslagen die op of na de datum van publikatie</para>
    <para>nog niet definitief vaststaan (...). Hieruit volgt dat (...) de</para>
    <para>duiding van tijdelijk verplicht vanaf 13 juli 1995 geschiedt.</para>
    <para>Uit de vriendelijke modaliteit van kunnen blijkt dat voor</para>
    <para>situaties van vóór die datum zowel het systeem van vóór als van</para>
    <para>na de mutual agreement is toegestaan. Naar mijn mening is het</para>
    <para>redelijk het aan de discretie van belastingplichtigen over te</para>
    <para>laten welke (...) duiding van tijdelijk in hun geval wordt</para>
    <para>gebruikt."</para>
    <para>8. Nader: de toerekeningsbreuk</para>
    <para>8.1. HR 24 september 1997, BNB 1998/51 m.nt van Ch.J. Langereis</para>
    <para>onder BNB 1998/52&amp;lt;(41) Nr. 32 478; FED 1998/26 m.nt. R.W.G. Rouwers, VN 1997, blz. 3522 pt. 11.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>overwoog:</para>
    <para>"ingevolge het bepaalde in (art.) 10, lid 1 van het (Verdrag)</para>
    <para>komt het heffingsrecht over de inkomsten van natuurlijke</para>
    <para>personen die in de ene staat - in dit geval Nederland - wonen</para>
    <para>en in de andere staat - in dit geval Duitsland - arbeid</para>
    <para>uitoefenen slechts aan die andere staat toe indien en voorzover</para>
    <para>de werkzaamheden waarmee die inkomsten worden behaald in de</para>
    <para>andere staat worden uitgeoefend. Dagen waarop in de andere</para>
    <para>staat wordt verbleven maar geen arbeid wordt verricht zijn voor</para>
    <para>de beantwoording van de vraag gedurende welke periode sprake is</para>
    <para>van het uitoefenen van de arbeid in de zin van voormelde</para>
    <para>bepaling zonder betekenis. Hiermede strookt het om (...) de</para>
    <para>noemer van de breuk waarmee wordt bepaald welk gedeelte van het</para>
    <para>jaarloon moet worden toegerekend aan de in de andere staat</para>
    <para>uitgeoefende arbeid te stellen op het totale aantal werkdagen</para>
    <para>(...)."</para>
    <para>8.2. HR 17 december 1997, BNB 1998/52 m.nt. Langereis&amp;lt;(42) Nr. 32 946; VN 1998/2.15 blz. 177.</para>
    <para>&amp;gt; betrof een</para>
    <para>vergelijkbare kwestie, voor de toepassing van art. 2 van het besluit</para>
    <para>voorkoming dubbele belasting. Overwogen werd:</para>
    <para>"Dagen waarop in de andere staat wordt verbleven maar geen</para>
    <para>arbeid wordt verricht, zijn voor de beantwoording van de vraag</para>
    <para>gedurende welke periode sprake is van arbeid in de zin van [art</para>
    <para>2, lid 2 van het besluit voorkoming dubbele belasting] zonder</para>
    <para>betekenis. Zulks stemt overeen met hetgeen de Hoge Raad heeft</para>
    <para>overwogen in het (zojuist geciteerde arrest). Met het</para>
    <para>voorgaande strookt het om (...) de noemer van de breuk waarmee</para>
    <para>wordt bepaald welk gedeelte van het jaarloon moet worden</para>
    <para>toegerekend aan de in de andere staat verrichte arbeid, niet te</para>
    <para>stellen op het aantal kalenderdagen, maar op het totale normale</para>
    <para>aantal werkdagen. Dit aantal is met het oog op een eenvoudige</para>
    <para>en uniforme uitvoering van het Besluit te stellen op het aantal</para>
    <para>kalenderdagen verminderd met de weekeinddagen (...) zodat van</para>
    <para>individuele omstandigheden - zoals ziekte, vakantie en</para>
    <para>dergelijke - afhankelijke niet-gewerkte dagen buiten</para>
    <para>beschouwing blijven. Voorzover evenwel vaststaat (...) dat in</para>
    <para>de teller weekeinddagen als werkdagen zijn meegeteld, dienen</para>
    <para>deze dagen in de noemer bij het normale totale aantal werkdagen</para>
    <para>te worden opgeteld."</para>
    <para>8.3. In Duitsland wordt een andere berekeningswijze toegepast. Het</para>
    <para>BFH overwoog in een uitspraak van 29 januari 1986 IR 22/85, BFHE</para>
    <para>146, 132 inzake de berekening van de op grond van een bepaling van</para>
    <para>het (oude) belastingverdrag Duitsland-Italië in Duitsland vrij te</para>
    <para>stellen inkomsten:</para>
    <para>"(de bepaling) verlangt, daß die (...) Einkünfte aus</para>
    <para>nichtselbständiger Arbeit in einen auf den Aufenthalt in</para>
    <para>Italien entfallenden und in einen auf den Aufenthalt im Inland</para>
    <para>(...) entfallenden Teil aufgeteilt werden. Dazu ist von dem</para>
    <para>Grundsatz auszugehen, daß der (...) Arbeitnehmer seine</para>
    <para>Einnahmen (...) aus nichtselbständiger Arbeit erhält, weil er</para>
    <para>seinem Arbeitgeber versprochen hat, seine Arbeitskraft an einer</para>
    <para>bestimmten Zahl von Tagen (vereinbarte Arbeitstage) innerhalb</para>
    <para>eines Jahres oder eines anderen Zeitraums zur Verfügung zu</para>
    <para>stellen. Grundlage für die Berechnung der steuerfreien</para>
    <para>Einkünfte ist deshalb einmal die Zahl der vertraglich</para>
    <para>vereinbarten Arbeitstage, wobei wegen jahresbezogener</para>
    <para>Zusatzvergütungen (...) in der Regel die vereinbarten</para>
    <para>Arbeitstage pro Kalenderjahr heranzuziehen sind. Darunter sind</para>
    <para>die Kalendertage pro Jahr abzüglich der Tage zu verstehen, an</para>
    <para>denen der Arbeitnehmer laut Arbeitsvertrag nicht zu arbeiten</para>
    <para>verpflichtet ist (=Urlaubstage sowie arbeitsfreie Samstage,</para>
    <para>Sonntage und gesetzliche Feiertage). Mithin kommt es weder auf</para>
    <para>die Zahl der Kalendertage (...) noch auf die Zahl der Tage an,</para>
    <para>an denen der Arbeitnehmer tatsächlich seiner (...) Arbeit</para>
    <para>nachging. (...) Das Heranziehen der vereinbarten Arbeitstage</para>
    <para>trägt auch dem Umstand ausreichend Rechnung, daß bei Lohn- und</para>
    <para>Gehaltsempfängern die Bezüge im allgemeinen unabhängig von den</para>
    <para>tatsächlich gearbeiteten Stunden (Tagen) gezahlt werden. (...)</para>
    <para>Den vereinbarten Arbeitstagen ist das für die entsprechende</para>
    <para>Zeit vereinbarte Arbeitsentgelt (...) gegenüberzustellen.</para>
    <para>Zusatzvergütungen (...) die die (...) Arbeit des Arbeitnehmers</para>
    <para>innerhalb des gesamten Berechnungszeitraums betreffen, sind in</para>
    <para>das vereinbarte Arbeitsentgelt einzubeziehen. Vergütungen [z.B.</para>
    <para>für Überstunden (...) für Auslandstätigkeit u. ä. m.] (?), sind</para>
    <para>außerhalb des (...) Berechnungsschemas der Einzeltätigkeit</para>
    <para>unmittelbar zuzuordnen. (....) Das vereinbarte Arbeitsentgelt</para>
    <para>pro Arbeitstag ist in Beziehung zu den vereinbarten</para>
    <para>Arbeitstagen zu setzen, an denen sich der Arbeitnehmer</para>
    <para>tatsächlich in Italien aufhält. Sollte sich der Arbeitnehmer</para>
    <para>auch an Tagen in Italien aufhalten, die nicht zu den</para>
    <para>vereinbarten Arbeitstagen zählen [z.B. Verlängerung eines</para>
    <para>Aufenthalts (...) aus privaten Gründen), so fallen diese Tage</para>
    <para>aus der Berechnung der steuerfreien Einkünfte heraus. (...)."</para>
    <para>8.4. In dezelfde zin BFH 29 januari 1986 I R 296/82 BFHE 146, 136</para>
    <para>BStBl II 1986, 513 (inzake het Verdrag Duitsland-Frankrijk); BFH 29</para>
    <para>januari 1986 I R 109/85 BFHE 146, 141 (inzake het verdrag Duitsland-</para>
    <para>Zweden); BFH 24 februari 1988 I R 143/84, BFHE 152, 500 BStBl I 88,</para>
    <para>819 (inzake het Verdrag Duitsland-Zwitserland) en BFH 18 juli 1990,</para>
    <para>I R 109/88 BFHE 161, 482, BFH Inzake het oude verdrag Duitsland-</para>
    <para>Italië). Het Duitse ministerie van Financiën schrijft die</para>
    <para>berekeningswijze ook voor andere verdragen voor&amp;lt;(43) BMF Schreiben van 5 januari 1994, par. 6; Debatin/Wassermeyer, a.w. Band</para>
    <para>I, Anhang B II 41a blz. 441.</para>
    <para>&amp;gt;; in de (Duitse)</para>
    <para>literatuur wordt die opvatting gevolgd.&amp;lt;(44) Zie o.a. Vogel, a.w. art. 15, blz. 1141 Rz 15; Engelse editie blz. 890/1;</para>
    <para>Schieber, t.a.p. blz. 63/4 Rz 145 en Galavazi, Debatin/Wassermeyer,</para>
    <para>Commentaar Verdrag Duitsland-Nederland, art. 10, blz. 37, Rz. 148.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>8.5. Het is naar mijn mening onwenselijk indien bij de toepassing</para>
    <para>van het Verdrag op hetzelfde object aan beide zijden van de grens</para>
    <para>een verschillende berekeningswijze zou worden gevolgd.</para>
    <para>8.6. Het lijkt mij zinloos om op zo'n ondergeschikt punt vast te</para>
    <para>houden aan de eigen opvatting. Ik zou de Duitse berekeningswijze</para>
    <para>daarom - in elk geval wat de toepassing van het Verdrag betreft -</para>
    <para>maar willen overnemen.</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>